Part 64
Daarop nam jufvrouw Miller tien guinjes aan, wat het meeste was, waartoe hij haar overhalen kon, en zeide, „dat zij een middel bedenken zou om ze den volgenden morgen bij tijds te bezorgen,” terwijl zij er bijvoegde, „dat zij zelve eene kleinigheid over had gehad voor die arme lieden en hen iets minder ellendig verlaten had dan toen zij er kwam.”
Daarop keerden zij naar de huiskamer terug, waar Nightingale veel deelneming uitte met den ongelukkigen toestand der arme menschen, die hij werkelijk kende; want hij had hen meer dan eens bij jufvrouw Miller ontmoet. Hij voer uit over de dwaasheid van zich verantwoordelijk te maken voor de schulden van anderen, schold en raasde tegen den broeder, en eindigde met te wenschen dat er iets gedaan kon worden voor het ongelukkige huisgezin.
„Hoe zoudt gij het vinden, jufvrouw,” zeide hij, „om hen aan den heer Allworthy aan te bevelen? Of zullen wij eene inteekening voor hen proberen? Ik zal met genoegen een guinje bijdragen.”
Jufvrouw Miller gaf geen antwoord, en Nancy, wie hare moeder fluisterend de mildheid van Jones medegedeeld had, verbleekte,—ofschoon als moeder of dochter boos was op Nightingale, dat zeker zonder reden was. Want al had deze iets van de mildheid van Jones geweten, dan was het geen voorbeeld dat hij eenigzins verpligt was te volgen, en er zijn duizenden die geen stuiver gegeven zouden hebben,—wat ook werkelijk het geval was met hem; daar hij niets voor den dag gebragt had, en de anderen niet goed vonden iets van hem te vragen, waarom hij ook zijn geld op zak hield.
In het algemeen heb ik opgemerkt (en ik zal niet ligt eene betere gelegenheid vinden dan de tegenwoordige om mijne opmerking mede te deelen), dat de wereld, meestal twee gevoelens koestert omtrent de milddadigheid, welke lijnregt in strijd zijn met elkaar. De eene partij schijnt het er voor te houden, dat alle handelingen van dezen aard beschouwd moeten worden als vrijwillige gaven, en dat hoe weinig men ook geve (al is het zelfs niet meer dan goede wenschen), het zeer verdienstelijk is om dat te doen. Anderen, integendeel, schijnen evenzeer overtuigd, dat de milddadigheid een stellige pligt is, en dat wanneer de rijken veel te kort komen in hun pogen om de ellende der armen te verzachten, hunne armzalige giften verre van verdienstelijk te zijn, slechts eene halve pligtvervulling uitmaken, en dat zij, zoodoende, in zekeren zin, verachtelijker worden dan diegenen, welke alles verzuimen.
Het ligt niet in mijn vermogen om deze gevoelens met elkaar te verzoenen. Ik zal er alleen bijvoegen, dat de gevers gewoonlijk het eerste gevoelen aankleven, terwijl de bedeelden, bijna zonder uitzondering, het laatste denkbeeld omhelzen.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE GEHEEL ANDERE ZAKEN DAN WAARVAN SPRAKE IS GEWEEST IN HET VORIGE HOOFDSTUK.
’s Avonds ontmoette Jones zijne dame weder, en zij hadden weder eene langdurige bijeenkomst, welke echter alleen dezelfde gewone gebeurtenissen als vroeger opleverde, om welke reden wij ons ontheven achten van bijzonderheden te melden, welke wij geen kans zien om aangenaam te maken voor den lezer, tenzij hij iemand zij, wiens aanbidding van het schoone geslacht, even als die der Roomschen van hunne heiligen, behoefte heeft aan schilderijen, om wakker te blijven. Het is er echter zoo ver van daan dat ik wenschen zoude om dergelijke beelden aan het publiek te toonen, dat ik heel gaarne diegenen sluijeren zoude, die in den laatsten tijd in zekere Fransche romans opgehangen zijn,—van welke men ons hier zeer lompe copijen gegeven heeft, onder den naam van vertalingen.
Jones echter werd hoe langer zoo ongeduldiger om Sophia te ontmoeten, en na herhaalde bijeenkomsten met Lady Bellaston, bevindende dat hij geen kans had, om door hare bemiddeling daartoe te komen (want, integendeel, de dame begon zelfs het noemen van Sophia’s naam met verontwaardiging aan te hooren), besloot hij een anderen uitweg te zoeken. Hij twijfelde er niet aan dat Lady Bellaston wist waar zijne beminde zich ophield; dus hield hij het ook voor zeer waarschijnlijk dat eenige van hare dienstboden in het geheim ingewijd waren. Hij bezigde dus Partridge om kennis te maken met hare bedienden, ten einde hen op dat punt uit te hooren.
Men kan zich moeijelijk een pijnlijker toestand voorstellen dan dien waarin hij zich op dit oogenblik bevond; want, behalve de bezwaren, welke hij te overwinnen had, eer hij Sophia ontmoette, behalve zijne vrees van haar beleedigd te hebben, en de verzekeringen van Lady Bellaston dat Sophia zich bepaaldelijk tegen hem verklaard had, en zich willens en wetens voor hem verborgen hield,—wat hij reden genoeg had te gelooven—had hij nog één bezwaar te overwinnen, hetwelk zijne beminde zelve niet kon wegruimen,—hoezeer zij ook daartoe geneigd mogt wezen. Dit was, dat hij haar blootstelde aan het gevaar om door haar vader onterfd te worden, wat het onvermijdelijke gevolg van hunne vereeniging zou zijn zonder diens toestemming, welke Jones geene hoop durfde koesteren van ooit te verkrijgen.
Men moet hierbij voegen de vele verpligtingen, waaronder Lady Bellaston, wier hevige liefde tot hem wij niet meer verhelen kunnen, hem gebragt had,—zoodat hij thans, door haar toedoen, een der best gekleede heeren der stad was geworden, en niet slechts bevrijd bleef van al die kleine, bespottelijke ontberingen, welke wij vroeger vermeld hebben, maar werkelijk een hoogeren graad van weelde kende dan ooit te voren.
Ofschoon er nu vele heeren zijn, die het zeer goed met hun geweten kunnen overeenbrengen om zich het geheele vermogen eener vrouw toe te eigenen, zonder haar dat op eenigerlei wijze te vergelden,—is er evenwel voor iemand—die de galg niet verdient,—niets ondragelijker, naar ik meen, dan om de liefde alleen met dankbaarheid te vergelden,—vooral als het hart ergens anders henen trekt. Dit was, ongelukkig, het geval bij Jones; want al ware de deugdzame liefde welke hij zijner Sophia toedroeg, en die maar weinige toegenegenheid overliet voor eene andere vrouw, geheel buiten spel geweest, zou hij nooit op eene geëvenredigde wijze de vurige liefde dezer dame hebben kunnen beantwoorden, die, hoewel zij vroeger zeer schoon was geweest, thans ten minste den herfst van het leven bereikt had, hoewel zij in kleeding en manieren al de ligtzinnigheid der jeugd vertoonde, terwijl het haar nog gelukte om de rozen op hare wangen te houden. Maar deze bloemen, even als die welke de kunst doet bloeijen in een vreemd jaargetijde, hadden niets van die levendige frischheid, waarmede de natuur, als de tijd dáár is, hare eigene voortbrengselen versiert. Zij had bovendien zeker gebrek, dat eenige bloemen, hoe schoon ze ook zijn op het oog, uiterst ongeschikt maakt voor een ruiker,—en hetwelk vooral onaangenaam is voor den adem der liefde.
Hoewel Jones van den éénen kant al deze gebreken inzag, gevoelde hij van den anderen kant evenzeer al de verpligtingen welke zij hem oplegde, en herkende ook niet minder duidelijk den hevigen hartstogt, waaraan ze haren oorsprong ontleenden, terwijl hij wel wist, dat als hij in gebreke bleef van ze even vurig te vergelden, de dame hem voor een ondankbare zou houden,—en wat nog erger was,—dat hij zich zelven ook als zoodanig moest beschouwen. Hij kende de stilzwijgende voorwaarde waarop zij hem hare gunsten schonk, en daar hij door den nood gedwongen was ze aan te nemen, geloofde hij ook dat de eer hem verpligtte haren prijs te betalen. Hij besloot dus dit te doen, hoe ongelukkig hij zich ook daarbij gevoelde, en zich aan haar toe te wijden uit dat grootsche grondbeginsel van regtvaardigheid, volgens hetwelk de wetten van zekere landen een schuldenaar, die niet anders aan zijne verpligtingen voldoen kan, tot den slaaf van zijn schuldeischer maken.
Terwijl hij over deze dingen peinsde, ontving hij het volgende briefje van zijne dame:
„Een zeer dwaas, maar hinderlijk toeval, heeft sedert onze laatste ontmoeting plaats gehad, waardoor het onraadzaam voor mij wordt, om u op de plaats onzer gewone bijeenkomst af te wachten. Ik zal, zoo mogelijk, tegen morgen eene andere plaats bedenken. Inmiddels, vaarwel!”
De lezer zal welligt gelooven dat deze teleurstelling niet zeer groot was;—maar in elk geval werd ze spoedig vergoed; want nog geen uur later werd hem een tweede briefje van dezelfde hand bezorgd, luidende:
„Ik heb me bedacht sedert ik u schreef,—en als gij niet ongevoelig zijt voor de teederste liefde, zal u dat niet verwonderen. Ik heb thans besloten u heden avond bij mij te huis te zien, wat er ook de gevolgen van zijn mogen. Kom precies ten zeven ure bij mij;—ik ga uit dineren, maar zal tegen dien tijd te huis wezen.—Ik ondervind dat één dag, voor iemand die werkelijk bemint, langer duurt dan ik me verbeeld had.
„Als gij toevallig eenige minuten vóór mij aan huis zijt, wacht me dan zoolang in de zaal.”
Om de waarheid te bekennen, was Jones minder met dit briefje dan met het vorige ingenomen, daar het hem belette om aan het dringende verzoek van den heer Nightingale, met wien hij zeer bevriend en gemeenzaam was geworden, te voldoen. Deze had hem namelijk gesmeekt hem en zijne vrienden te vergezellen naar de opvoering van een nieuw tooneelstuk, dat dien avond voor het eerst gespeeld zou worden, en hetwelk eene groote partij zich voorgenomen had af te keuren, uit haat tegen den schrijver, die eene kennis was van den heer Nightingale. En, tot ons leedwezen, moeten wij bekennen, dat onze held deze grap verre verkozen zou hebben boven de andere vriendelijke uitnoodiging;—maar zijn eergevoel behield de zege over zijne neigingen.
Eer wij hem echter volgen op zijn voorgenomen bezoek bij de dame, achten wij het noodig om beide door haar gezondene briefjes te verklaren, daar de lezer welligt niet weinig verbaasd zal staan over de onvoorzigtigheid van Lady Bellaston, die haar minnaar bragt in het huis zelf waar hare mededingster verborgen was.
Ten eerste dan, was de vrouw des huizes, waar de minnaars elkaar tot dus ver ontmoet hadden, en die een zeker inkomen van de dame trok, tot de sekte der Methodisten overgegaan, en had juist dien morgen hare opwachting bij Milady gemaakt, waarbij zij, na haar zeer streng hare vroegere leefwijze verweten te hebben, stellig verklaard had, in geen geval meer haar in hare liefdezaken te willen bijstaan.
De ontroering welke deze gebeurtenis bij Milady te weeg bragt, deed haar wanhopen aan de mogelijkheid om eenige andere gelegenheid te vinden om Jones dien avond te ontmoeten; maar zoodra zij een weinig tot bedaren kwam, ging zij peinzen op een middel om die teleurstelling te voorkomen en kwam op de gelukkige gedachte om aan Sophia voor te stellen dien avond naar de komedie te gaan,—wat dadelijk aangenomen werd,—terwijl zij gemakkelijk eene geschikte dame vond om haar te vergezellen. Jufvrouw Honour werd terzelfder tijd met jufvrouw Etoff op dat tijdverdrijf onthaald, en haar eigen huis bleef dus vrij om den heer Jones veilig te ontvangen, met wien zij zich voorstelde twee of drie uren ongestoord te kunnen blijven na hare terugkomst van het diné bij kennissen, die tamelijk ver van haar huis woonden, en digt bij de plaats van hare ontmoetingen met Jones, en waar zij de uitnoodiging aangenomen had eer zij bekend was geworden met de omwenteling in de gezindheid en in het gemoed van hare vorige vertrouwelinge.
HOOFDSTUK X.
EEN HOOFDSTUK DAT, HOE KORT OOK, WELLIGT TRANEN ONTLOKKEN ZAL AAN MENIG OOG.
De heer Jones had zich juist gekleed om zijne opwachting te maken bij Lady Bellaston, toen jufvrouw Miller aan de deur tikte en zoodra zij binnen gelaten was, hem zeer dringend verzocht om haar de eer te doen beneden een kopje thee bij haar te gebruiken.
Zoodra hij in de kamer trad, stelde zij iemand aan hem voor, met de woorden:
„Ziedaar, mijnheer, mijn neef, die zooveel te danken heeft aan uwe goedheid, voor welke hij u hartelijk dank wenschte te zeggen.”
De man was naauwelijks aan het woord gekomen, dat jufvrouw Miller zoo goedig ingeleid had, toen hij en Jones, elkaar sterk aankijkende tegelijkertijd, blijken van de grootste verbazing lieten merken. De stem van den vreemdeling begon dadelijk te beven, en in plaats van zijne redevoering ten einde te brengen, zeeg hij op een stoel neder, met den uitroep:
„Ja, hij is het! Dat weet ik zeker!”
„Mijn hemel!” riep jufvrouw Miller; „wat bedoelt gij? Ik hoop toch niet dat gij ziek wordt, neef? Zal ik u dadelijk wat water geven,—of een borreltje?”
„Wees niet ongerust, jufvrouw,” riep Jones; „ik heb bijna evenzeer eene versterking noodig als uw neef. Wij zijn beiden evenzeer verwonderd over deze onverwachte ontmoeting. Uw neef is eene mijner kennissen, jufvrouw Miller.”
„Uwer kennissen!” riep de man.—„O hemel—”
„Ja, ja, eene mijner kennissen,” hervatte Jones, „voor wien ik veel hoogachting koester. Als ik ooit zoo ver kom dat ik een man niet vereer, die alles op het spel zet om vrouw en kinderen van den onvermijdelijken ondergang te redden, zal het mijn verdiend lot wezen als ik een vriend ontmoet, die mij in mijn ongeluk verloochent.”
„O gij zijt een best mensch, dat is waar!” riep jufvrouw Miller, „ja, ja, de arme man; wel heeft hij alles op het spel gezet; en als hij niet zulk een bijzonder sterk gestel had, zou hij het niet hebben kunnen volhouden.”
„Nicht,” zei de man, die nu eenigzins hersteld was; „dit is de engel uit den hemel, van wien ik u gesproken heb! Hij is het wien ik, eer ik u zag, de redding mijner Griet te danken heb. Het was van zijne mildheid, dat elke verligting, elke hulp welke ik haar heb kunnen verschaffen, herkomstig was. Hij is inderdaad, de waardigste, de braafste, de edelste der menschen! O nicht, ik heb verpligtingen aan dien heer—”
„Praat me niet van verpligtingen!” viel hem Jones in de rede. „Geen woord daarvan, dat beveel ik u! Geen woord!” (Hiermede bedoelde hij, denkelijk, dat hij aan niemand iets verklappen moest van de voorgenomene berooving); „als ik door de kleinigheid welke gij van mij gekregen hebt, een geheel huisgezin gered heb, is er zeker nooit een goedkooper genoegen ter wereld geweest!”
„O mijnheer!” riep de man, „ik wilde maar dat gij op dit oogenblik mijn huis kondet zien! Zoo iemand ter wereld ooit het regt had op een genot zoo als waarvan gij spreekt, zijt gij zeker de man! Mijne nicht vertelt mij dat zij u bekend had gemaakt met onze ellende. Die is nu grootendeels verligt, door uwe goedheid!—Mijne kinderen hebben nu een bed waarop ze liggen;—en zij hebben,—zij hebben ook,—de hemel loone het u!—ook brood! Mijn kleine jongen is hersteld; mijne vrouw is buiten gevaar,—en ik ben weder gelukkig! Dat heb ik alles aan u te danken, mijnheer, en aan mijne nicht hier,—de beste der vrouwen! Wezenlijk mijnheer, mijne vrouw moet u zien en danken.—Ook mijne kinderen moeten u dank zeggen!—Waarlijk, mijnheer, zij zijn niet ongevoelig voor uwe weldaden; maar wat moet ik zelf niet ondervinden, als ik denk aan wien zij zoo vele dankbaarheid verschuldigd zijn, en dat zij leven om ze te kunnen uiten! O mijnheer! zonder uwe hulp, waren de kleine harten welke gij verwarmd hebt, nu ijskoud,—”
Hier viel Jones den armen man in de rede, om hem te beletten voort te gaan; wat naauwelijks noodig was, daar diens woorden door zijn eigen vol hart gestremd werden. En nu begon ook jufvrouw Miller haren dank uit te storten, in haren naam en tevens in naam van haren neef en eindigde met te zeggen, „dat zij er niet aan twijfelde dat zulke goedheid op eene schitterende wijze beloond zou worden!”
Jones hernam, „dat hij al genoegzaam beloond was. Wat uw neef mij gezegd heeft, jufvrouw,” ging hij voort, „heeft mij eene aangenamer gewaarwording doen kennen, dan ik ooit te voren ondervonden heb. Men zou al heel hardvochtig moeten wezen, als men een dergelijk verhaal kon aanhooren zonder aandoening; hoe verrukkelijk is dan de gedachte van zulk eene rol in deze zaak te hebben mogen spelen! Als er menschen zijn, die onvatbaar blijven voor het genot van anderen gelukkig te maken, heb ik opregt medelijden met hen, daar zij buiten staat zijn te genieten, dat, wat naar mijn gevoelen, eene grootere eer, eene edelere belangstelling en een zoetere vreugde is, dan ooit onder het bereik komt van den eerzuchtige, den gierigaard, of den wellusteling.”
Daar het afgesprokene uur nu geslagen was, zag zich Jones in de noodzakelijkheid om overhaast afscheid te nemen, maar niet eer hij zijn vriend hartelijk de hand gedrukt, en verlangd had hem zoo spoedig mogelijk weder te zien;—met de belofte dat hij zelf van de eerste de beste gelegenheid gebruik zou maken om hem een bezoek te brengen. Hij klom toen in den draagstoel, en ging bij Lady Bellaston, zich bovenmatig verheugende in het geluk dat hij dit arm huisgezin verschaft had, terwijl hij niet nalaten kon na te denken over de verschrikkelijke gevolgen als hij meer geluisterd had naar de stem van de strenge regtvaardigheid, dan naar die van de genade, toen hij op weg naar Londen aangevallen werd.
Jufvrouw Miller hield vol met den heelen avond den lof van Jones te verkondigen, waarin de heer Anderson, zoo lang hij bleef, zoo vurig instemde, dat hij meer dan eens op het punt was om alle omstandigheden van zijne voorgenomene rooverij te verklappen. Evenwel, bedacht hij zich, gelukkig bij tijds, en vermeed eene onvoorzigtigheid, welke des te grooter zou geweest zijn, daar hij wist dat jufvrouw Miller zeer streng en naauwgezet was in al hare grondbeginselen. Hij was ook al goed bekend met de praatzucht dezer dame, en toch, was hij zoo dankbaar, dat hij bijkans èn voorzigtigheid èn schaamte vergeten en zijne eigene schande aan den dag gebragt zou hebben, liever dan iets te verzwijgen, dat zijn weldoener tot eer kon strekken.
HOOFDSTUK XI.
WAARIN DE LEZER VERBAASD ZAL STAAN!
De heer Jones kwam iets vóór het bepaalde uur aan en vroeger dan de dame, wier tehuiskomst niet slechts vertraagd werd door den afstand van het huis waar zij dineerde, maar ook door andere toevallige omstandigheden, welke zeer ergerlijk waren voor iemand in haren gemoedstoestand.
Hij werd dus in de zaal gelaten, waar hij slechts weinige minuten geweest was, toen de deur openging en niemand anders dan——Sophia zelve binnentrad, die de komedie verlaten had vóór het einde van het eerste bedrijf;—want, zooals wij reeds gemeld hebben, er werd een nieuw stuk opgevoerd, en twee partijen waren er verschenen, de eene om goed te keuren, de andere om het stuk uit te fluiten, wat zulk een rumoer en twist ten gevolge had, dat onze heldin verschrikt werd, en blijde was zich onder de bescherming van een heer te kunnen stellen, die haar veilig in haar draagstoel bezorgde.
Daar Lady Bellaston haar verteld had dat zij eerst laat naar huis zou komen, trad Sophia, die dacht dat zij niemand in de kamer zou vinden, haastig binnen, en ging regt op een spiegel toe, die vlak vóór haar hing, zonder naar het boveneinde der kamer te kijken, waar Jones als versteend stond.
Het was in dezen spiegel, dat zij na eerst haar eigen bekoorlijk gelaat gezien te hebben, het standbeeld achter zich ontdekte, zich dadelijk omkeerde en ontwarende dat zij zich niet vergist had, een luiden gil liet hooren, en bijna in zwijm gevallen ware eer Jones den tijd had te naderen en haar in zijne armen te ondersteunen.
Het gaat mijne magt te boven om de blikken of de gedachten der minnenden te beschrijven. Daar men veronderstellen moet uit het stilzwijgen dat beiden bewaarden, dat hunne gedachten niet in woorden uit te drukken waren, zoo zal men wel begrijpen dat ik nog veel minder in staat ben dan zij, om ze te beschrijven; en het ongelukkigste is, dat weinige mijner lezers ooit verliefd genoeg zijn geweest om in hun eigen hart te gevoelen, wat thans in het hunne heerschte.
Na eene korte stilte, stamelde Jones:
„Naar ik zie, zijt gij verbaasd—”
„Verbaasd!” hernam zij, „O hemel! Ja, werkelijk, ik sta verstomd! Ik twijfel haast of gij het zijt!”
„Wezenlijk,” riep hij, „mijne Sophia,—vergeef me dat ik het waag, u nog eenmaal zóó te noemen! Wezenlijk ben ik die diep rampzalige Jones, dien het noodlot, na zoo vele teleurstellingen, eindelijk zoo gelukkig tot u gevoerd heeft. O, mijne Sophia, als gij de duizenderlei kwellingen wist, welke ik uitgestaan heb in dat lange, vruchtelooze zoeken!”
„Zoeken—en naar wien?” vroeg Sophia, bedarende, en met eenigen schijn van terughouding.
„Waarom die wreede vraag?” riep Jones. „Behoef ik te zeggen, dat ik u zocht?”
„Mij?” antwoordde Sophia. „Heeft dan de heer Jones het een of ander van zoo groot belang met mij te verhandelen?”
„Voor sommige menschen, mejufvrouw,” riep Jones, „zou dit eene belangrijke zaak wezen,”—en hij overhandigde haar het zakboekje; „naar ik hoop, mejufvrouw, zult gij alles er in vinden, dat het bevatte toen gij het verloort.”
Sophia nam het zakboekje aan en wilde spreken, toen hij haar aldus in de rede viel:
„O laat ons niet, dat smeek ik u, één der kostbare oogenblikken verkwisten, welke het geluk ons zoo goedig geschonken heeft! O mijne Sophia, ik heb zaken van meer belang met u!—Hier, op de knieën, wil ik uwe vergiffenis inroepen,—”
„Mijne vergiffenis?” riep zij. „Wel, mijnheer, na hetgeen er gebeurd is,——gij kunt toch niet wachten na al wat ik gehoord heb—”
„Ik weet naauwelijks wat ik zeg!” hervatte Jones;—„bij den Hemel, ik durf naauwelijks wenschen dat gij mij vergeven zoudt! O Sophia, verspil nooit meer ééne gedachte aan zulk een ellendeling als ik ben! Als er ooit eene herinnering aan mij zich aan u opdringt, om uw teeder hart één oogenblik te verontrusten, laat de gedachte aan hetgeen er te Upton gebeurd is, mij voor altijd uit uw hart bannen!”
Inmiddels stond Sophia te beven. Haar gelaat was doodsbleek en haar hart klopte als of het barsten wilde. Maar, bij het noemen van Upton, kleurden zich plotseling hare wangen, en hare oogen, die zij naauwelijks opgeslagen had, vestigden zich met een minachtenden blik op Jones. Hij begreep dit stille verwijt en antwoordde daarop als volgt:
„O Sophia, mijne eenige beminde, gij kunt mij niet meer haten en verachten wegens hetgeen daar gebeurd is, dan ik mij zelven haat en veracht;—maar wees toch regtvaardig en geloof dat ik in mijn hart u nooit ontrouw ben geweest. Mijn hart had geen deel aan de dwaasheid waaraan ik me schuldig maakte. Het was zelfs toen onveranderlijk het uwe. Hoewel ik er aan wanhopen moest u ooit te bezitten, ja, haast om u ooit weder te zien, was ik steeds bezield met uw bekoorlijk beeld, en kon onmogelijk eenige andere vrouw ernstig beminnen. Maar al ware mijn hart vrij geweest, was zij, in wier gezelschap ik toevallig raakte op die verwenschte plaats, toch nooit het voorwerp eener ernstige liefde geweest! Geloof me, mijn engel, ik heb haar sedert dien dag nooit weder gezien, en bedoel niet en begeer niet haar ooit weder te zien.”
Sophia was in haar hart zeer blijde dit te hooren; maar veinzende nog meer koelheid, dan tot nu toe het geval was geweest, zeide zij:
„Waarom, mijnheer Jones, geeft gij u de moeite om u te verdedigen, als men u niet beschuldigt? Als ik het de moeite waard achtte om u te beschuldigen, zou ik werkelijk met eene onvergeefelijker aanklagt voor den dag kunnen komen.”
„Wat is die, in ’s hemels naam?” vroeg Jones, die beefde en verbleekte bij het denkbeeld van zijne intrigue met Lady Bellaston te hooren.
„O,” zeide zij, „hoe is het mogelijk dat zoo veel edels en zoo veel laags in het zelfde hart vereenigd zijn!”
Lady Bellaston en de schandelijke omstandigheid, dat hij zich door haar liet onderhouden, kwamen hem weder voor den geest en legden hem het stilzwijgen op.
„Had ik ooit van u eene dergelijke behandeling kunnen wachten?” hervatte Sophia, „of van eenig man van eer? Mijn naam te hooren lasteren in het openbaar! In herbergen, onder het gemeenste volk! Om te moeten hooren, dat gij in zulk gezelschap u beroemd hebt op iedere kleine gunst, waartoe mijn argeloos hart zich ooit jegens u liet verleiden! Ja, om zelfs te moeten vernemen, dat gij verklaard hebt aan mijne liefde te moeten ontvlugten!”