Part 76
’s Avonds, terwijl Sophia nog zat te denken over den brief welken zij ontvangen had, of over iets anders, werd zij in haar gepeins gestoord door een hevig rumoer beneden in huis. Dit was niets anders dan een hevige woordentwist tusschen twee menschen. Aan de stem herkende zij haren vader in den één, maar het duurde langer eer zij in de schelle klanken het orgaan van hare tante Western herkende, die pas in de stad aangekomen was en door een van hare dienstboden, die aan „de Zuilen van Herkules” aanlegde, vernomen hebbende, waar haar broeder zich bevond, dadelijk naar zijne woning gereden was. Wij zullen dus voor het oogenblik afscheid nemen van Sophia en met onze gewone hoffelijkheid onze opwachting maken bij hare tante.
HOOFDSTUK IV.
SOPHIA WORDT UIT DE GEVANGENSCHAP VERLOST.
De landjonker en de predikant (want de waard had andere bezigheden), rookten een pijpje zamen, toen de aankomst der dame aangekondigd werd. Zoodra de heer Western haar naam hoorde noemen, liep hij naar beneden, om haar de trap op te geleiden; want hij was zeer stipt in het waarnemen van al dergelijke plegtigheden, vooral tegenover zijne zuster, voor wie hij banger was dan voor eenig ander sterveling, hoewel hij zulks nooit bekennen wilde en het welligt niet eens zelf wist.
Zoodra mejufvrouw Western in de eetkamer trad, wierp zij zich op een stoel en hield de volgende aanspraak:
„Nu! Ik geloof werkelijk dat het onmogelijk is eene bezwaarlijker reis te bedenken dan ik nu gedaan heb! Ik geloof dat de straatwegen sedert de nieuwe wetten op de tollen hoe langer zoo slechter worden! Hemel! broeder hoe zijt gij in dit akelig huis geraakt? Ik ben overtuigd dat gij de eerste persoon van aanzien zijt, die er den voet in zet!”
„Daar weet ik niets van,” hernam de landjonker. „Ik verbeeld me dat de kamers goed genoeg zijn:—het was de waard, die ze me aanbeval. Ik dacht, dat daar hij bijna al de groote luî kende, hij best zou weten hoe mij onder hen te bergen.”
„En waar is mijne nicht?” vroeg de dame. „Hebt ge uwe opwachting nog niet gemaakt bij Lady Bellaston?”
„Ja wel,” hernam haar broeder; „en uwe nicht is veilig genoeg. Zij is boven op hare kamer.”
„Hoe!” riep de dame. „Mijne nicht hier in huis en zij weet niet eens dat ik aangekomen ben?”
„Neen,” antwoordde de landjonker; „want het is moeijelijk voor iemand om bij haar te komen! Zij zit achter slot. Ik heb haar veilig hier. Ik haalde haar van onze nicht, Milady, weg, den eersten avond van mijne aankomst, en ik heb zorg genoeg gedragen dat zij niet meer wegkwam, dat verzeker ik u! Zij zit vast, als een vos in de klem!”
„Goede hemel!” riep mejufvrouw Western; „wat moet ik vernemen! Ik dacht wel dat gij er een fraaije knoeiboel van zoudt maken, toen ik er in toestemde dat gij alleen naar de stad zoudt trekken! Maar neen;—dat was een gevolg van uwe eigene koppigheid en ik behoef me niet te verwijten, dat ik dat ooit goedkeurde! Hadt ge me niet beloofd, broeder, geene dergelijke onbezonnen maatregelen te nemen? Was het niet door dergelijke onberaden middelen dat ge uwe dochter er toe bragt om al eenmaal van u weg te loopen? Hebt ge lust haar te dwingen voor de tweede maal een dergelijken stap te doen?”
„Hemel en aarde!” bulderde de landjonker, zijne pijp wegsmijtende, dat ze in stukken vloog, „heeft men ooit iets dergelijks gehoord? Me zoo aangevallen te zien,—terwijl ik me verbeeldde dat ge me roemen zoudt voor al wat ik gedaan heb!”
„Hoe, broeder?” vroeg de dame; „heb ik u ooit de minste reden gegeven om te gelooven dat ik u roemen zou, omdat gij uwe dochter achter slot houdt? Heb ik u niet dikwerf verteld, dat de vrouwen in een vrij land, zich niet op die willekeurige wijze laten behandelen? Wij zijn even vrij als de mannen, en het spijt mij het te moeten zeggen maar waar is het, dat wij de vrijheid veel meer verdienen! Als gij verlangt dat ik nog één oogenblik in dit nare huis zal blijven, of dat ik u ooit als mijn broeder zal aanzien, of dat ik me ooit weder met uwe familiezaken bemoeijen zal,—dan eisch ik dat mijne nicht oogenblikkelijk in vrijheid gesteld worde!”
Zij sprak deze woorden op zulk een gebiedenden toon, terwijl zij vóór het vuur stond, met de eene hand achter den rug, en een snuifje in de andere, dat ik twijfel of Thalestris zelve aan het hoofd harer Amazonen, er ooit indrukwekkender uitzag. Geen wonder dus dat de arme landjonker niet bestand was tegen het ontzag dat zij inboezemde.
„Daar!” riep hij, den sleutel nederwerpende; „daar hebt ge den sleutel, en doe nu wat u goeddunkt! Ik wilde haar alleen achter slot houden tot Blifil hier is,—en dat zal niet lang meer duren, en nu, als er intusschen iets mis loopt, vergeet niet, dat ik er geen schuld aan heb!”
„Ik durf er met mijn leven voor in staan,” hernam mejufvrouw Western; „maar ik zal me met niets bemoeijen, tenzij onder ééne voorwaarde, en die is, dat gij alles geheel aan mijn bestuur overlaat, zonder van uw kant iets hoegenaamd te doen, dat u niet door mij bevolen wordt. Als gij deze preliminaire onderteekent, broeder, zal ik nog trachten de eer uwer familie te redden;—zoo niet, dan zal ik de stipste onzijdigheid in acht nemen.”
„Ik smeek u, waarde heer,” zei de dominé, „om deze vermaning van mejufvrouw uwe zuster niet in den wind te slaan. Misschien zal zij, door met jufvrouw Sophia te redeneren, meer gedaan krijgen dan u gegeven werd te verrigten door strengere maatregelen.”
„Hoe! begint gij ook te keffen?” riep de landjonker. „Als jij met jou praatjes aankomt, dan zal ik je met de zweep tot zwijgen brengen!”
„Foei, broeder!” riep de dame. „Is dat de taal die men gebruiken moet tegenover een predikant? De heer Supple is een verstandig mensch en geeft u gezonden raad, en ik geloof, dat de geheele wereld het met hem eens zou zijn;—maar, ik moet u herinneren dat ik onmiddellijk antwoord verlang op mijne kategorische voorstellen. Of, gij stelt uwe dochter onmiddellijk tot mijne beschikking, of, gij houdt haar geheel en al onder uw eigen verbazend wijs bestuur,—en als gij dat doet, dan, in tegenwoordigheid van mijnheer Supple, trek ik met mijne hulptroepen uit de plaats, en verloochen voortaan, in eeuwigheid, u en uwe familie!”
„Ik bid u, laat mij als bemiddelaar optreden!” riep de dominé; „laat me u smeeken toe te geven!”
„Wat drommel!” schreeuwde de landjonker; „daar ligt de sleutel al op tafel;—zij kan hem nemen zoodra zij maar verkiest;—wie belet haar?”
„Neen, broeder,” hernam de dame. „Ik sta op de formaliteit, dat de sleutel me overhandigd worde, en dat tevens al de gestelde voorwaarden door u aangenomen en bekrachtigd worden.”
„Goed dan! Ik zal je den sleutel geven!—Daar is hij!” riep de landjonker. „Ge weet ook heel goed, zuster, dat ge me niet beschuldigen kunt van mijne dochter ooit aan uwe zorgen onttrokken te hebben. Zij heeft wel een heel jaar—en langer,—onder uw dak gewoond, zonder dat ik haar in al dien tijd te zien kreeg.”
„En het zou haar tot geluk gestrekt hebben,” hernam de dame, „als zij altijd onder mijn dak gewoond had. Onder mijn oog ware er niets gebeurd van al wat nu voorgevallen is.”
„Ja, ja!” riep de heer Western, „natuurlijk ligt de geheele schuld aan mij!”
„Nu ja; dat is zoo, broeder,” hernam zij. „Ik heb het u al dikwerf moeten zeggen,—en zal het altijd nog moeten herhalen. Evenwel, hoop ik dat gij u nu beteren zult, en zoo veel ondervinding uit vroegere dwalingen zult opgedaan hebben, dat gij mijn wijs overleg niet door uwe onhandigheid verijdelt. Wezenlijk, broeder, gij zijt volstrekt niet geschikt voor dergelijke onderhandelingen. Uw geheel diplomatiek stelsel deugt niet! Ik moet nogmaals er op staan, ge u met niets bemoeit. Herinner u slechts het verledene—”
„Wat bl—!” bulderde de landjonker; „wat woûdt ge nu van mij hebben? Ge zoudt den Satan zelven helsch maken!”
„Daar!” hernam zij. „Precies als van ouds! Ik zie wel in, broeder, dat het tot niets leidt als men met u praten wil! Ik beroep me op mijnheer Supple, die een verstandig mensch is!—Heb ik nu iets gezegd om een redelijk wezen driftig te maken? Maar gij zijt, in alle opzigten, zoo koppig—”
„Mejufvrouw,” kwam de dominé tusschen beide; „laat me u smeeken, mijnheer niet boos te maken—”
„Boos maken!” riep de dame; „wel! Gij zijt een even groote gek als hij! Maar, broeder, daar gij mij beloofd hebt, u niet meer met de zaak te bemoeijen, zal ik voor dezen keer mijne nicht weder onder mijn bestuur nemen. De hemel beware alle zaken, die onder de leiding der mannen staan! Een vrouwenhoofd is duizend mannenhoofden waard!”
En met deze woorden verwijderde zij zich, met den sleutel in de hand, na een dienstbode geroepen te hebben om haar bij Sophia te brengen.
Zoodra zij de deur uit was,—welke de landjonker eerst voorzigtig achter haar digt deed, begon hij haar hartelijk uit te schelden en te verwenschen, terwijl hij zich zelven niet spaarde, omdat hij vergeten had steeds in het oog te houden, dat hij op hare nalatenschap rekende, en hij er bij voegde: „Nu ik zoo lang haar slaaf daarom geweest ben, zou het jammer zijn het geld te verliezen door niet wat langer te blijven volhouden. Die feeks kan toch niet in alle eeuwigheid blijven leven, en ik weet dat ik in haar testament tot erfgenaam benoemd ben.”
De dominé roemde zijn besluit zeer en de landjonker eene nieuwe flesch besteld hebbende, zoo als hij gewoonlijk deed, als hij bijzonder aangenaam of onaangenaam gestemd was, spoelde zijn toorn zoo volmaakt weg met dit kostelijk geneesmiddel, dat hij weder geheel in goede luim en bedaard was toen mejufvrouw Western met Sophia in de kamer trad. De jonge dame had hoed en mantel om, en de tante maakte den heer Western bekend, „dat zij voornemens was hare nicht mede te nemen naar hare kamers; „want, broeder,” zeide zij, „ge kunt werkelijk geen christenziel in dit huis ontvangen.”
„Best, zuster! Best!” hernam de landjonker. „Ga uw gang maar! Het meisje kan in geene betere handen zijn dan in de uwe, en de dominé hier zal me het regt doen te verklaren, dat ik in uwe afwezigheid wel honderdmaal gezegd heb dat gij de verstandigste vrouw ter wereld waart.”
„Ja,” riep de dominé, „dat kan ik werkelijk getuigen!”
„Wel, broeder,” antwoordde de dame, „zoo heb ik steeds ook over u gedacht. Gij moet bekennen dat ge iets te driftig van aard zijt; maar, als ge u den tijd gunt om te denken, heb ik nooit een man gekend die beter bij zijn verstand was.”
„Nu, als ge zóó denkt, zuster, drink ik op uwe gezondheid van ganscher harte!” riep de landjonker. „Ik ben wel soms wat driftig; maar wrok koester ik nooit. Sophia, wees gij maar een braaf kind en doe al wat uwe tante u beveelt.”
„Ik ben volstrekt niet bang voor haar,” hernam mejufvrouw Western. „Zij heeft er al een voorbeeld van gezien,—in het gedrag van die verachtelijke Henriette, hare nicht—wat er van komen moet als men mijn raad in den wind slaat. O, broeder! Ik moet u nog iets vertellen! Ge waart naauwelijks de deur uit om naar Londen te gaan toen,—wie denkt ge aankwam?—Wel niemand anders dan die onbeschofte vent,—met dien naren Ierschen naam,—hoe heet hij ook?—die Fitzpatrick! Hij drong zich bij me in, zonder zich te laten aanmelden, of ik zou hem niet ontvangen hebben! Hij rammelde door, met een lang onverstaanbaar verhaal over zijne vrouw, dat ik gedwongen was aan te hooren; maar ik gaf hem geen ander antwoord, dan door hem den brief zijner vrouw te overhandigen, welken ik hem verzocht zelf te beantwoorden. Ik vrees dat die ellendige haar best zal doen om bij ons te komen; maar ik moet u verzoeken haar niet te ontvangen;—want ik heb vast besloten haar niet te zien!”
„Ik haar ontvangen!” riep de landjonker. „Daar behoeft gij niet bang voor te zijn! Ik zal nooit zulke pligtvergeten deugnieten aanmoedigen! Het is een geluk voor dien schelm, haar man, dat ik niet te huis was;—want, zoo waar ik leef, ik zou hem onder de pomp hebben laten zetten! Nu ziet ge, Sophia, waartoe de ongehoorzaamheid leidt! Gij hebt er een voorbeeld van in uwe eigene familie.”
„Broeder!” riep de tante, „ge behoeft mijne nicht niet te ergeren met zulke nare vertellingen. Waarom laat ge niet alles aan mij over?”
„Nu, nu, dat zal ik doen!” zei de landjonker.
En thans maakte mejufvrouw Western, tot geluk van Sophia, een einde aan het gesprek, door draagstoelen te laten bestellen;—ik zeg dat dit gelukkig was; want als het veel langer geduurd had, zou er waarschijnlijk nieuwe stof tot twist ontstaan zijn tusschen broeder en zuster, die alleen door het geslacht verschilden; want beide waren even driftig en koppig;—en beide koesterden eene even vurige liefde tot Sophia en eene even groote minachting voor elkaar.
HOOFDSTUK V.
WAARIN JONES EEN BRIEF ONTVANGT VAN SOPHIA EN MET JUFVROUW MILLER EN PARTRIDGE NAAR DE KOMEDIE GAAT.
De aankomst van den Zwarten George in de stad, en de goede diensten, welke die dankbare man beloofd had ten behoeve van zijn vroegeren meester te verrigten, verschaften Jones veel troost te midden van den angst en de zorgen, welke hij om Sophia koesterde.
Door bemiddeling van genoemden George, ontving hij het volgende antwoord op zijn brief aan Sophia, dat zij, die met hare vrijheid ook pen, inkt en papier herkregen had, den eersten avond van hare bevrijding schreef.
„Mijnheer,
Daar ik niet aan de opregtheid twijfel van hetgeen gij schrijft, zal het u genoegen doen te vernemen, dat een gedeelte van mijn lijden verzacht is door de aankomst van mijne tante Western, bij wie ik thans ben, in het genot van alle wenschelijke vrijheid.
„Tante heeft er op gestaan dat ik haar ééne belofte zou doen—namelijk om niemand te zien, of eenige gemeenschap met iemand te hebben, zonder hare voorkennis en toestemming. Deze belofte heb ik plegtig gedaan en zal ze ongeschonden houden;—en hoewel zij mij niet bepaaldelijk het schrijven verboden heeft, is dit eerder alleen een verzuim in het noemen van dat woord, dan in den geest van haar verbod;—of welligt is het al begrepen onder het woord—gemeenschap hebben. Daar ik evenwel dit reeds beschouwen moet als eene schennis van haar edelmoedig vertrouwen in mijn eergevoel, kunt gij niet verwachten dat ik verder, na dezen, zelve zal voortgaan met schrijven of met brieven te ontvangen, zonder dat zij er iets van weet.
„Eene belofte is, bij mij, iets zeer heiligs, en strekt zich uit tot alles wat daarmede in verband staat,—even goed als tot alles wat daarin opgenoemd is, en deze bedenking zal u misschien, na rijp beraad, eenigen troost opleveren. Maar waarom zou ik u een troost als dezen willen aanbieden? Want, hoewel er één punt is, waarin ik nooit aan den besten der vaders gehoorzamen kan, heb ik toch vast besloten, hem nooit te trotseren, of eenigen gewigtigen stap te doen zonder zijne toestemming.
„De vaste overtuiging hiervan moest u leeren afzien van hetgeen het noodlot (welligt) onmogelijk heeft gemaakt. Uw eigenbelang moest u hiervan overtuigen. Ik hoop dat dit ook een middel moge wezen om u met den heer Allworthy te verzoenen,—en is dat zoo, dan raad ik u ten sterkste aan het te baat te nemen.
„Door toevallige omstandigheden heb ik eenige verpligtingen aan u,—en waarschijnlijk nog grootere aan uwe goede bedoelingen. Het geluk zal ons beiden welligt eens gunstiger zijn dan op dit oogenblik. Geloof echter dat ik steeds aan u zal denken volgens mijne overtuiging van uwe verdiensten, en dat ik verblijf,
„Mijnheer,
uwe verpligte en dienstvaardige
Sophia Western.”
„Ik bid u mij niet meer te schrijven,—ten minste voor het oogenblik niet!—en neem dit van mij aan, dat ik niet gebruiken kan, en hetwelk gij zeker noodig zult hebben.—Verbeeld u, dat gij deze kleinigheid alleen te danken hebt aan het toeval, hetwelk het reeds vroeger in uwe handen bragt.” [17]
Een kind dat pas het alphabet geleerd heeft, zou dezen brief in minder tijd ontcijferd hebben dan het Jones kostte om hem te lezen. Het schrijven wekte gevoelens bij hem op, die een mengsel waren van vreugde en leed,—eenigzins als die, welke in het gemoed van een goed mensch opkomen, als hij het testament leest van een overleden vriend, waarbij hem een aanzienlijk legaat (dat hem uiterst goed te pas komt), vermaakt wordt. Over het geheel echter was hij eerder bevredigd dan misnoegd, en, inderdaad, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat er iets in was, dat hem niet tevreden stelde;—maar de lezer is niet zoodanig verliefd als Jones, en de liefde is eene ziekte, welke, hoewel zij in enkele opzigten misschien op de tering gelijkt,—die soms door haar veroorzaakt wordt,—in anderen lijnregt daarmede in strijd is,—en vooral daarin, dat zij zich nooit vleit, of eenig voorteeken in een gunstig licht beschouwt.
Eén ding, echter, schonk hem volmaakte voldoening, en dat was dat zijne beminde hare vrijheid herkregen had en zich nu bij eene dame bevond, bij wie zij zeker was op eene fatsoenlijke wijze behandeld te worden. Eene andere troostreden vond hij in de bedekte belofte, welke zij hem gedaan had, om nooit met eenigen anderen man in het huwelijk te treden; want, hoe belangeloos hij zich ook verbeeldde dat zijne liefde was, en niettegenstaande al de edelmoedige raadgevingen in zijn brief, twijfel ik zeer of hij ooit droeviger tijding had kunnen ontvangen dan die van Sophia’s huwelijk met wien ook, al had zij eene nog zoo groote partij gedaan, met de meeste waarschijnlijkheid er bij van eindelijk volmaakt gelukkig te zijn. Die verhevene soort van Platonische liefde, welke volstrekt niets vleeschelijks heeft, en werkelijk zuiver geestelijk is, blijft bij uitsluiting eene gave van het schoone geslacht, van hetwelk ik vele leden heb hooren verklaren, (zonder twijfel volmaakt naar waarheid!) dat zij altijd heel gereed zouden zijn om een minnaar aan eene harer mededingsters af te staan,—als het maar bleek dat een dergelijke afstand noodzakelijk ware voor de tijdelijke belangen van genoemden minnaar. Vandaar besluit ik, dat eene dergelijke liefde in de natuur bestaanbaar is, ofschoon ik niet voorgeven zal zelf er ooit een voorbeeld van te hebben gezien.
Nadat de heer Jones drie uren doorgebragt had met het lezen en het kussen van den brief van Sophia,—(want hij was eindelijk na overleg van de reeds opgesomde troostredenen, vrij opgeruimd geraakt) besloot hij eene reeds vroeger gemaakte afspraak ten uitvoer te brengen. Dit was om mejufvrouw Miller en hare jongste dochter naar de komedie te vergezellen, en den heer Partridge uit te noodigen mede van het gezelschap te zijn. Want daar Jones werkelijk dien humoristischen zin bezat, welken velen slechts veinzen te bezitten stelde, hij zich groot genot voor van de opmerkingen van Partridge, van wien hij die eenvoudige ingevingen der natuur verwachtte te vernemen, die hoewel niet door de kunst beschaafd, tevens niet door haar bedorven zijn.
De heer Jones, jufvrouw Miller, hare jongste dochter en Partridge namen dan plaats op de voorste bank van de eerste galerij. Partridge verklaarde dadelijk, dat het de schoonste plaats was, welke hij ooit bezocht had.
Zoodra de muzijk begon, zeide hij, dat het verbazend was dat zoovele muzijkanten tegelijk konden spelen, zonder elkaar in de war te brengen. En terwijl de knecht de bovenste kaarsen opstak, riep hij tot jufvrouw Miller uit: „Kijk eens daar, jufvrouw! Hij ziet er precies zoo uit als de vent op de prent die achter in het kerkboek staat, aan het hoofd voor de dienst voor de ontdekking van het buskruidverraad!” Hij kon ook niet nalaten, met een zucht op te merken toen, alle kaarsen opgestoken waren, „dat er op één avond genoeg van verbrand werden om eene arme familie een geheel jaar te voorzien.”
Zoodra het stuk, „Hamlet, Prins van Denemarken,” begon, was Partridge geheel aandacht, en hij brak het stilzwijgen ook niet af voor het optreden van den geest, toen hij Jones vroeg: „Wat dat toch voor ’n mensch was in die vreemde kleeding;—zoo iets,” zeide hij, „als ik wel eens op eene schilderij gezien heb?”
„Dat is de geest,” hernam Jones.
Hierop hernam Partridge met een glimlach: „Dat kunt gij mij niet wijs maken, mijnheer! Hoewel ik niet zeggen kan dat ik ooit van mijn leven een geest gezien heb, ben ik toch zeker dat ik er een kennen zou als ik hem zag. Neen, neen, mijnheer, de geesten komen niet zóó gekleed voor den dag!”
Men liet hem in deze dwaling (welke veel gelach veroorzaakte in zijne buurt), tot het tooneel tusschen Hamlet en den geest, waarin Partridge aan den heer Garrick het geloof schonk, dat hij aan Jones geweigerd had, en zoo hevig begon te sidderen, dat zijne knieën tegen elkaar sloegen.
Jones vroeg wat hem scheelde, en of hij bang was voor den krijgsman op het tooneel?
„O, mijnheer!” riep hij, „ik zie nu in dat gij gelijk hadt! Ik ben volstrekt niet bang; want ik weet dat het slechts komedie-spel is, en als het ook werkelijk een spook was, zou het op zulk een afstand geen kwaad kunnen,—onder zoovele menschen ook,—en toch als ik er bang voor was, zou ik niet de eenige zijn!”
„Wel!” vroeg Jones, „wien houdt gij hier voor zulk een lafaard als gij zijt?”
„Nu, gij moogt mij lafaard noemen, als gij verkiest; maar als die kleine man daar op het tooneel niet verschrikt is, dan heb ik van mijn leven geen bang mensch gezien! Ja, ja! ga maar heen? Ja, zeker! Als gij zoo gek zijt! Ga dan met hem mede? De hemel vergeve u de roekeloosheid! Gij verdient wat u overkome! U volgen? Ik zou even gaarne den Satan volgen! Ja, het is misschien de Satan zelf, want men zegt, dat hij elke gestalte, die hij wil, aannemen kan. O! Daar is hij weer! Geen stap verder! Neen! Gij zijt al ver genoeg geweest,—verder dan ik gegaan zou zijn om het heele koningrijk te krijgen!”
Jones wilde iets zeggen, maar Partridge smeekte: „Stil, stil toch, mijnheer, als het u belieft! Hoort gij hem niet?” En zoolang de geest sprak, zat hij met open mond beurtelings dezen en Hamlet aan te staren, wiens aandoeningen zich op zijn gelaat weêr spiegelden.
Toen het tooneel ten einde was, zeide Jones: „Wel, Partridge, gij overtreft mijne verwachting! Gij geniet het stuk meer dan ik mogelijk achtte.”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „als gij niet bang zijt voor den duivel, kan ik het niet helpen; maar ik zet het den beste om niet verstomd te staan over zoo iets, hoewel ik weet dat er niets in steekt;—het was ook niet de geest die me juist zoo trof, want ik zou wel geweten hebben dat het niets anders was dan een man in vreemde kleeding; maar hetgeen mij zoo aandeed, was toen ik dat mannetje daar zelf zoo verschrikt zag.”
„Gelooft gij werkelijk, Partridge,” riep Jones, „dat hij inderdaad bang was?”
„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „hebt gij niet zelf gezien, hoe, toen hij later ontdekte, dat het de geest van zijn vader was, en hoe die in zijn eigen tuin was vermoord geworden, de vrees hem langzamerhand verliet, en hij, als het ware, verstomde onder zijn leed,—juist zooals het mij gegaan zou zijn, als ik zoo iets ondervonden had?—Maar, stil! Hemel! Wat is dat voor een geraas? Daar is hij weder!—Nu, dat is waar! Al weet ik dat het maar gekheid is, ik ben toch blijde dat ik niet onder die menschen op het tooneel ben!” Daarop, de oogen op Hamlet vestigende, zeide hij: „Nu ja! Trek maar uw degen! Wat helpt een degen tegen de magt van den Satan?”
Onder het tweede bedrijf had Partridge weinig in te brengen. Hij bewonderde zeer de pracht der kostumes, en kon niet nalaten van des konings gelaatstrekken op te merken: „Wel, wel! Wat kan men zich in een gezigt vergissen? Ja! Nulla fides fronti! dat is zeker een waar woord! Wie zou denken, als hij dien koning daar in het gezigt ziet, dat hij een moordenaar is?”
Daarop vroeg hij weder naar den geest: maar Jones, die hem eene verrassing wenschte te bezorgen, gaf hem geene verdere opheldering, dan „dat hij hem welligt zou wederzien, door vlammen omgeven.”