Tom Jones

Part 79

Chapter 794,005 wordsPublic domain

Wij kunnen den lezer geen beter denkbeeld geven van den gemoedstoestand van den heer Jones en van de folteringen, welke hij nu ondervond, dan door te zeggen, dat zijne ellende zoo groot was, dat zelfs Thwackum hem haast beklaagd zou hebben. Maar, hoe rampzalig hij ook zij, zullen wij hem thans verlaten,—even als zijne beschermengel (zoo hij er ooit een heeft gehad), schijnt gedaan te hebben.

En hiermede sluiten wij het zestiende boek van onze geschiedenis.

BOEK XVII.

Bevattende den tijd van drie dagen.

HOOFDSTUK I.

BEVATTENDE IETS TER INLEIDING.

Als een komische schrijver zijne hoofdpersonen zoo gelukkig mogelijk heeft gemaakt, of als een tragische schrijver hen in den diepsten poel der menschelijke ellende gedompeld heeft, begrijpen beiden dat zij hunne taak vervuld hebben, en hun werk afgeloopen is.

Indien wij tot het tragische geslacht behoord hadden, zal de lezer toestemmen, dat wij bijna aan het einde gekomen zouden zijn, daar het den Satan zelven, of een zijner vertegenwoordigers op aarde, zeer zwaar zou vallen om veel grootere kwellingen te bedenken dan die, te midden van welke wij den armen Jones in het vorige hoofdstuk verlieten,—en wat Sophia betreft, eene goedaardige vrouw zou naauwelijks hare eigene mededingster grootere pijn toewenschen, dan die welke men veronderstellen moet, dat thans door haar ondervonden werd. Er blijft dus niets over om het treurspel te volmaken dan een stuk of wat moorden en eenige zedespreuken.

Maar het is eene veel moeijelijker taak om onze lievelingen uit den tegenwoordigen angst en nood te bevrijden en hen eindelijk veilig en gelukkig aan wal te brengen;—eene taak, die inderdaad zoo hopeloos schijnt, dat wij niet bepaaldelijk op ons nemen, om ze te vervullen.

Wat Sophia aangaat, is het meer dan waarschijnlijk, dat het ons, op de eene of andere wijze, gelukken zal haar eindelijk een goeden man te bezorgen, hetzij Blifil, of Milord, of iemand anders;—maar, ten opzigte van den armen Jones, deze is op het oogenblik met zulke rampen overladen, welke aan zijne ligtzinnigheid toe te schrijven zijn,—waardoor een mensch, zoo niet een moordenaar in het oog der wereld, toch eene soort van zelfmoordenaar wordt,—hij is zoodanig van vrienden ontbloot, en door vijanden vervolgd, dat wij bijna moeten wanhopen om hem tot een goed einde te brengen, en, als de lezer eenig behagen schept in openbare teregtstellingen, komt het ons voor, dat het hoog tijd wordt voor hem om eene plaats te huren op de eerste rij onder de galg te Tyburn.

Ik beloof echter plegtig, dat niettegenstaande al de neiging, welke men veronderstellen moet dat ik voor dezen schelm koester, ik hem geene van die bovennatuurlijke hulpmiddelen verleenen zal, waarover een schrijver te beschikken heeft,—onder voorwaarde, dat hij ze alleen bij zeer belangrijke gelegenheden inroept. Als Jones dus geen natuurlijk middel vindt om zich voor goed uit den nood te redden, zullen wij, om zijnentwil, de waarheid en de waardigheid dezer geschiedenis niet schenden;—want wij zouden liever verhalen dat hij te Tyburn aan de galg stierf (wat niets onwaarschijnlijks heeft), dan onze eerlijkheid opofferen, of het geloof van den lezer schokken.

Ten dezen opzigte, bezaten de ouden een groot voordeel boven ons. Hunne fabelkunde, waaraan het volk vaster geloofde dan aan eenige godsdienst heden ten dage, verschafte hun altijd de gelegenheid om een geliefkoosden held te redden. Hunne godheden waren steeds bij de hand, om elk plan van den schrijver uit te voeren, en hoe verbazender de uitvlugt was, des te grooter was de verrassing en verrukking van den ligtgeloovigen lezer.

Die schrijvers konden dus met minder bezwaar een vriend van het eene land naar het andere vervoeren,—ja zelfs, van de ééne wereld naar de andere, en hem later weder terugbrengen,—dan een ongelukkige, meer beperkte hedendaagsche schrijver ondervindt als hij zijn held uit de gevangenis wil redden.

De Perzen en Arabieren hadden een even groot voordeel in hunne verhalen, door middel van de Geesten en Feëen, waaraan zij gelooven moesten, op het gezag van den Koran zelven. Maar wij bezitten geene van deze hulpmiddelen. Wij zijn bij uitsluiting tot natuurlijke middelen beperkt;—laat ons dus zien, wat wij daarmede voor den armen Jones kunnen gedaan krijgen,—hoewel, om de waarheid te zeggen, er iets is, dat mij in het oor fluistert, dat hij het ergste wat hem wacht, nog niet kent, en dat een nog grievender nieuws dan hij tot dus ver ooit vernomen heeft, voor hem reeds opgeteekend is in het nog gesloten boek der toekomst.

HOOFDSTUK II.

HET EDELMOEDIGE EN DANKBARE GEDRAG VAN JUFVROUW MILLER.

De heer Allworthy en jufvrouw Miller zaten juist aan het ontbijt, toen Blifil, die ’s morgens heel vroeg de deur uit was gegaan, terugkeerde en zich bij hen voegde.

Hij had pas plaats genomen, toen hij, als volgt, begon:

„Goede hemel, oom! Hoe zal ik u vertellen wat er geschied is! Wezenlijk, ik durf het u haast niet mede te deelen, uit vrees van u te grieven door de herinnering, dat gij zulk een schurk ooit weldaden bewezen hebt!”

„Wat is er gebeurd, mijn jongen?” vroeg de oom; „ik wil wel gelooven, dat ik meer dan eens van mijn leven een onwaardige bijgestaan heb. Maar men kan mild wezen, zonder de ondeugden der voorwerpen zijner mildheid tot zijne pleegkinderen aan te nemen.”

„O,” riep Blifil, „het is zeker eene geheimzinnige beschikking der goddelijke voorzienigheid, oom, die u het woord pleegkinderen in den mond gaf. Uw aangenomen zoon, oom, die Jones, die ellendeling, dien gij aan uw hart koesterdet, blijkt thans een der grootste schurken ter wereld te zijn.”

„Dat is niet waar! Bij al wat heilig is,—dat is niet waar!” riep jufvrouw Miller. „Mijnheer Jones is geen schurk! Hij is een der beste menschen ter wereld, en als iemand anders hem een schurk genoemd had, zou ik hem deze kom kokend water in het gezigt geworpen hebben!”

De heer Allworthy keek verbaasd op bij dezen uitroep; maar zij gaf hem den tijd niet om aan het woord te komen en hervatte tegen Blifil, zonder naar Allworthy te zien:

„Gij moet het me werkelijk niet kwalijk nemen;—ik zou u om alles ter wereld niet willen beleedigen, mijnheer; maar wezenlijk, ik kan het niet uitstaan hem zóó te hooren uitschelden.”

„Ik moet bekennen, jufvrouw,” zei Allworthy op zeer ernstigen toon, „dat ik eenigzins verwonderd ben u zoo vurig iemand te hooren verdedigen, dien gij in het geheel niet kent.”

„O ik ken hem maar al te goed, mijnheer!” riep zij. „Ja, wezenlijk! Ik zou het ondankbaarste schepsel ter wereld zijn, als ik dat loochende. O, hij heeft mij en mijn geheel huisgezin van den ondergang gered! Wij zullen hem liefhebben en hem zegenen, zoolang wij leven.—En ik bid den hemel om hem ook te zegenen, en om het hart der boosaardige vijanden, die hem vervolgen, te vermurwen. Want ik weet, ik zie, ik hoor, dat hij zulke vijanden heeft!”

„Gij wekt hoe langer hoe meer mijne bevreemding op, jufvrouw,” zeide Allworthy. „Het is onmogelijk dat gij eenige verpligtingen van dien aard kunt hebben aan den schelm, dien mijn neef bedoelt.”

„’t Is echter maar al te waar,” hernam zij, „dat ik de grootste verpligtingen aan hem heb,—verpligtingen aan hem heb,—van den meest kieschen aard! Hij heeft mij en de mijnen van den ondergang gered!—Geloof mij, mijnheer, men heeft hem bij u gelasterd,—zwaar gelasterd;—dat weet ik,—anders zoudt gij, die zoo goed, zoo werkelijk deugdzaam zijt, na al de teederheid en liefde, welke ik u heb hooren uiten voor dat arme verlatene kind, hem niet zoo verachtelijk schelm genoemd hebben! Wezenlijk, mijn waardigste weldoener, hij verdient een beteren naam van u;—hadt gij maar al het goede, het lieve, het dankbare gehoord, dat ik van hem vernomen heb, als hij van u sprak! Hij noemt uw naam nooit zonder eene zekere soort van aanbidding. Hier, in deze zelfde kamer, heb ik hem op de knieën zien liggen, om des hemels zegen over u in te roepen! Ik bemin mijn eigen kind daar, niet meer dan hij u bemint!”

„Naar ik zie,” merkte Blifil op, met een van die grijnzende lachjes, waardoor de Satan zijne dienaren kenmerkt, „is hij werkelijk aan jufvrouw Miller bekend. Ik vrees dat gij zult moeten ondervinden, dat zij niet de eenige van uwe kennissen is, aan wie hij u bloot gegeven heeft. Wat mijn karakter betreft, begrijp ik uit eenige wenken, die de jufvrouw zich heeft laten ontvallen,—dat hij mij niet gespaard heeft;—maar dat vergeef ik hem!”

„En de hemel schenke u vergiffenis, mijnheer,” zei jufvrouw Miller. „Wij zijn alle zondige menschen, die de hemelsche genade niet missen kunnen!”

„Ik moet bekennen, jufvrouw Miller,” zei Allworthy, „dat mij uwe houding tegenover mijn neef zeer hindert,—en ik verzeker u, dat alle verdenkingen, welke gij tegen hem zoekt op te wekken, en die u alleen door den slechtsten der menschen ingeblazen zijn, alleen strekken, zoo mogelijk, om mijne verontwaardiging tegen den uitvinder daarvan te vermeerderen;—want, gij moet weten, jufvrouw, dat de jongeling, dien gij hier ziet, altijd zijn best gedaan heeft om te pleiten voor den ondankbaren schelm, wiens zaak gij zoo vurig omhelst. Ik verbeeld me, dat als gij dat uit mijn mond verneemt, gij verstomd zult staan over zoo vele verachtelijke ondankbaarheid.”

„Gij zijt misleid, mijnheer,” hernam jufvrouw Miller, „en als dit het laatste woord ware, dat ik ooit spreken zou, moest ik nog volhouden dat men u misleid heeft,—en nogmaals herhaal ik, de Heere zij hen genadig, die u misleid hebben! Ik wil volstrekt niet volhouden, dat die arme jongen geene gebreken heeft; maar het zijn de gebreken van jeugd en ligtzinnigheid;—gebreken, welke hij welligt,—neen, zeker overwinnen zal,—en al deed hij dat niet, het zijn gebreken, welke opgewogen worden door het liefderijkste, gevoeligste hart, dat een menschelijk wezen ooit bezat!”

„Wezenlijk, jufvrouw Miller, als men mij dit van u verteld had, zou ik het niet hebben willen gelooven,” zei Allworthy.

„En wezenlijk, mijnheer,” hernam zij, „gij zult alles gelooven wat ik u verteld heb,—dat weet ik zeker;—en als ik u alles verteld heb,—en dat zal ik doen;—verre van kwaad op mij te zijn, zult gij bekennen,—want ik weet dat gij regtvaardig zijt,—dat ik de verachtelijkste en ondankbaarste der vrouwen moest wezen, als ik anders gehandeld had, dan ik nu gedaan heb.”

„Nu, jufvrouw,” antwoordde Allworthy, „het zal mij zeer aangenaam wezen als gij eene houding weet te verontschuldigen, die, dat moet ik zeggen, groote behoefte heeft aan verschooning. Wilt gij echter eerst, jufvrouw, de goedheid hebben mijn neef zijn verhaal te laten doen, zonder hem verder in de rede te vallen! Hij zou niet zooveel ophef van eene kleinigheid gemaakt hebben. Misschien zal zijn verhaal voldoende zijn om u uwe dwaling te doen inzien.”

Jufvrouw Miller onderwierp zich aan zijn verzoek en daarop begon weder de heer Blifil:

„Wezenlijk, oom, als gij het niet noodig acht de beleedigingen van jufvrouw Miller te wreken, kan ik haar best alles vergeven, wat mij alléén aangaat. Maar ik geloof dat gij te goed voor haar geweest zijt, dan dat zij u op die wijze zou moeten grieven.”

„Nu ja, jongen,” zei Allworthy; „maar wat hebt gij te vertellen? Wat heeft hij nu bedreven?”

„Wat?” herhaalde Blifil. „Wel! iets, dat in weerwil van al hetgeen jufvrouw Miller gezegd heeft, het mij zeer spijt te moeten mededeelen, en dat gij nooit van mij vernomen zoudt hebben, als het iets ware, dat geheim kon blijven. Met één woord, hij heeft iemand gedood,—ik wil niet zeggen, vermoord;—want misschien zal de wet het niet zoo uitleggen,—en, om zijnentwil, moeten wij het beste hopen!”

Allworthy ontstelde, riep de hemelsche genade in, en zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, riep hij uit:

„Wel, jufvrouw, wat zegt gij nu?”

„Wat ik zeg, mijnheer?” hernam zij. „Wel, dat het de droevigste tijding is, welke ik ooit van mijn leven vernomen heb; maar al blijkt alles waar te zijn, dan ben ik overtuigd dat zijn vijand, wie het ook was, de schuld moet dragen. De hemel weet het, er zijn vele schurken hier in de stad, die er steeds op uit zijn om jonge lieden te tergen. Niets dan de meest verregaande terging zou hem tot zoo iets gebragt hebben;—want van alle heeren, die ik ooit in huis heb gehad, is er geen geweest, die zoo zachtmoedig of goedig was. Iedereen in huis dweepte met hem,—en iedereen ook die den voet over den drempel zette.”

Terwijl zij op deze wijze doordraafde, hoorde men met geweld aan de huisdeur kloppen, wat het gesprek stoorde en haar belette het te hervatten;—want zoodra zij begreep dat het een bezoeker was voor den heer Allworthy, verwijderde zij zich met den meesten spoed, hare kleine dochter met zich nemende, die hard op snikte over de droevige tijding welke zij van Jones vernomen had, die haar zijn vrouwtje plagt te noemen en haar niet slechts veel speelgoed schonk, maar ook wel eens uren lang zelf met haar speelde.

Sommige lezers zullen welligt genoegen scheppen in dergelijke onbelangrijke omstandigheden, welke wij verhalen op het voorbeeld van Plutarchus, een der beste onzer mede-geschiedschrijvers;—en anderen, voor wie ze beuzelachtig mogten schijnen, zullen, naar wij hopen, ze ons ten goede houden, daar wij bij dergelijke gelegenheden nooit langdradig zijn.

HOOFDSTUK III.

EEN BEZOEK VAN DEN HEER WESTERN,—MET HET EEN EN ANDER OVER VADERLIJK GEZAG.

Jufvrouw Miller had pas de kamer verlaten, toen de heer Western binnen trad,—na een korten woordentwist tusschen hem en de mannen van zijn draagstoel;—want die menschen, welke hunne vracht opgenomen hadden bij „de Zuilen van Herkules” koesterde geenen hoop van in het vervolg ook een goeden klant te hebben aan den landjonker, en daar zij bovendien aangemoedigd waren door dat hij hun al van zelf een schelling meer gegeven had, dan zij vergen mogten, eischten ze nu zeer onbeschoft nog een paar schellingen, wat den landjonker zoo boos maakte, dat hij hen niet slechts met eene rist van verwenschingen overlaadde, aan de deur, maar steeds nog driftig bleef toen hij in de kamer trad, zwerende dat alle inwoners van Londen even weinig deugden als het geheele hof en aan niets anders dachten dan om het landvolk af te zetten.

„Wel verd—!” riep hij, „ik loop liever door den regen, dan me weder door hen te laten kruijen! Zij hebben mij die ééne mijl meer door elkaar geschokt dan mijne bruine merrie gedaan zou hebben op een langen jagtdag.”

Nadat zijne drift op dit punt eenigzins bekoeld was, vatte ze dadelijk weêr vuur op een ander onderwerp.

„Wat drommel!” riep hij, „daar is weêr wat fraais aan den gang! De honden zijn nu op een nieuw spoor! Eerst dachten we een vos te jagen,—en nu, zoo waar ik leef, blijkt het een das te zijn!”

„Kom, mijn waarde buurman,” zei Allworthy, „laat de beeldspraak varen, en spreek wat duidelijker!”

„Nu dan,” hernam de landjonker, „om u de zaak helder aan het verstand te brengen,—tot dus ver zijn wij in den angst geweest over een hoerenkind,—een bastaardzoon van iemand, wie dat ook zij,—ik weet het niet!—En nu hebt ge zoo’n beroerde, bedonderde lord,—die voor mijn part ook een bastaard kon wezen,—want mijne dochter zal hij nooit krijgen. Zij hebben het land te gronde gerigt; maar zullen mij niet tot den bedelstaf brengen. Zij zullen mijn land niet aan die Hannoveranen verkoopen!”

„Wel, gij verrast me zeer, waarde vriend!” riep Allworthy.

„Nu! Ik sta zelf ook verstomd!” hernam de landjonker. „Gisteren avond, ging ik, volgens afspraak zuster Western bezoeken, en dáár vond ik de heele kamer vol vrouwen.—Daar was Milady, nicht Bellaston, en Milady Betsy, en Milady Katharina, en Milady ik weet niet wie meer,—verdraaid, als men mij ooit weer snapt onder zulk een troep wijven, met hare hoepelrokken! Om den drommel niet! Ik laat me liever jagen door mijne eigene honden, zoo als die vent, in dat boekje vol fabels, die in een haas veranderd en door zijne eigene honden gedood en opgevreten werd! Zoo waar ik leef, geen sterveling is ooit zoo gejaagd geweest als ik! Als ik den eenen kant uitsnijden wilde, nam me de ééne beet,—als ik omkeerde pakte, me eene andere! „O!” zei de eene nicht, „het is zeker eene der beste partijen in geheel Engeland!” (En hier deed hij zijn best, om de dames na te praten.) „Een prachtig aanbod!” riep de andere nicht (want ge moet weten, dat het alle nichten waren, al had ik haar van mijn leven nog niet gezien). „Wel, neef!” zei die beroerde bl—, die Lady Bellaston,—„wel neef! Ge zijt zeker niet bij zinnen als gij zulk eene partij afslaat!””

„Nu begin ik op de hoogte te komen,” zei Allworthy. „Iemand heeft aanzoek gedaan om de hand van jufvrouw Sophia, die door de dames der familie goedgekeurd wordt, maar die niet naar uw zin is?”

„Naar mijn zin?” riep Western. „Hoe drommel zou hij naar mijn zin zijn? Ik zeg je, dat het een lord is,—en dat is volk, waarmede ik me vast voorgenomen heb, nooit iets te doen te hebben! Is het niet zoo wat veertig jaren geleden, dat ik weigerde aan een van hen een lapje grond te verkoopen, dat hij bij zijn park hebben wilde, alleen omdat ik met geen lord iets te doen wilde hebben;—en gelooft ge nu, dat ik aan een van hen mijne dochter zou willen geven? Bovendien, gij hebt mijn woord, en geen mensch kan zeggen, dat ik ooit van mijn woord afgeweken ben, als ik het eens gegeven had!”

„Wat dat aangaat, buurman,” zei Allworthy, „ik laat u geheel vrij. Geen kontrakt kan verbindend zijn tusschen twee personen, die geen volle magt hadden om het ooit te sluiten, en later de magt niet krijgen om het te vervullen.”

„Allemaal gekheid!” riep Western. „Ik zeg u dat ik de magt heb en dat ik er gebruik van zal maken. Kom maar dadelijk mede naar Doctors’ Commons;—ik zal daar de noodige papieren laten opmaken, en dan zal ik de meid met geweld van mijne zuster gaan afhalen,—en als zij hem niet nemen wil, zal ik haar opsluiten op water en brood,—zoo lang zij leeft.”

„Mag ik u verzoeken, mijnheer Western, naar mij te luisteren terwijl ik mijne gevoelens op dit punt uitleg?” vroeg Allworthy.

„Naar u luisteren!” hernam de andere. „Wel! natuurlijk zal ik dat doen!”

„Nu dan,” hervatte Allworthy, „ik kan naar waarheid getuigen, en zonder compliment voor u of de jonge dame, dat toen dit huwelijk voorgesteld werd, ik mij van harte gaarne daartoe gereed betoonde, uit achting voor u en uwe dochter. Eene verbindtenis tusschen twee familiën, buren van elkaar, en tusschen welke er altijd zulk een vriendschappelijke omgang en goede verstandhouding geheerscht had, beschouwde ik als een zeer wenschelijk iets, en, wat de jonge dame betreft, ik was verzekerd niet slechts door hetgeen ik zelf opgemerkt had, maar door het eenparige oordeel van allen die haar kenden, dat zij een onwaardeerbare schat zou wezen voor een braven man. Ik zal niet spreken van hare uiterlijke hoedanigheden, die zeker bewonderenswaardig zijn;—hare goedaardigheid, hare mildheid, hare zedigheid zijn ook te goed bekend, dan dat ik ze behoefde te roemen; maar zij bezit ééne gave, welke ook in hooge mate geschonken was aan mijne beste vrouw, die thans in den hemel is,—eene gave, welke, omdat zij weinig in ’t oog valt, veelal niet eens gezien wordt,—ja, die zoo zelden opgemerkt wordt, dat ik geen naam kan vinden, waarmede ze te bestempelen. Ik moet ze dus door ontkenningen trachten te kenmerken. Ik heb nooit iets van haar vernomen, dat naar vinnigheid, of wat men noemt de gave van repartie, zweemt.—Zij maakt geene aanspraak op geestigheid, en nog veel minder op die soort van wijsheid, welke slechts verkregen wordt door groote geleerdheid en ondervinding,—en waarvan de aanmatiging bij eene jonge vrouw even bespottelijk is als de navolgingszucht van den aap. Ik heb nooit van haar beslissende vonnissen, afdoende oordeelvellingen en diepzinnig vitten gehoord. Telkens als ik haar in gezelschap met heeren gezien heb, heeft zij zitten luisteren met de bescheidenheid van den leerling eerder dan met de verwaandheid van den leermeester. Gij zult mij dat wel vergeven,—maar eens heb ik, om haar op de proef te stellen, hare meening gevraagd omtrent een punt, waarover de heeren Thwackum en Square onderling twist voerden. Hierop antwoordde zij mij met de meeste zachtheid: „Vergeef me, waarde mijnheer Allworthy, maar ik weet zeker dat gij schertst als gij mij in staat houdt eenig punt te beslissen, waarop twee zulke heeren het oneens zijn.” Thwackum en Square, die zich beide van de overwinning verzekerd hielden, ondersteunden mijn wensch. Zij echter hernam met dezelfde goedaardigheid: „Ik moet me bepaaldelijk verontschuldigen; want ik wil geen van beide beleedigen door partij voor hem te trekken.”—Inderdaad, zij heeft altijd den hoogsten eerbied getoond voor het verstand van den man,—eene hoedanigheid, welke onmisbaar is bij eene goede vrouw. Ik zal slechts hierbij voegen, dat daar zij blijkbaar van alle gemaaktheid vrij is, deze eerbied werkelijk echt moet wezen.”

Hierop zuchtte Blifil zwaar, waarop Western, die de tranen in de oogen kreeg, toen hij Sophia aldus hoorde prijzen, uitriep:

„Wees maar niet bang, hoor!—Want hebben zult ge haar,—dat zeg ik je—ja, verd—! Al ware zij nog twintig maal beter dan zij is!”

„Vergeet maar uwe belofte niet, om mij ten einde toe aan te hooren,” herinnerde Allworthy.

„Nu, ga uw gang maar,” hernam de landjonker. „Ik zal geen woord meer zeggen.”

„Nu, waarde vriend,” hervatte Allworthy, „Ik heb uitgeweid over de verdiensten der jonge dame, gedeeltelijk omdat ik wezenlijk verrukt ben over haar karakter en gedeeltelijk om te beletten dat men zich verbeelden zou dat haar vermogen,—want het huwelijk zou ook uit dat oogpunt zeer voordeelig zijn voor mijn neef,—beschouwd werd als eene mijner voorname beweegredenen om het huwelijk te begeeren. Inderdaad dan wenschte ik ook zoo’n schat van eene vrouw in mijne familie te zien; maar hoewel ik vele schoone dingen begeeren moge, mag ik ze daarom niet stelen, of mij aan geweld of onregtvaardigheid schuldig maken, ten einde ze in mijn bezit te krijgen. Nu is het eene daad van geweld en dwingelandij, om een meisje tegen haren zin en zonder hare toestemming tot een huwelijk te dwingen, en ik wenschte wel dat de wetten van ons land zoo iets verboden;—maar een goed geweten stelt zich zelf de wet, ook in den meest ongeregelden staat, en zal zich aan die banden leggen, welke de wetgever verzuimd heeft. En dit is zeker een geval van dezen aard; want is het niet wreed, ja zelfs ongodsdienstig, om eene vrouw te dwingen tegen hare neiging in, zich in eene positie te brengen waarin zij voor den allerhoogsten en meest ontzagwekkende regter, en op gevaar van haar zieleheil, haar gedrag verantwoorden moet? Het is geene gemakkelijke taak om de pligten van het huwelijksleven op eene behoorlijke wijze na te komen, en moeten wij dezen last eene vrouw opleggen, terwijl wij haar tevens berooven van allen steun, welken zij daarbij zoo hoog noodig heeft? Durven wij het wagen haar het hart te breken, terwijl wij haar pligten opleggen, tot welker vervulling zij haar geheele hart wel noodig heeft? Ik moet trachten hier zeer duidelijk te zijn: ik geloof dat ouders, die zoo iets doen, medepligtig worden aan al de misdaden later door hunne kinderen bedreven, en dat zij dus natuurlijk, voor een regtvaardigen regter, verwachten moeten ook deel aan hunne straf te hebben;—maar, al konden zij die ontgaan,—goede hemel! dan vraag ik, of er iemand ter wereld is, die de gedachte zou kunnen verdragen om tot het eeuwige ongeluk van zijn kind bijgedragen te hebben?

„Om deze reden, waarde buurman, daar ik begrijp, dat de jonge dame, ongelukkig, een bepaalden afkeer van mijn neef heeft, moet ik afzien van eenig verder vooruitzigt op de eer, welke gij hem wildet aandoen, ofschoon ik u verzekeren kan, dat ik u steeds in den hoogsten graad dankbaar daarvoor zal blijven.”