Part 71
„Wel, mijn beste Lord,” hernam zij, „gelooft gij niet dat iedere vrouw in Engeland in haar hart om u lagchen zou, welke preutschheid zij ook verkiezen mogt op haar gelaat te toonen?—Gij dwingt mij om eene wonderlijke taal te gebruiken, en op eene schandelijke wijze mijn eigen geslacht bloot te geven;—maar ik vergenoeg me met te weten dat mijne bedoelingen goed zijn, en dat het mijn doel is om mijne nicht te dienen; want, in weerwil van dit alles, geloof ik, dat gij een goede man voor haar zijn zult, of, op mijn woord, ik zou haar niet willen overhalen, om zich weg te werpen, alleen om een ijdelen titel te voeren! Ik wilde ook niet dat zij het mij later wijten zoude, dat zij een flinken man verloren had; want zelfs zijne vijanden moeten bekennen dat deze arme jongen een fiksch mensch is!”
Laat diegenen, die ooit de voldoening gesmaakt hebben om gedachten als deze door zijne vrouw of zijne beminde te hooren uiten, verklaren of ze eenigzins verzacht worden door over vrouwenlippen te komen! Zeker is het, dat zij bij Milord dieper indruk maakten dan iets dat Demosthenes of Cicero bij eene dergelijke gelegenheid hadden kunnen zeggen.
Lady Bellaston, die begreep dat zij den trots van den jongen Lord opgewekt had, begon nu, als een ervaren redenaar, ook de hulp van andere hartstogten daarbij in te roepen.
„Milord,” zeide zij, heel ernstig, „heb de goedheid u te herinneren, dat gij zelf eerst over deze zaak met mij gesproken hebt; want ik wilde volstrekt niet hebben dat gij u verbeelden zoudt dat ik u mijne nicht opdringen wilde. Tachtig duizend pond sterling bevelen zich zelve aan, ook zonder advokaat.”
„En mejufvrouw Western,” hernam hij, „heeft hoegenaamd niet de aanbeveling van haar vermogen noodig; want, naar mijn gevoelen, is er nooit eene vrouw geweest, die de helft harer bekoorlijkheden bezat.”
„O toch, Milord!” riep de dame, met een blik in den spiegel, „o toch wel! Ik kan u verzekeren dat er vrouwen zijn die zelfs meer dan de helft van hare bekoorlijkheden bezitten!—Niet dat ik haar om die reden minder tel;—het is een heerlijk meisje,—dat is ontegenzeggelijk,—en binnen weinige uren zal zij ook in de armen vliegen van iemand die haar zeker niet waardig is;—hoewel, om hem regt te doen, ik werkelijk overtuigd ben, dat het hem niet aan moed ontbreekt.”
„Ik hoop dat gij gelijk hebt, mevrouw,” hernam Milord; „ofschoon ik ook moet bekennen, dat hij haar onwaardig is; want als de hemel, of gij, Milady, mij niet in den steek laat, zal zij binnen weinige uren de mijne zijn!”
„Goed gezegd, Milord!” hernam de dame; „ik beloof u dat gij van mijn kant geene teleurstelling te vreezen hebt, en ik hoop u binnen een week als mijn neef te begroeten!”
Het overige van dit tooneel bestond uit loutere uitroepingen, verontschuldigingen en complimenten, die zeer vermakelijk waren welligt voor de daarbij betrokkene personen, maar die het eenigzins vervelend zou wezen hier te herhalen. Wij zullen dus thans een einde maken aan het gesprek, en ons haasten tot het ongelukkige oogenblik te komen, waarop alles voorbereid was om de arme Sophia te gronde te rigten.
Daar dit echter de meest tragische zaak is in onze geheele geschiedenis, zullen wij het in een afzonderlijk hoofdstuk behandelen.
HOOFDSTUK V.
BEVATTENDE SOMMIGE DINGEN WELKE DEN LEZER AANDOEN EN ANDERE WELKE HEM WELLIGT VERRASSEN ZULLEN.
De klok had zeven uur geslagen, en de arme Sophia, geheel alleen en zeer droefgeestig gestemd, zat in een treurspel te lezen. Het was „het Noodlottige Huwelijk,” en zij was juist aan dat gedeelte van het stuk gekomen, waar de arme, ongelukkige Isabella haren trouwring verkoopen moet.
Hier ontviel haar het boek en een tranenvloed stroomde uit hare oogen. Zij was naauwelijks één minuut in dezen toestand geweest, toen de deur openging en Lord Fellamar binnentrad. Sophia sprong van haren stoel op toen hij verscheen, en Milord, haar naderende, zeide met eene diepe buiging:
„Ik vrees, mejufvrouw Western, dat ik u zeer onverwacht kom storen?”
„Inderdaad, Milord,” hernam zij, „ik moet bekennen, dat ik eenigzins verwonderd ben over zulk een onverwacht bezoek.”
„Als mijn bezoek onverwacht is,” zei Lord Fellamar, „dan moeten mijne oogen zeer slechte tolken van mijn hart geweest zijn, toen ik de eer had u den laatsten keer te ontmoeten; want anders zoudt gij zeker er niet aan gedacht hebben mijn hart in uw bezit te houden, zonder een bezoek te wachten van den eigenaar er van.”
Sophia, hoe verlegen ook, antwoordde op dezen onzin (en naar het mij voorkomt, zeer gepast), met een onbeschrijfelijk minachtenden blik, waarop Milord eene tweede en veel langere redevoering van denzelfden aard hield.
Daarop hernam Sophia, die begon te beven: „Moet ik me werkelijk verbeelden, Milord, dat uw verstand beneveld is? Wezenlijk, er bestaat geene andere verontschuldiging voor zulk een gedrag—”
„Ja,—ik ben inderdaad in den toestand, welken gij veronderstelt,” riep Milord, „en zeker zult gij de gevolgen van een waanzin vergeven, door u zelve veroorzaakt; want de liefde heeft mijn verstand zoodanig beneveld, dat ik naauwelijks meer verantwoordelijk kan zijn voor mijne handelingen.”
„Op mijn woord, Milord,” hernam Sophia, „uwe woorden en uw gedrag zijn me beide even onverklaarbaar!”
„Vergun me dan,” riep hij, „aan uwe voeten beide uit te leggen, door mijn geheele hart voor u uit te storten en te verklaren, dat ik u in den hoogsten graad bewonder en aanbid! O beminnelijkste, o goddelijkste der vrouwen, hoe zal ik in woorden de gevoelens van mijn hart uitdrukken?”
„Ik verzeker u, Milord, dat ik niet langer blijven zal, om zulke taal aan te hooren!” riep Sophia.
„Wees niet zoo wreed,” smeekte hij, „mij op deze wijze te verlaten! Kendet gij slechts de helft mijner martelingen, dan zou uw gevoelig hart medelijden hebben met de kwellingen door uwe oogen veroorzaakt!”
Daarop, met een zwaren zucht, hare hand grijpende, draafde hij eenige minuten lang door op een toon, die den lezer evenmin als de dame tot wie alles gerigt was, bevallen zou, en eindigde met te zeggen, „dat als hij de geheele wereld bezat, hij zich haasten zou alles aan hare voeten te leggen.”
Sophia ontrukte hem nu hare hand met geweld, en antwoordde met veel moed: „Ik verzeker u, Milord, dat ik evenzeer de geheele wereld als hem die ze me aanbood, verachten zoude!”
Hierop wilde zij zich verwijderen; maar Lord Fellamar greep hare hand weder, en zeide: „Vergeef me, bemind meisje, als ik eenige vrijheden neem, waartoe niets dan de wanhoop mij zou kunnen drijven!—Geloof me, als ik had kunnen veronderstellen, dat mijn titel of mijn vermogen, welke beide alleen onaanzienlijk zijn als zij bij uwe waarde vergeleken worden, door u aangenomen zouden zijn, zou ik ze op de onderdanigste wijze aan u aangeboden hebben;—maar u verliezen, kan ik niet! Bij den hemel, ik zou liever de eeuwige zaligheid missen!—Gij zijt, gij moet alleen de mijne wezen!”
„Milord,” hernam zij, „ik smeek u eene ijdele vervolging op te geven, want, op mijn woord van eer, ik wil niets meer op dit punt aanhooren. Laat mijne hand los, Milord! Ik heb vast besloten op dit oogenblik de kamer te verlaten en u nooit van mijn leven weder te zien!”
„Dan moet ik gebruik maken van dit gunstig oogenblik;—want ik wil en kan ook niet zonder u leven!” riep Milord.
„Wat beteekent dat, Milord?” riep Sophia. „Ik zal het heele huisgezin bijeen roepen!”
„Ik vrees niets anders dan u te verliezen,” hernam hij, „en ik heb besloten dat te voorkomen op de eenige wijze, welke de wanhoop mij ingeeft!”
Hij greep haar toen in zijne armen, waarop zij het zoo hard uitgilde, dat zeker iemand tot hare hulp zou zijn opgedaagd, als Lady Bellaston niet gezorgd had alle menschen verwijderd te houden.
Maar eene gelukkige gebeurtenis vond op dit oogenblik voor Sophia plaats. Een ander geluid namelijk, deed zich hooren, dat hare kreten bijna smoorde, want het geheele huis weerklonk van het geroep:
„Waar zit zij? Wel verd—! Ik zal haar dadelijk opjagen! Wijs me hare kamer, zeg ik! Waar is mijne dochter! Ik weet dat zij hier in huis is, en als zij nog boven aarde is, zal ik haar vinden! Wijs me hare kamer, zeg ik!”
Bij deze laatste woorden vloog de deur open, en de heer Western stormde naar binnen, door dominé Supple en eene heele bende volgelingen vergezeld.
Hoe ongelukkig moet niet de toestand van de arme Sophia geweest zijn, dat de stem van haren vertoornden vader haar welkom in de ooren klonk! Welkom inderdaad, en gelukkig voor haar; want niets anders ter wereld had kunnen beletten, dat zij op dat uur alle verder levensgeluk verloren had.
Sophia, niettegenstaande hare verwarring, herkende dadelijk haar vaders stem, en Milord, in weerwil van zijne drift, luisterde naar de stem der rede, die hem stellig verzekerde, dat het nu geen oogenblik was om zijn schandelijk voornemen uit te voeren.
De naderende stem dus vernemende en tevens begrijpende wiens stem het was;—want de landjonker brulde meer dan eens de woorden „mijne dochter,” uit, terwijl Sophia, te midden der worsteling, haren vader riep, vond hij goed zijn prooi los te laten, na alleen haren halsdoek losgerukt, en met zijne onkuische lippen haren blanken hals aangeraakt te hebben.
Als de verbeelding van den lezer mij niet bijstaat, zal ik nooit in staat wezen den toestand der beide hoofdpersonen in dit tooneel te beschrijven, op het oogenblik dat Western in de kamer trad. Sophia wankelde naar een stoel, waar zij verward, bleek, hijgende, en verontwaardigd over Lord Fellamar’s gedrag, bleef zitten,—verschrikt en toch nog meer verheugd over de komst van haren vader.
Milord ging in hare nabijheid zitten, met zijne pruik scheef op het hoofd, en zijne overige kleeding eenigzins in de war, terwijl iets meer dan gewoonlijk van de borst van zijn overhemd te zien was. Overigens was hij verbaasd, verschrikt, teleurgesteld en beschaamd.
Wat mijnheer Western betreft, deze was toevallig op dit oogenblik door een vijand overrompeld, die zeer dikwerf de woeste landjonkers van dit rijk vervolgt en zelden nalaat hen ten onder te brengen: hij was letterlijk geheel dronken, welke omstandigheid, met zijne aangeborene hevigheid gepaard, niets anders uitwerkte dan dat hij regelregt op zijne dochter toeliep, die hij met de meeste verbittering met zijne vuile taal aanviel;—ja, hij zou haar zelfs waarschijnlijk handtastelijk aangevallen hebben, als de dominé niet tusschenbeide gekomen ware, en hem gezegd had:
„In ’s hemels naam, mijnheer, bedenk dat gij onder het dak zijt van eene zeer voorname dame! Laat mij u smeeken uwen toorn te matigen! Gij moest u daarmede tevreden stellen dat het u gegeven is uwe dochter weder te vinden;—want de wraakneming is den mensch niet geoorloofd. Ik zie sporen van groote wroeging op het gelaat der jonge dame. Ik koester de vaste overtuiging, dat als gij haar vergiffenis schenkt, zij berouw zal gevoelen over hare verkeerde handelingen en verder getrouw blijven op het pad, door den pligt afgebakend.”
De kracht van des dominé’s handen was in het begin nuttiger geweest dan al de kracht zijner welsprekendheid, maar de laatste woorden, welke hij uitte, werkten toch iets en de landjonker hernam:
„Ik zal haar vergeven als zij hem nu hebben wil! Als ge hem nemen wilt, Sophia, zal alles vergeten zijn. Waarom spreekt ge niet? Wilt ge hem hebben? Verd—, wilt ge hem nemen? Heeft men ooit zulk een koppige feeks gezien!”
„Ik smeek u, mijnheer,” zei de dominé, „bedaar toch een weinig! Gij jaagt de jonge dame zooveel schrik aan, dat gij haar buiten staat stelt om één woord te zeggen!”
„Een woord te—donderen!” brulde de landjonker. „Dus kiest gij ook partij voor haar? Gij zijt me een rare soort van een dominé om zoo voor een pligtvergeten kind partij te trekken! Ik zou jou eene collatie bezorgen! Om den drommel niet! Ik geef ze liever aan den Satan zelven!”
„Ik smeek nederig om vergiffenis,” hernam de predikant; „ik verzeker u, mijnheer, dat ik niets kwaads bedoelde!”
Op dit oogenblik trad Lady Bellaston in de kamer en naderde den landjonker, die, zoodra hij haar zag, aan de raadgevingen zijner zuster besloot te gehoorzamen, en op zijn boers, eene diepe buiging voor haar maakte, en haar daarop op eenige zijner meest uitgezochte beleefdheden onthaalde. Daarna ging hij dadelijk tot zijne klagten over, en zeide:
„Ziedaar, mevrouw en nicht, het meest pligtvergeten kind in het geheele rijk! Zij snakt naar een kalen schelm van een bedelaar, en wil hem niet tot man nemen, dien wij voor haar gekozen hebben, en die een der grootste partijen in het land is!”
„Wezenlijk, neef Western,” hernam de dame, „ik gevoel me overtuigd dat gij mijne nicht onregt aandoet. Ik heb een veel beter begrip van haar verstand. Ik ben overtuigd dat zij iets niet afslaan zal, dat zij overtuigd moet wezen, zoo zeer voordeelig voor haar is!”
Dit was willens en wetens eene verwarring van denkbeelden door Lady Bellaston; want zij wist zeer goed wat de heer Western bedoelde, hoewel zij zich welligt verbeeldde dat men hem er gemakkelijk toe zou kunnen overhalen om het huwelijksaanzoek van den Lord te begunstigen.
„Hoort ge nu wat Milady zegt?” riep de landjonker; „onze geheele familie wil het huwelijk! Kom, Sophia, wees maar een braaf kind, doe wat uw pligt gebiedt en maak uwen vader gelukkig!”
„Als mijn dood u gelukkig maken kan, vader,” hernam Sophia, „zult gij niet lang daarop behoeven te wachten.”
„Dat is een leugen,—Sophia, een verd— leugen! En dat weet gij zelve best!” riep de landjonker.
„Gij zijt werkelijk onbillijk jegens uwen vader, mejufvrouw Western,” zei Lady Bellaston; „hij beoogt niets anders dan uw voordeel bij dit huwelijk, en ik zelve en uwe geheele familie erkent de eer welke zulk een huwelijksaanzoek ons huis aandoet.”
„Ja—allemaal!” riep de heer Western; „het was ook geen huwelijk dat ik bedacht had:—zij weet best dat hare tante het eerste woord daarvan sprak.—Nu, Sophia, nog eenmaal! Wees een braaf kind, en geef me uwe toestemming in het bijzijn uwer nicht!”
„Nicht,” zei de dame, „laat me u smeeken hem uwe hand te geven;—het is nu mode om tijd uit te winnen en lange vrijaadjes.”
„Bah!” riep de landjonker; „wat komt het op tijd aan? Zullen zij later geen tijd kunnen vinden om elkaar het hof te maken? De menschen kunnen elkaar best als man en vrouw het hof maken!”
Daar Lord Fellamar zich verzekerd hield dat hij de door Lady Bellaston bedoelde persoon was,—vooral daar hij van zijn leven geen woord van Blifil vernomen had,—twijfelde hij volstrekt niet, dat ook de vader partij voor hem trok. Hij naderde den landjonker dus en zeide:
„Hoewel ik de eer niet heb u persoonlijk bekend te zijn, mijnheer, doch zie dat ik het geluk heb mijn aanzoek door u goedgekeurd te vinden, waag ik het u te smeeken, om den wille der jonge dame, op dit oogenblik niet meer bij haar aan te dringen.”
„Gij, smeeken, mijnheer?” riep de landjonker. „Wel! Wie drommel zijt gij?”
„Mijnheer,” hernam de andere, „ik ben Lord Fellamar, de gelukkige, wien, naar ik hoop, gij de eer hebt bewezen hem tot uwen aanstaanden schoonzoon aan te nemen.”
„Gij, beroerde lammeling!” brulde de landjonker. „Gij met jou gegalonneerden rok! Gij mijn schoonzoon! Loop naar de hel!”
„Ik kan meer van u verdragen dan van wien ook, mijnheer,” hernam de Lord; „maar ik moet u toch herinneren, dat ik er niet aan gewoon ben zulke taal ongewroken te laten.”
„Ongewroken? Loop naar de maan!” gilde de landjonker. „Gelooft ge dat ik bang ben voor zulk een kwast als gij?—Omdat ge zoo’n braadspit overal meesleept? Leg dat dingetje maar af, als ge durft, en ik zal jou leeren je te bemoeijen met wat je niet aangaat!—Ik zal jou leeren mij schoonpapa te heeten! Ik zal jou den rok op je schouders uitkloppen!”
„Dat is al meer dan genoeg, mijnheer,” zei Milord; „ik kan in het bijzijn der dames geene stoornis veroorzaken. Ik weet nu meer dan genoeg. Mijnheer, uw onderdanige dienaar! Lady Bellaston, ik heb de eer van u te groeten!”
Milord was naauwelijks de deur uit toen Lady Bellaston op den heer Western toetrad en zeide:
„Mijn hemel! Wat hebt ge daar gedaan, mijnheer? Gij weet niet wien gij beleedigd hebt! Hij is een edelman van zeer hoogen rang en van groot vermogen,—die gisteren aanzoek deed om de hand uwer dochter,—een aanzoek, dat gij, naar ik overtuigd ben, met het meeste genoegen aannemen zult.”
„Wees maar voor u zelve overtuigd en voor niemand anders, mevrouw en nicht!” hernam de landjonker. „Ik wil met geen van die Lords iets te maken hebben. Mijne dochter zal een eerlijken landjonker trouwen; ik heb er een voor haar uitgezocht,—en nemen zal zij hem!—Het spijt me maar van ganscher harte, dat zij u, Milady, zoo veel last veroorzaakt heeft.”
Lady Bellaston zei iets heel beleefds van „geen last” en zoo voorts, waarop de landjonker hernam:
„Nu dat is heel lief,—en ik zou het ook voor u over hebben, Milady. ’t Is waar, men moet iets over hebben voor zijne familie. Dus wensch ik u goeden avond, Milady!—Komaan, juffertje! gij moet me goedschiks volgen, of ik laat u naar beneden dragen, naar de koets!”
Sophia beloofde hem goedschiks te zullen volgen; maar smeekte om een draagstoel te mogen hebben, daar zij zich niet sterk genoeg gevoelde om in eene koets te rijden.
„Bah!” riep de landjonker, „woudt ge me nu wijs maken, dat ge niet meer tegen het schokken van eene koets bestand zijt? Dat zou me wat liefs wezen! Neen, neen, ik laat je niet meer uit mijne oogen tot ge getrouwd zijt,—dat beloof ik je!”
Sophia zeide hem, wel in te zien dat hij het er op toelegde om haar het hart te breken.
„Laat je hart maar breken,” riep hij; „wat drommel! Waarom niet, als een goede man het breken zal? Ik geef geen rooden duit,—geen halven duit,—om welke pligtvergeten heks ook ter wereld!”
Daarop greep hij haar driftig bij de hand, waarop de dominé nogmaals tusschenbeide kwam, hem smeekende zich tot zachtere maatregelen te bepalen. De landjonker bulderde thans weer een vloek uit, en beval den predikant te zwijgen, met de woorden:
„Ge zijt nu niet op den preêkstoel! Als ge daarop geklouterd zijt, kunt ge praten zoo veel ge wilt. Maar ik laat me niet door een geestelijke beheerschen;—en gij zult me niet leeren hoe ik me gedragen moet. Ik wensch u goeden avond, Milady! Kom maar mede, Sophia! Als ge u goed houdt, zal alles wel best afloopen. Ge zult hem nemen! Verd—! Ge zult hem nemen!”
Onder aan den trap verscheen nu jufvrouw Honour, die diep neigende voor den landjonker, hare meesteresse volgen wilde; maar de heer Western stiet haar op zijde, en zeide:
„Neen, juffer! Let daar maar op! bij mij komt ge niet meer in huis.”
„Mag mijne kamenier dus niet medegaan?” vroeg Sophia.
„Neen, stellig niet,” zei de landjonker. „Maar ge behoeft niet te vreezen van eene meid beroofd te blijven; ik zal u eene andere dienstmaagd bezorgen—en eene betere dan deze, die evenmin maagd is—dat durf ik zweren, als mijne grootmoeder! Neen, neen, Sophia! Het zal je niet gelukken om weer weg te loopen;—dat verzeker ik je!”
Daarop pakte hij zijne dochter en den dominé in eene huurkoets, klom zelf er ook in en beval naar zijne kamers te rijden. Onderweg liet hij Sophia met rust, en vermaakte zich slechts met den predikant eene les te lezen over de goede manieren en over een geschikt gedrag tegenover zijne meerderen.
Het is wel mogelijk, dat het hem niet gelukt zou zijn, zijne dochter zoo gemakkelijk uit het huis van Lady Bellaston weg te krijgen, als die goede dame werkelijk verlangd had, haar bij zich te houden; maar werkelijk was zij niet weinig ingenomen met de opsluiting, waartoe Sophia nu veroordeeld was, en daar haar voornemen met Lord Fellamar mislukt was, deed het haar groot genoegen dat nu andere dwangmiddelen gebruikt zouden worden tegen Sophia en ten gunste van een anderen minnaar.
HOOFDSTUK VI.
HOE DE LANDJONKER ER TOE GEKOMEN WAS OM ZIJNE DOCHTER TE ONTDEKKEN.
Hoewel de lezer van menige geschiedenis genoodzaakt wordt veel onverklaarbaarder dingen dan het verschijnen van den heer Western aan te nemen, zonder eenige opheldering, zullen wij echter daar het ons een genoegen is,—waar zulks in onze magt ligt,—om hem te verpligten, er nu toe overgaan, om aan te toonen op welke wijze de landjonker ontdekt had, waar zich zijne dochter bevond.
In het derde hoofdstuk van het vorige boek, gaven wij reeds een wenk (want wij zijn niet gewoon meer dan noodig is bij elke gelegenheid mede te deelen), dat mevrouw Fitzpatrick, die zeer verlangende was om verzoend te worden met haren oom en tante Western, meende daartoe nu eene gewenschte gelegenheid gevonden te hebben, als zij hem de dienst bewees van Sophia te redden van denzelfden misstap, waardoor zij zich den toorn harer familie op den hals gehaald had. Na rijp overleg, besloot zij dan om hare tante Western te melden waar Sophia zich bevond, en schreef dus den volgenden brief, welken wij, om verschillende redenen, in zijn geheel mededeelen.
„Geachte Tante!
De aanleiding tot dit schrijven zal welligt mijn brief welkom doen zijn aan mijne lieve tante, om den wille van ééne harer nichten, hoewel ik slechts weinig reden heb te hopen, dat iets van de schrijfster zelve anders welkom zou zijn.
„Zonder verdere verontschuldiging dan: toen ik op weg was om mij in mijn ongeluk aan uwe voeten te werpen, ontmoette ik, op de meest toevallige wijze, mijne nicht Sophia, wier geschiedenis u beter dan mij bekend is, ofschoon ik, helaas, maar al te veel daarvan weet;—en genoeg vooral om mij te overtuigen dat, tenzij men het haar dadelijk belette, zij gevaar loopt van zich dezelfde noodlottige ramp op den hals te halen, als ik me ongelukkig berokkend heb door uw wijzen en voorzigtigen raad in den wind te slaan.
„Met één woord, ik heb haren minnaar gezien,—ja, ik was zelfs gisteren een groot gedeelte van den dag in gezelschap met hem, en ik verzeker u dat hij een zeer bekoorlijk jong mensch is. Het zou te lang duren om u te vertellen door welk toeval ik met hem bekend werd; maar ik heb heden eene andere woning betrokken, ten einde hem te ontloopen, en te beletten dat hij door mijn toedoen mijne nicht zou ontdekken; want, tot dusver, weet hij niet waar zij zich bevindt, en het is beter dat hij het ook niet wete voor dat oom voor hare veiligheid gezorgd heeft.
„Er is echter geen tijd te verliezen, en ik behoef u alleen mede te deelen, dat zij nu bij Lady Bellaston is, die ik gesproken heb, en die, naar het mij gebleken is, het voornemen heeft om haar voor hare familie te verbergen. Gij weet, tante, dat zij eene heel wonderlijke vrouw is;—maar niets zou mij meer misstaan, dan om te wagen iemand van uw verheven verstand en groote wereldkennis eenigen raad te willen geven. Ik bepaal me dus tot de bloote mededeeling van het feit.
„Ik hoop, mevrouw, dat de bezorgdheid, welke ik bij deze gelegenheid aan den dag leg omtrent de belangen van onze familie, mij weder in de gunst eener dame zal aanbevelen, die steeds zoo veel belang gesteld heeft in de eer en de wezenlijke welvaart van ons allen, en dat dit een middel moge zijn om mij uwe vriendschap weder te doen gewinnen, welke zulk een groot deel van mijn geluk uitmaakte in vroegere dagen, en die zoo onmisbaar is voor mijn toekomstig heil.
„Ik verblijf, geachte tante,
met den meesten eerbied, uwe verpligte en steeds dankbare nicht en meest onderdanige dienaresse,
Henriette Fitzpatrick.”
Mejufvrouw Western was op het oogenblik van de ontvangst van dezen brief bij haar broeder in huis, bij wien zij sedert de vlugt van Sophia steeds gebleven was, ten einde hem in zijne droefheid te troosten. Van dezen troost, welken zij hem dagelijks toedeelde, hebben wij reeds vroeger een staaltje gegeven.
Zij stond nu met den rug naar het vuur, en met een snuifje tusschen de vingers, deelde zij ook thans hem het dagelijksche rantsoen troost mede, terwijl hij zijne pijp na tafel rookte, toen bovengemelde brief aankwam, welken zij hem na lektuur overhandigde, met de woorden: