Tom Jones

Part 66

Chapter 664,127 wordsPublic domain

„Ik ben nooit van mijn leven meer verbaasd geweest, dan toen ik ontdekte dat gij weggegaan waart. Toen gij de kamer verliet, verbeeldde ik me volstrekt niet, dat gij het huis ook zoudt verlaten zonder mij gezien te hebben. Uw gedrag is zeer consequent en leert me hoezeer ik een hart minachten moest, dat dweept met een onnoozel meisje;—schoon ik haast niet weet wat ik meer bewonderen moet,—hare sluwheid of hare eenvoudigheid:—beiden zijn verbazend! Want hoewel zij geen woord begreep van hetgeen tusschen ons voorviel, heeft zij toch de handigheid, de onbeschaamdheid,—de—hoe zal ik het noemen?—om mij in het aangezigt vol te houden, dat zij u noch kent, noch ooit van te voren gezien heeft!

„Was dit een reeds tusschen u beraamd plan? Hebt gij de laagheid gehad om mij te verraden?—O, wat veracht ik haar, u en de geheele wereld,—maar voornamelijk mijzelve, die,—maar ik durf datgene niet opschrijven, wat mij tot waanzin zou brengen, als ik het herlas! Vergeet echter niet dat ik even bitter haten als teeder beminnen kan!”

Jones had slechts weinig tijd gehad om over dezen brief na te denken, toen hem een tweede gebragt werd, van dezelfde hand, en dezen geven wij ook woordelijk:

„Als ge u de ontroering voorstelt, waarin ik u schreef, zult gij u niet verwonderen over eenige uitdrukkingen in mijn laatste briefje.—Bij nader inzien, kan het zijn, dat ze wat al te driftig waren.—Ik wilde ten minste, zoo mogelijk, alles toeschrijven aan die akelige komedie en aan de lastigheid van een gek, die me langer van huis hield, dan ik gedacht had. Hoe gemakkelijk valt het niet, wèl te denken van hen die wij beminnen!—Misschien verlangt gij dat ik zóó over u denken zou? Ik heb besloten u heden nacht nog te zien.—Kom dus dadelijk bij mij!

„P.S. Ik heb voor niemand anders te huis gegeven dan voor u.

„P.S. De heer Jones mag er op rekenen dat ik hem in zijne verdediging bijstaan zal; want ik geloof niet dat hij meer verlangend kan wezen om mij te bedriegen, dan ik om bedrogen te worden.

„P.S. Kom onmiddellijk!”

Mannen, die aan intrigues gewoon zijn, mogen beslissen of de toornige of de teedere brief Jones het meest verontrustte. Zeker is het, dat hij geene hevige neiging gevoelde om dien avond eenig bezoek af te leggen, tenzij bij ééne persoon. Evenwel, beschouwde hij zich als door zijn eer verpligt, en al ware dit geen voldoende beweegreden geweest, zou hij het niet gewaagd hebben, Lady Bellaston tot die drift aan te hitsen, waartoe hij haar in staat achtte, en welker gevolg, naar hij vreesde, eene ontdekking zou wezen aan Sophia, welke hij boven alles ter wereld duchtte. Na eenige malen dus knorrig in de kamer heen en weer geloopen te zijn, maakte hij zich juist gereed om te vertrekken, toen de dame hem vriendelijk voorkwam,—niet door een derden brief,—maar door zelve bij hem te verschijnen. Zij trad in een zeer ontredderd toilet, en met groote ontroering in hare blikken, in de kamer, wierp zich op een stoel, en tot adem gekomen zijnde, zeide zij:

„Zoo als ge ziet, mijnheer,—als eene vrouw eens te ver gegaan is, weet zij van geen ophouden. Als mij iemand met de meeste zekerheid, eene week geleden voorspeld had, dat ik hier zou zijn, zou ik hem niet hebben willen gelooven!”

„Ik hoop,” hernam Jones, „dat de bekoorlijke Lady Bellaston het even moeijelijk zal vinden om iets te gelooven, ten nadeele van iemand, die zoo gevoelig is voor de vele verpligtingen van haar, onder welke hij gebukt gaat.”

„Zoo!” riep zij: „„Gevoelig voor verpligtingen!” Zulke koele taal verwachtte ik niet van den heer Jones!”

„Vergeef me, lieve engel,” zeide hij, „als na uwe brieven, de schrik voor uwen toorn, hoewel het me onbekend is hoe ik me dien op den hals gehaald heb—”

„Heb ik dan,” vroeg zij met een glimlach, „zulk een vertoornd gelaat?—Zie ik er wezenlijk zóó boos uit?”

„Zoo waar ik eerlijk man ben,” hernam hij, „heb ik niets gedaan om uwen toorn te verdienen. Gij herinnert u onze afspraak?—Dientengevolge ging ik bij u;—”

„Wat ik u bidden mag,” antwoordde zij, „spaar mij de hatelijke herhaling! Antwoord me slechts op ééne vraag, en ik zal geheel gerust gesteld wezen.—Hebt gij mijne eer aan haar niet prijs gegeven?”

Jones viel voor haar op de knieën en begon met de driftigste verklaringen, toen Partridge springende en dansende als een van vreugde dronken mensch in de kamer stoof, uitroepende: „Zij is gevonden! Zij is gevonden!—Hier, mijnheer! hier!—Jufvrouw Honour komt de trap op!”

„Houd haar een oogenblik tegen!” beval Jones.—

„Hier, mevrouw, verberg u achter het bed;—ik heb geene andere kamer of kast, of plaats ter wereld, waar ik u verbergen kan! Zóó’n verwenscht ongeluk—”

„Ja, verwenscht inderdaad!” riep de dame, zich op de aangewezene wijze verbergende, op het oogenblik dat jufvrouw Honour in de kamer trad.

„Kom aan, mijnheer Jones!” riep deze; „wat is hier te doen?—Die onbeschofte vlegel, uw knecht, wilde me naauwelijks de trap op laten komen. Ik hoop niet om dezelfde reden waarom hij me niet bij u toelaten wilde te Upton?—Ge zult wel naauwelijks verwacht hebben mij hier te zien;—maar ge hebt zeker de jufvrouw behekst! Het arme, lieve kind! Werkelijk, ik houd van haar als van eene zuster! De hemel zij u genadig, als gij geen goed man voor haar wordt,—ja, als gij dat niet wordt, weet ik niet wat gij verdient!”

Jones smeekte haar slechts te fluisteren, „omdat er eene dame op de kamer daarnaast op sterven lag.”

„Eene dame!” riep zij; „ja wel! Het zal wel eene rare dame zijn! O mijnheer Jones, er zijn maar al te veel van die dames in de wereld! Ik vrees dat wij in het huis van eene er van geraakt zijn;—want ik weet zeker, dat die Lady Bellaston ook niet veel deugt!”

„Stil, stil!” smeekte Jones; „men kan alles hier naast hooren!”

„Daar geef ik geen duit om,” hernam Honour. „Ik spreek kwaad van geen mensch ter wereld;—maar hare eigene dienstboden ontzien zich volstrekt niet te vertellen dat Milady de heeren gaat ontmoeten in een vreemd huis, dat in naam bewoond is door eene behoeftige dame;—maar Milady betaalt de huur, en het wijf krijgt nog bovendien allerlei van haar!”

Jones, die de meeste ongerustheid liet blijken, wilde toen zijne hand op hare lippen leggen.

„Wel ja, mijnheer Jones! Mag ik dan den mond niet open doen? Kwaad spreken doe ik niet;—ik herhaal slechts wat ik van anderen gehoord heb;—en ik denk wel eens bij mij zelve, die arme dame zal niet veel aan de voordeelen hebben, die zij op zulk eene slechte wijze magtig wordt! Neen! ’t is beter arm en eerlijk te blijven!”

„De bedienden zijn schurken en beschuldigen hunne dame onregtvaardig!” zei Jones.

„O ja, de dienstboden zijn altijd schelmen,—dat zegt mijne meesteresse ook en wil er geen woord van hooren!”

„Ja,” zei Jones, „ik ben ook overtuigd dat mijne Sophia er ver boven verheven is naar zulke vuige lastertaal te luisteren!”

„Maar laster is het toch niet, naar ik meen,” hernam Honour: „want waarom zou zij heeren gaan ontmoeten in een vreemd huis?—Dat is zeker met geen goed doel;—want, als zij het voornemen koesterde om zich op eene wettige wijze het hof te laten maken,—en het staat aan iedere ongehuwde vrouw vrij, om zich om die reden met de mannen op te houden,—waar zou het toch ter wereld toe dienen om—”

„Ik verklaar,” zei Jones, „dat ik dit niet aanhooren kan van eene deugdzame dame, die eene verwante van Sophia is;—bovendien zult gij de arme zieke hier naast dol maken!—Laat ik u bidden:—ga met mij naar beneden!”

„Neen, mijnheer! Als gij mij niet aan ’t woord wilt laten komen, schei ik er uit! Daar, mijnheer! Daar hebt gij een brief van mijne meesteresse;—hoeveel zouden niet sommige mannen geven, om zoo iets te krijgen! Maar, gij, mijnheer Jones, ik geloof niet dat gij bijzonder mild zijt,—en toch heb ik sommige dienstboden hooren zeggen;—maar, wat mij betreft, gij zult zeker mij het regt laten wedervaren van te bekennen, dat ik nooit een duit van u gekregen heb!”

Jones greep nu haastig den brief, en drukte haar vijf goudstukken in de hand. Daarop bedankte hij zijne dierbare Sophia duizend maal,—fluisterende,—en smeekte Honour om hem alleen te laten om den brief te lezen, waarop de kamenier dan ook spoedig vertrok, echter niet zonder vooraf hare gevoeligheid over zijne groote mildheid uitgedrukt te hebben.

Lady Bellaston trad nu van achter de gordijnen te voorschijn. Hoe zal ik hare woede beschrijven? Zij kon in ’t begin geen woord er uitkrijgen; maar bliksemstralen schoten uit hare oogen,—en niet zonder reden; want haar hart vlamde. En thans, zoodra zij hare stem meester was, in plaats van eenige verontwaardiging uit te drukken over Honour of hare eigene dienstboden, begon zij met een aanval op den armen Jones:

„Gij ziet,” zeide zij, „wat ik aan u opgeofferd heb: mijn goeden naam, mijne eer—reddeloos verloren! En hoe wordt mij dat vergolden? Ik word verwaarloosd, bespot, om een boerendeern,—om een onnoozel wicht—”

„Hoe heb ik u verzuimd, of bespot, mevrouw?” riep Jones; „waaraan heb ik me schuldig gemaakt?”

„Het veinzen is te vergeefs, mijnheer Jones,” hernam zij; „als gij mij werkelijk gerust stellen wilt, moet gij haar geheel opgeven en tot bewijs uwer opregtheid mij haren brief toonen.”

„Welken brief, mevrouw?” vroeg Jones.

„Wel!” riep zij; „gij zult toch niet de onbeschaamdheid hebben te loochenen dat gij door de meid die hier was, een brief hebt ontvangen?”

„En zoudt gij, Milady,” riep hij, „iets van me vergen, dat ik niet zonder oneer zou kunnen toestaan? Heb ik ten uwen opzigte zóó gehandeld? Zou ik er toe besluiten kunnen om dit arm, onschuldig meisje aan u op te offeren, zonder dat gij mij verdacht hieldt van even verraderlijk ten uwen opzigte te zullen handelen? Ik ben zeker, dat slechts weinig nadenken u overtuigen zal dat een man, voor wien de geheimen eener vrouw niet heilig zijn, het verachtelijkste wezen ter wereld moet zijn!”

„Best!” hernam zij; „ik behoef er niet op te staan, dat gij in uwe eigene oogen zulk een verachtelijk wezen zoudt worden; want de inhoud van den brief zou me toch niets kunnen leeren, dat ik nu niet al weet. Ik begrijp best op welken voet gijlieden met elkaar zijt!”

Hierop volgde een lang onderhoud, dat de niet al te nieuwsgierige lezer mij dank zal weten hier niet te herhalen. Genoeg, als ik hem vertel dat Lady Bellaston langzamerhand bedaarde en eindelijk geloofde, of veinsde te gelooven, zijne verzekeringen dat de ontmoeting met Sophia dien avond geheel toevallig was geweest,—even als alle andere omstandigheden, welke den lezer reeds bekend zijn, en die Jones haar in het helderste licht voorstelde, om haar te bewijzen,—wat zeer duidelijk was,—dat zij werkelijk geen regt had om op hem vertoornd te zijn.

In haar hart echter was zij niet geheel voldaan over zijne weigering om haar den brief te toonen,—zoo doof blijven wij voor de meest gezonde rede, als die in strijd is met onze overheerschende hartstogten. Zij gevoelde zich inderdaad overtuigd dat Sophia de eerste plaats bekleedde in het hart van Jones,—en toch, hoe hoogmoedig en verliefd van aard deze dame ook was, onderwierp zij zich er aan om de tweede plaats in te nemen,—of, om eene regtsgeleerde uitdrukking te bezigen: zij vergenoegde zich met het vruchtgebruik van het eigendom van eene andere.

Eindelijk kwam men overeen, dat Jones in het vervolg haar huis bezoeken zoude; want dat Sophia, hare kamenier en al de dienstboden, deze bezoeken op rekening van Sophia zouden schrijven,—en dat men het daarvoor houden zou dat Lady Bellaston zelve de bedrogene was.

Dit plan werd door de dame zelve bedacht, en ten hoogste goedgekeurd door Jones, die inderdaad, zeer verheugd was om, op welke wijze dan ook, bij zijne Sophia te worden toegelaten, en de dame zelve was niet weinig in haar schik met de foppaadje van Sophia, welke Jones (naar zij zich overtuigd hield), om zijn eigen wil voor haar verbergen moest.

De volgende dag werd voor het eerste bezoek bepaald, en na de behoorlijke pligtplegingen keerde Lady Bellaston huiswaarts.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE ALLERLEI.

Zoodra Jones zich alleen bevond, brak hij driftig den brief open en las als volgt:

„Mijnheer. Het is onmogelijk voor mij om u te zeggen al wat ik geleden heb sedert gij dit huis verlaten hebt; en daar ik reden heb te gelooven, dat gij voornemens zijt om weer te komen, heb ik Honour gezonden, (die me zegt uwe woning te kennen), zelfs op dit late uur,—om u dat te beletten. Ik eisch van u, om den wille der achting welke gij voor mij koestert, om er niet aan te denken, hier als bezoeker te verschijnen;—want alles zou zeker ontdekt worden;—ja, ik vrees haast, uit enkele gezegden, welke Milady zich heeft laten ontvallen, dat zij reeds eenige verdenkingen koestert.—Welligt zullen de zaken een gunstiger keer nemen;—wij moeten het met geduld afwachten; maar ik smeek u nogmaals, als gij iets overhebt voor mijne zielerust om er niet aan te denken hier weder in huis te komen.”

Deze brief verschafte ongeveer denzelfden troost aan Jones als die, welken Job vroeger van zijne vrienden ontving. Behalve de teleurstelling van de hoop om Sophia te zien, verkeerde hij in eene zeer lastige positie tegenover Lady Bellaston; want er zijn zekere verpligtingen, welker verzuim, zoo als hij wel wist, geene verontschuldiging gedoogen;—en geene magt ter wereld zou hem toch dwingen, na het strenge verbod van Sophia,—om daar aan huis te gaan. Eindelijk, na veel getob, waardoor de slaap dien nacht vervangen werd, besloot hij te veinzen ziek te zijn;—want dit was het eenige middel, dat hij bedenken kon om het beloofde bezoek uit te stellen, zonder Lady Bellaston te krenken, wat hij meer dan ééne reden had, om niet te willen doen.

Het eerste echter wat hij den volgenden morgen deed, was een antwoord te zenden aan Sophia, ingesloten in een brief aan Honour. Daarop schreef hij aan Lady Bellaston, zich op bovengemelde wijze verontschuldigende, en ontving spoedig van haar onderstaand antwoord:

„Het spijt me u heden namiddag hier niet te zullen zien;—vooral om de reden. Wees zeer voorzigtig met uwe gezondheid; laat de beste geneeskundige hulp inroepen, en ik hoop dat gij alle gevaar voorkomen zult.—Ik word heden morgen door zoo vele lastige menschen geplaagd, dat ik naauwelijks één oogenblik kan vinden om u een enkel woord te schrijven.

„P.S. Ik zal trachten heden avond bij u te komen, om negen uur.—Zorg zeker alleen te zijn!”

De heer Jones ontving nu een bezoek van jufvrouw Miller, die, na eene deftige inleiding, hem aldus toesprak:

„Het spijt me zeer, mijnheer, u om eene dergelijke reden lastig te moeten vallen; maar ik hoop dat gij bedenken zult, welke kwade gevolgen het hebben zou voor mijne arme meisjes, als het eens zoo ver kwam dat mijn huis een slechten naam kreeg. Ik hoop dus, dat gij het niet onbescheiden van mij achten zult, als ik u beleefdelijk verzoek geene dames meer zoo laat ’s avonds bij u te zien. De klok had al twee geslagen, toen de laatste er van weder weg ging.”

„Ik verzeker u, jufvrouw,” zei Jones, „dat de dame die het langste hier bleef (de andere bragt me slechts een brief), eene hoogst fatsoenlijke dame, eene mijner naaste aanverwanten is.”

„Van haar fatsoen weet ik niets af,” hernam jufvrouw Miller, „maar ik ben toch overtuigd, dat geene dame, tenzij eene der allernaaste bloedverwanten, om tien uur ’s avonds een bezoek zou brengen bij een jongen heer, en vier uren lang alleen bij hem op de kamer blijven. Bovendien, mijnheer, bewijst de houding van de stoeldragers wat zij eigenlijk was; want zij deden niets den geheelen avond dan gekheden praten onder de poort, en vroegen den heer Partridge, in het bijzijn van mijne eigene meid, of mevrouw van plan was den geheelen nacht bij mijnheer te blijven;—met veel andere leelijke dingen, die ik niet herhalen zal. Ik koester werkelijk, mijnheer Jones, de meeste achting voor u, om uw eigen wil;—ja, ik heb zelfs groote verpligtingen jegens u, wegens uwe mildheid ten opzigte van mijn neef. Wezenlijk, het is pas onlangs dat ik vernomen heb, hoe uitstekend goed gij voor hem geweest zijt. Ik had slechts eene flaauwe voorstelling van de verschrikkelijke uitersten waartoe de nood den armen man gedreven had. Ik dacht volstrekt niet, toen gij mij de tien guinjes gaaft, dat gij ze aan een straatroover geschonken hadt! Mijn hemel! Wat zijt ge goed geweest! Gij hebt wel dat ongelukkig huisgezin gered!—Ja! De heer Allworthy heeft me vroeger uw karakter goed geschilderd!—En werkelijk, al ware ik u zelve niets verpligt, ik zou u om zijnentwil met de meeste achting behandelen!—Ja, geloof me, waarde mijnheer, al was er geene sprake van den goeden naam van mij en van mijne dochters, zou het me toch spijten dat zulk een best jong mensch zich met dergelijke vrouwen ophield;—en als gij vast besloten hebt zoo voort te gaan, dan moet ik u verzoeken naar eene andere woning om te zien; want ik houd er niet van dat dergelijke dingen onder mijn dak gebeuren;—vooral om den wille mijner meisjes, die, dat weet de hemel, weinig meer hebben dan haar goeden naam om haar door de wereld te helpen.”

Jones was verschrikt en verbleekte bij de vermelding van den naam van Allworthy.

„Wezenlijk, jufvrouw Miller,” hernam hij eenigzins driftig, „ik neem dit niet best van u op. Ik zal nooit eenige schande onder uw dak brengen; maar ik sta op het regt, om welk gezelschap ik verkies op mijne kamer te ontvangen, en als gij u daardoor beleedigd acht, zal ik, zoodra ik in staat daartoe ben, eene andere woning zoeken.”

„Het spijt me zeer, mijnheer, dat wij scheiden moeten,” hernam zij; „maar ik ben overtuigd, dat de heer Allworthy zelf nooit een voet over den drempel zou zetten, als hij eens vermoedde dat mijn huis in een kwaden reuk stond.”

„Best, best, jufvrouw!” riep Jones.

„Ik hoop toch, mijnheer, dat gij niet boos op mij zijt,” hervatte zij; „want om alles ter wereld zou ik geen lid van de familie van den heer Allworthy willen beleedigen.—Deze zaak heeft me al een slapeloozen nacht gekost.—”

„Het spijt me zeer uwe nachtrust gestoord te hebben, jufvrouw,” zei Jones; „maar ik moet u verzoeken Partridge dadelijk naar boven te zenden.”

Zij beloofde dit te doen en vertrok na eene diepe neiging.

Zoodra Partridge boven kwam, viel hem Jones met de meeste drift en hevigheid aan.

„Hoe dikwerf,” riep hij uit, „moet ik door uwe dwaasheid (of eerder door de mijne, dat ik u bij me houd) lijden? Hebt gij besloten mij door uw gewawel te gronde te rigten?”

„Wat heb ik nu begaan?” vroeg de verschrikte Partridge.

„Wie gaf u het regt om iets van die aanranding op den straatweg te vertellen, en te zeggen dat de man, dien gij hier ontmoet hebt, daarin betrokken was?”

„Zou ik dat gedaan hebben, mijnheer?” vroeg Partridge.

„Maak u niet aan een leugen schuldig door het te ontkennen!” riep Jones.

„Nu, mijnheer, als ik iets van dien aard gezegd heb,” zei Partridge, „weet ik zeker dat ik er geen kwaad meê bedoelde; want ik heb er geen woord van over mijne lippen laten komen, tenzij tot zijne eigene vrienden en betrekkingen, die, naar ik meende, wel daarvan zouden weten te zwijgen.”

„Maar ik heb eene nog veel ernstiger beschuldiging tegen u,” vervolgde Jones. „Hoe waagdet gij het na al de waarschuwingen, welke ik u gegeven heb, den naam van mijnheer Allworthy hier te noemen?”

Partridge ontkende met vele eeden dat ooit gedaan te hebben.

„En hoe anders dan,” vroeg Jones, „zou jufvrouw Miller weten dat hij in eenige betrekking tot mij stond? Slechts een oogenblik geleden vertelde zij mij, dat het zijnentwege was dat zij mij zoo hoogachtte,—”

„Mijn hemel, mijnheer!” riep Partridge, „ik verlangde maar aan het woord te komen, dan zoudt gij gehoord hebben, hoe verkeerd gij mij beschuldigt;—hoor maar, of er ooit iets ongelukkiger had kunnen zijn! Toen jufvrouw Honour gisteren avond naar beneden kwam, ontmoette zij mij in den gang, en vroeg me wanneer mijnheer het laatst van mijnheer Allworthy gehoord had, en jufvrouw Miller hoorde haar dat zeggen, en zoodra jufvrouw Honour weg was, riep zij mij bij zich op de kamer. „Mijnheer Partridge,” zeide zij, „wie is die mijnheer Allworthy, van wien het meisje sprak? Is het de groote mijnheer Allworthy uit Somersetshire?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik, „daar weet ik niets van.” „Wel,” zeide zij: „zou uw meester de mijnheer Jones zijn, van wien ik mijnheer Allworthy zoo dikwerf heb hooren spreken?” „Op mijn woord, jufvrouw,” zei ik weer, „daar weet ik niets van!” „Nu dan,” hervatte zij, zich tot hare dochter Nancy wendende, „zoo waar ik leef, is dit zeker de jonge heer; want hij is juist zoo als mijnheer hem beschreef!”—De hemel weet wie haar dat verteld heeft; maar houd mij voor den grootsten schurk ter wereld, als ik het verklapte!—Neen, mijnheer! Ik verzeker u dat ik een geheim kan bewaren, als het noodig is!—Ja, mijnheer,—verre van haar iets van mijnheer Allworthy te vertellen, verzekerde ik haar juist het tegendeel; want ofschoon ik haar op dat oogenblik niet tegensprak, na rijp overleg, wat altijd goed is, naar men zegt, daar ik begreep dat iemand haar dat verteld moest hebben, dacht ik bij mij zelven, dat ik een einde aan hare praatjes zou maken;—dus ging ik wat later in de kamer terug en ik zei, „op mijn woord, zei ik, wie u ook verteld heeft, zei ik, dat mijn mijnheer mijnheer Jones is, zei ik, dat is, dat deze mijnheer Jones de andere mijnheer Jones was, zei ik, is een vervloekte leugenaar geweest, zei ik; en ik verzoek u; zei ik, om nooit van uw leven zoo iets weer te zeggen: want mijnheer, zei ik, zal denken dat ik het u verteld heb, en ik zet het, wien ook in huis te bewijzen, dat ik ooit zoo iets gezegd heb. ’t Is zeker, mijnheer, al heel raar, en ik heb er van dat oogenblik af over nagedacht, hoe zij er achter zou gekomen zijn;—evenwel zag ik een dag of wat geleden, eene oude bedelaarster aan de deur hier, die precies op dat wijf geleek, dat wij in Warwickshire ontmoetten, en dat ons zoo veel tegenspoed berokkende. ’t Is wezenlijk waar, het deugt niet om zoo’n oud wijf voorbij te trekken, zonder haar een aalmoes te geven,—vooral als zij opkijkt;—want niemand ter wereld zal mij wijs maken, dat zoo’n mensch niet de magt heeft om een boel kwaad te doen, en ik, voor mij, zal van mijn leven geen oud wijf kunnen aanzien, zonder in mij zelven te denken, „Infandum, regina, jubes renovare dolorem!””

De eenvoudigheid van Partridge wekte weder den lachlust van Jones op en bluschte zijn toorn, die werkelijk ook zelden lang brandde, en in plaats van eenige aanmerking te maken op al wat Partridge verteld had, zeide hij hem slechts dat hij voornemens was om deze woning te verlaten en beval hem om er op uit te gaan om andere kamers voor hem te zoeken.

HOOFDSTUK IV.

HETWELK, NAAR WIJ HOPEN, MET DE MEESTE OPLETTENDHEID GELEZEN ZAL WORDEN DOOR JONGE LIEDEN VAN BEIDER GESLACHT.

Partridge had naauwelijks den heer Jones verlaten toen de heer Nightingale, met wien hij nu op een zeer vertrouwelijken voet stond, bij hem kwam en na een korten groet zeide:

„Wel Tom, naar ik hoor, hadt gij gisteren avond nog al laat bezoek! Op mijn woord, gij zijt een geluksvogel, gij, die ter naauwernood veertien dagen in de stad zijt en dames draagstoelen tot twee uur ’s morgens aan uwe deur laat wachten!” Hij ging voort met allerlei aardigheden in dezen trant, tot Jones hem eindelijk in de rede viel en zeide:

„Ge zult dit alles wel vernomen hebben van jufvrouw Miller, die pas naar boven gekomen is, om mij de huur op te zeggen. Naar het schijnt, is de goede vrouw bevreesd voor den goeden naam harer dochters.”

„O, zij is nog al heel moeijelijk op dat punt,” zei Nightingale; „gij zult u wel herinneren, dat zij niet hebben wilde dat Nancy met ons naar de maskerade ging.”

„Daarin geloof ik werkelijk, dat zij groot gelijk had,” zei Jones; „maar ik heb haar bij haar woord genomen en heb Partridge er op uitgezonden om andere kamers te zoeken.”