Tom Jones

Part 75

Chapter 754,140 wordsPublic domain

In dit prettig gezelschap bragt de landjonker den geheelen avond en een groot gedeelte van den volgenden dag door, gedurende welken tijd er niets voorviel dat belangrijk genoeg was om in deze geschiedenis geboekt te worden.

Inmiddels sleet Sophia de uren in eenzaamheid; want haar vader zwoer, dat zij niet levend van de kamer af zou komen, tenzij zij hare toestemming gaf om met Blifil te trouwen. Hij liet ook de deur alleen ontsluiten om haar voedsel te geven, bij welke gelegenheid hij altijd zelf aanwezig was.

Den tweeden morgen na zijne aankomst te Londen, terwijl hij en de dominé nog bij hun glas bier en geroosterd brood zaten, aan het ontbijt, kwam men hem berigten, dat er een heer was, die zijne opwachting bij hem wenschte te maken.

„Een heer!” riep de landjonker. „Wie drommel zou dat kunnen zijn? Dominé, loop gij eens eventjes naar beneden en kijk eens wie het is. Mijnheer Blifil kan er nog niet zijn.—Ga eens kijken wat hij hebben moet.”

De predikant kwam terug met het berigt dat het een zeer goed gekleed mensch was, met eene kokarde op den hoed, om welke reden hij hem voor een officier hield, en dat hij zeide, dat hij eene belangrijke boodschap had, welke hij alleen aan den heer Western zelven kon doen.

„Een officier!” riep de landjonker; „wat zou zoo’n vent mij te vertellen hebben? Als hij eene rekwisitie wil doen voor bagagewagens, ben ik hier geen vrederegter,—ik heb hier niets te bevelen.—Maar laat hem toch naar boven komen, als hij mij spreken moet.”

Een zeer fatsoenlijk man werd thans in de kamer gebragt, die na den landjonker gegroet, en de gunst verzocht te hebben hem alleen te mogen spreken, aldus begon:

„Mijnheer, het is op verzoek van Lord Fellamar, dat ik mijne opwachting bij u maak;—maar met eene geheel andere boodschap dan gij waarschijnlijk wachten zult, na hetgeen er eergisteren avond met hem voorgevallen is.”

„Lord wie?” vroeg de landjonker;—„ik heb dien naam van mijn leven niet gehoord.”

„Milord,” hervatte de andere, „wil gaarne alles toeschrijven aan de uitwerking van wat veel wijn, en een enkel woord van uwen kant, om te bevestigen dat hij zich niet vergist heeft, zal voldoende zijn;—want, daar hij, mijnheer, de meest opregte liefde tot uwe dochter koestert, zijt gij de laatste persoon ter wereld, op wien hij eene beleediging zou willen wreken. Het is dus tot uw beider geluk, dat hij zulke openlijke bewijzen van moed reeds gegeven heeft, dat hij eene zaak van dezen aard sussen kan, zonder eenig gevaar te loopen van eene smet op zijne eer. Hij verlangt dus niets anders, dan dat gij mij een enkel woordje zegt in boven bedoelden zin; een enkel woordje zal voldoende zijn, en daarna is hij voornemens om heden namiddag zijne opwachting bij u te maken, en verlof te vragen om een bezoek bij de jonge dame te mogen maken, ten einde, door u gemagtigd, naar hare hand te dingen.”

„Ik begrijp maar zoo wat de helft van hetgeen gij vertelt, mijnheer,” hernam de landjonker; „maar, uit uwe praatjes over mijne dochter, vermoed ik dat er kwestie is van den Lord, van wien mijne nicht, Lady Bellaston, mij gesproken heeft, toen zij mij vertelde, dat hij mijne dochter het hof maakte. Als dat nu het geval mogt wezen,—zeg hem, maar, met compliment van mij,—dat het meisje al besproken is.”

„Gij zijt welligt, mijnheer,” hernam de ander, „niet geheel en al op de hoogte van de groote partij, welke haar aangeboden wordt. Ik verbeeld me, dat iemand van Milords uiterlijk, stand en vermogen nergens afgewezen zou worden.”

„Kijk eens hier, mijnheer,” antwoordde de landjonker, „om zoo duidelijk mogelijk te spreken: Mijne dochter is al besproken; en al ware zij dat niet, zou zij toch, om geene reden ter wereld, met een Lord huwen. Ik haat alle Lords:—het zijn een pak hovelingen en Hannoveranen en ik wil er niets van weten.”

„Nu, mijnheer,” hernam de ander, „als dat uw besluit is, dan moet ik u de boodschap overbrengen, dat Milord hoopt dat gij hem de eer zult bewijzen om hem heden morgen in het Hyde-Park te ontmoeten.”

„Gij kunt Milord zeggen,” antwoordde de heer Western, „dat ik het veel te druk heb, en dat ik niet komen kan. Ik heb genoeg te doen hier in huis, en ga niet uit om wien ook.”

„Ik ben overtuigd, mijnheer,” zei de ander, „dat gij veel te fatsoenlijk man zijt om zulk eene boodschap te zenden. Gij zoudt toch zeker niet willen, dat men van u zeide, dat gij, na een pair van het rijk beleedigd te hebben, hem voldoening hadt geweigerd. Milord zou gaarne, uit achting voor de jonge dame, de zaak anders geschikt hebben; maar, indien hij u niet als vader eerbiedigen moet, duldt zijne eer niet, dat hij eene beleediging zou dragen, zoo als gij u bewust zult zijn, hem aangedaan te hebben.”

„Ik hem aangedaan heb?” brulde de landjonker! „’t Is een verd— leugen! Ik heb hem niets aangedaan!”

Op deze woorden zei de andere heer al heel weinig, maar bepaalde zijne wederlegging tot eenige feitelijke vermaningen, welke naauwelijks de ooren van den heer Western bereikten, of de waardige landjonker begon zeer vlug door de kamer te springen, te gelijk zoo hard hij kon brullende, als ware het om zoo veel menschen mogelijk bijeen te roepen om getuigen te wezen van zijne vlugheid.

De dominé, die zijn glas bijna vol had moeten laten staan, was niet ver uit de buurt, en verscheen onmiddellijk op het geschreeuw van den landjonker, terwijl hij riep:

„Hemel, mijnheer! Wat is er te doen?”

„Te doen?” schreeuwde de heer Western. „Ik geloof dat die man hier een struikroover is, die me doodslaan en uitplunderen wil,—want hij heeft met dien stok daar een aanval op me gedaan,—en ik wil verd— zijn als ik hem eenige aanleiding daartoe gaf!”

„Hoe, mijnheer?” vroeg de kapitein; „zeidet gij niet dat ik gelogen had?”

„Neen,—bij mijne zaligheid, neen!” riep de landjonker; „ik zeide welligt wel, dat het een leugen was dat ik Milord ooit beleedigd had,—maar ik heb nooit gezegd: „Gij liegt het!” Ik weet beter wat ik doe, en gij hadt ook beter moeten weten wat gij doet, dan een weerloos mensch zoo aan te vallen! Als ik een stok in de hand had gehad, zoudt gij het niet gewaagd hebben mij te slaan! Ik zou jou dat leelijke bakkes stuk geslagen hebben! Kom maar nu meê naar beneden, en wij zullen een deuntje met elkaar batonneren, tot ik je hersenpan verbrijzeld heb!—Of ik ben gereed met je in de kamer te blijven en ons uit te kleeden en met de vuisten aan den gang te gaan, tot ge er den buik van vol hebt! Maar ge zijt geen man,—neen, dat zijt ge niet, daar sta ik je voor in!”

De kapitein hernam met eenige verontwaardiging:

„Naar ik zie, mijnheer, zijt ge het niet waard dat ik eenige notitie van u neem,—en ik zal Milord zeggen dat hij u met dezelfde minachting moet behandelen.—Het spijt me slechts dat ik me de vingers aan u vuil gemaakt heb!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, terwijl de dominé den landjonker belette om hem te volgen, wat hem niet veel moeite kostte, daar de andere, hoewel hij eenige pogingen deed om weg te komen, niet al te verlangend scheen om daarin te slagen.

Zoodra de kapitein vertrokken was, zond hem de landjonker eene rist van vloeken en bedreigingen achterna; daar deze echter over zijne lippen kwamen toen de officier onder aan de trap was, en naarmate hij verder weg kwam, hoe langer zoo harder klonken, bereikten ze zijn ooren niet, en vertraagde in geen geval zijn vertrek.

De arme Sophia echter, die in hare gevangenschap van het begin tot het einde de noodkreten van haar vader gehoord had, begon eerst met den voet te stampen en daarop te gillen zoo hard als de oude heer zelf, hoewel met eene veel liefelijker stem. Hare kreten bragten weldra den landjonker tot stilzwijgen, en rigtten al zijne gedachten op zijne dochter, die hij zoo teeder beminde, dat de minste vrees voor eenig kwaad, dat haar overkomen kon, hem dadelijk tot wanhoop bragt;—want behalve op het ééne punt,—waarvan echter haar geheele levensgeluk afhing,—was zij onbepaalde gebiedster over hem.

Na zijne woede tegen den kapitein uitgeput te hebben, door te zweren dat hij hem in regten vervolgen zou, liep de landjonker de trap op naar Sophia, die hij, na de deur ontsloten en geopend te hebben, bleek en ademloos voor zich zag staan. Zoodra zij echter haren vader herkende, vatte zij weder moed, greep hem bij de hand en riep hartstogtelijk uit:

„O vader-lief, ik was zoo doodelijk geschrikt! In ’s hemels naam, wat is er? Wat is u overkomen?”

„Niets van groot belang,” hernam de heer Western; „neen, niet heel veel kwaad. Die schelm heeft me niet erg bezeerd; maar de drommel hale mij, als ik hem niet in regten vervolg!”

„Vertel me toch wat er gebeurd is, vader,” zeide zij; „wie heeft u beleedigd?”

„Ik weet niet hoe de vent heet,” hernam Western; „ik geloof een van die soldatenboel, die wij betalen om—ons te ranselen! Maar dezen keer zal hij het betalen, als de schelm iets heeft om te betalen! Dat zal wel niet! Want in weerwil van zijne mooije kleêren, geloof ik niet dat hij een duimbreed grond heeft van zijn eigen!”

„Maar, vaderlief,” zeide zij; „wat was toch de aanleiding tot den twist?”

„Wel, wat zou het anders geweest zijn dan om jou, Sophia,” hernam de landjonker. „Al mijne ongelukken komen door u;—ge zult eindelijk uw ouden vader in het graf slepen! Daar is zoo’n ellendige lord, de drommel weet hoe die vent heet, die zin in jou gekregen heeft, en omdat ik mijne toestemming niet geven wilde, zond hij mij eene uitdaging. Kom, wees nu eene brave meid, Sophia, en maak een einde aan al de zorgen van uw ouden vader;—Kom, nou, zeg maar ja; neem hem maar; binnen een paar dagen is hij hier; beloof maar hem te nemen zoodra hij aankomt, en ge zult mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld maken!—En dan zal ik jou ook tot de gelukkigste vrouw ter wereld maken; ge zult de schoonste kleêren hebben in geheel de stad en de prachtigste juweelen, en een koets met zes paarden. Ik heb al aan Allworthy beloofd u de helft van mijn inkomen af te staan. Wat drommel! Het zou niet heel veel moeite kosten om me het geheel te doen afstaan.”

„Vader-lief,” zeide zij, „mag ik u iets zeggen?”

„Waarom vraagt ge dat, Sophia?” hernam hij; „ge weet immers wel, dat ik liever jou stem hoor dan die van den besten jagthond in het rijk! Of ge me iets zeggen moogt, meidlief? Wel! Ik hoop je te hooren mijn leven lang; want als ik ooit dat genot moest missen, zou ik geen duit geven om de heele wereld! Ja, Sophia, ge weet niet hoe veel ik van u houd,—dat weet ge niet,—anders waart ge nooit zoo weggeloopen van uw armen verlaten vader, die geene andere vreugde op aarde heeft, dan zijne kleine Sophia!”

Bij deze woorden stonden hem de tranen in de oogen en Sophia, die een vloed van tranen stortte, antwoordde:

„Ik weet best, vader, dat gij heel veel van mij houdt, en ik neem den hemel tot getuige, dat ik opregt uwe liefde vergeld; en niets ter wereld dan de vrees om gedwongen te worden mij in de armen van dien man te werpen, had me een vader kunnen doen ontvlugten, dien ik zoo hartstogtelijk bemin, dat ik met genoegen mijn leven aan zijn geluk zou willen opofferen;—ja, ik heb getracht zelfs mij te overtuigen dat ik meer moest doen;—en had haast besloten om mij aan het rampzaligste lot te onderwerpen, alleen om aan uwe wenschen te voldoen;—maar ik had de kracht niet om tot dat besluit te komen,—en dat zal ik ook nooit kunnen doen.”

Thans begon de landjonker weder woest rond te kijken en te schuimbekken; maar Sophia smeekte hem haar tot het einde toe aan te hooren en hervatte toen in de volgende woorden:

„Vader, als uw leven, uwe gezondheid, en uw wezenlijk geluk op het spel stond, moge de hemel mij straffen, als ik niet de vastberadenheid zou hebben, om elke ellende te dragen, ten einde u te redden. Ja, om uwentwil, zou ik mij aan het verachtelijkste, het rampzaligste lot onderwerpen, en mijn hand aan Blifil geven.”

„En ik zeg, dat me dat juist redden zou,” hernam de vader; „het zou me gezondheid, geluk, leven,—alles geven! Bij mijne ziel, ik zal dood gaan als gij blijft weigeren;—het zal mij het hart breken, op mijn woord!”

„Zou het mogelijk wezen,” vroeg zij, „dat gij zoo sterk verlangen kunt om mij diep ongelukkig te maken?”

„Ik zeg u van neen!” schreeuwde hij. „Ik verlang niet anders dan u gelukkig te maken! Verd—, als er iets ter wereld is, dat ik niet zou willen doen om u gelukkig te maken!”

„En ontkent gij dan, beste vader, dat ik zelve eenig begrip heb van hetgeen me gelukkig zou maken? Als het waar is, dat het geluk slechts denkbeeldig is, wat zal dan niet mijn toestand zijn, als ik me houd voor het ongelukkigste wezen ter wereld?”

„’t Is beter dat ge u wat verbeeldt, dan dat ge het werkelijk zoudt worden, door met een kalen bastaard en landlooper te trouwen!” hernam hij.

„Als dat u bevredigen kan, vader,” zei Sophia, „dan geef ik u de plegtigste belofte om noch met hem noch met iemand anders te trouwen, zoo lang gij leeft, zonder uwe toestemming. Laat mij weder mijn geheele leven aan uwe dienst toewijden; laat me weder uwe kleine Sophia wezen, en ik zal mijn geluk en het geheele doel van mijn leven zoeken, even als vroeger, in het bevorderen van uw gemak en genoegen.”

„Hoor eens, Sophia,” hernam de landjonker, „ik laat me op die wijze niet foppen! Als ik dat deed, zou uwe tante Western gelijk hebben met mij voor een gek te houden! Neen, neen, Sophia, ge moest maar begrijpen dat ik te wijs ben en te veel van de wereld ken, om eene vrouw op haar woord te gelooven, als er een man in ’t spel komt.”

„Heb ik zulk een gebrek aan vertrouwen aan u verdiend, vader?” vroeg zij. „Heb ik ooit eene belofte jegens u geschonden? Hebt gij me ooit, van de wieg af, op eene onwaarheid betrapt?”

„Luister eens, Sophia,” hernam hij; „dat doet er volstrekt niets toe. Ik heb besloten, dat dit huwelijk doorgaan zal,—en nemen zult ge hem;—verd—, dat zult ge doen! Ik laat me doodslaan als ge het niet zult,—al verkiest ge u ook den volgenden morgen op te hangen!”

Hij herhaalde deze woorden, fronsde de wenkbraauwen, beet zich op de lippen, en bulderde hetgeen hij zeide met zulk eene verschrikkelijke stem, dat de arme, bedroefde en verschrikte Sophia, bevend op een stoel zeeg, en waarschijnlijk, als een vloed van tranen haar niet verligt had, in zwijm zou zijn gevallen.

Western zag den treurigen toestand zijner dochter met even weinig wroeging of medelijden als een cipier in de gevangenis de ellende eener ongelukkige vrouw waarneemt, die het laatste afscheid van haar man neemt,—of liever, hij bekeek haar met dezelfde gevoelens waarmede een eerlijke handelsman een schuldenaar voor een tiental pond sterling in de gevangenis ziet slepen, welke, hoe onbetwistbaar de schuld ook zij, de arme drommel slecht genoeg is niet te kunnen afbetalen. Of, om een beeld te gebruiken, dat meer overeenkomst heeft met de zaak in kwestie, hij gevoelde ongeveer dezelfde wroeging als eene houdster van een publiek huis, als het eene of andere onschuldige meisje, dat in hare handen gevallen is, het op de zenuwen krijgt als haar het eerst voorgesteld wordt, om, zoo als het heet, „gezelschap te ontvangen.” Inderdaad, zou de gelijkenis volmaakt zijn, ware het niet dat de houdster van zoo’n huis door eigenbaat gedreven ware, terwijl de vader, wat hij zich ook verbeelde, er geen baat in vinden kan, als hij zijne dochter tot eene bijna even erge prostitutie dwingt.

In dezen toestand verliet Western de arme Sophia, na eene zeer gemeene uitdrukking over de uitwerking der tranen, sloot de deur weer digt, en keerde bij den dominé terug, die alles zeide wat hij maar durfde in het belang der jonge dame,—wat, hoewel misschien niet geheel en al zoo veel als zijn pligt eischte, toch genoegzaam was om den landjonker in drift te doen ontbranden, en hem vele onbetamelijke uitdrukkingen af te persen over de geestelijkheid in het algemeen, voor welk eerbiedwaardig ligchaam wij eene te groote vereering koesteren, dan dat wij ons veroorloven zouden zijne woorden hier te herhalen.

HOOFDSTUK III.

HETGEEN SOPHIA BELEEFDE IN HARE GEVANGENSCHAP.

De vrouw van het huis waar de landjonker kamers gehuurd had, was al zeer spoedig begonnen met een vreemd denkbeeld van hare gasten op te vatten. Daar zij echter vernam dat de heer Western een groot vermogen bezat, en zorg had gedragen een zeer hoogen prijs voor hare kamers te vragen, achtte zij het niet gepast om hem op eenigerlei wijze lastig te vallen; want hoewel zij eenig medelijden gevoelde met Sophia in hare gevangenschap, wier liefheid en vriendelijkheid de werkmeid zoo geroemd had (terwijl al wat deze vertelde, door de dienstboden van den landjonker bevestigd werd), had zij te veel zorg voor hare eigene belangen, dan dat zij iemand, dien zij, zoo als zij zeide, „voor ’n vreesselijk driftig mensch hield” tergen zoude.

Hoewel nu Sophia slechts zeer weinig gebruikte werden haar hare maaltijden steeds geregeld gebragt, en werkelijk, als zij zin gekregen had in de eene of andere zeldzame lekkernij, twijfel ik niet dat de landjonker, hoe kwaad hij op haar was, noch geld noch moeite gespaard zou hebben om ze haar te verschaffen; want, hoe vreemd het ook luide voor sommige mijner lezers, was hij toch werkelijk verzot op zijne dochter, en het verschafte hem steeds het grootste genoegen ter wereld om haar het een of ander genot te verschaffen.

Toen nu het etensuur kwam, bragt haar de Zwarte George een kip naar boven, terwijl de landjonker zelf—die gezworen had den sleutel niet uit zijne handen te geven,—bij de deur de wacht hield. George zette den schotel op tafel en wisselde eenige beleefde woorden met Sophia,—want hij had haar niet gezien sedert zij van buiten gekomen waren, en zij behandelde alle dienstboden met meer beleefdheid dan sommige menschen betoonen zelfs aan diegenen, welke naauwelijks als hunne minderen beschouwd kunnen worden.

Sophia wilde nu hebben dat hij de kip weder meênemen zoude, daar zij verklaarde niets te kunnen gebruiken; maar George smeekte haar iets te nuttigen en vooral om de eijeren te proeven, waarmede, hij zeide, dat het hoen gevuld was.

Inmiddels bleef de landjonker aan de deur wachten;—maar George was een groote gunsteling van zijn meester, die hem de gewigtigste zaken toevertrouwde, namelijk de zorg voor het wild, en hij was gewoon om zich vele vrijheden aan te matigen. Hij had zich nu gedienstig aangeboden om het eten naar boven te brengen, daar hij verklaarde zeer verlangend te zijn om zijne jonge meesteresse te zien,—om welke reden hij ook niet schroomde om zijn heer meer dan tien minuten te laten wachten, terwijl hij zijne beleefdheden met Sophia wisselde, wat hem slechts een lagchend verwijt berokkende, toen hij eindelijk weer aan de deur verscheen.

George wist wel dat eijeren van kippen, patrijzen, fazanten enz., tot de meest geliefkoosde lekkernijen van Sophia behoorden. Het was dus niet te verwonderen dat hij, die een zeer goedhartig mensch was, zorg droeg haar van deze lievelingsgeregten te voorzien, op een tijdstip waarop alle dienstboden in huis vreesden dat zij van honger sterven zou; want zij had naauwelijks in de laatste zes en dertig uren iets gebruikt.

Hoewel nu het verdriet niet altijd dezelfde uitwerking heeft op alle menschen als het gewoonlijk heeft op de meeste weduwen, wier eetlust meer daardoor gescherpt wordt dan door de lucht op de duinen te Bansted, of op het plein van Salisbury,—kan ook de meest verheven smart niet beletten dat men toch eindelijk moet eten,—wat ook de menschen daartegen zeggen.

Sophia begon dus eindelijk, na eenige aarzeling, de kip te snijden, die ook, overeenkomstig hetgeen George gezegd had, met eijeren gevuld was.

Maar, als zij behagen schepte in de eijeren, was er nog iets in, dat het Koninklijke Instituut nog meer verrukt zou hebben; want als eene kip met drie pooten zulk eene kostbare zeldzaamheid blijft, terwijl er toch in den loop der eeuwen, duizend zulke vogels geboren zijn,—welke waarde moet men dan niet hechten aan een vogel, die zoo zeer zondigt tegen alle wetten der natuur, dat hij een brief draagt in zijn buik? Ovidius maakt melding van de bloem, waarin Hyacinthus herschapen werd, en die letters vertoont op hare bladeren, welke Virgilius als wonderen aanbeveelt aan het Koninklijke Instituut van zijn tijd; maar geene eeuw en geen volk heeft, tot dusver, ooit melding gemaakt van een vogel, die een brief had in zijn krop.

Maar hoewel een wonder van dezen aard welligt alle Académies des sciences in Europa met vruchtelooze onderzoekingen had kunnen bezig houden, zal de lezer, die zich het laatste gesprek herinnert tusschen de heeren Jones en Partridge, gemakkelijk begrijpen van wien die brief was en hoe hij in de maag van de kip geraakt was.

Sophia, niettegenstaande haar lang vasten, en hoewel haar geliefkoosd geregt vóór haar stond, greep den brief op, zoodra zij hem ontwaarde, rukte hem open en las als volgt:

„Mejufvrouw,

Als ik haar, aan wie ik de eer heb te schrijven, niet goed kende, zou ik trachten, hoe moeijelijk zulks mij ook viel, haar mijn verschrikkelijken angst te schilderen, bij het berigt mij door jufvrouw Honour gebragt. Daar echter de gevoeligheid alleen beseffen kan voor welke folteringen de gevoeligheid vatbaar is, zoo zal deze beminnelijke hoedanigheid, die mijne Sophia in den hoogsten graad bezit, haar voldoende inlichten omtrent hetgeen haar Jones bij deze droevige gelegenheid ondervonden moet hebben. Zou er eenige omstandigheid ter wereld zijn, die mijne kwellingen kon verhoogen bij het vernemen van eenig ongeluk dat u overkomen is? Ja, er is er ééne, en daaronder ga ik gebukt. Ze is, mijne Sophia, de verschrikkelijke bedenking, dat ik zelf de rampzalige aanleiding ben tot uw lijden.

„Welligt vermeet ik mij hierin te veel;—maar niemand zal mij eene eer benijden, die me zoo duur te staan komt. Vergeef me dus deze verwaandheid,—vergeef me ook als ik u vraag, of mijn raad, mijn bijstand, mijn bijzijn, mijne afwezigheid, mijn dood, of mijne folteringen, u eenige verligting kunnen bezorgen? Als de meest volmaakte bewondering, de meest waakzame oplettendheid, de vurigste liefde, de grootste teederheid, de meest volmaakte onderwerping aan uwen wil, u eenigzins vergoeden kunnen al wat gij om mijn geluk opoffert,—als ze dat kunnen, o, vlugt dan, mijn schoone engel, in die armen, welke steeds open blijven om u te ontvangen en om u te beschermen,—en of gij zelve alleen komt, of vergezeld door alle schatten der wereld, is iets waarover het, naar mijn gevoelen, niet de moeite waard is één oogenblik te denken. Zoo echter, integendeel, de wijsheid de overhand krijgt en gij inziet, na rijp beraad, dat de opoffering te groot zou zijn, en er geen andere uitweg overblijft om uw vader te verzoenen en om uwe zielerust te herstellen, dan door mij te verzaken, dan smeek ik u, mij voor altijd uit uwe gedachten te bannen,—uw moed op te roepen en niet te dulden dat eenig medelijden met mijne ellende uw teeder hart bezware.

„Geloof mij, Sophia, ik bemin u opregt meer dan mijzelven; en mijn hoofd- en eenig doel is uw geluk. Mijn voornaamste wensch was (en o waarom zou het noodlot de vervulling daarvan verijdelen?)—en vergun me te zeggen, die wensch is nog, om u als de gelukkigste der vrouwen steeds hij me te zien;—mijn eerste wensch daarna is te vernemen dat gij gelukkig zijt; maar geene ellende ter wereld is bij de mijne te vergelijken, zoo lang ik denken moet dat gij één ongelukkig oogenblik van uw leven te wijten hebt aan hem die eeuwig blijft,

Mejufvrouw,

in elke beteekenis van het woord en in alle opzigten,

uw getrouwe

Thomas Jones.”

Wat Sophia zeide, deed of dacht bij de ontvangst van dezen brief, en hoe dikwerf zij hem herlas,—dit alles moet zich de lezer verbeelden. Welligt zal hij later haar antwoord daarop zien; maar thans zal dit niet gebeuren, om de volgende reden (onder vele anderen), namelijk omdat zij nu geen antwoord schreef,—wat ook zijne oorzaken had,—ook, onder anderen, het volstrekte gemis van papier, pen en inkt.