Tom Jones

Part 78

Chapter 784,026 wordsPublic domain

In den loop van het gesprek, werd Jones natuurlijk ook genoemd, en beide nichten beklaagden zeer aandoenlijk de ongelukkige liefde, welke Sophia tot dien jongen mensch koesterde;—terwijl mejufvrouw Western ze geheel toeschreef aan het wanbestuur van haren broeder. Zij eindigde echter met zich overtuigd te verklaren van het gezond verstand van hare nicht, die, hoewel zij hare eerste liefde ten gunste van Blifil niet wilde opgeven, zonder twijfel, zeide zij, „zich spoedig zou laten overhalen om hare neiging op te offeren aan het aanzoek van een man naar de wereld, die haar een titel en een groot vermogen aanbieden wilde. Want, werkelijk,” voegde zij er bij; „ik moet Sophia het regt doen te bekennen, dat die Blifil wel een heel naar soort van mensch is,—die niets dan zijn geld heeft om hem aan te bevelen.”

„In dat geval,” hernam Lady Bellaston, „verwondert mij het gedrag van onze nicht niet zoo zeer; want ik verzeker dat deze Jones een zeer aangenaam mensch is,—die ééne deugd bezit, welke, volgens de mannen, tot eene groote aanbeveling strekt bij de vrouwen. Zult gij het willen gelooven, jufvrouw Western?—Het zal u zeker doen lagchen,—en ik kan het zelve niet zonder lagchen vertellen,—zult gij willen gelooven, dat deze jongen de onbeschaamdheid heeft gehad om mij zijn hof te maken? Maar, om u te bewijzen dat ik de waarheid spreek,—hier hebt gij zijn eigen schrift—waaruit alles genoegzaam blijkt.”

Hierop overhandigde zij haren nicht den brief met het huwelijksvoorstel, welken de lezer, als hij er lust toe gevoelt, in het vijftiende boek van deze geschiedenis kan overlezen.

„Ik sta verstomd, op mijn woord!” riep jufvrouw Western. „Dit is inderdaad een meesterstuk van onbeschaamdheid! Met uw verlof, zou ik welligt eenig gebruik van dezen brief kunnen maken.”

„Ik geef u de meest volmaakte vrijheid,” riep Lady Bellaston, „om elk gebruik van het schrijven te maken, dat u goed dunkt. Evenwel, wenschte ik niet, dat iemand anders het te zien kreeg, dan jufvrouw Western,—en zij moet het alleen zien, als het noodig is.”

„Nu, mijne lieve, hoe hebt gij dien jongen behandeld?” vroeg mejufvrouw Western.

„Niet als mijn man,” hernam de dame; „ik ben niet met hem gehuwd, dat verzeker ik u, mijne beste! Gij weet wel, lieve vriendin, dat ik al éénmaal van het huwelijksgeluk geproefd heb,—en, me dunkt, ééns is meer dan genoeg voor een redelijk wezen!”

Lady Bellaston verbeeldde zich dat deze brief voldoende zou wezen om Sophia verder van Jones afkeerig te maken, en zij verstoutte zich het schrijven af te geven, gedeeltelijk in de hoop om hem aldus dadelijk te zien verwijderen en gedeeltelijk om dat zij, na Honour gepolst te hebben, genoegzaam overtuigd was, dat deze gereed zou zijn om al wat Milady van haar vergen mogt, te getuigen.

Maar welligt zal de lezer zich verwonderen, dat Lady Bellaston, die in haar hart Sophia haatte, zoo verlangende was om een huwelijk voor haar tot stand te brengen, dat zoo voordeelig zou zijn voor de jonge dame. Ik moet echter een dergelijken lezer verzoeken om zorgvuldig het boek der menschelijke natuur open te slaan, en wel zoo wat op de laatste bladzijde, en daar zal hij vinden, in bijna onleesbare letters, dat de vrouwen, niettegenstaande het bespottelijke gedrag van moeders, tantes enz. in huwelijkszaken, het wezenlijk voor zulk een groot ongeluk beschouwen om in de liefde gedwarsboomd te worden, dat zij zich verbeelden dat er geene grootere reden tot vijandschap kan bestaan dan deze;—en verder zal men, ongeveer terzelfder plaatse, lezen, dat eene vrouw, die zich eens in het bezit van een man gelukkig heeft gevoeld, meer dan half weg naar de hel zal loopen, om te beletten dat eenige andere vrouw dien zelfden man krijge.

Als de lezer met deze gronden niet voldaan is, beken ik openhartig, dat ik geene andere redenen ken voor het gedrag van Lady Bellaston, tenzij wij gelooven mogen, dat zij door Lord Fellamar omgekocht was,—wat ik, voor mijn part, hoegenaamd geene aanleiding heb te veronderstellen.

Deze zaak,—welke mejufvrouw Western bij Sophia wilde inleiden door eenige voorafgaande opmerkingen over de dwaasheid der liefde en de wijsheid van de wettige prostitutie, om geld,—hield juist de dames bezig, toen zij gestoord werden door het onverwachte binnentreden van den landjonker met Blifil, en van daar de koelheid waarmede deze door jufvrouw Western ontvangen werd, en welke haar broeder, volgens zijne gewoonte, aan eene verkeerde reden toeschreef, terwijl Blifil zelf, die veel slimmer was, een zweem van de waarheid begon te vermoeden.

HOOFDSTUK IX.

WAARIN JONES EEN BEZOEK AFLEGT BIJ MEVROUW FITZPATRICK.

De lezer zal nu welligt de goedheid willen hebben met ons bij den heer Jones terug te keeren, die op het bepaalde uur zijne opwachting maakte bij mevrouw Fitzpatrick;—maar eer wij het gesprek opteekenen, dat daar plaats had, zal het noodig zijn, volgens onze gewoonte, een eindje terug te gaan, om de verandering in het gedrag der dame te verklaren, die, na van woning veranderd te zijn, ten einde den heer Jones te vermijden, thans zelve ijverig naar eene gelegenheid gezocht had om hem te ontmoeten.

Om dit op te helderen, behoeven wij slechts de gebeurtenissen van den vorigen dag te herinneren, toen mevrouw Fitzpatrick van Lady Bellaston vernomen hebbende, dat de heer Western naar Londen gekomen was, hare opwachting bij hem ging maken op zijne kamers in Piccadilly, waar zij met vele gemeene scheldnamen ontvangen werd, die te grof zijn om hier herhaald te worden, en hij zelfs dreigde „haar de deur uit te schoppen.”

Van daar werd zij door eene bejaarde dienstmeid van hare tante Western, die haar zeer goed kende, naar de woning van deze dame geleid, die haar geenszins vriendelijker, maar wel met meer beleefdheid behandelde,—of liever, met eene andere soort van onbeschoftheid. Met één woord, zij keerde van beide terug in de vaste overtuiging, niet slechts dat haar plan tot eene verzoening mislukt was, maar dat zij voortaan alle hoop moest opgeven om, op welke wijze dan ook, daarin te slagen. Van dit oogenblik bleef zij alleen bezield met wraakzucht, en daar zij in deze stemming Jones in den schouwburg ontmoette, bood zich als het ware de gelegenheid aan, om daaraan te voldoen.

De lezer zal zich herinneren, dat mevrouw Fitzpatrick zelve, onder het verhalen van hare eigene lotgevallen, hem bekend had gemaakt met de liefde, welke hare tante te Bath voor den heer Fitzpatrick gekoesterd had, en dat zij zich door haar bedrogen ziende en teleurgesteld in hare neiging, om die reden zoo verbitterd was geworden tegen mevrouw Fitzpatrick. Deze twijfelde dan ook niet dat de goede dame even gemakkelijk ingenomen zou wezen met eene schijnbare verliefdheid van Jones, als vroeger met die van haren man;—want de heer Jones was onbetwistbaar een veel bekoorlijker mensch, en zij besloot (met hoeveel regt zal ik niet beslissen), dat de thans meer gevorderde leeftijd van hare tante, eerder ten gunste dan ten nadeele van haar voornemen pleitte.

Toen Jones dus bij haar verscheen, verklaarde zij hem eerst hoe zeer zij verlangde om hem bij te staan, wat daaraan toe te schrijven was, dat zij zoodoende Sophia grootelijks verpligten zou, en na eenige verontschuldiging voor hare vroegere onverschilligheid, terwijl zij aan Jones ook mededeelde onder wiens hoede Sophia zich thans bevond, wat zij veronderstelde dat hem onbekend was, legde zij hem zeer duidelijk haar plan bloot, en ried hem aan, schijnbaar het hof te maken aan de meer bejaarde dame, ten einde des te gemakkelijker toegang tot de jongere te krijgen, hem terzelfder tijd herinnerende aan het welslagen van den heer Fitzpatrick, dat hij aan eene dergelijke list te danken had gehad.

Mijnheer Jones uitte zijne groote dankbaarheid jegens de dame voor hare vriendelijke bedoelingen ten zijnen opzigte,—welke uit hetgeen zij hem voorstelde, zoo duidelijk bleken; want behalve dat hij een gering vertrouwen had op het welslagen van het plan, daar de dame zijne liefde tot hare nicht kende,—wat niet het geval was geweest met mevrouw Fitzpatrick,—zeide hij bevreesd te zijn dat Sophia er nooit in zou toestemmen eene dergelijke list te gebruiken, daar zij zoo’n bepaalden afkeer had van al wat op onopregtheid geleek, en nooit haren pligt tegenover hare tante zoude verzaken.

Mevrouw Fitzpatrick was hierover eenigzins geraakt, en inderdaad, als wij het er niet voor mogen houden dat Jones zich verpraatte, was het wel eene kleine afwijking van de beleefdheid, waartoe hij zich nooit zou hebben laten verleiden, ware het niet, dat de vreugde, welke het hem veroorzaakte om Sophia te roemen, hem alle voorzigtigheid had doen vergeten; want deze loftuiting van de eene nicht was iets meer dan eene bedekte beschuldiging van de andere.

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam dus de dame, met eenige drift, „ik kan me niet verbeelden, dat er iets gemakkelijker kan zijn, dan eene oude vrouw van verliefden aard met eene liefdesverklaring te foppen,—en hoewel zij mijne tante is, moet ik bekennen, dat ik nooit een gevoeliger wezen op dat punt gekend heb. Kunt gij niet voorwenden, dat de wanhoop om hare nicht te krijgen, die aan Blifil beloofd is, u er toe gebragt heeft, uwe gedachten op haar te vestigen? Wat mijne nicht Sophia betreft, ik kan me niet verbeelden, dat zij zoo dwaas zou zijn als gij haar voorstelt, en dat zij eenig bezwaar zou hebben, of er eenig kwaad in zien om eene van die oude heksen te straffen voor al het kwaad dat zij in eene familie doen door hare tragischkomische hartstogten,—waarvan het mij spijt dat ze niet volgens de wet strafbaar zijn. Ik zelve zag geen bezwaar in zoo iets, en toch hoop ik dat nicht Sophia zich niet beleedigd zal achten als ik verklaar dat zij geen grooteren haat kan koesteren voor de onopregtheid dan hare nicht Fitzpatrick. Jegens mijne tante inderdaad, veins ik niet eenige verpligtingen te hebben,—en zij verdient ook niet dat ik haar ontzie. Ik heb u echter mijn raad gegeven, mijnheer, en als gij weigert hem op te volgen,—zal ik maar iets minder gunstig over uw verstand denken,—anders niets!”

Jones zag thans duidelijk zijne dwaling in, en deed zijn uiterste best om ze weder goed te maken; maar hij stamelde en stotterde slechts en verviel tot onzin en tegenspraak. Om de waarheid te zeggen, het is soms veiliger bij de eerste vergissing te blijven, met hare gevolgen, dan te trachten om ze te herstellen; want door dergelijke pogingen, in plaats van ons er uit te redden, werken wij ons gewoonlijk hoe langer hoe meer er in, en slechts weinige menschen bezitten de goedaardigheid van mevrouw Fitzpatrick, die eindelijk met een glimlach zeide:

„Gij behoeft u niet meer te verontschuldigen; want ik weet gemakkelijk een trouwen minnaar alles te vergeven, waartoe de liefde tot zijne schoone hem gebragt heeft.”

Daarop hernieuwde zij haar voorstel, en beval het hem zeer ernstig aan, geene beweegreden vergetende, welke zij bij die gelegenheid bedenken kon; want zij was zoo geweldig boos op hare tante, dat zij zich naauwelijks een grooter genoegen kon voorspiegelen, dan om haar ten toon te stellen, en, als eene echte vrouw, kon zij geene bezwaren zien in de uitvoering van een geliefkoosd plan.

Jones echter volhardde met te weigeren om de onderneming te wagen, welke inderdaad ook geheel wanhopig was. Hij begreep best welke beweegredenen mevrouw Fitzpatrick had om zoo vurig daarop aan te dringen. Hij zeide echter, dat hij de teedere en hartstogtelijke liefde, welke hij tot Sophia koesterde, niet loochenen kon; maar dat hij zoo overtuigd was van het groote onderscheid van hunne onderlinge positie, dat hij zich nooit met de hoop zou durven vleijen dat zulk een goddelijk meisje zich verwaardigen zou aan zoo’n onwaardigen man als hij was, te denken;—ja, hij betuigde, dat hij er naauwelijks toe komen kon om zoo iets te wenschen. Hij eindigde met nog veel meer edelmoedige gevoelens te uiten, welke wij geen tijd hebben om hier in te lasschen.

Er zijn sommige schoone vrouwen (want ik durf hier niet al te veel in het algemeen te spreken), bij wie haar eigen ik steeds zoodanig op den voorgrond blijft, dat zij het nooit van eenig onderwerp, van welken aard ook, kunnen afscheiden, en daar de ijdelheid bij haar een heerschende trek is, eigenen zij zich gaarne allen lof toe welken zij aanhooren, en hoewel die anderen toekomt, beschouwen zij hem als uitsluitend voor haar bestemd. In het bijzijn dezer dames is het onmogelijk iets ten gunste van eene andere vrouw te zeggen, dat zij niet op zich zelve toepassen;—ja, zij zijn zelfs dikwerf in staat om den lof welken zij zich toeëigenen te overdrijven, door, bij voorbeeld, tegen zich zelve te zeggen; „als hare schoonheid, haar geest, hare fatsoenlijkheid, hare goedaardigheid, zoo zeer te prijzen zijn, wat verdien ik niet, die in zoo veel hoogere mate deze hoedanigheden bezit?”

Aan dergelijke dames beveelt zich een man dikwerf aan door eene andere vrouw te roemen,—en terwijl hij met geestdrift zijne edelmoedige gevoelens ten opzigte zijner beminde bloot legt, denken zij slechts welk een bekoorlijke minnaar deze man zijn zou voor haar zelve, daar hij reeds zoo opgewonden wordt over verdiensten, welke bij de hare in geen aanmerking komen. Hoe vreemd dit ook schijne, heb ik toch vele voorbeelden hiervan gezien, buiten en behalve juist dat van mevrouw Fitzpatrick, bij wie dit alles werkelijk plaats greep, en die thans zeker iets voor den heer Jones begon te gevoelen, hetwelk zij veel eerder begreep dan de arme Sophia zelve gedaan had.

Om de waarheid te zeggen, is de volmaakte schoonheid bij beide geslachten veel onweerstaanbaarder dan men zich algemeen verbeeldt. Want hoewel sommigen van ons met een bescheidener lot tevreden zijn en (even als de kinderen iets van buiten leeren, dat bij hen geen denkbeeld achterlaat), ook opzeggen, dat wij het uiterlijk verachten en hoogeren prijs stellen op meer degelijke hoedanigheden, heb ik toch steeds opgemerkt, dat als de volmaakte schoonheid nadert, deze meer degelijke hoedanigheden slechts met dezelfde soort van glans schitteren, als de sterren na zonsopgang.

Toen Jones met zijne pathetische uitroepingen gedaan had, van welke vele een Orondates zelven niet misstaan zouden hebben, slaakte mevrouw Fitzpatrick een zwaren zucht, en de oogen van Jones afwendende, op wien zij ze een tijdlang gevestigd had, sloeg zij ze neder en riep uit:

„Ik heb wezenlijk medelijden met u, mijnheer Jones! Maar het is een vloek, op zulke liefde, dat zij verspild wordt aan diegenen, die er ongevoelig voor blijven. Ik ken mijne nicht, mijnheer Jones, beter dan gij haar kent, en ik moet zeggen, dat iedere vrouw, die zoo’n man zulk eene liefde niet vergeldt, hem onwaardig is.”

„Wel, mevrouw!” riep Jones, „gij bedoelt zeker toch niet—”

„Wat ik bedoel?” vroeg mevrouw Fitzpatrick, „ik weet niet wat ik juist bedoel. Er is, geloof ik, iets betooverends in de ware liefde;—weinige vrouwen ontmoeten ze bij de mannen, en nog weiniger weten ze te waarderen, als zij ze vinden. Tot nu toe, heb ik nooit zulke edelmoedige gevoelens gehoord,—en hoe het komt, weet ik niet; maar gij dwingt mij om u geloof te schenken. Slechts de verachtelijkste der vrouwen kon voor zulke verdiensten ongevoelig blijven!”

De wijze waarop dit gezegd werd en de blik, die het vergezelde, wekte een vermoeden bij Jones op, dat wij niet noodig achten regtstreeks in woorden aan den lezer mede te deelen. In plaats dus van eenig antwoord te geven, zeide hij slechts:

„Naar ik vrees, mevrouw, heb ik mijn bezoek al te zeer gerekt,”—en hij stond op om afscheid van haar te nemen.

„Volstrekt niet, mijnheer,” hernam mevrouw Fitzpatrick. „Wezenlijk,—ik heb medelijden met u, mijnheer Jones;—dat is werkelijk het geval;—maar, als gij gaan wilt, denk nog eens aan het plan, dat ik u aan de hand gegeven heb. Ik ben overtuigd, dat gij het eindelijk zult goedkeuren,—en laat mij u zoo spoedig mogelijk weerzien.—Morgen vroeg, als gij wilt,—of in elk geval, morgen in den loop van den dag. Ik zal den geheelen dag te huis zijn.”

Na vele eerbiedige dankbetuigingen, verwijderde zich Jones, en mevrouw Fitzpatrick kon niet nalaten hem tot afscheid een blik te schenken, welken hij, als hij iets van de sprake der oogen verstond, niet nalaten kon te begrijpen. Hij werd er ook wezenlijk door versterkt in zijn voornemen om niet weer bij haar terug te komen; want hoe ligtzinnig hij zich ook tot dusver in deze geschiedenis getoond heeft, waren al zijne gedachten thans zoo zeer met zijne Sophia vervuld, dat ik vast geloof, dat geene vrouw ter wereld hem nu weder tot ontrouw had kunnen verleiden.

Vrouw Fortuna, echter, die hem niet begunstigde, besloot, daar hij haar geene tweede gelegenheid wilde geven, om van deze gebruik te maken, en veroorzaakte dus de tragische gebeurtenis, welke wij thans, tot ons verdriet, te verhalen hebben.

HOOFDSTUK X.

DE GEVOLGEN VAN HET PAS BESCHREVEN BEZOEK.

De heer Fitzpatrick den reeds vroeger vermelden brief ontvangen hebbende van mejufvrouw Western, waaruit hij vernam waarheen zich zijne vrouw begeven had, keerde onmiddellijk naar Bath terug, en vertrok den volgenden dag van dáár, naar Londen.

De lezer heeft reeds vernomen hoe ijverzuchtig van aard deze heer was. Hij zal zich ook wel herinneren welke verdenkingen hij te Upton koesterde omtrent Jones, toen hij hem dáár in de kamer van mevrouw Waters vond, en hoewel er voldoende redenen geweest waren om zijne verdenkingen op te ruimen, toen hij van zijne vrouw zoo veel goeds van Jones hoorde, deed dit hem bedenken, dat zij tegelijk met hem in de herberg was geweest, en dit bragt zulk eene verwarring van denkbeelden voort in een hoofd, dat nooit zeer helder was, dat het „groenoogige monster,” gelijk Shakespeare, in zijn Othello, de ijverzucht noemt, thans ook aan zijn gemoed knaagde.

Terwijl hij dan juist bezig was met op straat naar de woning van zijne vrouw te vragen, en hem de deur aangewezen werd kwam, de heer Jones, ongelukkig, er juist uit te voorschijn.

Fitzpatrick herinnerde zich niet dadelijk het gezigt van Jones; maar een goed gekleed jong mensch ontwarende, die van zijne vrouw kwam, naderde hij hem dadelijk, en vroeg hem „wat hij in dat huis gedaan had? Want,” zeide hij, „ik weet zeker dat gij er in zijt geweest, omdat ik u er uit zag komen.”

Jones antwoordde met de meeste beleefdheid, „dat hij dáár een bezoek bij eene dame afgelegd had.”

Waarop Fitzpatrick vroeg: „Wat hebt gij met die dame noodig?”

Jones, die zich thans de stem, de gelaatstrekken en zelfs de kleeding van den andere best herinnerde, riep:

„Wel, vriend! Geef mij de hand! Ik hoop dat het kleine misverstand, hetwelk een tijdlang geleden plaats gevonden heeft tusschen ons, geen kwaad bloed gezet heeft!”

„Op mijn woord, mijnheer,” zei Fitzpatrick, „ik weet niet eens hoe gij heet,—en uw gezigt herken ik ook niet.”

„Uw naam is mij ook onbekend,” zei Jones; „maar ik herinner me zeer goed u te Upton gezien te hebben, waar er een ongelukkig misverstand plaats greep tusschen ons, en als het nog niet vergeten is, zullen wij het nu in eene flesch wijn begraven.”

„Te Upton!” riep de andere. „Ha! als ik me niet vergis, heet gij Jones?”

„Juist,” hernam de andere.

„O, bij mijne ziel,” riep Fitzpatrick, „gij zijt juist de man, dien ik zocht.—Ik zal straks eene flesch met u drinken; maar eerst zal ik je eens om de ooren slaan! Daar, schelm! Als ge me voor dien slag geene satisfactie geven wilt, dan beloof ik, op mijn woord van eer, u een tweeden te geven!”

Daarop trok hij zijn degen en stelde zich en garde, daar het schermen de eenige wetenschap was, waarvan hij iets begreep.

Jones was een weinig verward geraakt door den slag, die hem zoo onverwacht toegediend werd; maar zich spoedig herstellende, trok hij ook van leêr, en hoewel hij niet veel van het schermen afwist, drong hij zoo stout op Fitzpatrick in, dat hij diens kunst spoedig verijdelde en hem zijn degen door het lijf boorde. De heer Fitzpatrick week dadelijk een stap achteruit, leunde op zijn degen en riep uit:

„Ik ben best voldaan! Want ik ben een lijk!”

„Ik hoop van neen,” riep Jones; „maar wat ook de gevolgen zijn, gij moet wel beseffen, dat gij ze u zelf op den hals gehaald hebt.”

Op dit oogenblik werd Jones aangegrepen en gepakt door eene menigte zeelieden;—maar hij verzekerde hen dat hij geen weerstand zou bieden en smeekte eenige van hen zorg te dragen voor den gewonden heer.

„Ja, ja,” riep een der menschen, „men zal wel zorg genoeg dragen voor den gekwetste;—want ik denk niet dat hij nog vele uren te leven heeft. Wat u betreft, mijnheer, gij hebt nog zeker eene maand den tijd eer alles afgeloopen is!”

„Wel verdraaid, Jaap!” riep een andere; „hij loopt de zeereis mis! Hij is nu naar eene andere haven bestemd.”

Onze arme Jones leverde stof op tot vele andere grappen van dezen aard; want de kerels die nu verschenen waren behoorden tot de zeelieden, gebezigd door Lord Fellamar om Jones te pressen.

Zij hadden hem nagespoord tot in het huis van mevrouw Fitzpatrick en wachtten op hem aan den hoek van de straat toen de ongelukkige ontmoeting met den Ier plaats vond.

De officier, die de bende aanvoerde, begreep nu zeer juist, dat hij zijn gevangene aan de burgerlijke overheden moest overleveren. Hij liet hem dus in eene kroeg brengen, zond om een agent van politie en leverde hem daar aan dien ambtenaar over.

Deze, ziende dat de heer Jones zeer goed gekleed was, terwijl hij vernam dat het ongeluk in een tweegevecht geschied was, behandelde zijn gevangene met de meeste beleefdheid, en zond, op diens verzoek, een bode om naar den gekwetste te vragen, die in eene naburige herberg onder handen van een heelmeester was. Het berigt, dat teruggebragt werd, luidde, dat de wond zeker doodelijk was, en dat er geene hoop bestond om den gekwetste te redden. Hierop zeide de agent, dat hij Jones voor den vrederegter moest brengen. Deze hernam dat „het hem onverschillig was waarheen men hem bragt; dat het hem weinig schelen kon wat hem voortaan overkwam; want dat, hoewel hij overtuigd was, dat hij in het oog der wet geen moord begaan had, het hem ondragelijk was te denken dat hij een medemensch van het leven beroofd had.”

Jones werd thans voor den regter gebragt, voor wien ook de heelmeester verscheen, die den heer Fitzpatrick verbonden had, en die getuigde, dat hij de wond voor doodelijk hield, waarop Jones naar het huis van arrest overgebragt werd.

Het was intusschen al heel laat geworden, zoodat Jones eerst den volgenden morgen Partridge wilde ontbieden, en daar het bijna zeven uur ’s morgens was eer de arme kerel een oog kon toedoen, omdat hij zeer ongerust was over het uitblijven van zijn meester, ontstelde hij geweldig toen hij tegen twaalf uur eene boodschap van Jones ontving, welke hem zelfs in het eerste oogenblik bijna bewusteloos deed nedervallen.

Hij ging daarop met knikkende knieën en een kloppend hart naar het huis van arrest, en zoodra hij bij Jones toegelaten werd, begon hij met vele tranen de ramp te beweenen, die hem overkomen was, terwijl hij echter in den grootsten angst telkens omkeek;—want het berigt was pas ontvangen van het overlijden van den heer Fitzpatrick en de arme jongen verwachtte elk oogenblik zijn geest in de kamer te zien verschijnen.

Eindelijk echter overhandigde hij Jones een brief, welken hij bijna vergeten had, en die van Sophia kwam, en door den Zwarten George gebragt was.

Jones zond dadelijk iedereen uit de kamer, brak het schrijven driftig open en las als volgt:

„Eene gebeurtenis, welke ik gaarne beken, dat mij zeer verraste, dwingt me weder u iets te schrijven. Mijne tante heeft mij juist een brief getoond van u aan Lady Bellaston, waarin gij haar een huwelijksvoorstel doet. Ik ben overtuigd, dat het uw schrift is, en hetgeen mij nog meer verbaast, is, dat die brief geschreven werd op hetzelfde oogenblik, dat gij voorgaaft zoo bekommerd te zijn om mijnentwil.—Ik laat het aan u over om over dit feit na te denken. Al wat ik verder verlang, is dat uw naam nooit weder genoemd moge worden in het bijzijn van

S. W.”