Tom Jones

Part 65

Chapter 653,965 wordsPublic domain

De verbazing van Jones steeg ten top bij deze woorden van Sophia; daar hij zich echter op dit punt onschuldig wist, was hij veel minder verlegen hoe zich daarop te verdedigen dan als zij die teedere snaar aangeraakt had, welke zijn geweten zoo zeer met angst vervulde. Na eenig onderzoek dan, ontdekte hij spoedig, dat de veronderstelling dat hij zich had kunnen schuldig maken aan zulk eene grove beleediging van hare liefde en van haren goeden naam alleen toe te schrijven was aan de praatjes van Partridge in de herbergen, met den waard of de dienstboden; want Sophia bekende dat zij alles van die menschen vernomen had. Het kostte hem dan ook weinig moeite om haar te overtuigen dat hij geheel onschuldig was aan eene misdaad, die zoo weinig strookte met zijn aard;—maar het viel haar daarentegen zeer moeijelijk om hem te beletten naar huis te loopen en Partridge dadelijk ter dood te brengen, wat hij herhaaldelijk zwoer te zullen doen. Dit punt eens opgehelderd zijnde, werden zij spoedig zoo ingenomen met elkaar, dat Jones geheel en al vergat dat hij het gesprek begonnen was met haar te smeeken om alle gedachten aan hem op te geven, en zij was ook geneigd om het oor te leenen aan een verzoek van geheel anderen aard; want, eer zij wel wisten, dat zij zoo ver gegaan waren, had hij zich eenige woorden laten ontvallen, die heel veel van een huwelijksaanzoek hadden. Hierop antwoordde zij:

„Dat, als haar pligt ten opzigte van haren vader, haar niet belette om hare eigene neiging te volgen, zij liever de armoede met hem deelen wilde, dan de grootste rijkdommen met een anderen man.”

Bij het woord „armoede” liet hij hare hand vallen, welke hij een tijd lang in de zijne gehouden had, en riep uit:

„O Sophia, zou ik u ongelukkig kunnen maken? Neen! bij den hemel! Zulk eene verachtelijke rol wil ik nooit spelen! Liefste Sophia, wat het mij ook koste, ik zal van u afzien;—ik zal u vaarwel zeggen! Ik wil alle wenschen uit mijn hart rukken, welke niet overeen te brengen zijn met uw wezenlijk geluk! Mijne liefde zal ik steeds bewaren; maar in stilte; op een afstand, in eenig vreemd land, van waar geen woord, geen zucht van mijne wanhoop u ooit bereiken zal om u te verontrusten.—En, als ik dood ben—”

Hij wilde voortgaan, maar werd belet door een stortvloed van tranen, welke Sophia op zijn boezem liet vallen, waarop zij het hoofd liet rusten, zonder een enkel woord uit te kunnen brengen. Hij kuste haar de tranen weg, wat zij eenige oogenblikken lang stil liet gebeuren; maar spoedig bedarende, onttrok zij zich zachtjes aan zijne armen, en, ten einde het gesprek af te brengen van een onderwerp dat te aandoenlijk was, dan dat zij er tegen bestand zou zijn, bedacht zij zich om hem te vragen:

„Hoe hij er toe gekomen was haar in dat huis op te sporen?”

Hij begon te stamelen en zou, naar alle waarschijnlijkheid, door zijn antwoord, hare verdenkingen hebben opgewekt, toen plotseling de deur openging en Lady Bellaston binnen kwam.

Zij trad een paar schreden vooruit, maar Jones en Sophia te zamen ziende, bleef zij op eens staan, en na eene korte stilte, met bewonderenswaardige tegenwoordigheid van geest, vermeesterde zij hare aandoening en vroeg,—met alle blijken van verbazing in hare stem en op haar gelaat:

„Ik dacht, mejufvrouw Western, dat gij in de komedie waart?”

Hoewel nu Sophia geene gelegenheid had gevonden om van Jones te vernemen hoe hij haar ontdekt had, daar zij echter in het geheel niets van de ware toedragt der zaak vermoedde, of dat Jones en Lady Bellaston elkaar kenden, toonde zij weinig verlegenheid,—en te minder nog, daar de dame in al hare gesprekken over dat onderwerp steeds partij voor haar getrokken had tegen haar vader. Zonder veel te aarzelen dus, vertelde zij alles wat er in den schouwburg gebeurd was, en om welke reden zij zoo vroeg naar huis was gekomen.

De lengte van dit verhaal verschafte Lady Bellaston de gelegenheid om zich te bedenken en te overleggen wat zij doen moest. En daar de houding van Sophia haar de hoop deed koesteren dat Jones haar niet verklapt had, veinsde zij zeer opgeruimd te zijn en zeide:

„Als ik geweten had, dat gij bezoek hadt, mejufvrouw Western, zou ik u niet zoo onverwacht gestoord hebben.”

Met deze woorden vestigde Lady Bellaston hare blikken op Sophia. Het arme meisje werd vuurrood en antwoordde, in de meeste verwarring, en stamelende:

„Wel, mevrouw,—ik zal zeker—steeds de eer van uwe gezelschap—”

„Ik hoop ten minste dat ik u in geene ernstige bezigheden stoor,” zei Lady Bellaston.

„Volstrekt niet,” hernam Sophia. „Onze zaken waren afgedaan. Gij zult u welligt herinneren, mevrouw, dat ik u dikwijls gesproken heb van het verlies van mijn zakboekje, hetwelk deze heer gelukkig vond, en zoo vriendelijk was het mij, met het bankbriefje er in, terug te brengen.”

Jones was bij de tehuiskomst van Lady Bellaston zoodanig door schrik bevangen, dat hem was alsof hij door den grond zou zinken. Hij zat heen en weer te schuiven op zijn stoel, met de vingers te spelen, en zoo mogelijk, er nog gekker uit te zien, dan een lummel van een landjonker, die voor het eerst van zijn leven in fatsoenlijk gezelschap komt. Hij begon echter nu weder moed te vatten, en den wenk volgende, welken hij in de houding van Lady Bellaston vond, die, zoo als hij zag, zich hield alsof zij hem volstrekt niet kende, besloot hij om zelf zich geheel als een vreemdeling te houden. Hij zeide dan ook, „dat sedert het oogenblik dat hij het zakboekje gevonden had, hij zich de grootste moeite gegeven had om de dame te ontdekken aan wie het toebehoorde, en wier naam er ingeschreven stond; maar het was eerst heden dat hij het geluk had gehad haar te vinden.”

Sophia had nu wel van het verlies van haar zakboekje tegen Lady Bellaston gesproken; daar echter Jones, om de eene of andere reden, haar nooit met een enkel woord te kennen gegeven had, dat het in zijn bezit was, geloofde zij geen enkel woord van hetgeen Sophia nu gezegd had, en bewonderde zeer de buitengewone vlugheid waarmede die jonge dame zulk eene verontschulding bedacht had. Zij geloofde evenmin aan de reden waarom Sophia de komedie verlaten had, en hoewel zij zich niet verklaren kon hoe de beide minnenden bij elkaar gekomen waren, gevoelde zij zich overtuigd dat zulks aan geen toeval toe te schrijven was.

Zij hernam dus met een gemaakten glimlach:

„Gij zijt wezenlijk zeer gelukkig, jufvrouw Western, om uw geld terug gekregen te hebben;—en niet alleen dat het in handen viel van een man van eer; maar dat hij ook ontdekte aan wie het toebehoorde. Naar ik meen, wildet gij het niet adverteren? Het was buitengewoon gelukkig, mijnheer, dat gij ontdektet, aan wie het toebehoorde!”

„O mevrouw,” riep Jones, „het was in een zakboekje, waarin de naam der jonge dame geschreven stond.”

„Dat was ook buitengewoon gelukkig!” riep de dame;—„en het was ook niet minder gelukkig, dat gij ontdektet dat mejufvrouw Western, die zeer weinig bekend is hier bij mij in huis was!”

Jones was eindelijk zich zelven weder geheel meester en daar hij begreep nu de gelegenheid gevonden te hebben om Sophia te antwoorden op de vraag welke zij hem gedaan had juist toen Lady Bellaston binnentrad, hervatte hij als volgt:

„Ja, mevrouw, het was inderdaad door een allergelukkigst toeval dat ik die ontdekking deed. Ik vertelde wat ik gevonden had, en den naam der eigenaresse een avond of wat geleden aan eene dame op eene maskerade, die mij zeide, dat zij geloofde te weten, waar ik mejufvrouw Western vinden kon;—en zij beloofde mij, als ik den volgenden morgen bij haar wilde komen, mij dat te zeggen. Ik ging dus op het bepaalde uur bij haar, maar vond haar niet te huis,—en het is me niet gelukt haar weder te ontmoeten tot heden morgen, toen zij mij uw adres opgaf. Ik kwam dus hierheen, en toen ik zeide dat ik zaken van belang had, bragt mij een knecht hier binnen, waar ik pas een oogenblik geweest was, toen de jonge dame van de komedie naar huis kwam!”

Bij de vermelding van de maskerade, had hij Lady Bellaston veel beteekenend aangekeken, zonder te vreezen dat Sophia het opmerken zou; want deze was blijkbaar al te zeer verlegen om wien of wat ook waar te nemen. Deze wenk verschrikte de dame een weinig en zij bleef zwijgen, terwijl Jones, die de verwarring van Sophia ontwaarde, besloot het eenige middel om haar te verligten, te baat te nemen en zich te verwijderen. Eer hij dit deed, zeide hij:

„Ik geloof, mevrouw, dat het bij gelegenheden als deze gebruikelijk is eenige belooning te geven,—en ik vraag er eene zeer groote voor mijne eerlijkheid:—namelijk niets minder, mevrouw, dan dat mij de eer toegestaan wordt van mijn bezoek te mogen herhalen.”

„Ik twijfel volstrekt niet, mijnheer, dat gij een fatsoenlijk man zijt,” hernam de dame, „en voor zoo iemand is mijn huis steeds open.”

Na de gebruikelijke pligtplegingen vertrok nu Jones, tot zijne eigene groote voldoening en niet minder tot die van Sophia, die zeer bevreesd was dat Lady Bellaston ontdekken mogt—wat haar reeds slechts al te goed bekend was.

Op de trap ontmoette Jones zijne oude kennis, jufvrouw Honour, die, in weerwil van al wat zij ten zijnen nadeele verteld had, nu de beleefdheid had hem met de meeste vriendelijkheid te behandelen. Dit was inderdaad eene gelukkige omstandigheid, daar hij haar nu kon vertellen waar hij woonde, iets dat Sophia nog onbekend gebleven was.

HOOFDSTUK XII.

EINDE VAN HET DERTIENDE BOEK.

De sierlijke Lord Shaftesbury oppert ergens zijne bezwaren over het te veel vertellen van de waarheid;—waaruit men billijk opmaken kan, dat in sommige gevallen, het liegen niet slechts te verontschuldigen, maar zelfs prijzenswaardig is.

En zeker is er niemand die meer aanspraak kan maken op dit regt, om op eene loffelijke wijze van de waarheid af te wijken, dan een jong meisje dat verliefd is; want zij kan pleiten dat voorschriften, opvoeding, en vooral het gezag,—ja zelfs, het geweld der gewoonte, haar daartoe noodzaakt,—daar zij steeds weerhouden wordt, niet van zich over te geven aan de eerlijke opwellingen der natuur (want dat zou een vruchteloos verbod zijn), maar van ze ooit te toonen.

Wij schamen ons dus nu niet te bekennen dat onze heldin zich schikte naar de voorschriften van voornoemden hooggeboren wijsgeer. Daar zij volmaakt overtuigd was dat Lady Bellaston Jones persoonlijk niet kende, besloot zij haar omtrent hem onwetend te laten,—al kostte haar dat een weinig jokkens.

Jones was pas de deur uit, toen Lady Bellaston uitriep: „Wezenlijk, dat is een knappe jongen! Ik zou wel willen weten wie het is; want ik herinner me niet hem ooit te voren gezien te hebben.”

„Ik ook niet, mevrouw,” zei Sophia. „Maar ik moet zeggen, dat hij zich, wat mijn geld betreft, best gehouden heeft.”

„Ja. Het is ook een heel mooije jongen;—vindt ge niet?” zei de dame.

„Ik heb er niet veel op gelet,” hernam Sophia; „maar ik vond hem niet zeer wellevend.”

„Daarin hebt ge gelijk,” antwoordde Lady Bellaston. „Men kan aan zijne manieren zien, dat hij zich niet te huis gevoelt in goed gezelschap. Ja—hoewel hij u het bankbriefje terug bragt, en de belooning weigerde, twijfel ik haast of hij fatsoenlijk man is.—Ik heb altijd opgemerkt, dat er iets is in menschen van goede afkomst, dat anderen niet aanleeren kunnen.—Ik geloof, dat ik zeggen zal, dat men hem verder hier „niet te huis” geeft.”

„Wel, mevrouw!” riep Sophia, „na hetgeen hij gedaan heeft, kan men hem toch niet verdenken!—Bovendien, als gij er op gelet hadt, zoudt gij eene sierlijkheid in zijne woorden, eene kieschheid, eene keurigheid van uitdrukking opgemerkt hebben, die—”

„Ja, praten kan hij!” hernam Lady Bellaston. „En, werkelijk, Sophia,—ge moet me iets te goed houden!”

„Ik u iets te goed houden!” herhaalde Sophia.

„Ja, wezenlijk!” hernam zij lagchende; „want, toen ik eerst in de kamer trad, vatte ik een akelig vermoeden op.—Ge moet het me waarlijk vergeven;—maar ik dacht dat het de heer Jones zelf was!”

„Werkelijk?” riep Sophia, blozend, en veinzende te lagchen.

„Ja, werkelijk!” hernam de andere. „Ik weet niet wat het was, dat mij dat deed denken; want, om dien mensch regt te doen, hij was heel netjes gekleed,—wat, denkelijk, Sophia, niet altijd het geval zal wezen met uw vriend?”

„Deze spotternij is eenigzins wreedaardig, Lady Bellaston, na al wat ik u beloofd heb!” riep Sophia.

„Volstrekt niet, kindlief,” antwoordde de dame. „Het zou vroeger wreed zijn geweest; maar nu ge me beloofd hebt nooit, zonder uw vaders toestemming, in het huwelijkte treden,—wat zooveel is als af te zien van Jones moet, gij een weinig scherts kunnen verdragen over eene liefde, die te vergeven was bij een landmeisje, en welke gij, zoo als gij mij verzekert, nu geheel overwonnen hebt. Wat moet ik van u denken, Sophia-lief, als ge niet eens verdragen kunt, dat men wat om zijne kleeding spot? Ik zal beginnen te vreezen dat gij er erg aan toe zijt, en bijna twijfelen of gij geheel opregt jegens mij zijt geweest!”

„Werkelijk, mevrouw, gij doet me onregt als gij gelooft, dat ik mij eenigzins om hem bekommer!” zei Sophia.

„Om hem?” hernam de dame. „Ge hebt me verkeerd verstaan: ik sprak alleen van zijne kleeding; want ik wilde uwen goeden smaak niet te kort doen door eenige andere vergelijking.—Ik verbeeld me niet, dat als uw mijnheer Jones, Sophia-lief, een mensch geweest ware als deze—”

„Ik dacht, mevrouw,” zei Sophia, „dat gij hem een mooijen jongen vondt?”

„Wien?” vroeg de dame, driftig.

„Mijnheer Jones,” antwoordde Sophia,—en zich dadelijk bedenkende: „Mijnheer Jones! Wel neen! Ik vraag excuus!—Ik bedoel den heer, die pas weg gegaan is.”

„O Sophia, Sophia!” riep Lady Bellaston, „ik vrees dat die mijnheer Jones u nog steeds in de hersenen spookt!”

„Op mijn woord, mevrouw,” riep Sophia, „ik geef niet meer om den heer Jones dan om den heer die ons nu verlaten heeft!”

„Op mijn woord,” hernam Lady Bellaston, „dat geloof ik gaarne! Vergeef me dus als ik u op eene onschuldige wijze wat geplaagd heb, en ik beloof u thans nooit zijn naam weder te noemen.”

En hiermede scheidden de dames, tot veel grootere vreugde van Sophia dan van Lady Bellaston, die gaarne hare mededingster nog wat gekweld zou hebben, als zij niet door zaken van meer belang weggeroepen ware geweest. Wat Sophia betreft, deze gevoelde zich niet zeer op haar gemak na deze eerste beoefening der onopregtheid; waarover, toen zij zich op hare kamer bevond, zij met de meeste wroeging en schaamte nadacht. Noch de bijzondere bezwaren van haren toestand, noch de harde noodzakelijkheid konden haar met haar gedrag verzoenen;—want zij was te rein en fijngevoelig van aard om met gerustheid aan eene onwaarheid te kunnen denken, hoezeer die ook door de omstandigheden verontschuldigd werd. Gedurende den geheelen nacht hield deze gedachte den slaap uit hare oogen verwijderd.

BOEK XIV.

Bevattende twee dagen.

HOOFDSTUK I.

EEN BETOOG, TEN BEWIJZE, DAT EEN SCHRIJVER DES TE BETER ZAL STELLEN, ALS HIJ IETS WEET VAN HET ONDERWERP, DAT HIJ TE BEHANDELEN HEEFT.

Daar vele heeren, dezer dagen, alleen door middel van de verbazende kracht van hun genie, en misschien wel zelfs zonder goed te kunnen lezen, eene mooije rol gespeeld hebben in de republiek der letteren, hebben de recensenten, naar ik verneem, beweerd, dat alle geleerdheid overvloedig is bij een schrijver, en inderdaad niets anders dan eene soort van boeijen voor de aangeborene levendigheid en vlugheid van de verbeelding, die daardoor gedrukt wordt en belet om zich te verheffen in die hooge vlugt, welke zij anders nemen zoude.

Deze leer wordt, vrees ik, heden ten dage overdreven; want waarom zou het schrijven zoo veel verschillen van alle andere kunsten? De vlugheid van den dansmeester wordt niet benadeeld als men hem leert hoe zich te bewegen, en, naar ik meen, is er geen werkman, die een slechter gebruik maakt van zijne werktuigen, omdat hij ze heeft leeren hanteren.

Wat mij betreft, ik begrijp niet, dat Homerus of Virgilius met meer vuur zouden geschreven hebben, als zij, in plaats van meester te zijn van al de geleerdheid van hunne eeuw, even onwetend waren geweest als de meeste schrijvers uit onze dagen. Ik geloof ook niet dat de rijke verbeelding, het vuur en het oordeel van Pitt die redevoeringen zouden in de wereld gebragt hebben, welke onzen senaat dezer dagen tot een mededinger in welsprekendheid van Griekenland en Rome gemaakt hebben, als hij niet zoo te huis ware geweest in de geschriften van Demosthenes en Cicero, dat hij hun geheelen geest in zijne redevoeringen weêrgaf,—en met hun geest, ook hunne kennis.

Men moet dit niet opvatten alsof ik dezelfde mate van geleerdheid eischte bij mijne collega’s, als die welke Cicero eischt om een redenaar te vormen. Integendeel, ik geloof dat de dichter zeer weinig lektuur noodig heeft, de recensent nog minder, en de staatsman het minste van allen. Voor den eerste is welligt de „Dichtkunst” van Bysshe voldoende, met eenige onzer hedendaagsche poëten; voor den tweede, een redelijk stapeltje tooneelstukken, en voor den laatste, een pakje staatkundige journalen.

Om de waarheid te zeggen, eisch ik niets anders dan dat de mensch eenige weinige kennis hebbe van het onderwerp dat hij behandelt, volgens de oude regtsgeleerde stelling: quam quisque norit artem, in ea se exerceat. Met dit alleen kan een schrijver tamelijk wel volstaan;—en zonder dit, zal hem inderdaad alle andere geleerdheid ter wereld weinig baten.

Laat ons, bij voorbeeld, veronderstellen, dat Homerus, Virgilius, Aristoteles, Cicero, Thucydides en Livius bij elkaar hadden kunnen komen, en al hunne verscheidene gaven zamen smelten, om eene verhandeling over de danskunst te schrijven;—dan geloof ik toch, dat men geredelijk toestemmen zal, dat zij de uitstekende verhandeling niet geëvenaard zouden hebben, die de heer Essex over dit onderwerp geleverd heeft onder den titel van „De eerste grondbeginselen eener fatsoenlijke opvoeding.” En, werkelijk, als men den uitmuntenden heer Broughton er toe brengen kon om de vuist op het papier te zetten en bovengenoemde „eerste grondbeginselen” te volmaken, met de ware leer der Athletica, twijfel ik of de wereld reden zou hebben te betreuren, dat geen der groote schrijvers, oud of nieuw, die edele en nuttige kunst behandeld hebben.

Ten einde geen tal van voorbeelden aan te halen bij een geval, dat zoo duidelijk is, en om dadelijk tot de zaak te komen, ben ik geneigd te gelooven, dat ééne der redenen waarom het zoovelen Engelschen schrijvers mislukt is om de manieren van de groote wereld te beschrijven, waarschijnlijk is, dat zij werkelijk er niets van weten.

Ongelukkig is dit ook eene kennis, welke buiten het bereik van vele schrijvers ligt. De boeken geven er ons slechts een zeer onvolkomen denkbeeld van, en het tooneel niet veel meer; de enkele heeren die zich naar de eerste vormen, zullen meestal pedanten worden, en hij, die zich naar het laatste vormt, wordt een kwast.

De karakters naar deze voorbeelden geteekend, worden ook niet beter volgehouden. Vanburgh en Congreve copieerden de natuur; maar zij die hen copiëren, geven even weinig van de tegenwoordige eeuw terug, als Hogarth doen zou, indien hij een gezelschap of eene partij afbeeldde in de kostumen van Titiaan of van Van Dyk. Met één woord, het is niet voldoende om hier na te volgen. De schilderij moet naar de natuur zelve wezen. De ware wereldkennis wordt verkregen alleen door den omgang met menschen, en men moet de manieren der verschillende standen zien, om ze te leeren kennen.

Nu is echter het geval dat deze hoogere klasse der stervelingen niet te zien is als de overige leden van het menschelijke geslacht, om niet, op straat, in de winkels en koffijhuizen;—zij worden ook niet vertoond als vreemde dieren, tegen zoo of zooveel per stuk. Om kort te gaan, dit is een gezigt, waarbij niemand toegelaten wordt, zonder eene der volgende gaven:—namelijk geboorte of rijkdom;—of wat met beiden gelijk staat,—het eervolle beroep van speler. En, tot ongeluk van de wereld,—geven zich menschen, die deze vereischten hebben, zelden de moeite om het minvoordeelige beroep van schrijver op zich te nemen,—wat gewoonlijk overblijft voor de mindere en meer armoedige klasse,—daar het een beroep is, dat velen zich verbeelden zonder eenig kapitaal te kunnen drijven.

Vandaar die wonderlijke monsters in kant en borduurwerk, in zijde en satijn, met reusachtige pruiken en hoepelrokken, die, onder de benaming van Lords en Ladies, zich op het tooneel vertoonen, tot groot vermaak der procureurs en hunne klerken in het parterre, en der burgers en hunner leerjongens in de galerij, en die even weinig te vinden zijn in het werkelijke leven als de Centaurus, de Chimera, of eenige andere schepping der verdichting.

Maar, om den lezer in een geheim in te wijden: de kennis der groote wereld, hoe noodzakelijk ook, ten einde vergissingen te voorkomen, levert niet veel op voor iemand die blijspelen schrijft, of die soort van novellen, welke, zooals deze van mij, tot het komieke genre behooren.

Hetgeen Pope zegt van de vrouwen, is zeer toepasselijk op de meeste menschen in dezen stand, die inderdaad, zoo zeer gemaakt en vol vormen zijn, dat zij hoegenaamd geen merkbaar karakter bezitten. Ik waag zelfs te verklaren, dat het leven in de groote wereld verreweg het vervelendste is, en zeer weinig humor of vermaak oplevert. De verschillende beroepen in de lagere standen brengen, de grootste verscheidenheid van humoristische karakters te voorschijn; terwijl in de hoogere kringen, behalve de weinige eerzuchtigen, en de nog minder talrijke najagers van het genoegen, alles ijdelheid en slaafsche navolging blijft. Zich kleeden, spelen, eten en drinken, buigen en neigen, zijn de hoofdbezigheden van het leven.

Er zijn echter sommigen in dezen stand, op wie de hartstogten hunne dwingelandij uitoefenen, en hen ver buiten de grenzen slepen, door de welvoegelijkheid gesteld;—en onder dezen onderscheiden zich de dames evenzeer door edele stoutmoedigheid en zekere hooghartige minachting der deugd, van de zwakke vrouwen van den minderen stand, als eene deugdzame vrouw van hoogen rang door de sierlijkheid en fijnheid harer gevoelens verheven is boven de eerlijke vrouw van den pachter of den winkelier. Lady Bellaston was iemand van dezen onversaagden aard; maar mijne lezers op het platte land moeten daaruit niet opmaken, dat zulks het algemeen gedrag is der vrouwen in den hoogeren stand, of dat wij het als zoodanig hebben willen voorstellen. Men zou even goed zich kunnen verbeelden dat Thwackum de vertegenwoordiger was van alle predikanten, en de vaandrig Northerton die van alle krijgslieden.

Er bestaat inderdaad geene grootere dwaling, dan die welke algemeen heerscht onder het volk, hetwelk zijne meening vormende uit de werken van sommige onwetende hekeldichters, deze eeuw als bij uitstek losbandig beschouwen. Integendeel: ik ben vast overtuigd, dat er nooit minder zucht naar liefdes-intrigues heerschte onder de groote luî dan heden ten dage. Onze hedendaagsche vrouwen hebben van hare moeders geleerd, om hare gedachten te vestigen op eerzucht en ijdelheid, en om de genoegens der liefde te minachten, als harer onwaardig, en later, juist door de zorg harer moeders, uitgehuwd zijnde, zonder eigenlijk mannen te bezitten, schijnen zij tamelijk goed overtuigd van de juistheid dezer gevoelens, en stellen zich, voor het overige vervelende gedeelte van haar leven tevreden, met het najagen van vermaken, die wèl onschuldiger, maar, naar ik vrees, ook kinderachtiger zijn, en welker bloote vermelding hier slecht passen zou met de waardigheid dezer geschiedenis. Volgens mijn nederig gevoelen, is het ware kenmerk der hedendaagsche groote wereld, eerder dwaasheid dan ondeugd, en de eenige bijnaam, welken zij verdient, is die van „beuzelachtig.”

HOOFDSTUK II.

BEVATTENDE BRIEVEN EN ANDERE LIEFDE-ZAKEN.

Jones was pas te huis gekomen toen hij den volgenden brief ontving: