Tom Jones

Part 80

Chapter 804,069 wordsPublic domain

„Best, mijnheer,” brulde Western, met het schuim op de lippen, zoodra hij den mond opendeed; „best! Nu kunt gij niet zeggen dat ik u niet tot het einde toe aangehoord heb, en thans verwacht ik dat gij naar mij zult luisteren;—en als ik niet het tegendeel bewijs van elk woord dat gij gezegd hebt, stem ik er in toe, om een einde aan de zaak te maken! Ten eerste dan, eisch ik antwoord op ééne vraag: is zij niet mijne dochter? Ik vraag; is zij niet mijne dochter? Men zegt wel, ’t is een wijze vader, die zijn eigen kind kent;—maar in elk geval heb ik de meeste aanspraken op haar; want ik heb haar groot gebragt! Maar denkelijk, zult gij wel toestaan, dat zij mijn eigen kind is,—en in dat geval: heb ik geen regt om van mijn eigen kind gehoorzaamheid te vergen?—Ja, zeg ik, gehoorzaamheid te vergen? En als zij mij in andere zaken gehoorzamen moet,—moet zij mij ook in deze zaak gehoorzamen, welke van zoo veel belang is voor haar. En wat is het, dat ik van haar begeer? Vraag ik dat zij iets om mijnentwil zal doen?—Vraag ik, dat zij mij iets geven zal?—Wel juist het, tegendeel! Al wat ik vraag, is dat zij nu de ééne helft van mijn vermogen zal aannemen,—en de andere helft bij mijn dood! Nu—en waarom moet dit alles gebeuren? Wel! Alleen tot haar eigen geluk! ’t Is om dol te worden als men de menschen zoo hoort praten! Als ik zelf trouwen wilde, dan zou zij reden genoeg hebben om te janken en huilen;—maar, integendeel,—heb ik niet aangeboden mijne bezittingen zoo op haar vast te maken, dat ik niet eens trouwen kon, al wilde ik het nog zoo gaarne, daar geene vrouw ter wereld mij zou willen nemen! Wat drommel, kan ik meer doen? Ik zou er toe bijdragen, om haar in de eeuwigheid ongelukkig te maken?—Verd—! De geheele wereld zie ik liever naar den bl—— loopen, dan dat men haar één haar op het hoofd zou krenken! Neem het me niet kwalijk, vriend Allworthy; maar ik sta verstomd als ik u zoo hoor praten! Ik moet ook zeggen, hoe ge het verkiest op te nemen, dat ik me verbeeldde, dat ge meer gezond verstand hadt!”

Allworthy antwoordde slechts met een glimlach op dit verwijt, en zou, al had hij het gewenscht, noch kwaadaardigheid noch minachting in dien glimlach hebben kunnen mengen. Inderdaad, hij glimlachte om de dwaasheid op dezelfde wijze waarop wij veronderstellen mogen dat de engelen glimlagchen om de ongerijmdheden der menschen.

Thans verzocht Blifil eenige woorden te mogen spreken: „Wat dwangmiddelen betreft, zeker zou ik er nooit in toestemmen, dat die tegen de jonge dame gebezigd werden. Mijn geweten laat niet toe, tegen wien ook dwang te gebruiken en nog veel minder tegen eene dame, voor wie, hoe wreed zij ook zij ten mijnen opzigte, ik steeds de zuiverste, meest opregte liefde koesteren zal. Ik heb echter gelezen, dat de vrouwen zelden bestand blijven tegen de volharding. Waarom zou ik dus ook niet mogen hopen door vol te houden, eindelijk die neiging te verwerven, waarin ik voor het vervolg welligt geen mededinger zal behoeven te duchten;—want, wat dien Lord betreft, mijnheer Western heeft de goedheid mij boven hem te verkiezen, en zeker, oom, zult gij niet loochenen, dat een vader ten minste eene ontkennende stem bezit, in deze zaken;—ja, ik heb zelfs de jonge dame herhaaldelijk hooren verklaren, en verzekeren, dat zij het onvergeefelijk beschouwde als kinderen regtstreeks tegen den zin hunner ouders in het huwelijk traden. Bovendien, hoewel de overige dames der familie de aanspraken van Milord schijnen te begunstigen, zie ik niet, dat de dame zelve geneigd is om hem eenigzins de voorkeur te geven;—helaas, ik ben zelfs van het tegendeel overtuigd;—ik weet maar al goed, dat die andere booswicht steeds nog in haar hart heerscht.”

„Ja, ja, dat is ook het geval,” riep Western.

„Maar,” hervatte Blifil, „het is toch buiten kwestie, dat als zij den moord verneemt, welken hij begaan heeft,—al spaart zelfs de wet zijn leven—”

„Hoe! Wat?” riep Western, „een moord? Heeft hij een moord begaan? En is er eenige hoop om hem te zien opknoopen?—Bravo! Hoera! Tra-la-li-ri!” En hij begon te zingen en door de kamer te dansen.

„Neef,” zei Allworthy, „uwe ongelukkige liefde doet me opregt leed. Ik heb van harte medelijden met u en zou alles wat billijk is, willen doen om uw geluk te verzekeren.”

„Ik verlang ook niets anders,” hernam Blifil. „Ik ben overtuigd dat mijn beste oom te goed over me denkt om te kunnen veronderstellen dat ik zelf iets anders verlangen zou!”

„Hoor dan,” antwoordde Allworthy. „Ik geef u verlof om haar te schrijven,—zelf om haar te bezoeken, als zij dat toestaan wil;—maar ik blijf er bij:—ik wil van geen dwang weten. Van opsluiting, of iets van dien aard, wil ik niets hooren!”

„Nu ja,” riep de landjonker; „niets van dien aard zal ook beproefd worden; wij zullen nog een tijdlang zachte middelen beproeven; en als die kerel maar eens aan de galg is—tra—la—la! Ik heb van mijn leven geen betere tijding ontvangen;—dan zal wel alles verder naar mijn zin gaan. Kom, mijn waarde Allworthy,—zeg niet neen! Kom heden bij me eten in de „Zuilen van Herkules;”—ik heb een gebraden schapenbout besteld, met een varkensribbetje en een kip met eijerensous. Wij zullen heel alleen wezen,—tenzij wij lust krijgen om den waard zelven er bij te vragen; want ik heb dominé Supple naar Basingstoke gezonden, om mijne tabaksdoos te zoeken, welke ik daar heb laten liggen in de herberg, en die ik om alles ter wereld niet zou willen verliezen; want ik heb ze al meer dan twintig jaren gehad. Ik verzeker je, dat die waard een komieke vent is, die u best bevallen zal!”

De heer Allworthy liet zich eindelijk overhalen om deze uitnoodiging aan te nemen, en kort daarop vertrok de landjonker, springende en dansende, bij de prettige gedachte om weldra het tragische uiteinde van den armen Jones te beleven.

Zoodra hij weg was, hervatte Allworthy, op zeer ernstigen toon, het gesprek. Hij verzekerde zijn neef, „dat hij van ganscher harte wenschte dat hij een hartstogt trachtte te overwinnen, die u,” zeide hij, „naar ik vrees, geenerlei vooruitzigt op geluk oplevert. Het is ongetwijfeld eene dwaling, al is ze nog zoo algemeen, te gelooven, dat de afkeer van eene vrouw door volharding te overwinnen is. De onverschilligheid moge welligt soms daarvoor bezwijken; maar een minnaar zegeviert gewoonlijk door volharding alleen over grillen, onvoorzigtigheid, gemaaktheid, en soms over een buitensporigen graad van ligtzinnigheid, welke eene vrouw, die niet zeer vurig van gestel maar eenigzins ijdel is, kon bewegen om den duur der vrijaadje te verlengen, zelfs wanneer zij al redelijk ingenomen is met haren vrijer, en haar eindelijk doen besluiten,—als zij ooit tot een besluit komen kan,—om hem eene zeer geringe vergoeding te schenken voor al wat hij geleden heeft. Maar een bepaalde afkeer, zooals, naar ik vrees, in dit geval heerscht, zal eerder versterkt dan verminderd worden door den tijd. Bovendien, waarde neef, heb ik nog een twijfel, welken gij mij ten goede houden moet. Ik vrees namelijk dat de liefde, welke gij voor dat beminnelijke meisje koestert, te veel gegrond is op bewondering van haar uiterlijk schoon, en eigenlijk onwaardig is om den naam van die liefde te dragen, welke de eenige grondslag is van het huwelijksgeluk. Het is, ik erken het, niet meer dan natuurlijk om eene schoone vrouw te bewonderen, haar gaarne te zien en naar haar bezit te verlangen; maar naar ik meen, wordt de liefde alleen uit de liefde geboren;—ten minste, ik weet tamelijk zeker, dat het niet in de menschelijke natuur ligt om iemand te beminnen, van wie wij weten, dat hij ons haat toedraagt. Onderzoek dus goed uw hart, mijn waarde jongen, en als gij, na rijp overleg, slechts den minsten zweem van zulk eene gezindheid in u zelven ontdekt, dan ben ik overtuigd, dat uwe deugd en uw godsdienstzin, u nopen zullen zulk een onwaardigen hartstogt uit uw hart te bannen, en uw gezond verstand zal u spoedig in staat stellen dat te doen zonder pijn.”

De lezer kan gemakkelijk begrijpen wat Blifil hierop antwoordde; maar als hem dat moeijelijk valt, hebben wij voor het oogenblik den tijd niet om hem dienaangaande in te lichten, daar onze geschiedenis nu dringende zaken van meer belang mede te deelen heeft en wij het ook niet langer volhouden kunnen, zonder Sophia weder te ontmoeten.

HOOFDSTUK IV.

EEN MERKWAARDIG TOONEEL TUSSCHEN SOPHIA EN HARE TANTE.

De loeijende vaars en het blatend ooilam mogen, temidden der kudde, veilig en onbewaakt door de weilanden dwalen. Ze zijn wel later gedoemd om den mensch ten prooi te vallen; maar mogen jaren lang ongestoord de vrijheid genieten. Als echter eene vette hinde uit het bosch ontsnapt en ontdekt wordt terwijl zij in veld of struik uitrust, geraakt spoedig de geheele gemeente op de been; iedereen is gereed om met zijne honden jagt op haar te maken, en als zij door den heer van het dorp beschermd wordt tegen al de overigen, doet hij dat alleen met het doel om haar op zijne eigene tafel te zien pronken.

Ik heb me dikwerf verbeeld, dat een schoon jong meisje, van goeden huize en met eenig vermogen, als zij voor het eerst over den drempel van de kinderkamer komt, ongeveer in denzelfden toestand verkeert als de hinde. De stad is dadelijk in de weer; zij wordt gejaagd uit het park naar den schouwburg, van het hof naar de soirées, van de soirée naar hare eigene kamer en doorleeft zelden één saizoen zonder den een of anderen ten prooi te vallen; want, als hare vrienden haar tegen sommigen bewaken, doen zij dat alleen om haar aan iemand anders over te leveren, dien zij zelve uitgezocht hebben, en die haar dikwerf meer gehaat is, dan al de overigen; terwijl geheele kudden, of troepen van andere vrouwen in de meeste veiligheid, en haast zonder dat men naar haar ziet, het park, de opera en de partijen bezoeken, en, hoewel ook zij eindelijk meestal verslonden worden, een tijdlang, vrij en ongedwongen overal in het rond dartelen.

Onder al deze slagtoffers, werd er nooit een meer vervolgd dan de arme Sophia. Het booze noodlot, niet tevreden met hetgeen zij door Blifil geleden had, zond nu een nieuwen pijniger, die, naar het scheen, haar niet minder kwellen zou, dan de andere reeds gedaan had. Want ofschoon hare tante minder driftig was, bleef zij niet minder volhouden dan vroeger haar vader, met zijne kwellingen.

De dienstboden hadden naauwelijks na tafel de kamer verlaten, toen mejufvrouw Western, na eene korte inleiding, aan Sophia mededeelde, „dat zij dienzelfden namiddag Milord wachtte, en zich voorgenomen had om hem met haar alleen te laten.”

„Als dat geschiedt, tante,” antwoordde Sophia, met eenigen moed, „zal ik ook dadelijk de gelegenheid waarnemen om hem aan zich zelven over te laten.”

„Hoe! Wat!” riep hare tante; „wilt gij mij op die wijze mijne goedheid vergelden, dat ik u uit de gevangenschap bij uw vader verlost heb?”

„Gij weet best, tante,” hernam Sophia, „dat ik dáár opgesloten werd, juist omdat ik weigerde een man te nemen, dien ik haatte, en zou mijne lieve tante, die mij uit dien nood gered heeft, mij een nieuw ongeluk willen berokkenen, dat niet minder erg is?”

„En verbeeldt gij u dan, mejufvrouw,” hernam hare tante, „dat er geen onderscheid bestaat tusschen Lord Fellamar en mijnheer Blifil?”

„Naar mijn gevoelen, zeer weinig,” hernam Sophia, „en als ik veroordeeld moest zijn om een van beiden te nemen, zou ik zeker verkiezen om mijn vader zijn zin te geven.”

„Ik begrijp dus, dat mijne wenschen zeer weinig bij u vermogen,” zei de tante; „maar die bedenking zal mij niet afschrikken. Ik handel uit meer verhevene grondbeginselen. De wensch om mijne familie te verheffen, en u in den adelstand te zien opnemen, is mijne beweegreden. Hebt gij hoegenaamd geene eerzucht? Is er niets bekoorlijks voor u in de gedachte om eene kroon boven het wapen op uwe koets te hebben?”

„Hoegenaamd niets, op mijn woord,” hernam Sophia. „Ik zou evenveel geven om een speldekussen boven het wapen.”

„Dan moet gij mij nooit meer van eergevoel spreken!” riep hare tante; „dat betaamt zulk een laaghartig wezen niet. Het spijt me, nicht, dat ge me dwingt zoo iets te zeggen; maar uwe laaghartigheid is onverdragelijk. Het bloed der Western’s vloeit niet in uwe aderen! Maar, hoe laag en verachtelijk ook uwe begrippen zijn, zal ik toch niet toelaten dat gij ook een smet op mijn goeden naam werpt. De wereld zal nooit zeggen, dat ik u aanmoedigde om eene der beste partijen in het rijk af te slaan,—een huwelijk, dat, buiten en behalve de geldelijke voordeelen, eene eer zou wezen voor bijna iedere familie in het land, en dat een titel zou aanbrengen, die niet in ons geslacht is.”

„Nu,” hernam Sophia, „ik ben zeker door de natuur misdeeld, en het ontbreekt mij aan het orgaan, dat genot vindt in ijdele klanken en vertooning;—want de menschen zouden zich niet zoo afsloven, of zooveel opofferen om iets te verkrijgen,—of zich zoo verhoovaaardigen in het bezit van iets, dat mij geheel zonder waarde schijnt,—als zij er even zoo over dachten als ik.”

„Neen, neen, mejufvrouw,” riep hare tante; „gij zijt even goed door de natuur bedeeld als andere menschen; maar ik wil u wel verzekeren, dat het u niet gegeven is, om mij voor den gek te houden, of mij, in het oog der wereld bespottelijk te maken. Dus verzeker ik u op mijn woord van eer, en ik geloof dat gij van mijne onwrikbaarheid overtuigd zijt, dat als gij er niet in toestemt Milord heden namiddag te ontvangen, ik, met eigene handen, u morgen aan mijn broeder overleveren zal, en dat ik mij in het vervolg niet meer met u bemoeijen zal, of u ooit wederzien.”

Sophia bewaarde een oogenblik het stilzwijgen na dezen uitval, die op den meest vertoornden en driftigen toon gedaan werd, maar spoedig barstte zij in tranen uit en riep: „Doe met mij wat u goeddunkt, tante;—ik ben het ongelukkigste, rampzaligste wezen ter wereld. En als mijne goede tante mij ook verlaat, waar zal ik dan iemand vinden om mij te beschermen?”

„Mijne lieve nicht,” hernam mejufvrouw Western, „gij zult een besten beschermer vinden in Milord;—een beschermer, dien gij alleen weigert, omdat gij in uw hart nog haakt naar dien ellendigen Jones.”

„Wezenlijk, tante,” antwoordde Sophia, „gij doet me groot onregt! Hoe kunt gij u, na den brief, welken gij mij getoond hebt, nog verbeelden, dat, als ik al ooit aan hem gedacht heb, ik thans niet, voor altijd, zulke denkbeelden heb laten varen! Als het u voldoen kan, ben ik ook gereed om er een eed op te zweren, dat ik hem nooit weerzien zal.”

„Maar kind,—kindlief!” riep hare tante, „kunt gij dan één redelijk bezwaar bedenken tegen Milord?”

„Me dunkt,” hernam Sophia, „dat ik u reeds een voldoend bezwaar opgenoemd heb.”

„Hoe!” riep de tante; „ik kan me er geen herinneren!”

„Wel, tante,” zei Sophia, „heb ik u niet verteld dat hij mij op de ruwste, verachtelijkste wijze behandeld heeft?”

„Wezenlijk, kind,” hernam de andere, „dat heb ik niet gehoord,—of ik heb het niet verstaan.—Maar wat bedoelt gij met ruwe en verachtelijke behandeling?”

„Inderdaad tante,” antwoordde Sophia, „ik schaam me haast om daarover te spreken. Hij vatte mij in de armen, trok me op de sofa, greep me in den halsdoek en kuste me met zooveel geweld, dat gij hier er nog de sporen van zien kunt.”

„Is dat waar?” vroeg jufvrouw Western.

„Ja zeker, tante,” hernam Sophia; „maar, gelukkig kwam vader op dat oogenblik binnen, of de hemel weet hoe ver hij zijne onbeschoftheid gedreven zou hebben!”

„Ik sta verbaasd en verstomd!” riep hare tante; „geene vrouw, die den naam van Western gedragen heeft, is ooit aan zoo iets blootgesteld geweest, sedert ons geslacht bestaan heeft. Ik zou iederen Lord de oogen uitgekrabd hebben, als hij zich zulke vrijheden tegenover mij veroorloofd had. Het schijnt echter onmogelijk! Gij moet dit alles bedacht hebben, Sophia, om mijne verontwaardiging tegen hem op te wekken.”

„Ik hoop toch, tante, dat gij te goed over me denkt, om mij in staat te achten eene onwaarheid te vertellen. Op mijn woord van eer,—het is alles volkomen waar!”

„Ik zou hem een mes door het hart gestoken hebben als ik er bij ware geweest,” hernam de tante. „Maar hij kon toch niets oneerlijks bedoelen;—dat is onmogelijk:—zoo iets zou hij niet durven. Bovendien, bewijst zijn aanzoek, dat hij het eerlijk meent; want het is niet slechts zeer vereerend, maar ook tevens zeer voordeelig. Ik begrijp het niet meer:—deze eeuw staat al te veel vrijheden toe! Een deftige kus is het meeste, dat ik ooit toegelaten zou hebben eer het huwelijk gesloten was. Ik heb in mijn tijd ook vrijers gehad,—niet zoo heel lang geleden,—hoewel ik nooit iets van het huwelijk weten wilde, en ik heb hen nooit tot de minste vrijheid aangemoedigd. Geen man heeft mij ooit iets meer dan de wang gekust. Het kost al heel veel om een echtgenoot te vergunnen onze lippen aan te raken,—en werkelijk, als men mij er ooit toe had kunnen brengen om in het huwelijk te treden, twijfel ik of men mij spoedig er toe gebragt zou hebben zelfs dat te dulden!”

„Vergeef me als ik iets opmerk, tante-lief,” zei Sophia; „gij bekent zelve dat gij vele vrijers hebt gehad,—en al wildet gij dat ontkennen,—de geheele wereld is daar om u tegen te spreken. Gij hebt hen allen bedankt, en ik ben overtuigd dat er ten minste één edelman onder is geweest?”

„Ja, dat hebt gij wel geraden, lieve Sophia,” hernam zij. „Eens werd ik door een edelman gevraagd.”

„En waarom dan,” vroeg Sophia, „wilt gij mij niet vergunnen ook ditmaal er een te weigeren?”

„’t Blijft wel waar, kind,” antwoordde zij, „dat ik een edelman niet hebben wilde; maar het was zoo’n goede partij niet;—dat wil zeggen,—niet zoo heel, heel best!”

„Maar, tante,” hervatte Sophia, „gij hebt ook aanzoek gehad van heeren, die een heel groot vermogen bezaten. Het was niet het eerste, of het tweede, of zelfs het derde voordeelige huwelijk, dat gij hadt kunnen doen.”

„Dat moet ik wel bekennen,” hernam hare tante.

„Nu dan,” begon weder Sophia, „en waarom mag ik ook niet hopen een tweeden vrijer te vinden, die welligt nog wenschelijker zou zijn dan deze? Gij zijt nog eene jeugdige vrouw en zoudt den eersten den besten rijken of adellijken vrijer bedanken. Ik ben zeer jong en behoef dus zeker ook niet te wanhopen.”

„Nu, mijne lieve Sophia, wat verlangt gij dan van mij?” riep mejufvrouw Western.

„Wel, tante, ik smeek u slechts, mij heden avond niet alleen te laten. Sta mij dat toe, en als het u, na hetgeen gebeurd is, nog gepast schijnt dat ik hem ontvang, zal ik mij er aan onderwerpen om dat te doen in uw bijzijn.”

„Nu, daar stem ik in toe,” riep de tante. „Gij weet best hoeveel ik van u houd, Sophia, en ik kan u niets weigeren. Gij weet ook, dat ik thans een heel gemakkelijk mensch ben. Vroeger was ik zoo gemakkelijk niet. Vroeger noemde men mij wreed,—ik bedoel natuurlijk, dat de mannen dat deden. Men heette mij de wreede Parthenissa. Ik heb menige glasruit gebroken, waarop men een vers gekrast had aan de wreede Parthenissa. Ik was wel minder schoon dan gij, Sophia, en toch, geleek ik wel op u vroeger! Nu ben ik een weinig veranderd. De koningrijken en de staten, zoo als Cicero zegt, in zijne brieven, veranderen steeds, en dat is ook het geval met de menschelijke gestalte.”

Op deze wijze draafde zij bijna een half uur lang door, over zich zelve, hare veroveringen en hare wreedheid, tot Milord verscheen, die, na een zeer vervelend bezoek, gedurende hetwelk mejufvrouw Western in het geheel geen lust betoonde om de kamer voor een enkel oogenblik te verlaten, zich weder verwijderde, evenmin voldaan over de houding der tante als over die harer nicht. Want Sophia had hare tante zoodanig bij goede luim gebragt, dat zij het bijna met alles eens was wat Sophia zeide, en toestemde, dat een weinig terughouding welligt niet te onpas kwam bij zulk een onbescheiden vrijer.

Dus verkreeg Sophia, door een weinig handige vleijerij, welke niemand in haar berispen zal, eene geringe verligting en vertraagde ten minste het booze oogenblik. En thans, dat wij onze heldin in een beteren toestand zien, dan sedert lang het geval was, zullen wij naar den heer Jones eventjes omzien, dien wij in de grootst mogelijke ellende verlieten.

HOOFDSTUK V.

JUFVROUW MILLER EN DE HEER NIGHTINGALE BEZOEKEN DEN HEER JONES IN DE GEVANGENIS.

Toen de heer Allworthy en zijn neef bij den heer Western gingen eten, liep jufvrouw Miller naar de woning van haar schoonzoon, om hem berigt te geven van het ongeluk, dat zijn vriend Jones overkomen was;—maar hij had alles al lang te voren van Partridge vernomen,—want Jones had, toen hij de kamers bij jufvrouw Miller verliet, hetzelfde huis betrokken als de heer Nightingale.

De goede vrouw vond hare dochters diep bedroefd over het lot van Jones,—en na haar zoo goed mogelijk getroost te hebben, vervolgde zij haren weg naar de gevangenis, waar Jones zich bevond, en waar mijnheer Nightingale vóór haar aangekomen was.

De standvastigheid en getrouwheid van een echten vriend zijn zoo buitengewoon streelend voor menschen die onder eenig ongeluk gebukt gaan, dat, zoo’n ramp zelve, als die slechts tijdelijk en te verhelpen is, meer dan opgewogen wordt door dezen troost. En voorbeelden van dezen aard zijn volstrekt niet zóó schaars als eenige oppervlakkige en onnaauwkeurige waarnemers meenen opgemerkt te hebben. Gebrek aan medelijden behoeft niet geteld te worden onder onze algemeene gebreken. De zwartste ondeugd welke onze ziel besmet, is de nijd. Van daar, vrees ik, dat wij zelden het oog opslaan naar diegenen welke blijkbaar grooter, beter, wijzer of gelukkiger zijn dan wij, zonder eenige kwaadwilligheid in onzen blik; terwijl wij gewoonlijk op de geringen en ongelukkigen nederzien met medelijden en welwillendheid. Ik heb, inderdaad, opgemerkt, dat de meeste gebreken, welke ik ooit in de vriendschap ontdekt heb alleen uit nijd ontstaan zijn,—eene helsche ondeugd,—en toch eene van welke ik slechts weinige menschen geheel vrij heb gevonden. Maar genoeg over een onderwerp, dat anders, als ik er over uitweidde, me al te ver van den weg af zou brengen.

Hetzij vrouw Fortuna vreesde, dat Jones bezwijken zou onder het gewigt zijner rampen, en dat zoodoende de gelegenheid verloren zou gaan om hem in de toekomst te kwellen,—of dat zij wezenlijk eenigzins ten zijnen opzigte vermurwd was, scheen zij, voor het oogenblik hare vervolgingen te willen staken, door hem het gezelschap te zenden van twee getrouwe vrienden, en (wat nog zeldzamer is) van een getrouwen dienstbode. Want Partridge, hoe vele gebreken hij ook had, was geen verrader, en hoewel zijne vreesachtigheid hem belet zou hebben, om zich voor zijn meester te laten opknoopen, zou men hem met alle schatten ter wereld niet hebben kunnen omkoopen om hem te verzaken.

Terwijl Jones zijne vreugde uitdrukte over het bijzijn zijner vrienden, bragt Partridge het berigt dat de heer Fitzpatrick nog leefde, hoewel de heelmeester slechts zeer weinig hoop koesterde op zijne genezing. Hierop slaakte Tom een zwaren zucht, en Nightingale zeide:

„Mijn waarde Tom, waarom zijt gij zoo bedroefd om een ongeluk dat,—welke gevolgen het ook hebbe,—u geen gevaar aanbrengen kan, en waarbij uw geweten u niet beschuldigen kan van iets misdaan te hebben? Als die vent sterft,—wat dan? Gij hebt niets anders gedaan, dan uit zelfverdediging een schurk te dooden. Bij de lijkschouwing zal dit zeker uitgemaakt worden; men zal u, tegen borgstelling, dadelijk in vrijheid stellen, en hoewel gij dan, bij wijze van formaliteit, vóór de regtbank zult moeten komen, is er menigeen, die om een schelling te verdienen uwe plaats zou willen innemen.”

„Kom, kom, mijnheer Jones,” voegde jufvrouw Miller er bij, „houd maar goeden moed! Ik wist wel, dat gij den eersten slag niet gegeven zoudt hebben, en dat heb ik ook aan mijnheer Allworthy gezegd,—en hij zal dat ook zelf moeten bekennen eer hij met mij gedaan heeft.”