Tom Jones

Part 72

Chapter 724,170 wordsPublic domain

„Daar, mijnheer! Daar hebt gij berigt omtrent uw verloren lammetje! Het geluk heeft haar weder te regt gebragt, en als gij de goedheid wilt hebben mijn raad te volgen, is het mogelijk dat gij haar verder bewaren zult.”

Zoodra de landjonker den brief gelezen had, sprong hij van zijn stoel op, wierp de pijp in het vuur, en begon van vreugde te brullen. Daarop riep hij zijne dienstboden zamen, beval dat men hem de rijlaarzen zou brengen, Chevalier en andere paarden opzadelen, en dominé Supple gaan halen.

Dit gedaan zijnde, keerde hij zich tot zijne zuster, greep haar in de armen en omhelsde haar, terwijl hij uitriep:

„Wat drommel! Gij schijnt weinig in uw schik te zijn! Men zou zich verbeelden, dat het u speet, dat het meisje gevonden is!”

„Broeder,” hernam zij, „de wijsste staatslieden, die de zaken grondig beschouwen, ontdekken dikwerf iets heel anders dan op de oppervlakte drijft. Het is inderdaad waar, dat de zaken thans iets beter er uitzien, dan vroeger in Holland, toen Lodewijk de Veertiende voor de poorten van Amsterdam stond;—maar er wordt bij deze zaak eene kieschheid vereischt, welke ik vrees, broeder, dat gij geheel en al mist. Men moet een fijnen takt gebruiken tegenover eene vrouw van den rang van Lady Bellaston, welke meer wereldkennis eischt, naar mijn gevoelen, dan gij werkelijk bezit.”

„Ik weet wel, zuster,” hernam de landjonker, „dat gij een heel min denkbeeld van mijne bekwaamheid hebt;—maar, bij deze gelegenheid, zal ik u toch laten zien, dat ik zoo heel gek niet ben. Wereldkennis, zegt ge? Ik heb niet zoo lang geleefd zonder eenige kennis te hebben van de regten en wetten van het land! Ik weet dat ik regt heb op mijn eigendom, waar ik het ook vind. Wijs me maar waar mijne dochter te vinden is, en als ik niet weet hoe haar in mijne magt te krijgen, heb ik er niets tegen dat ge me voor een domkop uitscheldt. Er zijn vrederegters te Londen even goed als elders!”

„Op mijn woord,” hernam zij, „gij doet me beven voor den uitslag dezer zaak, welke, als gij mijn raad volgen wilt, best zou kunnen afloopen. Verbeeldt gij u werkelijk, broeder, dat men het huis van eene dame van stand aanvallen kan met vonnissen en brutale vrederegters? Ik zal u zeggen hoe gij handelen moet. Zoodra gij in de stad aangekomen zijt, en u wat ordentelijke kleêren aangeschaft hebt,—want, wezenlijk, broeder, gij hebt er thans geene, waarin gij u zoudt kunnen vertoonen,—moet gij eene beleefde boodschap bij Lady Bellaston zenden, en verlof vragen om uwe opwachting bij haar te maken. Als gij bij haar toegelaten zijt,—wat stellig gebeuren zal,—en haar uw verhaal gedaan hebt, en een gepast gebruik van mijn naam hebt gemaakt, (want, naar ik meen, kent gij elkaar, hoewel geene verre bloedverwanten, slechts van aanzien) ben ik overtuigd, dat zij verder geene bescherming aan mijne nicht zal verleenen, die haar zeker gefopt heeft. Dit is de eenige handelwijze mogelijk.—Vrederegters! Wel, kom aan! Gelooft gij, dat zulke menschen iets vermogen op eene vrouw van hoogen stand in een beschaafd land?”

„De drommel hale haren hoogen stand!” riep de landjonker. „’t Is me wat fraais,—zoo’n beschaafd land, waar de vrouwen boven de wet verheven zijn! En waarom zou ik me de moeite geven om complimenten te maken met eene verwenschte ——, die een vader van zijne dochter berooven wil? Wil ik je wat zeggen, zuster, ik ben zoo gek niet als ge u verbeeldt!—Ik weet wel dat gij hebben wildet, dat alle vrouwen boven de wet verheven waren; maar dat is een leugen. Ik heb den opperregter eens op eene zitting hooren zeggen, dat niemand boven de wet verheven was. Maar gij zult wel van uwe Hannoversche wetgeving praten!”

„Mijnheer Western,” hernam zij, „ik geloof dat uwe onwetendheid dagelijks toeneemt.—Gij zijt een erge buffel geworden!”

„Evenmin een buffel als gij, zuster!” riep de landjonker. „Wel verdraaid! Gij moogt wel praten van beleefdheid! Ik weet wel, dat ge ze tegenover mij nooit laat blijken! Ik ben noch een buffel noch een hond,—hoewel ik iemand ken, die schoon zij eene vrouw is, tot dat ras behoort! Maar, verd—, ik zal je wel laten zien, dat ik beter weet hoe het hoort dan een heele boel andere menschen!”

„Mijnheer Western,” hernam de dame, „gij kunt verder alles vertellen wat u goed dunkt. Je vous méprise de tout mon coeur! Dus zal ik me niet eens kwaad maken!—Bovendien, zooals mijne nicht, met dien akeligen Ierschen naam, opmerkt, ik heb zoo veel over voor de eer en de ware belangen van mijne familie, en houd zoo veel van mijne nicht Sophia, die er toe behoort, dat ik besloten heb bij deze gelegenheid zelve naar Londen te gaan; want, werkelijk, broeder, gij zijt geen geschikte afgezant om aan een beschaafd hof te verschijnen.—Groenland,—ja, Groenland zou een gepast tooneel wezen voor uwe dolzinnige onderhandelingen!”

„Ik dank den hemel,” riep de landjonker, „dat ik je nu niet meer versta! Ge zijt nu bezig met uwe Hannoversche wartaal! Evenwel, zal ik je bewijzen, dat ik niet voor je wil onderdoen in beleefdheid, en daar gij niet boos op mij zijt wegens al wat ik gezegd heb, ben ik ook niet boos op u wegens al uw gepraat. Ik heb het ook inderdaad altijd als eene dwaasheid beschouwd in bloedverwanten, om onderling twist te krijgen, en als zij zich tusschenbeide een driftig woord laten ontvallen, moet men weten te geven en te nemen;—want, wat mij betreft, ik kan geen wrok koesteren. Ik vind het ook heel vriendschappelijk van u dat gij nu mede naar Londen wilt gaan; want ik ben er slechts tweemaal van mijn leven geweest, en dan ook niet langer dan telkens voor ’n veertien dagen,—en ’t is waar, men kan in zoo korten tijd niet heel veel van de menschen en de straten leeren kennen. Ik heb nooit geloochend dat gij veel meer van dat alles wist dan ik. Het zou even dwaas zijn om u dat te betwisten, als dat gij u meten wildet met mij in het afrigten van de jagthonden, of het opsporen van een zittend haas.”

„En ik beloof u,” zeide zij, „dat ik dat nooit doen zal!”

„Nu,” hernam hij, „en ik zal u het andere ook niet betwisten.”

Thans werd er, om de woorden der dame te gebruiken, een wapenstilstand gesloten tusschen de strijdvoerende partijen, en daar de dominé verscheen en de paarden gereed waren, vertrok de landjonker, nadat hij beloofd had den raad zijner zuster op te volgen, terwijl zij zich gereed maakte om hem den volgenden morgen na te reizen.

Toen de heer Western alles wat er voorgevallen was, onderweg aan den predikant mededeelde, kwamen zij echter zamen overeen, dat men best alle formaliteiten ter zijde laten kon, en de landjonker aldus van plan veranderd zijnde, handelde op de wijze, die ons reeds bekend is.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE ARME TOM DOOR VERSCHEIDENE RAMPEN GETROFFEN WORDT.

De zaken stonden zooals wij ze beschreven hebben, toen Honour bij jufvrouw Miller verscheen, Tom uit het gezelschap liet roepen, zooals wij gezien hebben, en hem, zoodra zij zich alleen met hem bevond, op de volgende wijze toesprak:

„O beste mijnheer! hoe zal ik den moed vinden om u alles te vertellen wat er gebeurd is? Ach, mijnheer! Gij zijt te gronde gerigt, en mijne arme meesteresse is te gronde gerigt, en ik ben ook te gronde gerigt!”

„Is Sophia iets overkomen?” riep Jones, met verbijsterde blikken.

„Het grootste ongeluk ter wereld,” riep Honour. „O, ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer vinden! O, dat ik zoo iets beleven moest!”

Op deze woorden werd Jones doodsbleek, begon te beven en iets te stamelen; maar Honour ging voort:

„O, mijnheer Jones, ik heb mijne meesteresse verloren!”

„Hoe! In ’s hemels naam, vertel me alles!—O mijne liefste Sophia!”

„Ja, ja, zoo moogt gij haar wel heeten,” zei Honour; „zij was de beste meesteresse,—ik zal van mijn leven zoo’n dienst niet weer krijgen!”

„De drommel hale uwe dienst!” riep Jones; „waar is Sophia? Wat is haar overkomen?”

„O ja! Waarom niet?” hernam Honour; „de dienstboden kunnen naar de maan loopen! Het komt er niet op aan wat er van hen wordt!—Al jaagt men hen ook weg, en al rigt men hen ook te gronde! ’t Is waar, zij zijn niet van vleesch en bloed zoo als andere menschen! Neen! Het doet er niet toe wat er van hen wordt!”

„Als gij eenig gevoel, eenig medelijden kent,” riep Jones, „dan smeek ik u mij dadelijk te zeggen wat er van Sophia geworden is?”

„Dat is waar,” hernam Honour, „ik heb meer medelijden met u dan gij met mij. Ik zeg u niet naar den drommel te loopen, omdat gij het liefste meisje ter wereld verloren hebt! ’t Is ook waar, gij zijt diep te beklagen,—en ik ook; want, wezenlijk, als er ooit ter wereld eene goede meesteresse was—”

„Wat is er toch gebeurd?” riep Jones, bijna tot razernij gebragt.

„Wat er gebeurd is?” herhaalde Honour. „Wat er gebeurd is? Wel, zoo wat het ergste, dat voor u en voor mij had kunnen gebeuren!—Haar vader is naar Londen gekomen, en heeft haar aan ons beiden ontroofd!”

Jones viel op de knieën en dankte den hemel dat er niets ergers gebeurd is.

„Niets ergers!” riep Honour. „Wat kon er erger gebeuren voor ons beiden? Hij sleepte haar mede en zwoer dat zij mijnheer Blifil zou trouwen;—dat is troost voor u!—en wat mij betreft,—mij heeft hij weggejaagd!”

„Ge hebt me werkelijk doodsangst aangejaagd, Honour!” riep Jones. „Ik verbeeldde me dat Sophia onverwacht het eene of andere verschrikkelijk ongeluk overkomen was,—waarbij zelfs haar huwelijk met Blifil eene kleinigheid zou zijn; maar zoo lang er leven is, is er ook hoop, lieve Honour, en de vrouwen worden, in dit land der vrijheid, niet door geweld tot een huwelijk gedwongen.”

„Dat is wel waar, mijnheer,” hernam zij, „—dat is ontegenzeggelijk. Voor u moge er welligt eenige hoop bestaan;—maar, ach, wat heb ik nog te hopen? En zeker, mijnheer, moet gij inzien, dat al wat ik nu ondervinden moet, om uwentwil geschiedt. Mijnheer Western heeft niets tegen mij in te brengen, dan dat ik partij voor u getrokken heb, zoo als ik steeds gedaan heb, tegen den heer Blifil.”

„Wees overtuigd,” antwoordde Jones, „dat ik heel goed besef hoe veel ik u te danken heb, Honour, en dat ik niets onbeproefd zal laten om u dat te vergoeden.”

„Ach, mijnheer,” hernam zij, „hoe zou men anders het verlies van eene goede dienst aan eene dienstbode vergoeden, dan door haar eene andere te bezorgen, die niet minder is?”

„Wanhoop niet, Honour,” zei Jones; „ik vertrouw dat ik eens in staat zal wezen u in uwe dienst te herstellen.”

„O, mijnheer,” hernam zij; „hoe zou ik me met zulk eene hoop kunnen vleijen, terwijl ik weet dat ze bijna tot de onmogelijkheden behoort? Want mijnheer Western is zoo tegen mij opgezet,—en toch, als gij ooit jufvrouw Sophia krijgt, en, wezenlijk, ik hoop thans van ganscher harte dat gij haar krijgen zult—want gij zijt een mild, goed mensch, en ik weet zeker dat gij van haar houdt,—en ’t is waar, zij houdt meer van u dan van hare eigene ziel,—het zou tot niets dienen om dat te loochenen,—eenvoudig omdat iedereen, die mijne meesteresse maar iets kent, dat inzien moet;—want de lieve goede dame weet van geen veinzen!—en als twee menschen, die elkaar beminnen niet gelukkig zijn,—wel! wie zou dan kans op geluk hebben? Het geluk hangt niet altijd van het geld af,—en ware dat het geval, jufvrouw Sophia heeft genoeg voor twee. En zeker, zou men ook kunnen zeggen, dat het schande zou zijn zulk een paar minnenden te scheiden;—ja, en wat mij betreft, ik ben vast overtuigd, dat gij eindelijk bij elkaar zult komen;—want als zoo iets gebeuren moet,—is het onmogelijk het te beletten. Als de huwelijken in den hemel gesloten worden, kunnen al de vrederegters ter wereld ze niet voorkomen! Ja! Ik wilde maar dat dominé Supple moed genoeg bezat om mijnheer Western te zeggen, dat het heel slecht van hem is, om zijne dochter tegen haar zin tot een huwelijk te dwingen! Maar hij is geheel afhankelijk van mijnheer, en dus durft de goede man—ofschoon het een zeer godsdienstig best soort van mensch is, en hij achter mijnheers rug overluid verkondigt, dat zoo iets zeer slecht is,—den mond niet open doen, als hij er bij is! En werkelijk, ik heb hem nooit zoo moedig gezien, als straks! Ik was bang dat mijnheer hem te lijf wou!—Maar gij moet niet droefgeestig zijn, mijnheer, en ook niet wanhopig;—zoo lang gij op de jufvrouw rekenen kunt, kunnen de zaken ook nog een goeden keer nemen,—en op haar rekenen kunt ge vast;—dat is zeker; want zij zal er nooit in toestemmen een anderen man te nemen. Ja, en ik ben ook bang genoeg, dat mijnheer, in zijne woede, haar een ongeluk zal slaan;—want hij is verbazend driftig; en ik vrees ook, dat men de jufvrouw eindelijk het hart zal breken; want zij is zacht als een duifje;—ik geloof haast dat het jammer voor haar is, dat zij niet wat van mijn moed heeft! Als ik op een jong mensch verliefd was en mijn vader mij opsluiten wilde, zou ik hem de oogen uitkrabben, eerder dan mijn zin niet te krijgen!—Maar in dit geval staat er een groot vermogen op het spel,—dat haar vader de magt heeft haar te geven of niet,—en het is waar!—zoo iets maakt zeker een onderscheid!”

Ik weet niet of het wegens gebrek aan oplettendheid was, of wegens het onzinnige van de geheele redevoering; maar Jones trachtte in het geheel niet tusschenbeide te komen, en zij hield vol met praten tot Partridge in de kamer stoof en hem meldde dat „de groote dame” op de trap was.

Jones bevond zich thans in de grootste verlegenheid. Honour wist niets van de betrekking tusschen hem en Lady Bellaston en zij was ongeveer de laatste persoon ter wereld, aan wie hij iets daarvan zou hebben willen mededeelen. In den nood en de overhaasting dan, koos hij (wat dikwerf geschiedt!) de slechtste partij, en in plaats van haar aan de dame bloot te geven,—wat niet veel kwaad kon,—verkoos hij liever de dame aan haar bloot te geven. Hij besloot dus om Honour te verbergen, die juist den tijd had zich achter het bed te verstoppen en de gordijnen er van digt te trekken.

De drukte welke Jones den geheele dag had gehad met de vrouw des huizes en haar gezin, de schrik, welken jufvrouw Honour hem aangejaagd had, en de verwarring, veroorzaakt door de onverwachte komst van Lady Bellaston, dit alles bragt hem zoodanig in de war, dat hij er geen oogenblik aan dacht om zijne rol als zieke vol te houden,—wat ook, inderdaad, zeer in strijd zou geweest zijn met zijne keurige kleeding en de bloeijende kleur op zijne wangen.

Hij ontving Milady dus eerder overeenkomstig hare wenschen dan hare verwachtingen, met den schijn van de meeste blijdschap en zonder eenige wezenlijke, of geveinsde ziekteteekenen.

Zoodra Lady Bellaston in de kamer kwam, ging zij op het bed zitten, en zeide:

„Nu, zoo als gij ziet, waarde Jones, is er niets, dat mij heel lang van u verwijderd kan houden! Misschien heb ik reden om eenigzins boos op u te zijn; want ik heb den geheelen dag niets van u gezien of gehoord; hoewel, naar ik merk, uwe ongesteldheid u niet aan huis behoefde te kluisteren;—ja, ik vermoed zelfs, dat gij den geheelen dag niet zoo opgeschikt gezeten hebt als eene groote dame, die kraamvisites wacht;—maar, denk niet dat ik met u wilde knorren; want ik zal u nooit eene aanleiding geven om u als koel echtgenoot te gedragen, door zelve den kwaden luim eener huisvrouw aan den dag te leggen.”

„Wel, Lady Bellaston,” hernam Jones, „ik ben overtuigd dat gij mij van geen verzuim beschuldigen zult, terwijl ik alleen op uwe bevelen zat te wachten. Wie, liefste, zou eigenlijk moeten klagen? Wie heeft gisteren avond eene bepaalde afspraak verzuimd en een ongelukkig mensch aan zijn zuchten, wenschen en verlangen overgelaten?”

„Spreek daar niet van, mijn waarde Jones,” zeide zij. „Als ge wist wat daartoe aanleiding gaf, zoudt gij mij beklagen. Met één woord, het is onmogelijk te beschrijven hoe eene vrouw van stand geplaagd wordt door de lastigheid van allerlei dwazen, terwijl zij toch hare rol in het kluchtspel van de maatschappij vol moet houden. Het verheugt me echter, dat al uw zuchten en wenschen u geen kwaad gedaan heeft; want ge hebt van uw leven er niet beter uitgezien. Op mijn woord, Jones, gij zijt op dit oogenblik het model van een Adonis!”

Er zijn zekere tergende woorden, die een man van eer alleen beantwoorden kan door een slag;—onder minnenden zijn er welligt zekere uitdrukkingen, waarop men alleen antwoorden kan door een kus. Het compliment door Lady Bellaston aan Jones gemaakt, was waarschijnlijk van dezen aard, vooral daar het door een blik vergezeld ging, waarmede de dame veel meer liefde uitdrukte, dan zij met woorden wel doen kon.

Jones bevond zich zeker op dit oogenblik in een der onaangenaamste en pijnlijkste toestanden mogelijk;—want, om het beeld, dat we pas gebruikt hebben, vol te houden: hoewel de uitdaging van de dame zelve kwam, kon Jones haar geene voldoening geven, of ze zelfs van haar vragen in het bijzijn van een derde, daar de wet, bij deze soort van tweegevechten, geene getuigen toelaat.

Daar dit bezwaar volstrekt niet bestond bij Lady Bellaston, die zich verbeeldde de eenige vrouw in de kamer te zijn, wachtte zij eenige oogenblikken met de meeste verbazing op het antwoord van Jones, die, zich de bespottelijke rol bewust, welke hij spelen moest, op een afstand bleef staan, en daar hij het niet waagde het gepaste antwoord te geven,—er in ’t geheel geen voor den dag bragt.

Men kan zich niets komieker noch tragischer dan dit tooneel voorstellen, als het iets langer geduurd had. De dame was reeds een paar maal van kleur veranderd, was al van het bed opgestaan, en had er weer op plaats genomen, terwijl Jones wenschte dat de aarde zich openen mogt om hem te verslinden, of dat het huis instorten en hem verpletteren mogt, toen een wonderlijk toeval hem uit eene verlegenheid redde, waaruit noch de welsprekendheid van een Cicero noch de diplomatie van een Machiavelli hem anders had kunnen redden.

Dit was niets anders dan de aankomst van den jongen Nightingale, die stom dronken was, of liever in dien dronken toestand, welke de mensch van het gebruik van de rede berooft, zonder hem het gebruik zijner ledematen te benemen.

Jufvrouw Miller en hare dochters lagen al te bed, en Partridge zat zijne pijp te rooken bij het keukenvuur, zoodat hij de deur van de kamer van Jones zonder eenig bezwaar bereikt had. Hij stiet die ook open, en wilde zonder pligtpleging binnenstormen, toen Jones opsprong, en hem tegenhield,—zoo krachtig dat Nightingale niet ver genoeg binnen drong om te kunnen zien wie op het bed zat.

Hij had inderdaad, de kamer van Jones voor de zijne gehouden, en drong er dus te stelliger op aan om binnen gelaten te worden, zwerende dat men hem niet beletten zou naar zijn eigen bed te gaan. Jones echter wist hem te bepraten en leverde hem aan Partridge over, die bij het geraas op de trap naar boven gekomen was, om zijn meester te helpen.

En thans moest Jones, hoe ongaarne ook, naar zijne eigene kamer terug keeren, waar hij, op het oogenblik van zijn binnentreden, van Lady Bellaston een gesmoorden uitroep vernam, en terzelfder tijd zag hoe zij zich op een stoel wierp, in eene ontroering, waarbij eene dame van een zwakker gestel, het op de zenuwen gekregen zou hebben.

Het ware van de zaak was dat de dame, verschrikt door de worsteling tusschen de twee mannen, en welker uitslag zij niet voorzien kon, vooral daar zij Nightingale met vele vloeken hoorde zweren, dat niemand hem uit zijn bed houden zou, eene toevlugt poogde te zoeken op de haar van vroeger bekende verbergplaats, welke zij echter, tot hare groote verbazing, reeds door eene andere bezet vond.

„Is zulk eene behandeling te dragen, mijnheer Jones?” riep de dame.—„Gij verraderlijkste der mannen!—Wie is de ellendige aan wie gij mij op die wijze bloot gegeven hebt?—”

„De ellendige!” riep Honour, in hevige woede uit haren schuilhoek te voorschijn komende. „Welnu, kom aan! De ellendige, zegt zij! Al ben ik ellendig arm, ben ik toch een eerlijk mensch! En dit kunnen sommige menschen, die nog zoo rijk zijn, niet van zich zelve zeggen!”

Jones, in plaats van zich te beijveren om jufvrouw Honours toorn te doen bedaren, zooals een meer ervarene minnaar gedaan zou hebben, begon zijn hard lot te verwenschen, en zich te beklagen als de ongelukkigste mensch ter wereld,—en zich daarop tot Lady Bellaston wendende, begon hij op de meest bespottelijke wijze zijne onschuld te betuigen. Inmiddels, daar de dame haar verstand weer volkomen meester was,—dat zij (vooral in een dergelijk geval), met de meeste vlugheid wist te gebruiken, zeide zij heel bedaard:

„Mijnheer, gij behoeft u niet te verontschuldigen;—ik zie nu wie ik voor me heb;—ik herkende jufvrouw Honour niet op het eerste oogenblik, maar nu ik zie wie het is, veronderstel ik natuurlijk niets verkeerds tusschen u en haar, en ik ben overtuigd dat zij ook veel te verstandig is, om eenigen verkeerden uitleg te geven aan mijn bezoek bij u. Ik ben haar altijd zeer gunstig gezind geweest, en ik zal het welligt in mijne magt hebben, haar dat later duidelijk te doen blijken.”

Jufvrouw Honour was even spoedig te verzoenen als het gemakkelijk was hare drift op te wekken. Zoodra zij dus den vriendelijken toon van Lady Bellaston begreep, verzachtte zij ook den haren.

„Wel, Milady,” zeide zij, „ik weet zeker, dat ik steeds uwe goedheid voor mij erkend heb;—want, werkelijk, ik heb nooit meer goedheid ondervonden van wien ook, dan van Milady! En nu ik zie dat gij het zijt, Milady, zou ik mij de tong willen afbijten, na al wat ik gezegd heb.—Ik eene verkeerde uitlegging geven aan iets dat Milady doet!—Wel! Het betaamt eene arme dienstmeid, zooals ik ben, volstrekt niet zich het hoofd te breken met hetgeen eene groote dame verkiest te doen!—Maar ik moest liever zeggen, dat betaamt niet aan iemand, die eene dienstmeid geweest is;—want nu heb ik geene dienst meer;—ik ongelukkige! Ik heb de beste meesteresse verloren!”—En hiermede begon Honour te snikken.

„Schrei niet, kind,” zei de goede dame; „men kan er welligt iets op bedenken om u dat te vergoeden. Kom morgen vroeg bij mij!”

Hierop nam zij haren waaijer op, die op den grond lag, en zonder Jones zelfs aan te zien, verliet zij de kamer met de meeste deftigheid, daar er eene zekere waardigheid ligt in de onbeschaamdheid van eene dame van hoogen rang, welke hare minderen, in zaken van dezen aard, te vergeefs zouden trachten aan te nemen.

Jones volgde haar naar beneden, haar herhaaldelijk de hand biedende, welke zij bepaaldelijk weigerde aan te raken, en klom in haren draagstoel, zonder eenige acht op hem te slaan, terwijl hij voor haar diep stond te buigen.

Zoodra hij weder naar boven kwam, had hij een lang gesprek met Honour, terwijl zij herstelde van de ontroering van het voorgaande tooneel. Het onderwerp daarvan was zijn ontrouw aan hare meesteresse, waarover zij met de meeste verbittering uitweidde; maar Jones vond eindelijk de middelen om haar te verzoenen, en niet alleen om dat te doen, maar ook om eene belofte van haar af te persen om zijn geheim heilig te bewaren, terwijl zij haar best zou doen om Sophia den volgenden morgen op te sporen en om hem verder berigt te brengen van de handelwijze van den landjonker.

Dus liep dit ongelukkige avontuur af, tot voldoening alleen van mejufvrouw Honour; want een geheim,—zooals welligt sommige mijner lezers uit ondervinding weten,—is dikwerf een zeer kostbaar iets, niet alleen voor diegenen die het trouw weten te bewaren, maar soms ook voor hen, die het aan iedereen influisteren, behalve aan den onwetende, die hen betaalt voor het veronderstelde verbergen van iets dat algemeen bekend is.

HOOFDSTUK VIII.

KORT EN ZOET.

Niettegenstaande al hare verpligtingen aan Jones, kon jufvrouw Miller niet nalaten om hem eenige zachte verwijten te doen over den storm op zijne kamer den vorigen avond. Ze luidden echter zoo zacht en vriendschappelijk, terwijl zij betuigde werkelijk niets dan het beste van den heer Jones zelven te bedoelen, dat hij, verre van zich beleedigd te gevoelen, met dank de vermaningen der goede vrouw aanhoorde, veel berouw uitdrukte over hetgeen er gebeurd was, zich verontschuldigde zoo goed hij kon, en beloofde nooit meer eenige onrust van dien aard in huis te zaken.