Tom Jones

Part 67

Chapter 674,040 wordsPublic domain

„Als gij verkiest,” hernam Nightingale, „kunnen wij toch bij elkaar blijven;—want, om u een geheim te ontdekken,—dat ik u verzoek voor de menschen hier te verzwijgen,—ik ben zelf voornemens om heden nog dit huis te verlaten.”

„Hoe, vriend?” riep Jones, „heeft jufvrouw Miller u ook de huur opgezegd?”

„Neen,” hernam de andere, „dat niet. Maar de kamers zijn niet ruim genoeg.—Bovendien, begint me dit gedeelte van de stad te vervelen. Ik moet meer in de nabijheid wezen van de plaatsen der openbare vermakelijkheden;—ik ga naar Pall-Mall.”

„En waarom wilt gij uw vertrek geheim houden?” vroeg Jones.

„Wat dat betreft,” hernam Nightingale, „ik beloof u dat ik niet voornemens ben te vertrekken zonder de huur te betalen; maar ik heb eene geheime reden om geen bepaald afscheid hier in huis te nemen.”

„Die is niet zoo geheim,” antwoordde Jones „of ik heb ze wel ingezien, sedert den tweeden dag van mijn verblijf hier in huis.—Daar zullen tranen gestort worden bij uw vertrek!—Die arme Nancy! Ik heb werkelijk medelijden met haar! Wezenlijk, Jaap, gij hebt te veel gekheid gemaakt met dat meisje.—Ik vrees dat gij haar eene neiging hebt ingeboezemd, waarvan zij nooit genezen zal!”

„Wat drommel wildet ge hebben dat ik doen zou?” vroeg Nightingale. „Moet ik haar trouwen,—om haar te genezen?”

„Neen,” hernam Jones; „maar gij hadt haar niet zóó het hof moeten maken, als ik u heb zien doen in mijn bijzijn. Ik heb verbaasd gestaan over de verblinding der moeder, die het niet ontdekte.”

„Bah! Ontdekken? Wat zou zij ontdekken?” vroeg Nightingale.

„Wel, ontdekken dat gij hare dochter tot gekwordens toe op u verliefd hebt gemaakt,” zei Jones. „Het arme meisje kan het geen oogenblik verbergen. Zij wendt de oogen niet van u af, en krijgt eene kleur telkens als gij in de kamer komt. Wezenlijk, ik beklaag haar opregt, want ik houd haar voor een zeer goed, lief meisje!”

„Dus,” zei Nightingale, „volgens uwe leer, moet men zich niet eens vermaken met eenige dagelijksche beleefdheden jegens de vrouwen, uit vrees dat zij op ons verliefd zullen worden?”

„Wezenlijk, Jaap,” zei Jones, „ge schijnt me voorbedachtelijk verkeerd te willen verstaan. Ik verbeeld me volstrekt niet dat alle vrouwen zoo zeer geneigd zijn om op ons verliefd te worden;—maar gij zijt veel verder gegaan dan alledaagsche beleefdheden.”

„Veronderstelt ge dan dat wij al te ver gegaan zijn?” vroeg Nightingale.

„Neen,” hernam Jones, zeer ernstig; „dat niet—op mijn woord! Zoo slecht denk ik niet van u. Ja, ik wil me zelfs niet verbeelden dat gij een geregeld plan gesmeed hebt om dit arm, goed schepseltje te gronde te rigten,—of dat gij zelfs over de gevolgen van zoo iets nagedacht hebt; want ik weet zeker dat gij een zeer goedaardig mensch zijt, en zoo iemand zou zich nooit schuldig maken aan iets dergelijks; maar, inmiddels hebt ge uwe eigene ijdelheid gestreeld, zonder te overleggen dat gij het arme meisje daaraan opgeofferd hebt, en terwijl ge aan niets anders dacht dan u een uurtje of wat te vermaken, hebt ge haar werkelijk reden gegeven om zich te vleijen met de hoop, dat gij het ernstig met haar meendet. Ik bid u, Jaap, zeg me eerlijk: waartoe strekten al die prachtige en wellustige beschrijvingen van het geluk, dat ontstaat uit hevige en wederkeerige liefde;—al die vurige betuigingen van teederheid, van edele en belangelooze liefde? Dacht gij, dat zij ze niet op zich zelve toepassen zoude? Of, om opregt te zijn, wenschtet gij niet, dat zij dat doen zou?”

„Op mijn woord, Tom,” riep Nightingale, „zóó iets had ik bij u niet verwacht! Gij zoudt een uitstekende dominé worden! Dus veronderstel ik, dat als Nancy u ’s nachts bij zich toelaten wilde, gij daarvoor bedanken zoudt?”

„Dat zou ik doen, zoo waar ik leef!” riep Jones.

„Tom! Tom! Denk aan gisteren avond!” hernam Nightingale.

„Toen alle menschen sliepen En slechts de maan nog waakte.”

„Hoor eens, mijnheer Nightingale,” zei Jones. „Ik ben geen huichelaar en ik wend niet voor kuischer te zijn dan mijne naasten. Ik beken wel, dat ik mij met de vrouwen bezondigd heb;—maar ik weet niet dat ik er ooit eene benadeeld heb.—Ik wilde ook niet wien, ook ongelukkig maken, alleen om mijzelven een kort genot te verschaffen.”

„Nu ja,” antwoordde Nightingale, „ik wil u wel gelooven, en ben overtuigd dat gij mij ook van iets van dien aard vrijspreken zult.”

„Ik spreek u van ganscher harte vrij van het meisje te hebben verleid,” hernam Jones; „maar niet van hare toegenegenheid verworven te hebben.”

„Als ik dat gedaan heb,” zei Nightingale, „dan spijt het me zeer. Maar tijd en afwezigheid zullen spoedig alle dergelijke gevoelens doen slijten. Dat is een voorschrift, dat ik zelf gebruiken moet; want, om u de waarheid te bekennen,—ik heb nooit van mijn leven half zooveel van eenig ander meisje gehouden:—maar, Tom, ik moet u het geheele geheim mededeelen. Mijn vader heeft een huwelijk voor mij klaar gespeeld, met eene vrouw die ik nog nooit gezien heb, en zij komt nu naar de stad om zich door mij het hof te laten maken.”

Bij deze woorden proestte Jones van lagchen, en Nightingale riep uit:

„Neen! Wat ik u bidden mag, lach niet om mij! De drommel hale mij, als ik niet half gek ben! O mijne arme Nancy! Jones, Jones! Wat gaf ik er niet om een onafhankelijk vermogen te bezitten!”

„Ik wenschte van ganscher harte dat gij er een hadt!” zei Jones; „want nu ik het geval ken, heb ik diep medelijden met u beiden. Maar gij kunt er toch niet aan denken om weg te gaan, zonder afscheid van haar te nemen?”

„Ik zou om alles ter wereld mij aan de pijn van het afscheid-nemen niet willen blootstellen,” hernam Nightingale; „bovendien ben ik overtuigd, dat in plaats van tot iets te dienen, het alleen daartoe strekken zou, om mijne arme Nancy nog meer op te winden. Ik bid u dus heden er geen woord van te zeggen en in den loop van den avond, of morgen vroeg, ben ik voornemens het huis te verlaten.”

Jones beloofde hem zijn zin te geven, en zeide, dat bij nader inzien, het hem voorkwam, dat daar hij besloten had en genoodzaakt was om haar te verlaten, hij den meest voorzigtigen weg had ingeslagen. Daarop verzekerde hij Nightingale dat hij heel blijde zou zijn hetzelfde huis met hem verder te bewonen, en zij spraken zamen af, dat Nightingale de benedenste verdieping, of de tweede voor Jones zou huren, daar hij zelf de tusschenliggende verdieping wilde betrekken.

Deze Nightingale, omtrent wien wij later meer te vertellen zullen hebben, was in alle dagelijksche zaken een man van de stiptste eer, en wat nog zeldzamer is onder jonge heeren, die in de wereld leven, ook stipt eerlijk; maar in liefdezaken waren zijne grondbeginselen eenigzins los,—zonder dat hij echter zoo geheel van alle eerlijkheid ontbloot was als sommige heeren wel eens zijn,—of veinzen te wezen;—maar zeker is het dat hij zich ten opzigte van enkele vrouwen aan onvergeefelijke ontrouw had schuldig gemaakt, en in zeker geheim „de liefdekunst” genaamd, veel bedrog gepleegd had, dat in den handel hem den naam van den grootsten schurk ter wereld berokkend zou hebben.

Daar men echter in de wereld, om eene reden die mij onbekend is, overeen gekomen is, om deze soort van bedrog uit een veel gunstiger oogpunt te beschouwen, was hij zoo ver van zich te schamen over zijne schanddaden van dezen aard, dat hij er roem op droeg, en dikwerf pochte op zijne behendigheid in de kunst van de vrouwen te winnen en hare harten te veroveren. Jones had hem dit dikwerf verweten, daar hij zelf altijd den meesten afkeer uitdrukte van elk wangedrag tegenover de schoonen, die, behandeld gelijk hij zeide, zoo als haar toekwam, als onze beste vriendinnen, vereerd, gekoesterd en gestreeld moesten worden met de meeste teederheid;—en, indien wij er toe kwamen haar als onze vijandinnen te beschouwen, moest een man zich eerder schamen dan zich beroemen op eene overwinning ten haren koste.

HOOFDSTUK V.

DE KORTE GESCHIEDENIS VAN JUFVROUW MILLER.

Jones gebruikte dien dag, voor een zieke, een tamelijk goed middagmaal, dat wil zeggen, de grootste helft van een schapenbout. Des namiddags ontving hij eene uitnoodiging van jufvrouw Miller op de thee; want die goede vrouw, hetzij door Partridge, of op eene andere natuurlijke of bovennatuurlijke wijze vernomen hebbende, dat hij eene betrekking was van den heer Allworthy, kon er niet aan denken in toorn van hem te scheiden.

Jones nam de uitnoodiging aan, en zoodra de theeboel opgeruimd was en de meisjes de kamer verlaten hadden, begon de weduwe, zonder verdere inleiding, als volgt:

„Nu, er gebeuren wel eens vreemde dingen in de wereld;—maar niets is zoo vreemd dan dat ik eene betrekking van mijnheer Allworthy onder mijn dak zou ontvangen hebben, zonder er iets van te weten. Helaas, mijnheer, gij kunt u niet verbeelden welk een vriend voor mij en de mijnen die heer geweest is! Ja, mijnheer, ik schaam me niet te bekennen, dat ik het alleen aan zijne goedheid te danken heb, dat ik niet reeds lang geleden van gebrek omkwam, en mijne beide kinderen achterliet als twee beroofde, hulpelooze, verlatene weezen,—aan de zorgen, of liever aan de wreedheid van de wereld.

„Gij moet namelijk weten, mijnheer, dat hoewel ik er nu toe gebragt ben om den kost te verdienen door kamers te verhuren, ik in een fatsoenlijken stand geboren en opgevoed ben. Mijn vader was officier bij het leger en had een aanzienlijken rang bereikt bij zijn dood; maar hij had steeds zijn traktement verteerd, en daar dat met zijn leven ophield, werd zijn gezin bij zijn sterven tot den bedelstaf gebragt. Wij waren drie zusters. Eene van ons had het geluk kort daarna aan de pokken te sterven;—eene dame had de goedheid om de tweede bij zich te nemen, uit christelijke liefde, gelijk zij zeide, om haar te bedienen. De moeder van deze dame was dienstmeid geweest bij mijne grootmoeder, en een groot vermogen geërfd hebbende van haar vader, die lombardhouder was, huwde zij een heer van hoogen rang en aanzien. Zij behandelde mijne zuster met zooveel wreedheid,—haar dikwerf hare afkomst en hare armoede verwijtende, en haar uit spot „eene dame” heetende, dat, naar ik geloof, zij eindelijk het arme meisje het hart brak. Met één woord, ook zij stierf binnen het jaar na mijn vader.

„Het behaagde de Voorzienigheid beter voor mij te zorgen, en binnen ééne maand na zijn dood, was ik gehuwd met een dominé, die mij al lang bemind had, en die om die reden zeer slecht behandeld was geworden door mijn vader;—want hoewel de arme man ons geen van allen een duit mede geven kon, bragt hij ons even weelderig groot, en beschouwde ons,—en wilde dat wij ons ook beschouwden,—als rijke erfgenamen.—Maar mijn beste man vergat deze slechte behandeling en zoodra wij ouderloos waren, hernieuwde hij zijn aanzoek met zooveel vuur, dat ik, die altijd van hem gehouden had, en hem thans meer dan ooit hoogachtte, weldra bezweek. Ik leefde vijf jaren volmaakt gelukkig, met dien besten man,—toen eindelijk—o wreed, wreed lot, dat mij van den liefderijksten echtgenoot en mijne arme meisjes van den besten vader beroofde!—O mijne arme meisjes, die nooit den zegen hebt gekend, welken gij missen moest!—Ik schaam mij over deze vrouwelijke weekheid, mijnheer Jones;—maar ik kan hem nooit zonder tranen noemen!”

„Ik moest mij eerder schamen,” zei Jones, „dat mijne tranen niet met de uwen vloeijen.”

„Nu, mijnheer,” hervatte zij: „ik was thans ten tweeden male in een veel ergeren toestand dan de eerste keer;—behalve de smart, die ik overwinnen moest, had ik nu twee kinderen te verzorgen, en zoo mogelijk, was ik nog armer dan vroeger, toen die groote, goede, heerlijke mijnheer Allworthy, die eenigzins bekend was met mijn echtgenoot, toevallig van mijn ongeluk hoorde en mij dadelijk dezen brief zond.—Zie hier, mijnheer, ik heb hem op zak gestoken, om hem u te doen lezen. Daar is de brief, mijnheer: ik zal, ik moet hem u voorlezen.”

Mejufvrouw!

Met u betreur ik uw pas geleden onherstelbaar verlies, hetwelk uw eigen gezond verstand en de uitnemende lessen, welke gij van den waardigsten der mannen zeker ontvangen hebt, u beter zullen helpen dragen dan eenige raad, welken ik u geven kan. Ik twijfel ook niet of gij, die, naar ik verneem, de teederste moeder zijt, zult perken weten te stellen aan uwe droefheid, zoodat ze u niet ongeschikt maakt om uw pligt waar te nemen ten opzigte van de arme kleinen, die nu alleen behoefte gevoelen aan uwe liefde.

„Daar men echter veronderstellen moet, dat gij op dit oogenblik ongeschikt zijt voor vele wereldsche berekeningen, zult gij het mij ten goede willen houden, dat ik iemand belast heb u de som van twintig guinjes uit te betalen voor mij, welke ik u smeek te willen aannemen tot ik het genoegen heb van u te zien, terwijl ik blijf, enz.

„Dezen brief ontving ik, mijnheer, nog geen veertien dagen na het onherstelbaar verlies dat ik geleden had,—en nog geen veertien dagen later, kwam de heer Allworthy,—die voortreffelijke heer Allworthy, mij een bezoek brengen, vestigde mij in dit huis, gaf me eene zware som gelds om het te meubeleren, en verzekerde me daarenboven een jaarlijksch inkomen van vijftig pond, dat ik sedert dien tijd onafgebroken ontvangen heb. Oordeel dus, mijnheer Jones, hoeveel eerbied ik koesteren moet voor een weldoener, wien ik het behoud van mijn eigen leven en van die lieve kinderen, om welker wil alleen het leven voor mij eenige waarde heeft, te danken heb.—Geloof dus niet dat het ongepaste vrijmoedigheid van mij is,—daar ik achting koesteren moet voor iemand, die, zoo als mij bekend is, zoo zeer bemind wordt door den heer Allworthy,—als ik u smeek niet meer om te gaan met die slechte vrouwen! Gij zijt nog jong en kent de helft harer listige streken niet! Wees ook niet boos op mij, mijnheer, wegens hetgeen ik u zeide over den goeden naam van mijn huis;—gij moet gevoelen, dat het verlies daarvan het ongeluk zou wezen van mijne arme meisjes. Bovendien, mijnheer, moet het u bekend zijn, dat de heer Allworthy het mij nooit vergeven zou, als hij vernam, dat ik zoo iets oogluikend toeliet,—vooral met u!”

„Op mijn woord, jufvrouw,” zei Jones, „gij behoeft u niet verder te verontschuldigen; en ik neem u ook al wat gij gezegd hebt, in het minst niet kwalijk; maar veroorloof mij,—daar niemand den heer Allworthy hooger achten kan dan ik,—om u eene dwaling te benemen, welke hem welligt niet tot eer zou strekken;—ik verzeker u dat ik volstrekt geen bloedverwant van hem ben!”

„Helaas, mijnheer, dat weet ik best!” hernam zij. „Ik weet ook zeer goed wie gij zijt; want mijnheer Allworthy heeft me zelf alles verteld;—maar ik verzeker u, al waart gij twintig maal zijn zoon geweest, had hij geene meerdere liefde voor u kunnen uiten, dan hij aan mij gedaan heeft. Gij behoeft u volstrekt niet te schamen, mijnheer, over wat gij zijt;—ik verzeker u dat geen goed mensch ter wereld u minder daarom achten zal. Neen, mijnheer Jones, de woorden „van oneerlijke geboorte” zijn onzin, zoo als mijn beste goede man plagt te zeggen,—tenzij het woord „oneerlijk” toegepast worde op de ouders; want de kinderen kunnen geene schande dragen van eene daad, waaraan zij geheel onschuldig zijn.”

Hier zuchtte Jones zwaar, en zeide:

„Daar ik zie, jufvrouw, dat gij mij wezenlijk kent, en de heer Allworthy goed gevonden heeft mij aan u te noemen, en daar gij ook zoo openhartig met mij geweest zijt omtrent uwe eigene zaken, zal ik u ook bekend maken met eenige omstandigheden, welke mij betreffen.”

Dewijl nu jufvrouw Miller het grootste verlangen en de meeste nieuwsgierigheid toonde om hem te hooren, begon hij dadelijk en vertelde haar zijne geheele geschiedenis, zonder echter eenige melding te maken van Sophia’s naam.

Er bestaat eene soort van sympathie onder eerlijke zielen, waardoor zij er ligt toe komen om elkaar vertrouwen te schenken. Jufvrouw Miller geloofde dan ook alles wat Jones haar mededeelde, en toonde veel medelijden en deelneming met zijn lot. Zij was al begonnen met over zijn verhaal uit te weiden; maar werd in de rede gevallen door Jones; want daar het uur der komst van Lady Bellaston nu naderde, begon hij te onderhandelen over eene tweede zamenkomst met die dame op zijne kamer, belovende dat deze de laatste zou wezen in dat huis; terwijl hij zwoer dat het iemand van hoogen stand was, en dat er niets gebeuren zou dat niet geheel onschuldig was;—en ik geloof ook vast dat hij voornemens was, om woord te houden.

Eindelijk haalde hij jufvrouw Miller over, en Jones ging naar zijne kamer, waar hij tot middernacht bleef wachten, zonder dat Lady Bellaston verscheen.

Daar wij vermeld hebben, dat die dame eene vurige liefde tot Jones koesterde,—wat werkelijk gebleken is het geval te wezen, zal de lezer welligt verwonderd zijn, dat zij thans geen woord hield, op het oogenblik dat zij hem door ziekte in huis gebonden waande,—eene gelegenheid waarbij dergelijke vriendschappelijke bezoeken vooral vereischt worden. Sommigen zullen dus welligt het gedrag der dame als onnatuurlijk afkeuren;—maar dat is onze schuld niet;—want het is alleen onze taak om de waarheid op te teekenen.

HOOFDSTUK VI.

EEN TOONEEL BEVATTENDE, DAT, ZONDER TWIJFEL DEN LEZER ZEER TREFFEN ZAL.

De heer Jones deed geen oog digt in de eerste uren van den nacht,—wat niet toe te schrijven was aan eenig verdriet over de teleurstelling, welke Lady Bellaston hem berokkend had;—noch was Sophia zelve (hoewel zij de meeste zijner slapelooze uren op hare rekening had) thans de oorzaak van zijne rusteloosheid. Het ware van de zaak was, dat de arme Jones een der goedaardigste menschen ter wereld was, en dat hij gebukt ging onder die zwakheid, welke men medelijden noemt, en die den mensch zoo zeer vernedert in vergelijking van hen die het geluk hebben van die edelmoedige standvastigheid te bezitten, welke den mensch, als het ware, in zich zelven oprolt, en hem ongevoelig maakt voor de rampen van anderen. Hij kon dus niet nalaten om medelijden te gevoelen met de arme Nancy, wier liefde tot den heer Nightingale hem zoo duidelijk zigtbaar scheen, dat hij verbaasd stond over de verblinding harer moeder, die den vorigen avond, meer dan eens gesproken had over de groote verandering in hare dochter, „die,” zoo als zij zeide, „vroeger een der levendigste, vrolijkste meisjes ter wereld was, en thans op eens diep neerslagtig en droefgeestig scheen geworden te zijn.”

De slaap echter overwon eindelijk alle bezwaren, en scheen als ware hij werkelijk eene godheid geweest, zoo als de ouden zich verbeeldden,—en nog wel eene vertoornde, van zijne duurgekochte overwinning gebruik te willen maken. Om duidelijker te spreken, en zonder eenige beeldspraak,—de heer Jones sliep tot den volgenden morgen elf uur, en zou welligt nog een tijdlang de rust genoten hebben, als hij niet door een hevig rumoer in huis gewekt ware geworden.

Hij riep Partridge, vroeg wat er te doen was en vernam „dat er beneden in huis een vreeselijk onweer losgebarsten was; dat jufvrouw Nancy het op de zenuwen had, en dat de andere zuster en de moeder, beiden, over haar stonden te jammeren en te klagen.”

Jones drukte veel ontsteltenis uit over deze tijding, welke Partridge trachtte te verligten, door met een glimlach te zeggen, „dat hij niet geloofde dat de jonge dame in doodsgevaar verkeerde; want dat Suze, de meid, hem had doen verstaan, dat het niets buitengewoons was; met één woord,” zeide hij, „jufvrouw Nancy heeft lust gekregen om even wijs te worden als hare moeder ’t is; anders niets! Het schijnt dat zij wat gulzig geweest is, en aan tafel is gegaan zonder te bidden;—en dus wacht men een kindje voor het Vondelingen-Huis.”

„Ik verzoek u uit te scheiden met dergelijke laffe aardigheden!” riep Jones. „Durft gij te spotten met de ellende dezer arme menschen? Ga dadelijk naar jufvrouw Miller, en zeg haar, dat ik verlof vraag neen, blijf hier! Gij zoudt de eene of andere domheid begaan;—ik zal zelf gaan; zij vroeg me gisteren avond om heden morgen bij haar te komen ontbijten.”

Hij stond dus op, kleedde zich aan, zoo vlug mogelijk, en terwijl hij bezig was, kon Partridge zich niet onthouden, in weerwil van vele strenge verwijten, om zekere grofheden, die gewoonlijk aardigheden genoemd worden, over deze zaak te uiten. Zoodra Jones klaar was, ging hij naar beneden, tikte aan de deur en werd dadelijk door de meid in de voorkamer gelaten, welke even weinig menschen als toebereidselen voor het ontbijt bevatte. Jufvrouw Miller was in de binnenkamer met hare dochter, van waar de meid spoedig den heer Jones de boodschap bragt, „dat de jufvrouw hoopte, dat hij haar de teleurstelling te goed zoude houden, maar dat er een ongeluk gebeurd was, waardoor het haar onmogelijk was om het genoegen te hebben hem dien morgen aan ’t ontbijt te zien, en dat hij het haar vergeven moest, dat zij verzuimd had hem vroeger daarvan te verwittigen.”

Jones verzocht dat zij zich volstrekt niet om hem bekommeren zoude,—dat het hem alleen speet, dat zij zulk eene treurige aanleiding had om hem niet te ontvangen; en dat hij in alles, waartoe hij bij magte was, tot hare dienst stond.

Hij had dit naauwelijks gezegd toen jufvrouw Miller, die alles had kunnen hooren, plotseling de deur open wierp en hem met een stortvloed van tranen naderende, uitriep:

„O, mijnheer Jones, gij zijt zeker een der beste menschen ter wereld! Duizendmaal dank voor uwe aangebodene diensten; maar, helaas, mijnheer, het staat niet aan u, om mijn arm meisje te redden! O mijn kind! Mijn kind! Zij is te gronde gerigt, zij is voor altijd verloren!”

„Ik hoop toch jufvrouw,” zeide Jones, „dat geen eerlooze schelm—”

„O, mijnheer Jones!” riep zij uit, „de ellendeling, die gisteren mijn huis verliet, heeft mijn arm meisje verraden en haar geheel ongelukkig gemaakt.—Ik weet dat gij een man van eer zijt! Gij hebt een edel en goed hart, mijnheer Jones! Al wat ik zelve van u gezien heb, bewijst dat! Ik zal u alles vertellen;—en het is ook onmogelijk, na hetgeen gebeurd is, om het geheim te houden. Die Nightingale, die ongevoelige booswicht, heeft mijne dochter,—o, mijnheer Jones,—zij—zij—moet moeder worden,—door hem,—en in dien toestand heeft hij haar verlaten! Hier, mijnheer, lees zijn wreedaardigen brief! Lees hem mijnheer Jones, en zeg me of er een grooter monster dan hij ter wereld bestaat!”

De brief luidde als volgt:

„Liefste Nancy!

„Daar het mij onmogelijk was u mondeling datgene mede te deelen, wat, naar ik vrees, u niet minder dan mij grieven zal, heb ik mijne toevlugt moeten nemen tot dit middel, om u te doen weten, dat mijn vader er op staat, dat ik onmiddellijk aanzoek zal doen om de hand van eene rijke jonge dame, die hij uitgezocht heeft voor mijne—ik kan het gehate woord niet schrijven!

„Uw eigen gezond verstand zal u doen beseffen, hoe alleen de dwang mij tot eene gehoorzaamheid noodzaakt, welke mij voor altijd uit uwe schoone armen rukt. De toegenegenheid uwer moeder zal u aanmoedigen om haar de ongelukkige gevolgen onzer liefde toe te vertrouwen, welke gemakkelijk voor de wereld een geheim kunnen blijven,—en voor welke, even als voor u, ik ruimschoots zorgen zal.

„Ik hoop dat gij door dit alles minder zult lijden dan ik;—roep uw geheelen moed op, om u bij te staan en vergeet en vergeef den man, dien niets dan de onvermijdelijke ondergang had kunnen dwingen om dezen brief op te stellen. Ik smeek u mij alleen als minnaar te vergeten;—want den besten uwer vrienden zult gij altijd vinden in,

Uw getrouwen, ongelukkigen J. N.”

Toen Jones dezen brief uitgelezen had, bleven beide elkaar een oogenblik zwijgend aanzien;—eindelijk echter zeide hij:

„Ik kan geene woorden vinden, jufvrouw, om uit te drukken, hoe zeer ik getroffen ben door hetgeen ik hier gelezen heb;—maar laat ik u toch raden in één opzigt, den wenk van den schrijver te volgen:—vergeet niet den goeden naam uwer dochter!”