Part 77
Partridge zat hierop in angst te wachten, en eindelijk, toen de geest weder verscheen, riep hij: „Daar, mijnheer! Daar! Wat zegt gij nu? Is hij bang, of niet? Hij is even bang als ik—en het is waar: geen mensch kan het helpen als men hem een schrik aanjaagt. Maar ik zou in zulk een droevigen toestand niet willen zijn als waarin die mijnheer—hoe heet hij ook?—Hamlet, daar ginds, zich bevindt,—neen—om alles ter wereld niet! God zegene ons! Wat is er van den geest geworden? Zoo waar ik leef, ik verbeeldde me hem door den grond te zien zinken!”
„En ge hebt heel goed gezien,” hernam Jones.
„Wel, wel!” zei Partridge; „ik weet best, dat het enkel komediespel is, en als er iets ernstigs bij was, zou jufvrouw Miller niet zoo lagchen;—want, wat u betreft, mijnheer, ik geloof dat de duivel zelf, al verscheen hij hier ter plaatse, u niet bang zou maken!—Daar, daar! Het verwondert me volstrekt niet dat gij u zoo kwaad maakt! Schud die ellendige feeks maar fiks door elkaar! Als het mijne eigene moeder ware, zou ik haar op dezelfde wijze behandelen!—Want zij heeft door hare misdaden, alle aanspraken op den naam eener moeder verloren!—Ja,—pak je maar weg!—Ik ben blijde, dat gij henen gaat!”
Onze recensent bleef thans tamelijk stil tot de vertooning van het treurspel dat Hamlet voor den Koning doet opvoeren. In het begin, begreep hij er niets van, tot Jones het hem uitlegde; maar, zoodra hij het fijne van de zaak vatte, begon hij zich gelukkig te prijzen, dat hij zelf nooit een moord begaan had. Zich daarop tot jufvrouw Miller wendende, vroeg hij haar: „Of zij zich niet verbeeldde, dat de Koning aangedaan scheen,—hoewel,” voegde hij er bij, „hij heel goed speelt en zijn best doet om het te verbergen. Nu, ik zou zoo veel op mijn geweten niet willen hebben, als die vent daar, al kon ik daarvoor nog hooger komen te zitten dan hij!—Geen wonder dat hij wegliep;—neen, als ik aan hem denk, zal ik van mijn leven geen vertrouwen meer stellen in een onschuldig gezigt!”
Het tooneel op het kerkhof boeide daarop de aandacht van Partridge, die veel verbazing toonde over het groote aantal schedels, welke op het tooneel geworpen werden. Hierop hernam Jones, „dat dit eene der meest beroemde begraafplaatsen in de stad was.”
„Geen wonder dan,” hernam Partridge, „dat het hier spookt! Maar ik heb van mijn leven zoo’n onhandigen doodgraver niet gezien! Ik had er een onder me, toen ik koster was, die drie graven gemaakt zou hebben, tegen deze één. Die kerel gaat met de spade om alsof hij er nooit ééne in de hand gehad had. Ja, ja, laat hem maar zingen! Hij ziet er uit alsof hij meer houdt van zingen dan van werken!”
Zoodra Hamlet den schedel opnam, riep hij uit:
„Nu, ’t is toch vreemd te zien hoe onbevreesd sommige menschen zijn! Ik kan er nooit toe komen, om welke reden ook, om iets van een lijk aan te raken!—En toch, dunkt me, scheen hij bang genoeg toen de geest verscheen.—Nu: nemo omnibus horis sapit!”
Er gebeurde thans niets meer vermeldingwaardigs tot het einde van het stuk, toen Jones hem vroeg: „Wie van de tooneelspelers hem het best bevallen was?”
Hierop antwoordde hij, met eenigen schijn van verontwaardiging over de vraag: „Wel; zonder bedenking—de Koning!”
„Nu, mijnheer Partridge,” zei jufvrouw Miller, „gij denkt er anders over dan de meeste menschen. Want zij zijn het allen eens, dat de rol van Hamlet gespeeld wordt door den besten tooneelspeler, die ooit voor het publiek optrad.”
„Hij de beste tooneelspeler!” riep Partridge, met een minachtenden glimlach. „Wel! ik zou zelf even goed spelen als hij! Ik weet zeker dat als ik een spook zag, ik er precies zoo zou uitzien en even zoo doen als hij. En dan, ja, in dat tooneel, zoo als gij het noemt, met zijne moeder, waarin ge me zeidet dat hij zoo mooi speelde;—wel zoo waar ik leef!—iedereen,—dat is, ieder goed mensch, die zulk eene moeder had, zou juist gedaan hebben als hij. Ik weet wel dat gij mij slechts voor den gek houdt; maar, jufvrouw, ofschoon ik nu voor het eerst in eene Londensche komedie ben, heb ik toch dikwijls bij ons, buiten, zien spelen,—en de Koning is mijn man! Hij spreekt alle woorden duidelijk uit,—nog eens zoo hard als de anderen!—Iedereen ziet dat hij een tooneelspeler is!”
Terwijl jufvrouw Miller aldus met Partridge bezig was, naderde eene dame den heer Jones, in wie hij dadelijk mevrouw Fitzpatrick herkende.
Zij zeide dat zij hem van hare zitplaats gezien had, en de gelegenheid zocht om hem te spreken, daar zij hem iets te melden had, dat welligt van groot belang voor hem kon zijn. Zij vertelde hem verder waar zij woonde en maakte eene afspraak met hem voor den volgenden morgen;—maar, zich bedenkende, bestelde zij hem des namiddags, en Jones beloofde op het bepaalde uur bij haar te komen.
Hiermede was alles in de komedie afgeloopen, waar Partridge niet slechts Jones en jufvrouw Miller zeer vermaakt had, maar ook allen, die in zijne buurt zaten, en die meer luisterden naar zijne opmerkingen dan naar hetgeen er op het tooneel verhandeld werd.
Dien heelen nacht durfde hij, uit vrees voor den geest, niet naar bed gaan, en vele daarop volgende nachten had hij het uren achtereen zeer benaauwd, eer hij den slaap vatten kon,—terwijl hij meer dan eens met een plotselingen schrik wakker werd en uitgilde: „De hemel zij ons genadig! Daar is hij!”
HOOFDSTUK VI.
WAARIN DE GESCHIEDENIS IETS TERUG GAAT.
Het is bijna onmogelijk zelfs voor de beste der ouders om eene stipte onpartijdigheid in acht te nemen tegenover al hunne kinderen,—zelfs in gevallen waar geene meerdere verdiensten bij het een of ander kind hunne neiging doet overhellen;—maar waar eene dergelijke meerderheid bestaat, kan men moeijelijk de ouders berispen als ze daaraan de voorkeur schenken.
Daar ik alle personaadjes in deze geschiedenis als mijne kinderen beschouw, moet ik bekennen dat ik deze soort van partijdigheid koester ten opzigte van Sophia, en ik hoop dat de lezer bekennen zal, dat de groote voortreffelijkheid van haar karakter mijne voorliefde verontschuldigt.
Deze buitengewone liefde dan, welke ik voor mijne heldin koester, duldt nooit dat ik haar, zonder grooten tegenzin, voor één oogenblik verlaat. Ik zou dus thans met de meeste geestdrift aan het onderzoeken gaan van hetgeen dit beminnelijk schepsel overkomen is sedert zij de woning van haar vader verlaten heeft, ware het niet dat ik genoodzaakt ware eerst een kort bezoek bij den heer Blifil af te leggen.
De heer Western, in zijne eerste verwarring bij de onverwachte ontvangst van de tijding omtrent zijne dochter, en in zijne haast om haar te gaan opzoeken, had er niet eens aan gedacht om Blifil eenig berigt te zenden van de pas gedane ontdekking. Hij was echter niet heel ver gekomen, toen hij zich bezon, halt maakte bij de eerste herberg, welke hij bereikte, en Blifil van daar deed weten, dat hij Sophia gevonden had, en dat het zijn vast besluit was haar onmiddellijk met hem te doen trouwen, en dat hij dus maar dadelijk naar Londen moest komen.
Daar de liefde, welke Blifil tot Sophia koesterde, van dien vurigen aard was, dat niets dan het verlies van haar vermogen, of eenig ander dergelijk ongeluk, ze kon doen verkoelen, was zijn zin in het huwelijk volstrekt niet verminderd door hare ontvlugting, hoewel hij genoodzaakt was zich zelven te beschouwen als de oorzaak daarvan. Hij nam dus het aanbod van haar vader zeer gereedelijk aan. En inderdaad, hij stelde zich voor door dit huwelijk niet alleen aan zijne geldzucht, maar ook nog aan een anderen zeer geweldigen hartstogt te voldoen, namelijk, aan zijn haat;—want hij begreep dat het huwelijk evenzeer gelegenheid verschaft om aan haat als aan liefde bot te vieren,—en dit gevoelen wordt waarschijnlijk door de meerdere ondervinding zeer gesterkt. Om de waarheid te zeggen, als wij naar het gewone gedrag van gehuwden onderling oordeelen mogen, zullen wij er toe komen om te besluiten, dat de meesten alleen zoeken aan eerstgenoemden hartstogt te voldoen door de vereeniging van alles,—behalve hunne harten.
Blifil ontmoette echter één bezwaar,—en dit werd geopperd door den heer Allworthy. Toen die goede man, na het vertrek van Sophia (want men kon noch hare vlugt noch de aanleiding daartoe voor hem verbergen), den grooten afkeer leerde kennen, welken zij voor zijn neef koesterde, begon hij ernstig bevreesd te zijn, dat hij zich had laten verleiden om de zaken te ver te drijven. Hij deelde volstrekt niet het gevoelen van die vaders, die het even onnoodig achten om de neigingen hunner kinderen te raadplegen bij een huwelijk, als zich te rigten naar de wenschen hunner dienstboden als zij op reis gaan,—en die alleen door de wet, of de welvoegelijkheid belet worden om maatregelen van geweld te gebruiken. Integendeel;—daar hij het huwelijk beschouwde als eene zeer heilige instelling, achtte hij het noodig om alle mogelijke voorzorgen te nemen om het heilig en ongeschonden te doen blijven, en besloot, met de meeste wijsheid, dat men dit niet beter bewerken kon, dan door het te grondvesten op reeds bestaande neiging.
Het gelukte Blifil zeer spoedig om zijn oom het denkbeeld uit het hoofd te praten, dat men hem gefopt had, door met vele geloften en betuigingen te verklaren, dat hij zelf bedrogen was geworden,—en dit rijmde zeer goed met al wat Western verklaarde; maar om Allworthy thans over te halen om toe te stemmen, dat hij zou volhouden met zijn aanzoek, was eene schijnbaar zoo moeijelijke taak, dat ze een minder ondernemend genie afgeschrikt zou hebben;—deze jonge heer echter kende zijne eigene talenten zoo goed, dat niets wat door list te verkrijgen was, voor hem moeijelijk te bereiken scheen.
Hij begon dus met de hevigheid van zijne eigene liefde voor te stellen, en de hoop welke hij koesterde om door volharding den tegenzin der dame te overwinnen. Hij smeekte, dat in eene zaak, waarvan zijn toekomstig levensgeluk afhing, men hem ten minste de vrijheid zou laten, om alle eerlijke middelen aan te wenden. „De hemel verhoede,” zeide hij, „dat hij er ooit aan denken zou, om iets anders dan de meeste zachtheid aan te wenden! Bovendien, oom,” voegde hij er bij, „als dit mislukt, dan staat het u vrij,—en dat zou dan vroeg genoeg zijn,—om, van uw kant, uwe toestemming te weigeren.” Hij sprak ook van het vurige verlangen, waarmede de heer Western bezield was, om het huwelijk te zien sluiten, en eindelijk maakte hij krachtig gebruik van den naam van Jones, aan wien hij alles toeschreef wat er gebeurd was, terwijl hij beweerde dat de christelijke liefde allen moest aansporen, om de jonge dame tegen hem te beveiligen.
Al deze beweegredenen werden zeer goed ondersteund door Thwackum, die iets meer klem gaf aan het ouderlijke gezag, dan Blifil gedaan had. Hij schreef de maatregelen welke Blifil nemen wilde, geheel toe aan de christelijke liefde; „hoewel,” zeide hij, „de brave jongeling de christelijke liefde het laatst genoemd heeft, ben ik vast overtuigd, dat die zijne eerste en voornaamste beweegreden is.”
Als Square tegenwoordig ware geweest, zou hij misschien een dergelijk deuntje gezongen hebben, hoewel op een anderen toon, en zou hij heel veel „zedelijke gepastheid” ontdekt hebben in Blifils handelwijze;—maar hij was nu te Bath, tot herstel van gezondheid.
Allworthy gaf eindelijk, ofschoon niet zonder tegenzin, aan de wenschen van zijn neef toe. Hij zeide, dat hij hem naar Londen vergezellen zoude, waar het Blifil vrij zou staan alle eerlijke middelen te baat te nemen om de dame te winnen; „maar,” zeide hij, „ik verklaar, dat ik nooit er in zal toestemmen, dat men hare neigingen eenig geweld aandoe, en gij zult haar ook nooit nemen, zonder hare eigene, volmondige toestemming.”
Op deze wijze bragt de liefde van Allworthy tot zijn neef hem in verzoeking, om zijn meerder verstand te onderwerpen aan het mindere;—en op deze wijze wordt de wijsheid van het beste hoofd wel eens door de teederheid van het beste hart verijdeld.
Blifil, deze onverhoopte toestemming van zijn oom verkregen hebbende, rustte niet tot hij zijn plan ten uitvoer bragt. En daar er geene dringende zaken waren om den heer Allworthy buiten te houden en mannen slechts weinige toebereidselen tot eene reis noodig hebben, vertrokken zij al den volgenden dag, en kwamen te Londen aan dienzelfden avond, waarop Jones, zooals wij gezien hebben, zich met Partridge in den schouwburg vermaakte.
Den morgen na zijne aankomst, maakte de heer Blifil zijne opwachting bij den heer Western, door wien hij zeer hartelijk en genadig ontvangen werd, en van wien hij dadelijk de verzekering kreeg (hoe onmogelijk die ook te geven was), dat hij spoedig gelukkig gemaakt zou worden door het bezit van Sophia; de landjonker liet ook niet toe dat de jonge heer naar zijn oom terugkeerde, eer hij hem, haast zijns ondanks, medegesleept had bij mejufvrouw Western.
HOOFDSTUK VII.
WAARIN DE HEER WESTERN ZIJNE ZUSTER BEZOEKT IN GEZELSCHAP VAN DEN HEER BLIFIL.
Mejufvrouw Western was bezig met hare nicht eene les te lezen over wereldwijsheid en de diplomatie van het huwelijksleven, toen haar broeder en Blifil, met verzuim van alle plegtigheden, welke bij een bezoek vereischt worden, haar kwamen storen.
Zoodra Sophia Blifil ontwaarde, verbleekte zij en viel haast in zwijm; terwijl hare tante, integendeel, hoog rood werd, en in het geheel niet ontsteld zijnde, dadelijk een aanval op den landjonker deed.
„Broeder!” riep zij; „ik sta verstomd over uw gedrag! Zult gij nooit leeren de welvoegelijkheid in acht te nemen? Zult gij steeds ieders woning als de uwe beschouwen,—of als die van een uwer boeren? Verbeeldt gij u, dat gij het regt hebt om in de vertrekken van dames van aanzien te verschijnen, zonder complimenten, of belet te vragen?”
„Wat drommel! Wat is er nu te doen?” vroeg de landjonker. „Men zou zich kunnen verbeelden, dat gij juist bezig waart met—”
„Wat ik u bidden mag,” viel zij hem in de rede, „spaar ons uwe gemeenheden! Gij hebt mijne arme nicht zoodanig verrast, dat het haar moeite kost zich staande te houden.—Ga heen, kindlief,—ga maar naar uwe eigene kamer en tracht dáár weder tot bedaren te komen;—want ik zie, dat gij daaraan behoefte hebt.”
Op deze woorden verwijderde zich Sophia, die nooit een meer gewenscht bevel ontvangen had, oogenblikkelijk.
„Wel, zuster,” riep de landjonker, „zijt ge mal? Ik heb den heer Blifil hierheen gebragt, bepaaldelijk om haar het hof te maken, en nu jaagt gij haar de kamer uit!”
„En gij, broeder,” hernam zij, „moet zeker al heel mal wezen, om terwijl u de toestand der zaken bekend is,—den heer Blifil te brengen;—ik vraag hem wel excuus;—maar hij weet zelf best aan wien hij zulk eene onaangename ontvangst te danken heeft! Wat mij betreft, ik zal zeker altijd heel blijde wezen mijnheer Blifil te ontvangen; en zijn eigen gezond verstand zou hem hebben doen inzien, dat het ongepast was zoo’n onberedeneerden stap te doen, als dien, waartoe gij hem zeker gedwongen hebt.”
Blifil boog, stamelde en maakte een mal figuur; terwijl Western, zonder hem den tijd te gunnen om eene redevoering te bedenken, antwoordde:
„Nu, ja,—ik heb schuld, als u dat goed dunkt,—dat heb ik altijd, natuurlijk! Maar kom aan! Laat het meisje terug halen, of laat mijnheer Blifil bij haar gaan!—Hij is met dat doel naar Londen gekomen, en er is geen tijd te verliezen.”
„Broeder,” riep mejufvrouw Western, „ik ben overtuigd dat mijnheer Blifil zijne positie te goed kent om er in de verste verte aan te denken, mijne nicht, na hetgeen er gebeurd is, heden morgen weder te zien. De vrouwen hebben een teêr gestel en als wij eens van streek zijn, komen wij niet in één oogenblik weer tot bedaren. Als gij toegelaten hadt dat de heer Blifil heden morgen eene beleefde boodschap aan mijne nicht zond, met verzoek om de eer te mogen hebben in den loop van den namiddag zijne opwachting bij haar te maken, zou het mij waarschijnlijk gelukt zijn om haar over te halen hem te ontvangen;—maar thans zou ik er aan wanhopen zoo iets te kunnen bewerken.”
„Het spijt me zeer, mejufvrouw,” zei Blifil, „dat de buitengewone goedheid van den heer Western, waarvoor ik hem nooit dankbaar genoeg kan zijn,—aanleiding zou gegeven hebben,—”
„Wel, mijnheer!” viel zij hem in de rede; „gij behoeft u werkelijk niet te verontschuldigen;—iedereen kent mijn broeder!”
„’t Kan mij niet schelen of men me kent of niet,” hernam de landjonker. „Zeg maar wanneer hij komen moet om haar te zien? Want bedenk wel, zeg ik je, dat hij en Allworthy alleen daarom de reis gedaan hebben.”
„Broeder,” luidde het antwoord, „elke boodschap die het den heer Blifil behagen moge aan mijne nicht te zenden, zal haar overgebragt worden, en naar ik veronderstel, zal zij geene instructiën noodig hebben om op eene gepaste wijze daarop te antwoorden. Ik ben ook overtuigd, dat zij niet weigeren zal den heer Blifil ter geschikter ure bij zich toe te laten.”
„O zoo! Om de weêrga niet? Neen!” riep de heer Western. „O neen! Ik zeg niets!—Om den drommel niet!—Weten we niet—O neen! Maar sommige menschen verbeelden zich wijzer te zijn dan de geheele wereld;—als ik echter mijn zin had gehad, dan zou zij den eersten keer niet weggeloopen zijn,—en nu wacht ik elk oogenblik te hooren dat zij weder weg is! Want hoe gek ik ook ben,—in de oogen van zekere menschen,—weet ik best, dat zij een haat koestert voor—”
„Genoeg daarvan, broeder!” viel hem jufvrouw Western in de rede. „Ik heb geen lust om mijne nicht te hooren uitschelden. Dat is eene beleediging voor de geheele familie! Zij strekt hare familie echter tot eer,—en ik verzeker u, dat zij steeds onze familie tot eer strekken zal.—Ik sta met mijn eigen goeden naam borg voor haar gedrag!—Het zal me aangenaam wezen, broeder, u heden namiddag bij me te zien; want ik heb u eene gewigtige mededeeling te doen; voor het oogenblik moeten gij, en de heer Blifil, het mij niet ten kwade duiden; maar ik heb haast om mij te gaan kleeden.”
„Nu ja,” zei de landjonker; „bepaal dan maar een uur waarop hij haar zien kan.”
„Wezenlijk,—ik kan zoo iets niet op mij nemen—maar, zooals ik u gezegd heb, zal ik u heden namiddag ontvangen,” zeide zij.
„Wat drommel moet ik doen?” riep de landjonker, zich tot Blifil wendende. „Ik kan haar evenmin bijhouden als een dashond een ouden haas!—Welligt zal zij heden namiddag beter gemutst wezen.”
„Naar ik zie, mijnheer,” hernam Blifil, „ben ik voor het ongeluk geboren;—maar ik zal u steeds even dankbaar blijven.”
Hierop nam hij plegtstatig afscheid van mejufvrouw Western, die van haar kant, even plegtstatig bleef, en beiden vertrokken, terwijl Western, met een vloek, binnensmonds mompelde, dat Blifil wis en zeker dien namiddag zijne dochter zien zou.
Was de heer Western weinig ingenomen met deze ontmoeting, de heer Blifil was nog minder daarover tevreden. Wat den eersten betrof, deze schreef de houding zijner zuster alleen aan haar luim toe, en aan hare ontevredenheid over het verzuim van alle pligtplegingen bij zijn bezoek; maar Blifil had dieper inzigt in de zaken. Uit enkele woorden, welke de dame zich had laten ontvallen, vermoedde hij iets van veel meer gewigt, en om de waarheid te zeggen, had hij zich niet vergist;—wat blijken zal bij de behandeling der verschillende onderwerpen in het volgende hoofdstuk bevat.
HOOFDSTUK VIII.
DE PLANNEN VAN LADY BELLASTON OM JONES TE GRONDE TE RIGTEN.
De liefde was te vast geworteld in het hart van Lord Fellamar om door de ruwe handen van den heer Western uitgeroeid te worden.
In zijn eerste opwelling van drift had hij inderdaad eene boodschap gezonden door den kapitein Egglane, welke deze zeer overdreven had bij de overbrenging,—en ze zou ook in ’t geheel niet zijn overgebragt als het Milord gelukt ware den kapitein te vinden nadat hij Lady Bellaston gesproken had, den morgen na dien namiddag, waarop hij door den heer Western beleedigd was geworden. Maar de kapitein was zoo ijverig in het vervullen van zijne dienst, dat hij, na de woning van den landjonker eerst ’s avonds laat gevonden te hebben, den heelen nacht in een wijnhuis op bleef zitten, ten einde den heer Western den volgenden morgen niet mis te loopen, en dus het schriftelijke tegenbevel van den Lord, dat deze naar zijne kamers gezonden had, niet ontving.
Milord, gelijk wij gezegd hebben, legde een bezoek af bij Lady Bellaston, die het karakter van den landjonker zoodanig afschilderde, dat Milord duidelijk inzag dat hij zich belagchelijk zou maken door zich beleedigd te toonen door iets, dat Western zeggen kon,—vooral daar Milord zulke eervolle bedoelingen koesterde ten opzigte van de dochter des landjonkers. Hij legde daarop Lady Bellaston uit hoe hevig zijne liefde was, en zij nam volgaarne op zich zijne belangen verder te bevorderen, en moedigde hem aan met het zekere vooruitzigt op de meest gunstige ontvangst bij alle meer bejaarde leden der familie, even als bij den vader zelven, als die eens nuchter was en eindelijk begreep welke eer zijner dochter aangeboden werd. Het eenige gevaar, voegde zij hierbij, was te duchten van den mensch van wien zij hem vroeger gesproken had,—zekeren bedelaar en landlooper, die op de eene of andere wijze, haar onbekend, zich fatsoenlijke kleeren verschaft had en voor fatsoenlijk man speelde.
„Nu,” zeide zij, „om den wille mijner nicht, heb ik me de moeite gegeven om over dezen mensch berigten in te winnen; ik heb ook gelukkig zijne woning ontdekt,”—waarmede zij Milord bekend maakte, „en ik heb wel eens gedacht,” voegde zij er bij, „daar het onmogelijk is voor u, Milord, u met zulk een gemeen schepsel persoonlijk te bemoeijen,—of het niet doenlijk zou zijn voor u om hem voor de zeedienst te laten pressen en dadelijk aan boord van een schip te doen brengen? Noch regt, noch geweten kunnen eenig bezwaar hiertegen opleveren; want hoe mooi gekleed die vriend ook loopt, verzeker ik u dat hij slechts een landlooper is, een best slag van mensch om in de zeedienst geprest te worden. En wat het geweten betreft, is het zeker eene hoogst verdienstelijke daad om eene jonge dame van den ondergang te redden,—en zelfs wat den jongen zelven aangaat, als hij niet slaagt bij mijne nicht,—en dat verhoede de hemel!—zoudt gij hem welligt daardoor van de galg redden en hem in staat stellen om op eene eerlijke wijze fortuin te maken.”
Lord Fellamar bedankte Milady opregt voor hare vriendelijke deelneming in deze zaak, van welker welslagen zijn toekomstig geluk geheel afhankelijk was. Hij zeide, voor het oogenblik geen bezwaar te zien in haar plan, en dat hij overleggen zou hoe het ten uitvoer te brengen. Daarop smeekte hij haar zeer ernstig om hem de eer te bewijzen van zijn aanzoek aan de familie mede te deelen, aan wie hij zich gereed verklaarde carte blanche te geven bij de regeling van alle geldzaken. Na nu zeer opgewonden en met de meeste verrukking over Sophia gesproken te hebben, nam hij afscheid en vertrok, maar niet voordat zij hem nogmaals gewaarschuwd had om op zijne hoede te zijn ten opzigte van Jones, en om geen tijd te verliezen met hem zóó te bezorgen, dat het onmogelijk voor hem zou wezen om verder eenige pogingen te doen om de jonge dame in het ongeluk te slepen.
Zoodra mejufvrouw Western hare kamers betrokken had, zond zij een kaartje met hare groeten bij Lady Bellaston, die het pas ontvangen had, of zij vloog, met al het ongeduld van een minnaar, naar hare nicht, zich verheugende over de schoone gelegenheid, welke zich zoo onverhoopt voordeed;—want het beviel haar veel beter om het aanzoek van Milord te doen bij eene verstandige vrouw, die de wereld kende, dan bij een man, dien zij met de benaming van Hottentot vereerde,—ofschoon zij zelfs van hem geene weigering vreesde te ondervinden.
Zoodra de twee dames elkaar ontmoetten, kwamen zij, na zeer korte pligtplegingen, tot de zaak,—welke ook zonder eenig tijdverlies afgedaan werd. Want zoodra mejufvrouw Western den naam van Lord Fellamar hoorde, tintelden hare wangen van genoegen;—en toen zij vernam hoe hevig zijn hartstogt was, hoe ernstig hij het meende met zijn aanzoek, en hoe mild zijne aanbiedingen waren, gaf zij hare tevredenheid op de meest onbewimpelde wijze te kennen.