Tom Jones

Part 74

Chapter 744,098 wordsPublic domain

In den toestand waarin hij en zijne beminde zich thans bevonden bleef hem naauwelijks, nog eenige hoop over, en toch was hij even ongeduldig om mejufvrouw Honour te zien, als of hij verwachten kon dat zij hem een brief zou brengen met eene uitnoodiging om Sophia te ontmoeten,—en hij gevoelde de teleurstelling even sterk als of dit werkelijk het geval ware geweest.

Wij zullen niet beslissen of dit ongeduld ontsproot uit de natuurlijke zwakheid van den menschelijken geest, die ons begeerig doet zijn om het allerergste te weten, en de onzekerheid tot de meest ondragelijke van alle kwellingenmaakt, of dat hij zich nog met eenige geheime hoop koesterde. Maar iedereen die bemind heeft, zal wel begrijpen dat het dit laatste wel kon zijn. Want een der meest verbazende krachten van dezen hartstogt op onzen geest, is dat hij de hoop, te midden der wanhoop voedt. Bezwaren, onwaarschijnlijkheden,—ja zelfs onmogelijkheden, worden vergeten, zoodat op iederen zeer verliefden mensch mag toegepast worden wat Addison van Cezar gezegd heeft:

„Alpen en Pyreneën vergaan voor hem.”

Maar het is ook even waar, dat dezelfde hartstogt soms bergen in molshoopen ziet, en wanhoop te midden der hoop doet ontstaan; maar, bij gezonde gestellen, duren deze koortsige vlagen nooit heel lang. Wij laten het thans aan den lezer zelven over om te beslissen in welke dezer buijen Jones zich nu bevond, daar wij geene geloofwaardige berigten daaromtrent geven kunnen;—maar, zooveel is zeker, dat hij reeds een paar uren in pijnlijke verwachting doorgebragt had, toen hij, zich buiten staat gevoelende om zijne onrust te verbergen, de vlugt nam naar zijne kamer, waar zijne onrust hem bijna tot krankzinnigheid gebragt had, eer hem de volgende brief van mejufvrouw Honour overhandigd werd, welk schrijven wij woordelijk en letterlijk weer geven:

„Mijnheer,

Ik zou wel wis en zeker, volgens afspraak, bij mijnheer al zijn geweest, als Milady mij dat niet belet had;—want gij weet ook best, mijnheer, dat iedereen eerst verpligt is voor nommer Één te zorgen,—en zeker is het niet alle daag dat ’n mensch zoo iets aangeboden wordt,—reden waarom het zeer verkeerd van mij geweest zou zijn, als ik het niet aangenomen had, toen Milady de beleefdheid had mij aan te bieden kamenier bij haar te worden, zonder dat ik er aan gedacht had zoo iets te vragen.

„Wis en zeker is zij eene der beste dames ter wereld, en menschen, die het tegendeel willen volhouden, moeten in hun hart al zeer slecht zijn. En ’t is waar, dat als ik zelve ooit iets van dien aard gezegd heb, dat het uit onwetendheid geweest is, en daar ben ik hartelijk bedroefd om. Ik weet ook dat mijnheer een mijnheer van eer en fatsoen is, en dat als ik ooit iets van dien aard gezegd heb, hij het niet oververtellen zal om eene arme dienstmeid te benadeelen, die altijd den meesten eerbied voor mijnheer gekoesterd heeft. ’t Is echter waar dat men steeds een slot op den mond moest dragen; want geen mensch weet wat er eens gebeuren kan;—en wis en zeker als iemand me gisteren verteld had dat ik heden zulk eene goede dienst gevonden zou hebben, zou ik hem niet geloofd hebben;—want, ’t is waar, zoo iets had ik niet gedroomd, en ik had ook geen mensch willen onderkruipen; maar toen Milady zoo vriendelijk was, uit haar eigen, om mij die plaats aan te bieden, ongevraagd, zou geen mensch, dan jufvrouw Etoff zelve het me kunnen kwalijk nemen, dat ik ja zeide.

„Ik verzoek mijnheer niets te zeggen van hetgeen ik verteld heb; want ik wensch mijnheer den meesten voorspoed toe, en ik twijfel ook niet dat gij eindelijk jufvrouw Sophia krijgen zult; maar, voor mijn part, zooals mijnheer weet, kan ik u in deze zaak verder van geene dienst wezen, daar ik nu onder de orders van iemand anders sta, en niet van mij zelf afhang. Ik verzoek u, mijnheer, niets over te vertellen van hetgeen nu voorbij is, en mij te gelooven, mijnheer,

Uwe onderdanige en tot in den dood dienstwillige dienaresse,

Honour Blackmore.”

Jones maakte vele gissingen omtrent dezen stap van Lady Bellaston, die werkelijk echter niets anders bedoelde dan in haar eigen huis de persoon te hebben die een geheim kende, dat zij niet verder wilde verspreid hebben dan nu reeds het geval was, en dat zij vooral voor Sophia verlangde te verbergen; want hoewel die jonge dame bijna de eenige was, die het nooit verder zou verteld hebben, kon Milady dat niet gelooven;—want, daar zij nu de arme Sophia met de meeste verbittering haatte, verbeeldde zij zich dat die haat wederkeerig moest zijn in het hart onzer heldin,—waarin echter tot dusver een dergelijke hartstogt nooit had kunnen doordringen.

Terwijl Jones zich dus aftobde met den angst voor duizenderlei vreesselijke listen en diepzinnige kuiperijen, welke hij zich verbeeldde dat achter deze bevordering van Honour verborgen lagen, beproefde vrouw Fortuna, die altijd zulk eene bittere vijandin scheen te zijn geweest van zijn huwelijk met Sophia, een nieuw middel om het onmogelijk te maken, door Jones aan eene verleiding bloot te stellen, waaraan het onmogelijk scheen dat hij weerstand kon bieden in zijn thans zoo noodlottigen toestand.

HOOFDSTUK XI.

BEVATTENDE EENE ZELDZAME, MAAR GEENSZINS VOORBEELDELOOZE ZAAK.

Er was zekere dame, mevrouw Hunt genaamd, die Jones dikwerf bij zijne hospita gezien had, bij wie zij zeer gemeenzaam in huis kwam als eene vertrouwde vriendin van jufvrouw Miller. Zij was van omstreeks dertigjarigen leeftijd,—want zij zeide dat zij zes en twintig was;—hare gelaatstrekken en gestalte waren fraai,—alleen wat veel naar lijvigheid zwemende. Zij was in hare jeugd gehuwd geweest met een bejaarden koopman, die op de Levant handelde, en die na een groot vermogen verworven te hebben, zijne zaken opgaf. Zij leefde onberispelijk, maar niet gelukkig met hem, en betoonde de meeste zelfverloochening gedurende ongeveer twaalf jaren, en hare deugd werd bij zijn dood beloond, toen hij haar in een zeer welvarenden toestand naliet. Het eerste jaar harer weduwschap was juist voorbij, en zij had het in volstrekte afzondering gesleten, daar zij slechts eenige goede vrienden zag, en haar tijd verdeelde tusschen hare godsdienstoefeningen en het lezen van romans, waarop zij altijd zeer verzot was geweest. Eene uitmuntende gezondheid, een zeer vurig temperament en veel godsdienstzin, maakten het tot eene bepaalde noodzakelijkheid voor haar om weder een man te nemen en zij besloot ditmaal, in de keuze van een echtgenoot, haar eigen zin te volgen, even als zij den eersten keer, hare familie den zin gegeven had. Van haar werd het onderstaande briefje aan Jones gerigt.

„Mijnheer,

Sedert ik u voor den eersten keer zag, vrees ik dat mijne oogen u maar al te duidelijk verraden hebben, dat gij me niet onverschillig waart; maar mond noch hand zouden dat ooit verraden hebben, zoo de dames van het huis waar gij woont, u niet zoo geroemd hadden, wat uw karakter betreft, en mij zulke bewijzen gegeven hadden van uwe deugd en goedheid, dat ik overtuigd ben dat gij niet slechts de innemendste, maar ook tevens de waardigste der mannen zijt. Ik heb ook het genoegen van haar te vernemen dat ik wat uiterlijk, verstand en karakter aangaat, u niet ongevallig ben. Ik heb vermogen genoeg om ons beide gelukkig te maken;—maar dat mij, zonder u, niet gelukkig maken kan. Door mij aldus aan te bieden, weet ik wel, dat ik mij de berisping van de wereld op den hals zou halen; maar als ik u niet meer beminde, dan ik het oordeel der menschen vrees, zou ik uwer onwaardig zijn.

„Slechts één bezwaar schrikt me af. Ik verneem dat gij eene intrigue hebt met zekere voorname dame. Als gij het de moeite waard acht, om dat alles om mijnentwil op te offeren ben ik de uwe;—zoo niet vergeet mijne zwakheid en laat dit een eeuwig geheim blijven tusschen u en

Arabella Hunt.”

Bij het lezen van dezen brief ontstelde Jones hevig. Zijne geldmiddelen waren toen haast uitgeput, daar de bron waaruit ze tot dus ver gevloeid hadden, op eens afgesneden was. Van al wat hij van Lady Bellaston ontvangen had, bleven hem geene vijf guinjes over, en juist dien morgen was hij door een leverancier om het dubbele van die som gemaand. Het meisje, dat hij eerlijk beminde, was in haar vaders magt, en hij kon naauwelijks eenige hoop koesteren om haar ooit weder te verlossen. Om op hare kosten te leven van het kleine vermogen, dat zij onafhankelijk van haar vader bezat, was in strijd met zijn hoogmoed zoowel als met de kieschheid zijner liefde. Daarentegen zou het vermogender andere dame hem best te pas komen, en hij kon ook in geenerlei opzigt iets tegen haar hebben. Integendeel, hij hield even veel van haar als van iedere andere vrouw, behalve Sophia. Maar om Sophia op te geven en met eene andere te huwen, was eene onmogelijkheid voor hem;—hij kon volstrekt niet daaraan denken.—Maar waarom zou hij het toch niet doen, daar het duidelijk was, dat Sophia nooit de zijne kon worden? Zou het ook niet om harentwil beter zijn, dan haar verder gebonden te houden aan eene hopelooze liefde tot hem? Moest hij, om harentwil, niet toestemmen? Dit denkbeeld dreef boven voor eenige oogenblikken, en hij had bijna besloten om trouweloos te worden aan Sophia, alleen uit eergevoel;—maar hij bleef niet lang bestand tegen de stem der natuur, die hem toeriep, dat zulke vriendschapsdienst hoogverraad was aan de liefde gepleegd. Eindelijk greep hij naar pen en papier en schreef aan mevrouw Hunt als volgt:

Mevrouw,

Het zou slechts eene zeer geringe vergelding zijn van de gunst welke gij mij bewijst, om eenige intrigue op te offeren ten einde u te bezitten,—en dat zou ik ook dadelijk doen, ware ik niet geheel vrij, wat thans het geval is, van iets van dien aard. Maar ik zou de eerlijke man niet zijn, waarvoor gij mij houdt, als ik u niet beleed dat ik mijne liefde geschonken heb aan eene andere, deugdzame dame,—iemand die ik nooit verzaken kan, hoewel het waarschijnlijk is dat zij nooit de mijne zal worden.

„De hemel verhoede dat ik u ooit uwe goedheid vergelden zou door u mijne hand zonder mijn hart aan te bieden. Neen! Liever zou ik van honger sterven, dan mij aan zoo iets schuldig maken. Al ware zelfs mijne beminde de echtgenoote van een ander, ik zou u mijne hand niet bieden, eer iedere herinnering aan haar uit mijn hart gewischt ware. Wees verzekerd dat uw geheim niet veiliger kan zijn in uw eigen hart dan in dat van

uw zeer verpligten, dankbaren en onderdanigen dienaar,

T. Jones.”

Zoodra onze held dezen brief opgesteld had, liep hij naar zijn secretaire, haalde de mof van mejufvrouw Western er uit, kuste ze herhaaldelijk, en stapte in de kamer heen en weêr met meer zelfvoldoening dan een Ier ooit gevoelde, die eene vrouw met vijftig duizend pond sterling geschaakt heeft.

HOOFDSTUK XII.

EENE ONTDEKKING, DOOR PARTRIDGE GEDAAN.

Terwijl Jones zich nog verheugde in het bewustzijn zijner eerlijkheid, kwam Partridge springende en dansende in de kamer, volgens zijne gewoonte, als hij goede tijdingen bragt, of zich verbeeldde die te brengen. Zijn meester had hem dien morgen vroeg uitgezonden met het bevel om te trachten door de dienstboden van Lady Bellaston, of op welke andere wijze dan ook, te ontdekken waarheen men Sophia gevoerd had, en hij keerde nu terug en vertelde onzen held, met een van vreugde schitterend gelaat, dat hij den verloren vogel gevonden had.

„Ik heb,” zeide hij, „den Zwarten George gezien, den jager, een der dienstboden, die mijnheer Western mede naar Londen heeft gebragt. Ik herkende hem dadelijk, hoewel ik hem in vele jaren niet gezien had;—want, zoo als gij weet, mijnheer, is hij een zeer merkwaardig mensch,—of beter gezegd, hij heeft een zeer opmerkingswaardigen baard, den zwartsten dien ik ooit gezien heb. Het duurde echter een heelen tijd eer de Zwarte George wist wie ik was.”

„Nu ja!” riep Jones; „maar welke tijding brengt gij? Wat hebt gij van Sophia vernomen?”

„Dat zult gij dadelijk hooren, mijnheer;—ik vertel u alles geregeld. Gij, echter, zijt zoo ongeduldig, mijnheer,—gij begint dadelijk met de gebiedende in plaats van de onbepaalde wijs! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde een heelen tijd eer hij zich mijn gelaat—”

„De drommel hale uw gelaat!” riep Jones; „wat is er van Sophia?”

„Wel, mijnheer,” hernam Partridge, „ik weet niets meer van jufvrouw Sophia, dan hetgeen ik u vertellen wilde;—en ik zou u al alles verteld hebben als gij mij niet telkens in de rede gevallen waart;—maar als gij zoo kwaad begint te kijken, zult gij mij geheel in de war brengen,—of liever, mijn geheugen zal me begeven. Ik heb u nooit zoo kwaad zien kijken sedert dien dag toen wij uit Upton vertrokken,—en dien dag zal ik me herinneren, al worde ik honderd jaar oud!”

„Nu, ga uw gang maar,” zei Jones. „Ge hebt u voorgenomen mij tot razernij te brengen,—dat zie ik—”

„Om alles ter wereld, niet!” riep Partridge; „daar heb ik genoeg van gehad! En, zoo als ik straks zeide,—dat vergeet ik niet tot het laatste uur van mijn leven!”

„Nu ja,—maar die Zwarte George!” smeekte Jones.

„Wel! Zoo als ik zeide, mijnheer, het duurde al heel lang eer hij wist wie ik was;—want ik ben ook werkelijk zeer veranderd sedert wij elkaar zagen. Non sum qualis eram! Ik ben heel ongelukkig geweest, en niets doet den mensch meer veranderen dan het leed;—ik heb wel eens hooren zeggen, dat het eens menschen haar in één nacht kan doen vergrijzen. Hoe dat ook zij, hij herkende me eindelijk, dat is waar; want wij zijn beide van denzelfden leeftijd en zijn zamen op de armen-school geweest. George was wel een groote stommerik, maar dat komt er niet op aan;—niet alle menschen komen in de wereld vooruit naar verhouding tot hunne geleerdheid! Dat durf ik gerust zeggen; daar heb ik mijne redenen voor;—maar over honderd jaren, zal het er niet op aan komen! Nu, mijnheer—wacht eens! Waar was ik?—O ja!—nu—zoodra wij elkaar herkenden, drukten wij elkaar hartelijk de hand en spraken af om naar de kroeg te gaan, en een glas bier zamen te drinken;—en gelukkig, was het, geloof ik wel, het beste bier, dat ik nog geproefd heb, sedert ik te Londen ben.—Nu, mijnheer, nu kom ik tot de zaak; want naauwelijks had ik u genoemd en hem verteld hoe gij en ik zamen naar Londen gekomen en bij elkaar gebleven waren, of hij bestelde eene tweede kan, en zwoer, dat hij op uw welzijn zou drinken;—en dat deed hij, zoo hartelijk, dat het me verheugde te zien dat er nog zoo veel dankbaarheid in de wereld bestond;—en toen het bier op was, zeide ik, dat ik ook eene kan betalen wilde, en die ledigden wij ook op uwe gezondheid, en daarop haastte ik me naar huis te komen om u het nieuws te melden.”

„Welk nieuws?” riep Jones. „Gij hebt me nog geen enkel woord van Sophia gezegd!”

„Heere mijn tijd! dat had ik haast vergeten! En wij praatten toch eene heele boel over jufvrouw Western en George vertelde me alles, en hoe mijnheer Blifil naar Londen komt om haar te trouwen. „Dan moet hij zich haasten,” zeide ik; „of iemand anders zal haar nemen, eer hij daar is, en werkelijk mijnheer Seagrim,” zei ik, „’t zou ook duizendmaal jammer zijn als die iemand anders haar niet kreeg; want hij houdt zeker meer van haar dan van alle andere vrouwen ter wereld! Ik wilde wel dat gij en zij ook begreept, dat het hem niet om haar geld te doen is; want, dat kan ik u verzekeren, wat dat aangaat,—dat er eene andere dame is, iemand die van veel hooger stand is en die veel meer geld heeft dan jufvrouw Sophia, die zoo veel van zeker iemand houdt dat zij hem dag en nacht naloopt.””

Hier viel Jones Partridge driftig in de rede omdat hij hem op die wijze verraden had; maar de arme kerel verzekerde dat hij geene namen genoemd had.

„Bovendien, mijnheer,” zeide hij, „gij kunt er gerust op aan dat George uw vriend is, en hij zeide meer dan eens dat mijnheer Blifil naar den drommel kon loopen,—ja, dat hij alles ter wereld zou willen doen om u te dienen;—en ik ben ook overtuigd dat hij het meende.—Wat! U verraden? Ik twijfel zelfs of gij, na mij, een beteren vriend ter wereld hebt dan George, of iemand, die meer zou willen doen om u te helpen!”

„Nu,” zei Jones, eenigzins verzacht, „gij vertelt me dat deze kerel, die wel geneigd zal zijn mij te dienen, in hetzelfde huis met Sophia woont?”

„In hetzelfde huis?” hernam Partridge. „Wel zeker, mijnheer, hij is daar in dienst, en ik verzeker u dat hij heel goed gekleed is, en zonder dien zwarten baard, niet te herkennen zou zijn.”

„Eéne dienst kan hij mij zeker doen,” zei Jones: „hij kan zeker middelen vinden om een brief van mij aan Sophia over te brengen.”

„Juist, mijnheer! Gij treft den spijker op den kop—ad unguem!” riep Partridge. „’t Is vreemd dat ik daaraan niet dacht! Maar ik ben overtuigd dat hij het op zich zal nemen, zoodra men het hem vraagt.”

„Nu dan,” hernam Jones, „laat me thans alleen, en ik zal een brief opstellen, welken gij hem morgen vroeg moet geven;—want ge zult wel weten waar hem te vinden.”

„O ja, mijnheer,” zei Partridge, „ik zal hem zeker weder vinden;—daar ben ik niet bang voor. Het bier was veel te goed dan dat hij lang weg zou blijven. Ik twijfel niet dat hij er elken dag komen zal zoo lang hij in de stad is.”

„Dus weet gij niet eens den naam van de straat waar Sophia woont?” riep Jones.

„Of ik hem weet!” zei Partridge.

„Nu! Hoe is dan de naam van de straat?” vroeg Jones.

„De naam, mijnheer? Wel! ’t Is hier vlak in de buurt! Eene straat of wat verder. Precies den naam weet ik wel niet: want daar hij er niets van zeide, had het zijne verdenkingen kunnen gaande maken, als ik er naar gevraagd had. Neen, neen, mijnheer! Laat mij maar begaan! Daar ben ik te slim voor, dat beloof ik u!”

„Ge zijt inderdaad wonderbaarlijk slim!” hernam Jones. „Maar ik zal toch mijn brief schrijven, daar ik overtuigd ben dat ge slim genoeg zult wezen om hem morgen in de kroeg te vinden.”

En thans den zeer wijzen Partridge ontslagen hebbende, ging de heer Jones aan het schrijven, en wij verlaten hem voor een oogenblik terwijl hij op die wijze bezig blijft. Hiermede eindigen wij ook het vijftiende boek.

BOEK XVI.

Bevattende den tijd van vijf dagen.

HOOFDSTUK I.

OVER VOORREDENEN.

Ik heb van een dramatischen schrijver gehoord, die gewoon was te zeggen, dat hij liever een tooneelstuk dan een proloog schreef, en eveneens, zou ik, dunkt me, met minder moeite een der boeken van deze geschiedenis schrijven, dan het hoofdstuk ter inleiding daarvan.

Om de waarheid te zeggen, geloof ik dat menige bittere verwensching naar het hoofd van den schrijver geslingerd is, die het gebruik invoerde van zijn tooneelstuk te doen voorafgaan door hetgeen men een proloog noemt, hetwelk aanvankelijk een gedeelte van het stuk zelf was, maar dat, in de laatste jaren, gewoonlijk zoo weinig in verband staat met het drama, waarvoor het geplaatst is, dat de proloog van het eene stuk best dienen kan voor ieder ander. De prologen, inderdaad, van nieuwere dagteekening, schijnen allen dezelfde drie onderwerpen te bevatten, namelijk: eene afkeuring van den wansmaak van het publiek,—eene veroordeeling van alle nog levende schrijvers,—en eene lofrede op het stuk dat men gaat opvoeren. De denkbeelden in al deze prologen, bieden weinig afwisseling aan,—en dat is wel niet anders mogelijk, en ik heb me dikwerf verwonderd over de groote vindingrijkheid der schrijvers, wien het gelukt is zoo vele verschillende woorden te vinden, om juist dezelfde zaken uit te drukken.

Evenzoo vrees ik, dat de een of ander toekomstige geschiedschrijver,—als ooit iemand er toe komt mij de eer te doen van mij na te volgen,—na veel hoofdbrekens, mij eenige vriendelijke wenschen in het graf na zal zenden, wegens de eerste instelling van deze verschillende inleidende hoofdstukken, van welke de meesten, even als de prologen heden ten dage, even goed gezet kunnen worden voor elk ander boek dezer geschiedenis, of van welke geschiedenis ook, als juist voor dat eene, waar men ze vindt.

Maar hoeveel ook de schrijvers lijden door deze beide uitvindingen, zal de lezer evenveel baat bij de eene vinden als de toeschouwer al zoo lang bij de andere gevonden heeft.

Ten eerste: is het welbekend, dat de proloog den recensent de gelegenheid geeft om zijn talent tot uitfluiten te oefenen en om met het meeste voordeel zijne stem uit te zetten,—waardoor ik dikwerf gezien heb, hoe alles zoo goed voorbereid was, dat men reeds bij het ophalen van het scherm eenparig beginnen kon met het stuk uit te fluiten.

Dezelfde voordeelen kan men trekken uit deze hoofdstukken, waarin de recensent steeds zeker kan zijn iets te vinden, om zijn edelen moed aan te wakkeren, zoodat hij daarna met meerder vuur de geschiedenis zelve zal kunnen aanvallen. Zijne schranderheid zal het overbodig maken hier aan te wijzen, hoe kunstmatig deze hoofdstukken tot dat doel ingerigt zijn;—want wij hebben steeds zorg gedragen iets scherps of bitters er in te voegen, dat strekken moet om den geest van den recensent aan te zetten en te prikkelen.

Eindelijk vinden de luije lezer en toeschouwer hun voordeel in proloog en voorrede; want daar men de eene niet behoeft te zien, noch de andere te lezen, en tevens het tooneelstuk en het boek daardoor gerekt worden, kan de toeschouwer nog een kwartier langer aan tafel blijven zitten, terwijl de lezer met de vierde of vijfde bladzijde, in plaats van met de eerste beginnen kan,—een volstrekt niet verwerpelijk voordeel voor menschen, die de boeken lezen alleen met het doel om te kunnen zeggen, dat zij ze gelezen hebben,—wat een meer algemeene aanleiding tot lezen is dan men zich veelal verbeeldt,—en om welke reden niet slechts juridische werken en andere goede boeken, maar ook de bladzijden van Homerus, Virgilius, Swift en Cervantes dikwerf slechts eventjes doorgevlogen worden.

Er zijn ook nog andere voordeelen buiten deze, die echter grootendeels zoo zeer in het oog vallen, dat wij ons thans niet ophouden zullen met ze op te sommen;—vooral, daar wij niet vergeten hebben, dat de grootste verdienste van voorrede en van proloog is,—dat ze kort zijn.

HOOFDSTUK II.

EEN DWAAS AVONTUUR VAN DEN LANDJONKER,—EN DE TREURIGE TOESTAND DER ARME SOPHIA.

Wij moeten den lezer thans brengen naar de woning van den heer Western, in Piccadilly, waarheen hij trok op raad van den waard van „De zuilen van Herkules,” bij Hyde-Park-Corner;—want in die herberg, de eerste welke hij vond bij zijne aankomst te Londen, liet hij zijne paarden staan, terwijl hij zelf zijne woning, ook de eerste de beste, die hij vond, betrok.

Toen Sophia uit de huurkoets klom, die haar van het huis van Lady Bellaston gebragt had, verzocht zij naar de kamer te mogen gaan, welke voor haar in gereedheid was gebragt,—wat haar vader gaarne toestemde, en waarheen hij haar zelf spoedig volgde.

Een kort gesprek had daarop plaats tusschen vader en dochter, dat noch belangrijk noch aangenaam genoeg is om uitvoerig herhaald te worden,—maar waarin hij sterk er op aandrong dat zij hare toestemming zou geven tot een huwelijk met Blifil, die, zooals hij haar mededeelde, binnen een paar dagen overkomen zou;—maar in plaats van toe te geven, volhardde zij stelliger en beslissender dan ooit te voren in hare weigering. Dit vertoornde haren vader zoo zeer, dat hij na vele driftige geloften dat hij, met of tegen haar zin, haar dwingen zou hem te nemen, met ontelbare harde woorden en vloeken vertrok, de deur achter zich digt sloot en den sleutel op zak stak.

Terwijl nu Sophia alleen bleef, met niets anders dan wat den strengst bewaakten staatsgevangene gegeven wordt, namelijk vuur en licht, ging de landjonker bij de flesch zitten, met den dominé en den waard uit „De zuilen van Herkules,” die volgens den heer Western, uitmuntend diende voor „derde man”, en hem al het nieuws uit de stad kon verhalen, en hoe de zaken stonden;—„want,” zei de heer Western, „hij moet eene heele boel weten, daar hij de paarden van zoovele groote luî op stal heeft.”