Part 73
Maar, hoewel jufvrouw Miller zich niet onthouden kon van hem onder vier oogen te vermanen bij hunne eerste ontmoeting, werd hij dienzelfden morgen naar beneden geroepen voor eene veel aangenamer zaak; hij moest namelijk de rol van bruidsvader vervullen bij mejufvrouw Nancy, welke met den heer Nightingale trouwen zou, die reeds gekleed was en zoo nuchter als vele mijner lezers zich verbeelden zullen dat een man behoeft te zijn, die op zulk eene onberadene wijze eene vrouw neemt.
Wat was er echter den vorigen avond gebeurd. Toen de oom met zijn neef te huis gekomen was, had hij—gedeeltelijk om zijn eigen wil,—want hij hield veel van de flesch,—en gedeeltelijk om zijn neef buiten staat te stellen om zijn plan onmiddellijk uittevoeren, wijn op tafel laten zetten, en den jongenheer zoo druk ingeschonken, dat deze,—die hoewel hij gewoonlijk niet zeer veel dronk, toch niet zulk een sterken afkeer van den wijn koesterde, dat hij zich aan ongehoorzaamheid of gebrek aan beleefdheid jegens zijn oom schuldig zou maken,—weldra, zooals men zegt, „de hoogte,” kreeg.
De oom had pas deze overwinning behaald, en een bed voor zijn neef gereed laten maken toen een bode aankwam met eene tijding, die hem zoo zeer deed ontstellen en van zijn stuk bragt, dat hij zijn neef dadelijk vergat, en voor niets anders dan zijne eigene zaken vatbaar was.
Deze onverwachte en bedroevende tijding was niets minder dan dat zijne dochter gebruik had gemaakt van bijna het eerste oogenblik van zijne afwezigheid en zich had laten schaken door een jong predikant,—en ofschoon er niets tegen deze was in te brengen dan zijn gebrek aan geld, had zij goedgevonden hare liefde tot hem zoo geheim te houden, zelfs voor haren vader, en had alles zoo slim overlegd, dat niemand er iets van vermoed had tot nu alles afgeloopen was.
Zoodra de oude heer Nightingale dit berigt ontving, bestelde hij dadelijk, in de meeste ontroering, postpaarden, en zijn neef aan de zorg van een bediende overgelaten hebbende, verliet hij het huis, haast zonder te weten wat hij deed of waarheen hij ging.
Na het vertrek van den oom, kwam de knecht om den neef naar bed te brengen, wekte hem tot dat einde, en bragt hem eindelijk aan het verstand dat zijn oom vertrokken was. De jonge Nightingale echter, in plaats van de vriendelijk aangebodene hulp aan te nemen, beval dat men een draagstoel voor hem halen zoude, en daar de knecht geene bepaalde bevelen ontvangen had om dit niet te doen, gehoorzaamde hij zonder bezwaar, en de jonge heer aldus naar het huis van jufvrouw Miller gebragt zijnde, strompelde naar de kamer van den heer Jones, zoo als wij reeds gemeld hebben.
Daar nu de lastige oom uit den weg was,—hoewel de jonge Nightingale nog niet wist waarom hij vertrokken was,—en daar alle partijen spoedig gereed waren, stapten de moeder, de heer Jones, de heer Nightingale en zijne beminde in eene huurkoets en reden naar Doctor’s Commons, waar jufvrouw Nancy, in de woorden van het volk, spoedig tot „eene eerlijke vrouw” en de arme moeder, in de ruimste beteekenis van het woord, tot een der gelukkigste wezens op aarde gemaakt werd.
De heer Jones aldus zijne goede diensten jegens die arme vrouw en haar gezin bekroond ziende, begon zich thans op zijne eigene zaken toe te leggen;—maar hier, ten einde te beletten dat vele mijner lezers zijne dwaasheid berispen, omdat hij zich dus de belangen van anderen aantrok, en om te voorkomen dat enkelen gelooven zouden dat hij nog onbaatzuchtiger handelde dan wezenlijk het geval was, acht ik het noodig de verzekering te geven, dat hij verre van geen belang bij deze zaak te hebben, er werkelijk zeer op gesteld was om ze tot een gelukkig einde te brengen.
Om deze schijnbare tegenstrijdigheid dadelijk op te lossen, herinner ik, dat hij iemand was, die werkelijk met den man bij Terentius zeggen kon: „Homo sum et nil humani a me alienum puto.” Hij bleef nooit een onverschillig toeschouwer van de ellende of het geluk van wien ook, en gevoelde beide des te dieper naar mate hij zelf daartoe bijgedragen had. Het was hem dus niet mogelijk om een geheel huisgezin te helpen opheffen uit de diepste ellende tot het hoogste geluk, zonder zelf zich zalig te gevoelen,—zaliger welligt dan de meest wereldsche menschen worden door den zwaarsten arbeid of dikwerf door een modderpoel van slechtheid te doorwaden.
Die lezers, welke denzelfden aard bezitten als hij, zullen zich welligt verbeelden dat dit korte hoofdstuk overvloed aan stof bevat, terwijl anderen waarschijnlijk wenschen zullen, dat hoe kort het ook is, het geheel weggelaten ware geworden, als eene afwijking van de hoofdzaak,—welke denkelijk, volgens hen, daarin bestaat, dat de heer Jones aan de galg gebragt worde,—of zoo mogelijk tot een nog ellendiger uiteinde.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE MINNEBRIEVEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.
Bij zijne te huiskomst vond de heer Jones onderstaande brieven op zijne tafel, die hij gelukkig, in de behoorlijke volgorde opende:
1ste BRIEF.
„Ik ben zeker op eene vreemde wijze betooverd;—ik kan mijne besluiten, hoe standvastig ze ook schijnen, of hoe billijk ze ook zijn,—geen oogenblik volhouden. Gisteren nacht besloot ik u nooit weder te zien; heden morgen ben ik gereed te vernemen of het waar is, zoo als gij zegt, dat gij deze zaak ophelderen kunt? En toch weet ik dat zoo iets onmogelijk is. Ik heb mij zelve reeds alles gezegd, wat gij bedenken kunt.—Misschien, ten minste!—Welligt hebt gij eene sterkere verbeelding dan ik.—Kom dus bij me oogenblikkelijk na ontvangst van deze letteren. Als gij eene verontschuldiging kunt bedenken, kan ik u bijna beloven ze aan te nemen. Maar verraden te zijn—ik wil niet meer denken!—Kom dadelijk bij mij.—Deze is de derde brief dien ik schrijf:—de beide eersten zijn verbrand.—Ik heb haast lust om ook dezen op het vuur te werpen.—Ik hoop maar dat ik niet waanzinnig word!—kom spoedig tot mij!”
2de BRIEF.
„Als gij ooit op vergiffenis hoopt,—of zelfs om den voet bij mij in huiste zetten,—kom dan oogenblikkelijk bij mij.”
3de BRIEF.
„Ik verneem thans dat gij niet te huis waart toen mijne brieven bezorgd werden. Ik wacht u oogenblikkelijk na ontvangst van deze regels:—ik zal zelve de deur niet uitgaan, en niemand ontvangen dan—u! Zeker zult gij nu niet lang meer uitblijven!”
Jones had pas deze drie briefjes gelezen, toen de heer Nightingale in de kamer trad.
„Nu, Tom,” zeide hij, „hebt ge na het avontuur van gisteren avond niets van Lady Bellaston vernomen?”
Want het was thans voor niemand in huis een geheim meer wie de dame was.
„Lady Bellaston?” vroeg Jones, zeer ernstig.
„Kom, mijn waarde Tom,” riep Nightingale, „speel niet meer den geheimzinnige met uwe beste vrienden! Hoewel ik te dronken was om haar gisteren avond te zien, zag ik haar wel op de maskerade. Gelooft ge werkelijk dat ik niet weet wie de Feeënkoningin was?”
„Hebt ge haar dan werkelijk op het bal herkend?” vroeg Jones.
„Ja! Op mijn woord van eer!” hernam Nightingale, „en ik heb u sedert dien tijd menigen wenk gegeven dat ik het gedaan had, hoewel ge altijd zoo kwetsbaar op dat punt schijnt, dat ik niet ronduit wilde spreken. Ik verbeeld me, vriend, uit uwe groote kieschheid in deze zaak, dat ge minder bekend zijt met het karakter dan met de persoon der dame. Maak u niet kwaad, Tom; maar werkelijk, ge zijt niet de eerste jongen dien zij verleid heeft. Haar goede naam loopt geen gevaar,—daar kunt ge op rekenen!”
Hoewel Jones geene reden had zich te verbeelden, dat de dame eene Vestaalsche maagd was toen zijn avontuur met haar begon, begreep hij echter, daar hij te Londen geheel onbekend was, nog weinig van het karakter van eene vrouw, die eene intrigue aanknoopte met iederen man, die haar bevalt, terwijl zij den naam en den schijn der deugd bewaart, en die, hoewel sommige zeer moeijelijke dames haar niet willen zien, „bezoeken ontvangt,” gelijk men zegt, van de geheele stad,—terwijl inderdaad iedereen weet dat zij is, wat niemand haar ronduit noemen wil.
Zoodra hij dus inzag, dat Nightingale met de geheele zaak bekend was, en hij daarom begon te veronderstellen, dat hij schroomvalliger was geweest dan vereischt werd, gaf hij zijn vriend volmaakte vrijheid en verzocht hem onbewimpeld alles te zeggen wat hij van de dame wist of gehoord had.
Nightingale, die ook in andere opzigten iets vrouwelijks in zijn aard had, was zeer geneigd tot babbelen. Zoodra hij dus van Jones vrijheid van spreken kreeg, begon hij een lang verhaal over de dame, dat wij, daar het vele bijzonderheden bevatte, welke haar tot groote schande strekten, uit eerbied voor alle vrouwen van hoogen stand, liefst niet herhalen. Wij wilden dan ook met de meeste voorzigtigheid elke gelegenheid vermijden om latere commentatoren van ons boek aanleiding te verschaffen, om iets kwaads te zeggen, en om ons te dwingen, tegen onzen zin, de verspreiders van laster te worden,—wat nooit bij ons opgekomen is.
Nadat Jones zeer aandachtig geluisterd had naar al wat Nightingale vertelde, loosde hij een diepen zucht, wat door den andere opgemerkt werd, die riep:
„Hola! Ge zijt toch niet verliefd, hoop ik? Als ik me had kunnen verbeelden dat gij zoo aangedaan zoudt zijn door mijn verhaal, dan verzeker ik u dat ik het verzwegen zou hebben!”
„O mijn waarde vriend,” hernam Jones, „ik ben zoodanig in de strikken van deze vrouw geraakt, dat ik niet weet hoe ik me er uit redden zal! Verliefd op haar? Neen, vriend! Maar ik heb verpligtingen,—zeer groote verpligtingen aan haar! Daar ge al zoo veel weet, zal ik u alles uitleggen. Het is welligt alleen aan haar te danken, dat ik op dit oogenblik een mondvol broods heb. Hoe zou ik het over mij verkrijgen om zulk eene vrouw te verlaten?—En toch moet ik dat doen, of me schuldig maken aan de meeste ondankbaarheid jegens eene andere, die oneindig meer van me vorderen mag dan zij;—een meisje, Nightingale, tot wie ik eene liefde koester, die weinige menschen begrijpen kunnen. Ik ben half gek van onzekerheid hoe ik handelen moet.”
„En is deze andere eene eerlijke liefde?” vroeg Nightingale.
„Eerlijk!” riep Jones. „Met geen enkel woord is haar goede naam ooit in twijfel getrokken! De reinste lucht is niet reiner,—de doorschijnende beek niet zuiverder dan hare eer. Zij is naar ligchaam en ziel, in alle opzigten volmaakt! Zij is het schoonste meisje ter wereld, en toch is zij begaafd met zulke edele, verhevene hoedanigheden, dat hoewel er geen oogenblik voorbij gaat zonder dat ik aan haar denk,—ik mij hare schoonheid nooit voorstel als ik ze niet voor oogen heb.”
„En kunt gij, waarde vriend,” vroeg Jones, „met zulke verpligtingen op u, één oogenblik aarzelen omtrent het verlaten van zulk eene—”
„Houd op!” riep Jones. „Spreek geen kwaad meer van haar, Ik verfoei de ondankbaarheid!”
„Bah!” hernam de andere; „gij zijt de eerste niet, wien zij dergelijke verpligtingen opgelegd heeft. Zij is bijzonder mild zoolang zij met iemand ingenomen is; maar ik moet u toch zeggen, dat hare gunsten zoo voorzigtig uitgedeeld worden, dat zij eerder de ijdelheid streelen dan de dankbaarheid opwekken moesten.”
Met één woord, Nightingale zei zooveel omtrent dit onderwerp en deelde zijn vriend zoovele verhalen van de dame mede, met de betuiging dat ze de stipste waarheid bevatten, dat hij spoedig alle achting voor haar uit het hart van Jones uitwischte, terwijl zijne dankbaarheid naar verhouding verminderde. Inderdaad, hij begon al de gunstbewijzen, welke hij ontvangen had, eerder als loon dan als weldaden te beschouwen,—wat niet alleen haar maar ook hem zelven vernederde in zijne eigene meening, en hem even ontevreden maakte met haar als met zich zelven. In deze mismoedige stemming, was het een natuurlijke overgang om van haar op Sophia te komen, op hare deugd, hare reinheid, hare liefde tot hem, haar lijden om zijnentwil, dat hem thans geheel vervulde en zijn omgang met Lady Bellaston in een nog verachtelijker licht deed uitkomen. De slotsom van dit alles was, dat hoewel hij door zijn ontslag te nemen uit hare dienst (want als zoodanig beschouwde hij nu zijne betrekking tot haar), zijn dagelijksch brood kwijt zou raken, hij toch besloot om haar op te geven, als hij slechts een deugdelijk voorwendsel daartoe kon vinden,—en dit voornemen deelde hij aan zijn vriend Nightingale mede, die, na zich een oogenblik bedacht te hebben, zeide:
„Ik heb het gevonden, mijn jongen! Ik weet een zeker middel! Stel haar voor met u te huwen,—en ik laat me hangen als dat niet helpt!”
„Haar voorstellen met mij te huwen?” riep Jones.
„Wel zeker!” hernam Nightingale. „Stel haar een huwelijk voor en zij zal dadelijk neen zeggen! Ik ken een jongen, dien zij vroeger onderhield, die haar dat in goeden ernst voorstelde en dien zij dadelijk, om die reden, wegjoeg.”
Jones verklaarde de proef niet te durven wagen.
„Misschien,” zeide hij, „zou haar een dergelijk voorstel minder verschrikkelijk voorkomen van den een dan van den andere. En als zij mij bij het woord nam,—waar zou ik dan blijven? Ik zou in den kuil gevallen zijn, dien ik zelf gegraven had, en voor altijd ongelukkig zijn.”
„Neen!” riep Nightingale, „niet als ik u een middel aan de hand geef, waardoor gij u des noods altijd redden kunt.”
„En wat is dat middel?” vroeg Jones.
„Het volgende,” antwoordde Nightingale. „De jongen, van wien ik u sprak,—een mijner meest vertrouwde vrienden, is zoo kwaad op haar, wegens eenige slechte diensten, welke zij hem later bewezen heeft, dat ik overtuigd ben, dat hij zonder bezwaar u inzage zou geven van hare brieven, waarna gij zeer welvoegelijk met haar zoudt kunnen breken, en u van haar los maken eer de huwelijksknoop digt getrokken was,—als zij in zoo iets toestemde,—wat zij, daarvan ben ik overtuigd, niet doen zou.”
Na eenige aarzeling, liet zich Jones door deze verzekering overhalen; maar zwerende dat hij den moed niet had haar in het aangezigt een dergelijk voorstel te doen, schreef hij haar den volgenden brief, die hem door Nightingale gedicteerd werd.
„Mevrouw,
Tot mijn groot leedwezen was eene afspraak, die me van huis hield, oorzaak dat ik uwe zeer vereerende uitnoodiging niet dadelijk ontving, en het uitstel dat me nu belet mij dadelijk te regtvaardigen, verzwaart zeer deze ramp. O, Lady Bellaston, hoeveel heb ik niet geleden uit vrees dat uw goede naam benadeeld zou worden door al deze ongelukkige omstandigheden! Er is slechts één middel om hem te bewaren. Ik behoef niet te zeggen wat dat is! Veroorloof me slechts hierbij te voegen, dat daar uwe eer mij even dierbaar is als de mijne, het mijne hoogste eerzucht is om mijne vrijheid aan uwe voeten te leggen, en geloof mij als ik u verzeker dat ik nooit geheel gelukkig zal wezen, tot gij mij edelmoedig het regt toekent om u wettig en voor altijd de mijne te noemen.
„Ik verblijf,
Milady,
met den meesten eerbied, uw zeer dankbare, en onderdanige dienaar,
Thomas Jones.”
Op dezen brief zond zij met den meesten spoed het volgende antwoord:
„Mijnheer,
Toen ik uw zeer ernstig schrijven las, had ik me uit de koelheid en stijfheid daardoor kunnen verbeelden, dat gij reeds in het bezit waart van de „wettige regten,” waarvan gij spreekt;—ja zelfs, dat wij al sedert vele jaren werkelijk zamen dat monsterdier, man en vrouw genoemd, uitmaakten.
„Houdt gij mij dan werkelijk voor eene zottin? Of gelooft gij dat gij in staat zijt zoo zeer mijn verstand te benevelen, dat ik mijn geheel vermogen in uwe magt zou stellen, alleen om u de gelegenheid te geven op mijne kosten uwe genoegens na te jagen? Zijn dit de bewijzen, welke ik van uwe liefde verwacht had? Is dit de vergelding voor ——; maar ik acht het beneden mij om u iets te verwijten en ben, in groote bewondering van uwen diepen eerbied, enz.”
„P.S. Ik word belet om mijn schrijven over te lezen.—Misschien heb ik meer gezegd dan ik wel bedoelde.—Kom heden avond om acht uur bij mij.”
Na overleg met zijn raadsman, antwoordde Jones:
„Mevrouw,
Het is me onmogelijk u te zeggen, hoe zeer ik me gegriefd gevoel door de verdenkingen, welke gij omtrent mij koestert. Kan Lady Bellaston hare gunsten geschonken hebben aan een man, dien zij schuldig zou gelooven aan zulk een laag voornemen? Of kan zij minachting koesteren voor de heiligste banden der liefde? Kunt gij u ook verbeelden, Mevrouw, dat als de hevigheid van mijn hartstogt voor een oogenblik de achting vermeesterde, welke ik voor uwe eer koester, ik er aan zou willen denken, om een omgang voort te zetten, die onmogelijk lang voor het oog der wereld verborgen zou kunnen blijven, en die, eens ontdekt, zoo noodlottig zou wezen voor uw goeden naam? Indien gij zulke gedachten van mij koestert, dan moet ik bidden spoedig in de gelegenheid te zijn die geldelijke verpligtingen te kunnen afdoen, welke ik het ongeluk had uit uwe handen te ontvangen, terwijl ik voor die van een meer kostbaren aard, steeds blijven zal, enz.”
Eindigende juist met dezelfde woorden als aan het slot van zijn eersten brief.
De dame antwoordde hierop als volgt:
„Ik zie thans in dat gij een schurk zijt en veracht u van ganscher harte. Als gij hier komt, geef ik niet te huis voor u.”
Hoewel Jones zich zeer gelukkig gevoelde dat hij aldus verlost was van eene slavernij, welke ieder die iets dergelijks ooit ondervonden heeft, bekennen zal dat niet tot de ligtste soort behoort gevoelde, hij zich toch niet geheel gerust gesteld in zijn hart. Er was te veel valschheid in zijn plan geweest om iemand te voldoen, die alles wat naar onopregtheid en oneerlijkheid zweemde, verfoeide,—en inderdaad, hij zou zich er niet aan onderworpen hebben, als hij zich niet in een pijnlijken toestand had bevonden, waarin hij gedwongen was zich oneerlijk te gedragen ten opzigte van eene der beide dames,—en de lezer zal zeker toestemmen, dat alle goede grondbeginselen, zoowel als de liefde zelve, sterk ten gunste van Sophia pleitten.
Nightingale verheugde zich bovenmatig over het welslagen van zijne list, waarvoor hij veel dank en lof van zijn vriend inoogstte. Hij zei dan ook:
„Mijn waarde Tom, wij hebben elkaar op geheel tegenovergestelde wijzen verpligt. Aan mij dankt gij uwe vrijheid weder;—aan u dank ik het verlies van de mijne. Maar als gij, in uwen toestand, u even gelukkig gevoelt als ik in den mijne, dan verzeker ik u dat wij de twee gelukkigste menschen in geheel Engeland zijn!”
De beide heeren werden thans naar tafel geroepen, waarbij jufvrouw Miller, die zelve kookte, haar uiterste best had gedaan om het huwelijksfeest harer dochter te vieren. Dit geluk schreef zij voornamelijk toe aan de vriendschappelijke bemoeijingen van Jones, en daar zij geheel en la vervuld was met dankbaarheid, en blikken, woorden en handelingen bezigde om ze aan den dag te leggen, sloeg zij niet heel veel acht op hare dochter, of zelfs op haar nieuwen schoonzoon.
Het eten was pas afgeloopen, toen jufvrouw Miller een brief ontving; daar wij echter in dit hoofdstuk brieven genoeg hebben gehad, zullen wij den inhoud er van in het volgende hoofdstuk mededeelen.
HOOFDSTUK X.
BESTAANDE GEDEELTELIJK UIT FEITEN EN GEDEELTELIJK UIT OPMERKINGEN DAAROVER.
De brief van welken wij aan het einde van het vorige hoofdstuk gesproken hebben, was van den heer Allworthy, en meldde zijn voornemen om zeer spoedig naar Londen te komen met zijn neef Blifil en zijn wensch om zijn gewoon kwartier te betrekken, namelijk de eerste verdieping van jufvrouw Miller’s huis voor zich en de tweede voor zijn neef.
De opgeruimdheid, welke tot dus ver op het gelaat der arme vrouw geblonken had, verminderde nu eenigzins. Deze tijding bragt haar inderdaad in groote verlegenheid. Het scheen haar van den éénen kant toe zeer onbillijk jegens haar schoonzoon om zijn belangeloos huwelijk met hare dochter te vergelden, door hem dadelijk de deur uit te jagen; terwijl zij, van den anderen kant, er niet best toe komen kon om zich tegenover den heer Allworthy te verontschuldigen, na al de verpligtingen welke zij aan hem had, en hem te berooven van de woning, welke, stipt genomen, de zijne was;—want die heer, bij het verspreiden zijner tallooze weldaden, handelde lijnregt in strijd met de gewoonte der vrijgevigste menschen. Hij trachtte namelijk, bij iedere gelegenheid, niet slechts zijne weldaad te verbergen voor het oog der wereld, maar zelfs voor hem die ze ontving. Hij bezigde telkens de woorden „leenen,” en „betalen” in plaats van „geven,” en verminderde op elke wijze, die hij bedenken kon, in woorden de gunsten welke hij in daden bewees, terwijl hij ze met beide handen uitdeelde. Toen hij dus aanjufvrouw Miller eene lijfrente van vijftig pond jaarlijks schonk, zeide hij haar, dat het onder voorwaarde was, dat hij altijd, als hij naar de stad kwam (wat slechts heel weinig het geval was), de eerste verdieping bij haar zou kunnen betrekken; maar dat zij die overigens altijd verhuren kon, daar hij haar steeds eene maand van te voren zou waarschuwen. Hij was echter thans zoo gehaast met zijne reis, dat hij geene gelegenheid had gehad om haar te waarschuwen en deze haast belette hem om er bij te voegen,—wat hij anders zeker gedaan zou hebben,—dat hij de kamers slechts hebben wilde als ze open stonden; want hij zou zeker daarvan afgezien hebben om eene veel minder geldige reden dan die welke jufvrouw Miller thans aanvoeren kon.
Maar er zijn zekere menschen, die zoo als de dichter Prior zeer juist opmerkt, hun gedrag regelen naar iets
„Dat boven vastgestelde wet verheven is, Van deugd en ondeugd, naar het schoolsch begrip.”
Voor dergelijke menschen is het lang niet genoeg om vrijgesproken te worden voor eene regtbank;—zij zijn zelfs niet voldaan, als het geweten, de strengste van alle regters hen vrijspreekt. Niets dat eenigzins te kort doet aan hetgeen billijk en eervol is zal hen voldoen in hunne kieschheid, en als eenige hunner daden hieraan niet beantwoorden, zuchten en treuren zij, worden zij ongedurig en rusteloos als een moordenaar, die voor een spook of den beul bevreesd is.
Jufvrouw Miller was een van deze menschen, Zij kon hare onrust na ontvangst van den brief niet verbergen, en zoodra zij het gezelschap met den inhoud er van bekend had gemaakt, kwam haar beschermengel Jones haar te hulp en redde haar dadelijk uit den nood.
„Wat mij betreft, jufvrouw,” zeide hij, „mijne kamer is tot uwe beschikking, ook zonder opzeggen, zoodra gij ze noodig hebt, en ik ben overtuigd dat mijnheer Nightingale, daar hij vooralsnog geen huis in orde kan brengen om zijne echtgenoote te ontvangen, er niets tegen zal hebben zijne nieuwe kamers te betrekken, waarheen mevrouw Nightingale hem zeker vergezellen zal.”
Man en vrouw keurden dit voorstel dadelijk goed.
De lezer zal gaarne gelooven dat de wangen van jufvrouw Miller op nieuw begonnen te tintelen van dankbaarheid jegens Jones; maar het zal welligt moeijelijker vallen hem te overtuigen, dat het der liefderijke moeder nog meer genoegen had gedaan den heer Jones hare dochter „mevrouw Nightingale” te hooren noemen, welk zoet geluid nu voor het eerst hare ooren streelde en haar hart meer trof dan het wegnemen van hare ongerustheid.
De volgende dag werd dan vastgesteld voor het vertrek der jonggehuwden en van den heer Jones, die ook hetzelfde huis als zijn vriend betrekken zou. En thans was de rust weder bij het gezelschap hersteld, en zij sleten den dag verder zeer opgeruimd,—behalve Jones, die, hoewel hij uiterlijk het geluk der overigen deelde, inwendig gekweld werd door den angst voor zijne Sophia, welke in geene geringe mate vermeerderd werd door de tijding van Blifils komst naar Londen,—van welke reis hij duidelijk het doel begreep,—en wat zijn verdriet verhoogde, was dat jufvrouw Honour, die beloofd had berigten omtrent Sophia in te winnen, en hem des morgens vroeg tijding te brengen, tot dus ver niet verschenen was.