Tom Jones

Part 68

Chapter 684,095 wordsPublic domain

„Die is al weg, die is al verloren, mijnheer Jones!” riep zij, „even als hare onschuld. Zij ontving dien brief in eene kamer vol menschen, viel dadelijk in zwijm zoodra zij hem gelezen had, en de inhoud er van werd aan iedereen bekend. Maar het verlies van haren goeden naam hoe, erg ook, is niet het allerergste. Ik zal mijn kind verliezen; zij heeft al twee maal getracht zich van kant te maken; en hoewel men haar dat belet heeft, zweert zij haar ongeluk niet te willen overleven:—ik zelve zou zoo iets niet kunnen overleven.—Wat moet er dan worden van mijne Betsy, dat hulpelooze, zwakke kind? Dat schepseltje zal ook, geloof ik, van verdriet sterven, als zij de ellende ziet van hare zuster en van mij, zonder te begrijpen waardoor wij tot wanhoop gebragt worden. O, zij is het gevoeligste en teerhartigste schepseltje! O die wreedaard,—hij heeft ons allen te gronde gerigt! O mijne arme kinderen! Is dit het loon voor al mijne zorgen? Is dit de uitslag van mijne verwachtingen? Heb ik met zoovele opgeruimdheid al de zorgen en pligten eener moeder waargenomen,—ben ik zoo bezorgd geweest voor hare kindschheid,—voor hare opvoeding, heb ik zoo vele jaren gezwoegd, en zelfs veel ontbeerd, ten einde iets voor haar over te leggen,—om nu eene, of beiden, op deze wijze te verliezen?”

„Wezenlijk, jufvrouw,” zeide Jones, „ik heb innig medelijden met u!”

„O, mijnheer Jones,” hernam zij, „zelfs gij, wiens goedaardigheid mij bekend is, kunt u geen begrip maken van hetgeen ik gevoel! De beste, de liefste, de gehoorzaamste mijner dochters! O, mijne arme Nancy! Mijne lieveling! De vreugde mijner oogen, de trots van mijn hart! Waar ik inderdaad te trotsch op was! Want aan de dwaze, eerzuchtige hoop, welke op hare schoonheid gegrond was, dank ik haren ondergang. Helaas! Ik zag met welgevallen de neiging, welke die man voor haar koesterde. Ik dacht dat het eene eerlijke liefde was, en vleide mij in mijne dwaze ijdelheid, met de gedachte van haar gehuwd te zien met iemand, die naar de wereld, zoo veel boven haar verheven was. En duizendmaal, in mijn bijzijn,—en in het uwe,—heeft hij deze hoop aangemoedigd en gestreeld door de edelmoedigste verklaring omtrent belangelooze liefde,—welke hij ook altijd tot mijn arm meisje rigtte, en aan welker opregtheid zij, even als ik, geloofde! Had ik kunnen vermoeden, dat dit alleen strikken waren om mijn arm onschuldig kind en om ons allen te gronde te rigten!”

Bij deze woorden kwam de kleine Betsy in de kamer loopen, met den uitroep: „Lieve mama, in ’s hemels naam, kom bij zuster Nancy! Zij heeft het weder op de zenuwen, en nicht kan haar niet meer houden!”

Jufvrouw Miller verwijderde zich dadelijk; maar beval Betsy bij mijnheer Jones te blijven, hem smeekende haar een paar minuten bezig te houden, terwijl zij met de meeste aandoening zeide: „Goede Hemel! Laat mij ten minste één mijner kinderen behouden!”

Jones bewilligde in haar verzoek en deed zijn best om het kind te troosten, schoon hij zelf werkelijk zeer aangedaan was door het verhaal van jufvrouw Miller. Hij verzekerde het meisje, „dat hare zuster spoedig weder beter zou wezen, en dat zij, door zich zoo aan te stellen, niet slechts hare zuster benadeelen, maar ook hare moeder ziek zou maken.”

„Wezenlijk, mijnheer,” hernam het meisje, „ik zou niets ter wereld willen doen om haar te benadeelen! Ik zou het liever verkroppen tot mijn hart brak, dan dat zij mij zagen weenen.—Maar, mijne arme zuster kan me niet meer zien weenen! Wezenlijk,—ik kan haar niet missen! Neen, dat kan ik niet! En onze arme mama! Wat moet er van haar worden?—Zij zegt ook dat zij sterven wil, en mij alleen laten;—maar, ik heb vast besloten om niet alleen te blijven.”

„Vreest gij den dood niet, mijne kleine Betsy?” vroeg Jones.

„Ja,” antwoordde het kind, „ik ben altijd bang geweest dat ik sterven zou, omdat ik dan mama en Nancy had moeten verlaten;—maar ik vrees niet waarheen ook te gaan met degenen die ik lief heb.”

Jones was zoodanig met dit antwoord ingenomen, dat hij het kind hartelijk kuste, en jufvrouw Miller trad kort daarop in de kamer, zeggende, „dat zij den Hemel dankte, dat Nancy nu weer bijgekomen was. En nu, Betsy,” voegde zij er bij, „ga maar naar binnen; want uwe zuster bevindt zich iets beter en verlangt om u te zien.”

Zij wendde zich daarop weder tot Jones en begon met nieuwe verontschuldigingen, dat zij hem bij het ontbijt teleurgesteld had.

„Ik hoop, jufvrouw,” hernam hij, „een nog heerlijker feestmaal te genieten, dan gij mij hadt kunnen verschaffen,—als het mij maar gelukt aan uw liefderijk huisgezin eenige dienst te bewijzen,—en hoe ook mijne pogingen afloopen, heb ik toch vast besloten, om iets te wagen. Ik zou me zeer vergissen in den heer Nightingale, als hij, niettegenstaande hetgeen er gebeurd is, in den grond van zijn hart niet even goed is als hij opregte liefde jegens uwe dochter koestert. Is dat het geval, dan geloof ik wel, dat hij getroffen zal worden door de schilderij welke ik voor hem ophangen zal. Tracht inmiddels, jufvrouw, u zelve en uwe dochter zoo veel mogelijk te troosten. Ik ga dadelijk den heer Nightingale zoeken, en hoop u spoedig goede berigten te brengen.”

Jufvrouw Miller viel op de knieën en riep den zegen des Hemels over Jones in, tevens op de hartstogtelijkste wijze hare dankbaarheid uitende. Daarop vertrok hij om den heer Nightingale op te sporen, en de goede vrouw keerde terug om hare dochter te troosten, die eenigzins verligt werd door hetgeen hare moeder haar vertelde,—en beide vereenigden zich nu om den lof van Jones te verkondigen.

HOOFDSTUK VII.

DE ONTMOETING TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE.

Het goed of het kwaad, dat wij anderen aandoen, komt dikwerf, naar ik meen, op ons zelven terug. Want, gelijk menschen van goedigen aard genot hebben van hunne eigene weldadige handelingen, evenzeer als de daardoor bevoordeelden, zoo zijn er ook te naauwernood wezens zoo geheel duivelsch van aard, dat zij in staat zijn om kwaad te doen, zonder zelve met eenige smart voor het lijden te boeten, dat zij een hunner medemenschen berokkenen.

De heer Nightingale, ten minste, was geen mensch van dien stempel. Integendeel, Jones vond hem in zijne nieuwe woning, droefgeestig bij het vuur zittende, en in stilte den ongelukkigen toestand betreurende, waarin hij de arme Nancy verlaten had.

Zoodra hij zijn vriend zag verschijnen, stond hij haastig op om hem te groeten, en na zijne vreugde betoond te hebben over zijne komst, zeide hij:

„Wezenlijk, niets kon tijdiger komen dan dit vriendelijk bezoek; ik ben van mijn leven niet meer ontstemd geweest dan nu.”

„Het spijt me,” hernam Jones, „dat ik u waarschijnlijk eene tijding breng, welke u niet opgeruimder zal maken,—ja, ik vrees zelfs dat ze u diep grieven zal. Het is echter noodzakelijk om u alles mede te deelen. Zonder verdere inleiding dan, ik kom bij u, mijnheer Nightingale, om over eene waardige familie, welke gij in het verderf gestort hebt, te spreken”

De heer Nightingale verbleekte bij deze woorden; maar, zonder daarop acht te geven, ging Jones voort met op de meest levendige wijze het tragische verhaal te doen, waarmede de lezer in het vorige hoofdstuk bekend is geworden.

Nightingale viel hem geen enkele maal in de rede, hoewel hij tusschenbeide de hevigste aandoening liet blijken. Maar toen het gedaan was, zeide hij, met een diepen zucht:

„Wat gij mij mededeelt, vriend, treft me op de gevoeligste wijze. Ik kan me geen verwenschter ongeluk voorstellen dan dat het arme meisje mijn brief niet wist geheim te houden. Haar goede naam ware dan veilig gebleven, en men had de heele zaak kunnen sussen,—zoodat het meisje later eene heel goede partij had kunnen doen;—want zoo iets ziet men dikwerf gebeuren hier in de stad, en als de man dan, als het te laat is, vermoedens krijgt,—doet hij het best met ze te verbergen voor zijne vrouw en voor de wereld.”

„Wezenlijk, mijn beste,” hernam Jones, „dit had nooit het geval kunnen wezen met uwe arme Nancy. Gij bezit zoo onverdeeld hare geheele liefde, dat het verlies van u en niet dat van haar goeden naam, haar nu zoo rampzalig maakt,—en dat het eindigen zal met den ondergang van haar en van hare geheele familie.”

„Wat dat aangaat,” hernam Nightingale, „ik houd zoo dol veel van haar, dat ik u verzekeren kan, dat wie ik ook tot vrouw krijgen moge, deze slechts een zeer gering aandeel aan mijne liefde hebben zal.”

„Zou het dan mogelijk wezen,” riep Jones, „dat gij toch besloten hebt om haar te verlaten?”

„Wel, wat zou ik anders doen?” hernam de andere.

„Vraag dat maar aan Nancy zelve,” riep Jones driftig. „In den toestand waartoe gij haar gebragt hebt, geloof ik vast, dat zij zelve moest beslissen, welke vergoeding gij haar schenken zult. Haar belang alleen, en volstrekt niet het uwe, moet hierbij in aanmerking komen. Maar als gij mij vraagt, wat u te doen staat?” ging hij voort; „welnu, wat zoudt gij anders kunnen doen, dan de verwachtingen van hare familie en van haar zelve verwezenlijken.—Vergeef me, als ik te veel waag na onze korte vriendschap,—maar ik heb diep medelijden met deze arme schepselen. Uw eigen hart zal u ook best weten te zeggen, of gij nooit voornemens zijt geweest door uw gedrag moeder en dochter te overtuigen dat gij eene eerlijke liefde koesterdet,—en zoo gij dat gedaan hebt, hoewel zonder eene regtstreeksche huwelijks-belofte, dan laat ik het aan u zelven over te beslissen, in hoe ver het pligt voor u is om u thans niet terug te trekken.”

„Ik moet niet slechts bekennen dat ik gehandeld heb zoo als gij veronderstelt,” hernam Nightingale; „maar, ik vrees, dat ik zelfs de belofte gedaan heb, waarop gij zinspeelt.”

„En kunt gij, na zulk eene bekentenis nog één oogenblik aarzelen?” riep Jones.

„Bedenk eens, vriend, wat gij van mij vergt,” hernam de andere: „Ik weet wel dat gij zelf man van eer zijt, en geen mensch iets aanraden zoudt, dat daarmede in strijd ware;—maar, gelooft gij zelf, alle andere bezwaren daargelaten, dat ik, na de openbaarmaking harer schande zonder oneer aan zulk eene verbindtenis zou kunnen denken?”

„Dat kunt gij zonder twijfel doen!” antwoordde Jones, „en de hoogste en heiligste eer, de eer der liefde, eischt dit van u. Daar gij echter dit bezwaar geopperd hebt, vergun mij het met u te onderzoeken. Kunt gij,—behoudens uwe eer—u schuldig weten van, onder valsche voorwendselen, een jong meisje en hare familie bedrogen te hebben, en haar, op die wijze van hare onschuld beroofd te hebben? Kunt gij,—behoudens uwe eer,—de bewuste, de willekeurige oorzaak,—zelfs de listige bewerker van het ongeluk van een menschelijk wezen zijn? Kan de eer de gedachte verdragen, dat dit wezen een teeder, hulpeloos, weerloos meisje is? Een meisje dat u bemint, dat met u dweept, dat om u sterft;—dat vast vertrouwen stelde in uwe beloften,—en aan dat vertrouwen alles opgeofferd heeft wat haar dierbaar moet zijn? Kan de eer slechts voor één oogenblik zulk eene gedachte verdragen?”

„Het gezond verstand,” hernam Nightingale, „moet alles billijken wat gij zegt; maar gij weet toch wel dat de wereld er anders over denkt, en dat als ik een eerloos meisje huwde,—al ware het mijne eigene maitresse,—ik mij zou moeten schamen mij ergens weder te vertoonen.”

„Foei, mijnheer Nightingale!” riep Jones; „geef haar toch zoo’n onteerenden naam niet! Toen gij beloofdet haar te huwen, werd zij uwe echtgenoote,—en zij heeft eerder tegen de voorzigtigheid dan tegen de deugd gezondigd. En wie zijn die menschen in de wereld, voor wie gij u zoudt schamen? Alleen de lagen, de dwazen en de loshandigen! Vergeef me, als ik beweer, dat zulk eene schaamte eene valsche schaamte is,—wijl ze op valsche begrippen van eer steunt! Maar ik blijf vast overtuigd, dat er geen echt verstandig of goed mensch ter wereld is, die eene dergelijke daad niet goedkeuren en vereeren zou. Zelfs toegegeven, dat niemand anders het deed, zoudt gij het niet in uw hart doen? En verschaft ons niet het levendige, verrukkelijke bewustzijn van eene eerlijke, edele, grootmoedige daad verrigt te hebben, meer geluk dan de onverdiende loftuitingen van millioenen menschen. Bezie de zaak naauwkeurig van beide kanten! Zie van den eenen kant, dit arme, ongelukkige, teerhartige, goedgeloovige meisje, den laatsten snik geven in de armen harer rampzalige moeder! Hoor, hoe haar hart, onder zijne kwellingen breekt, terwijl zij uw naam zucht, en eerder uwe wreedheid beklaagt dan dat zij u beschuldigt, hoewel zij daardoor te gronde gerigt wordt. Tracht u voor te stellen in uwe verbeelding, den toestand der liefderijke, wanhopige moeder, tot razernij, of welligt tot het graf gebragt, door het verlies harer bekoorlijke dochter. Denk aan het arme, hulpelooze weesje, dat achterblijven zou, en als gij u zoo iets slechts één oogenblik hebt voorgesteld, beschouw u zelven dan als de oorzaak van al de rampen van dit kleine, waardige, weerlooze huisgezin.—Van den anderen kant, stel u voor dat gij hen uit hun tegenwoordig lijden verlost! Verbeeld u met welke vreugde, met welke verrukking, de schoone in uwe armen zal vliegen. Zie, hoe het bloed terug vloeit naar de bleeke wangen,—hoe het vuur weer schittert in de kwijnende oogen, en de zaligheid terug keert in het gekwelde hart! Denk aan de vreugde harer moeder;—aan het geluk van allen! Zie dit kleine huisgezin, door deze ééne daad van u volmaakt gelukkig!—Stel u beide tooneelen voor, en zeker heb ik mij in mijn vriend vergist, als hij lang behoeft te overleggen, of hij deze rampzaligen voor altijd verpletteren zal, of hen door ééne edelmoedige, schoone handeling opheffen van den rand van het verderf tot den hoogsten top der menschelijke gelukzaligheid! Voeg hierbij nog slechts deze bedenking, dat het uw pligt is zoo te handelen,—dat de ellende, van welke gij deze arme menschen verlossen zult, de ellende is, waarin gij hen willens en wetens gestort hebt.”

„O waarde vriend!” riep Nightingale, „ik had geene behoefte aan uwe welsprekendheid om mij op te wekken! Ik heb van ganscher harte medelijden met de arme Nancy, en zou gaarne alles ter wereld geven, als ik het verledene ongedaan kon maken. Ja, geloof, dat het me een zwaren strijd kostte eer ik er toekwam om dien wreeden brief te schrijven, welke die arme menschen zoo diep ongelukkig heeft gemaakt. Als ik niemands neigingen dan mijne eigene behoefde te raadplegen, zou ik haar morgen vroeg huwen;—dat zou ik, werkelijk!—Maar gij zult toch wel willen gelooven dat het onmogelijk zou zijn mijn vader over te halen zijne toestemming tot zulk een huwelijk te geven. Hij heeft ook reeds eene andere vrouw voor mij op het oog,—en morgen, op zijn bepaald verlangen, moet ik mijne opwachting bij haar maken.”

„Ik heb de eer niet van uw vader te kennen” hernam Jones; „maar, verondersteld dat hij zich liet overhalen, zoudt gij zelf gereed zijn om het eenige middel te kiezen om die arme menschen te redden?”

„Ik weet niets wat mij gelukkiger zou maken,” antwoordde Nightingale; „want bij eene andere vrouw zal ik nooit gelukkig wezen. O, waarde vriend, als gij u voorstellen kondet wat ik dezen nacht voor mijn arm meisje gevoeld heb, dan ben ik overtuigd dat niet zij alleen al uw medelijden eischen zoude! De liefde trekt mij alleen tot haar, en als ik eenige valsche begrippen van eer koesterde, hebt gij mij geheel daarvan genezen. Als mijn vader maar overgehaald kon worden om in mijne wenschen toe te stemmen, zou er niets meer ontbreken aan mijn geluk, of aan dat mijner Nancy!”

„Dan ben ik besloten om het te beproeven,” riep Jones. „Gij moet niet boos op mij wezen, in welk licht ik me ook genoodzaakt mogt zien de zaak voor te stellen, welke,—zoo veel is zeker,—niet lang voor uw vader verborgen kan blijven; want dingen van dezen aard worden spoedig algemeen verspreid, als ze maar eens aan enkelen bekend zijn geworden,—zoo als ongelukkig hier het geval is. Bovendien, als er het eene of andere ongeluk volgde,—wat, op mijn woord, wel dreigt, als het niet bij tijds voorkomen wordt,—zou het publiek met uw naam bekend worden op eene wijze, welke uw vader, als hij eenig menschelijk gevoel heeft, diep grieven zou. Als gij mij dus zeggen wilt, waar ik den ouden heer kan vinden, zal ik geen oogenblik in deze zaak laten verloren gaan; en terwijl ik daarmede bezig ben, kunt gij niets beters doen dan een bezoek te brengen aan het arme meisje. Gij zult zien dat ik niets overdreven heb in de berigten, welke ik u van het ongelukkige huisgezin medegebragt heb.”

Nightingale was het dadelijk eens met dit voorstel, en Jones bekend gemaakt hebbende met het adres van zijn vader, en met het koffijhuis, waar hij hem waarschijnlijk aantreffen zou, aarzelde hij een oogenblik eer hij zeide:

„Mijn beste Tom, gij gaat het onmogelijke ondernemen. Als gij mijn vader kendet, zoudt gij er aan wanhopen om zijne toestemming te verkrijgen.—Maar, wacht!—er is welligt één middel!—Verondersteld, dat gij hem zeidet dat ik al gehuwd was? Het zou misschien gemakkelijker vallen hem met de daad te verzoenen als ze onherroepelijk was,—en, op mijn woord, ik ben zoo getroffen door hetgeen gij mij gezegd hebt, en ik houd zoo dol veel van Nancy, dat ik bijna wenschte, dat wij gehuwd waren,—wat ook de gevolgen mogten zijn.”

Jones keurde dit plan goed, en beloofde dienovereenkomstig te handelen. Daarop scheidden zij: Nightingale om bij zijne Nancy te gaan, en Jones om den ouden heer op te zoeken.

HOOFDSTUK VIII.

HETGEEN ER VOORVIEL TUSSCHEN DE HEEREN JONES EN NIGHTINGALE,—EN DE AANKOMST VAN IEMAND, DIE TOT DUSVER NIET IN DEZE GESCHIEDENIS OPGETREDEN IS.

Niettegenstaande het gevoelen van den Latijnschen hekeldichter, die de goddelijkheid der Fortuin ontkent, wat door Seneca beaamd wordt, is Cicero, dien ik voor een wijzer man dan de beide anderen houd, bepaaldelijk van het tegendeel overtuigd; en zeker is het, dat er sommige gebeurtenissen in dit leven zijn, die zoo vreemd en onverklaarbaar blijven, dat het meer dan menschelijke kunde en doorzigt schijnt te eischen om ze te doen ontstaan.

Iets van dezen aard gebeurde er thans met Jones, die den heer Nightingale, den vader, op zulk een kritiek oogenblik aantrof, dat vrouw Fortuna zelve, als zij wezenlijk de aanbidding verdiende, welke men haar te Rome schonk, er geen tweede van dien aard had kunnen bedenken. Met één woord, de oude heer en de vader der dame, die hij voor zijn zoon bestemd had, waren uren lang druk bezig met elkaar geweest; de laatstgenoemde was pas vertrokken, en had den eersten verlaten, die zich verheugde, dat hij de bovenhand gekregen had in den langdurigen twist tusschen de vaders van de aanstaande bruid en bruidegom;—een twist, waarin beide partijen getracht hadden elkaar te foppen, en, zoo als dikwerf het geval is bij zulke gelegenheden waarin beide volmaakt overtuigd waren, dat zij de overwinning behaald hadden.

Deze heer, dien Jones nu opzocht, was hetgeen men noemt, „een wereldsch man;” dat wil zeggen, iemand, die als het ware, overtuigd dat er geene andere wereld is, zich alleen er op toelegt, om het zoo goed mogelijk in deze te hebben. In zijne jeugd was hij in den handel geweest; maar een ruim vermogen verworven hebbende, had hij onlangs zijne zaken opgegeven,—of liever, hij had den handel in goederen laten varen, om handel te drijven in geld, dat hij altijd in ruimte voorhanden had, en waarvan hij een zeer voordeelig gebruik wist te maken, soms bij de behoeften van partikulieren, soms bij die van den staat. Hij had zich, inderdaad, zoo uitsluitend met geldzaken bezig gehouden, dat men er bijna aan twijfelen moest, of hij wel wist, dat er iets anders ter wereld bestond:—en men mag met zekerheid beweren, dat hij in elk geval geloofde, dat er niets anders van wezenlijke waarde te vinden was.

Ik verbeeld me dat de lezer toestemmen zal, dat het lot geen ongeschikter persoon had kunnen bedenken, dan deze, om door Jones aangevallen te worden met eenige hoop op welslagen; en de grillige vrouw Fortuna kon er ook geen ongeschikter oogenblik voor uitgezocht hebben.

Daar nu het geld altijd boven dreef in de gedachten van dezen heer, zoodra hij een vreemdeling zag binnen komen, stond het bij hem vast, dat die komen moest, óf om hem geld te brengen, óf om geld van hem te vragen. En naar mate de eene of andere dezer gedachten de overhand had, vatte hij een gunstig, of een ongunstig denkbeeld van zijn bezoeker op.

Tot ongeluk van Jones, kwam het laatste thans bij hem op; want daar hij den vorigen dag het bezoek had ontvangen van een jongen heer, met een wissel van zijn zoon, voor een speelschuld, vreesde hij, op het eerste gezigt van Jones, dat deze met eene dergelijke boodschap kwam. Zoodra hij dus van hem vernam dat hij hem over zijn zoon wenschte te spreken, gevoelde de oude heer zich in zijn vermoeden bevestigd, en barstte uit met den uitroep, „dat hij zich die moeite sparen kon!”

„Zou het dan mogelijk wezen, mijnheer, dat gij mijne boodschap gist?” vroeg Jones.

„Als ik goed geraden heb,” hernam de andere, „dan herhaal ik, dat het vergeefsche moeite is. Ik veronderstel dat gij een van die vrienden zijt, die mijn zoon verleidt tot allerlei uitspattingen en losbandigheden, die hem te gronde zullen rigten; maar, ik verklaar u, dat ik geene enkele rekening meer voor hem zal betalen! Ik verwacht dat hij in ’t vervolg zich van dergelijken omgang onthouden zal! Als ik dit niet verwachtte, zou ik geene vrouw voor hem gezocht hebben; want ik wilde geen mensch ongelukkig maken!”

„Hoe, mijnheer?” riep Jones; „hebt gij hem dan die vrouw bezorgd?”

„Mag ik u vragen, mijnheer, wat u dat aangaat?” hernam de oude heer.

„Ik bid u, waarde heer, u niet beleedigd te achten als ik belang stel in al wat het geluk kan bevorderen van uw zoon wien ik de meest opregte vriendschap en genegenheid toedraag;—het was juist over dat punt dat ik u kwam spreken. Ik kan u niet zeggen, hoe gelukkig ik me acht door al wat gij gezegd hebt; want ik verzeker u dat ik den meesten eerbied voor uw zoon koester.—Ja, mijnheer, het valt mij niet gemakkelijk, om u te zeggen hoezeer ik u hoogacht, die zoo edelmoedig, zoo goed, zoo toegevend zijt geweest voor uw zoon en hem zulk eene vrouw geschonken hebt,—die, dat zou ik durven zweren, hem tot den gelukkigsten mensch ter wereld zal maken.”

Er is naauwelijks iets ter wereld, dat een mensch zoo zeer bij ons aanbeveelt, als, wanneer zijne eerste verschijning ons verontrust heeft, en wij die ongerustheid op eens zien wegnemen. De vrees die wij gevoelden, wordt dan ook dadelijk vergeten en wij meenen onze tegenwoordige gerustheid juist aan dien persoon verpligt te zijn, welke ons den eersten schrik aangejaagd heeft.

Dit was thans het geval met Nightingale, die veel welbehagen begon te scheppen in Jones, zoodra hij ontdekte dat deze niets van hem te vragen had.

„Wees zoo goed om plaats te nemen, waarde heer,” zeide hij; „ik herinner me niet het genoegen te hebben gehad van u vroeger te ontmoeten; maar, daar gij verklaart een vriend van mijn zoon te zijn, zal ik gaarne alles hooren wat gij omtrent de jonge dame in kwestie te zeggen hebt. Als hij niet gelukkig met haar wordt, zal het zeker zijne eigene schuld wezen. Ik heb het mijne gedaan door voor de hoofdzaak te zorgen. Zij zal hem een schat brengen, waarmede ieder redelijk, verstandig, matig mensch gelukkig kan wezen.”

„Wel zeker,” riep Jones; „want zij is in zich zelve een schat, zoo schoon, zoo fatsoenlijk, zoo goedaardig, zoo goed opgevoed;—zij heeft inderdaad vele begaafdheden;—zij zingt heerlijk en speelt prachtig op de klavecimbel.”

„Daar weet ik niets van,” hernam de oude heer; „want ik heb de dame nooit gezien; maar wat gij mij van haar vertelt, vermindert mijne gunstige meening omtrent haar niet, en het bevalt me wel van haar vader, dat hij bij onze onderhandelingen geen gewigt scheen te hechten aan deze gaven van haar. Ik zal dat altijd beschouwen als een blijk van zijn gezond verstand. Een dwaas mensch zou dit alles mede in rekening gebragt hebben bij haar vermogen; maar, om hem regt te doen, sprak hij geen woord van die dingen, hoewel het ontegenzeggelijk is, dat zij eene vrouw niet ontsieren.”