Part 63
„Hoe dikwerf moet ik u toch herhalen,” vroeg Jones, „dat ik geen te huis heb, waarheen ik zou kunnen terugkeeren? Kon ik eenige hoop koesteren dat het huis van mijnheer Allworthy voor mij open zou staan, ik behoefde niet door den nood gedwongen te zijn eer ik daarheen ging;—ja, er is niets ter wereld dat mij één oogenblik beletten zou om hem op te zoeken, ware het niet, helaas, dat ik juist door hem zelven gebannen ben. Zijne laatste woorden waren,—o Partridge, ze klinken me nog in de ooren!—zijne laatste woorden waren, toen hij mij eene som gelds ter hand stelde,—hoeveel het was, weet ik niet, maar zeker was het iets aanzienlijks, zijne laatste woorden dan waren: „Van heden af, om welke reden ook, wil ik niets meer met u te maken hebben!””
Hier verstomde Jones een oogenblik van aandoening en Partridge van verbazing; maar deze herkreeg weldra het gebruik van zijn spraakvermogen, en na eene korte inleiding, waarin hij verklaarde volstrekt niet nieuwsgierig te zijn, vroeg hij, wat Jones toch bedoelde met „eene aanzienlijke som gelds; hij wist niet hoeveel,” en waar het toch gebleven was?
Op deze beide punten kreeg hij nu voldoende inlichtingen, en was bezig met zijne aanmerkingen er op te maken, toen hij gestoord werd door eene boodschap van mijnheer Nightingale, die zijn meester verzocht bij hem op de kamer te komen.
Toen de beide heeren voor de maskerade gekleed waren, en de heer Nightingale twee draagstoelen besteld had, geraakte Jones in eene verlegenheid, welke iets heel bespottelijks zal hebben voor vele mijner lezers. Dit was, hoe zich een shilling te verschaffen; maar als zulke lezers zich herinneren willen wat zij zelve ondervonden hebben als zij het gemis gevoelden van duizend pond, of welligt van slechts tien of twintig, om het eene of andere geliefkoosde plan uit te voeren, zullen zij een volmaakt begrip hebben van hetgeen de heer Jones nu ondervond. Hij wendde zich dus tot Partridge om deze som,—voor de eerste maal, dat hij hem iets had laten voorschieten,—en voor de laatste maal, zoo als hij zich voornam, dat de arme drommel iets in zijne dienst zou uitgeven. En, om de waarheid te zeggen, had Partridge in den laatsten tijd niets van dien aard aangeboden, hetzij hij verlangde dat Jones de banknoot zou aanspreken, of, door den nood gedrongen, weer naar huis zou gaan,—of om eenige andere reden;—maar dat zal ik niet beslissen.
HOOFDSTUK VII.
AL DE PRET VAN EENE MASKERADE.
Onze ridders bereikten nu den tempel waar Heydegger, de groote arbiter deliciarum, de hoogepriester van het genoegen, zijn verblijf houdt, en even als alle andere heidensche priesters, zijne volgelingen fopt door de gewaande aanwezigheid der godheid, terwijl er inderdaad geene godheid aanwezig is.
De heer Nightingale, na een paar maal met zijn makker op en neder gewandeld te hebben, verliet hem weldra, en ging met eene dame weg, terwijl hij zeide: „Nu dat gij eens hier zijt, mijnheer, moet gij verder voor u zelven zorgen.”
Jones begon nu levendig de hoop te koesteren dat zijne Sophia aanwezig was, en deze hoop maakte hem opgeruimder dan de verlichting, de muzijk en het gezelschap bij elkaar, hoewel dezen tamelijk sterke middelen zijn tegen de droefgeestigheid. Hij sprak ook iedere vrouw aan, die hij zag, welke in gestalte, houding of grootte eenige gelijkenis had met zijne beminde.
Jegens allen trachtte hij iets piquants te zeggen, dat een antwoord uitlokken moest, waardoor hij de stem herkennen kon, waarin hij het onmogelijk achtte, dat hij zich vergissen zou. Eenigen antwoordden met zelve te vragen, op eene piepende stem: „Kent gij mij?” Maar op verre na, de meesten zeiden: „Ik ken u niet, mijnheer!” en geen woord meer. Eenigen noemden hem „impertinent,” eenigen gaven hem in ’t geheel geen antwoord,—enkelen zeiden: „Wezenlijk, ik herken uwe stem niet en wil niets met u te maken hebben!” terwijl ook vele anderen hem zoo vriendelijk antwoordden als hij maar wenschen kon,—maar zonder dat hij de geliefde stem vernam.
Terwijl hij met eene dezer laatsten praatte,—die als herderin gekleed was,—naderde hem eene dame in een domino, en hem op den schouder tikkende, fluisterde zij hem in het oor: „Als gij langer met dat vrouwspersoon blijft praten, zal ik het aan mejufvrouw Western zeggen!”
Zoodra Jones dien naam hoorde, verliet hij zijne andere gezellin, en wendde zich tot de domino, haar biddende en smeekende hem bij Sophia te brengen, als zij zich in de zaal bevond.
De dame ging haastig naar het boveneinde van het binnenste vertrek eer zij sprak, en dáár, in plaats van hem antwoord te geven, ging zij zitten en verklaarde dat zij zeer vermoeid was. Jones nam plaats naast haar, en hield steeds vol met smeeken, tot de dame eindelijk heel koel antwoordde: „Ik had me verbeeld, dat de heer Jones een al te vurige minnaar was dan dat eenige verkleeding hem beletten kon zijne beminde te ontdekken.”
„Is zij dan hier, mevrouw?” vroeg Jones, eenigzins driftig. Waarop de dame hernam: „Bedaar, mijnheer! Gij zult de aandacht van iedereen op u vestigen! Ik geef u mijn woord van eer dat mejufvrouw Western niet hier is.”
Jones greep nu de gemaskerde dame bij de hand en smeekte haar, op de meest ernstige wijze om hem te zeggen waar hij Sophia vinden kon, en toen hij geen regtstreeksch antwoord uit haar krijgen kon, begon hij haar zacht te verwijten dat zij hem den vorigen dag zoo teleurgesteld had, en eindigde met te zeggen: „Waarlijk, mijne schoone koningin der feeën, ik ken uwe majesteit zeer goed, in weerwil van de wijze waarop gij tracht uwe stem te veranderen. Wezenlijk, mevrouw Fitzpatrick, het is wat wreed van u om u aldus ten mijnen koste te vermaken!”
De gemaskerde dame hernam: „Hoewel gij mij zoo slim herkend hebt, zal ik voortgaan met mijne stem te veranderen, om niet door anderen herkend te worden. Maar gelooft gij, mijnheer, dat ik niet te veel van mijne nicht houd, om eene liefdezaak tusschen u en haar te bevorderen, welke haar, zoowel als u zelven ongelukkig moet maken? Bovendien, ik verzeker u dat mijne nicht niet dolzinnig genoeg is om haren eigenen ondergang te zoeken, al zijt gij nog zoo zeer haar vijand, dat gij zoo iets van haar verlangt.”
„Helaas, mevrouw,” zei Jones, „gij kent mij zeer weinig, als gij mij voor een vijand van Sophia houden kunt!”
„Gij zult toch moeten bekennen,” hernam de gemaskerde dame, „dat het wel iets vijandigs is als men iemand te gronde rigten wil, en als men daardoor, willens en wetens, ook zich zelven ongelukkig maakt, is dat niet even dol en krankzinnig als misdadig? Nu bezit mijne nicht, mijnheer, slechts weinig meer dan haar vader haar geven zal,—dus slechts zeer weinig voor iemand van haar stand;—en gij kent haar vader en uwe eigene positie.”
Jones verklaarde dat hij geen voornemen van dien aard ten opzigte van Sophia koesterde; „dat hij liever den wreedsten dood wilde sterven dan hare belangen aan zijne wenschen opofferen. Hij zeide, dat hij wist hoe hij haar in alle opzigten onwaardig was, dat hij lang geleden besloten had al zulke hoogvliegende wenschen op te geven; maar dat zekere vreemde gebeurtenissen hem hadden doen verlangen haar nog éénmaal te zien,—om, dat beloofde hij, een laatst afscheid van haar te nemen. Neen, mevrouw,” eindigde hij, „mijne liefde is niet van dien verachtelijken aard, die alleen eigene voldoening zoekt op kosten van haar die ik boven alles bemin. Ik zou alles ter wereld willen opofferen om Sophia de mijne te noemen,—behalve Sophia zelve!”
Hoewel de lezer geen zeer verheven denkbeeld zal koesteren van de deugd der gemaskerde dame, en ofschoon het welligt later blijken zal, dat haar karakter juist niet een der verhevenste was, is het toch zeker dat deze edelmoedige gevoelens diepen indruk op haar maakten en de genegenheid zeer versterkten, welke zij reeds voor onzen jongen held opgevat had.
Na eenige oogenblikken van stilte, hernam de dame:
„Dat zij niet zoo zeer iets ongepasts, als wel iets zeer onvoorzigtigs zag in zijne aanspraken op Sophia’s hand. Jonge lieden,” zeide zij, „kunnen nooit te hoog vliegen. Ik houd van een jongen die eerzuchtig is, en ik zou in uwe plaats de eerzucht zoo veel mogelijk aankweeken. Misschien zult gij slagen bij diegenen die ver verheven boven u zijn in vermogen;—ja ik ben overtuigd dat er vrouwen zijn;—maar houdt gij mij niet voor een wonderlijk schepsel, mijnheer Jones, dat ik het waag om een man raad te geven, dien ik zoo weinig ken, en met wiens gedrag ten opzigte van mij zelve, ik zoo weinig reden heb te vreden te zijn?”
Jones begon zich nu te verontschuldigen en te hopen dat hij haar niet beleedigd had door iets dat hij van hare nicht gezegd had. Waarop de gemaskerde dame antwoordde: „Weet gij zoo weinig van ons geslacht, dat ge u verbeeldt eene dame ooit grievender te kunnen beleedigen dan door haar te onthalen op uwe liefde voor eene andere? Als de Feeën-koningin geen beter denkbeeld gekoesterd had van uwe beleefdheid, zou zij u bezwaarlijk op een gemaskerd hebben willen ontmoeten.”
Jones had nooit minder lust gevoeld om eene nieuwe liefdeszaak aan te knoopen dan op dit oogenblik; maar hoffelijkheid jegens de dames behoorde onder zijne grondbeginselen als man van eer, en hij beschouwde het evenzeer als pligt voor hem om eene uitdaging in de liefde als eene tot een gevecht aan te nemen. Ja, zelfs zijne liefde tot Sophia maakte het noodzakelijk voor hem op een goeden voet met deze dame te blijven, daar hij overtuigd was, dat het in hare magt stond om hem bij de andere te brengen.
Hij begon dus zeer vurig op haar laatste gezegde te antwoorden, toen een masker, als eene oude vrouw gekleed, zich bij hen voegde. Deze was eene dier dames, die alleen naar eene maskerade gaan, om haar kwaden luim bot te vieren, door de menschen onaangename waarheden te zeggen, en, gelijk men zegt, anderen zooveel mogelijk „de pret te bederven.”
Deze goede dame dan, Jones en de andere, die haar wel bekend was, in druk gesprek met elkaar in een hoek van de kamer gezien hebbende, besloot, dat zij hare kwaadaardigheid niet beter luchten kon dan door hen te storen. Zij viel hen dus dadelijk aan, verdreef hen weldra uit hunne afzondering, en vergenoegde zich niet eens daarmede, maar vervolgde hen overal waar zij heen vlugtten om haar te ontloopen, tot de heer Nightingale, zijn vriend in nood ziende, hem eindelijk redde en de oude dame overhaalde om nu anderen te gaan kwellen.
Terwijl Jones en de gemaskerde dame zamen door de zaal wandelden en zich van hunne vervolgster zochten te bevrijden, zag hij de dame verscheidene maskers aanspreken, met dezelfde gemeenzaamheid alsof zij niet verkleed waren. Hij kon niet nalaten zijne verbazing daarover te uiten, en zeide: „Gij moet zeker zeer scherpzinnig zijn, mevrouw, om al die menschen, in weerwil van hunne vermomming te herkennen!”
De dame hernam: „Gij kunt u niets laffer en kinderachtiger voorstellen dan eene maskerade voor menschen van de wereld, die, over het algemeen, elkaar hier even goed kennen als op eene partij of op een bezoek, en geene vrouw van aanzien zal ook, met wien het zij, spreken, dien zij niet kent. Met één woord, de meeste menschen, die gij hier ziet, komen eigenlijk alleen hier om den tijd te dooden, en als zij naar huis gaan, zijn zij gewoonlijk nog meer vermoeid dan na de langste preek. Om de waarheid te zeggen, het begint me ook zóó te gaan, en als ik de gave bezit van uwe gedachten te raden, bevalt het u hier niet veel beter dan mij. Ik geloof wezenlijk, dat het eene weldaad voor u zou zijn, als ik naar huis ging!”
„Ik weet slechts ééne weldaad, die daarmede in vergelijking komt,” riep Jones, „en die zou zijn, dat gij mij veroorloofdet u naar huis te brengen.”
„Wel!” hernam de dame, „gij hebt zeker een heel wonderlijk denkbeeld van mij opgevat, als gij u verbeeldt dat ik, die u zoo weinig ken, u op zulk een uur van den nacht bij mij toelaten zou! Gij zult, zonder twijfel, de vriendschap welke ik voor mijne nicht koester, aan eene andere beweegreden toeschrijven! Beken het maar eerlijk: gij beschouwt onze vooraf beraamde bijeenkomst hier als weinig anders dan een bepaald rendez-vous? Zijt gij er aan gewoon, mijnheer Jones, om zulke plotselinge veroveringen te maken?” „Ik ben er niet aan gewoon zelf zoo plotseling overwonnen te worden, mevrouw,” zei Jones. „Maar, nu gij mijn hart verrast hebt, heeft het overige gedeelte van mijn ligchaam het regt om u te volgen;—vergeef me dus als ik u vergezel, waar gij ook heen gaat.”
Hij liet deze woorden vergezeld gaan door eenige daden, welke daarmede overeenstemden, waarop de dame, na het hem zachtjes verweten te hebben, en zeggende dat hunne gemeenzaamheid in het oog vallen zou, zeide: „dat zij bij eene kennis ging souperen, waarheen zij hoopte dat hij haar niet volgen zou; want als gij dat doet,” vervolgde zij, „zal men mij voor een zeer ongerijmd wezen houden, hoewel mijne vriendin volstrekt niet ergdenkend is;—maar ik hoop toch, dat gij mij niet volgen zult;—ik verklaar niet te weten wat ik zeggen moet als gij dat doet!”
Kort daarop verliet de dame de zaal, en Jones, in weerwil van haar streng verbod, waagde het haar te volgen. Hij bevond zich thans weder in denzelfden nood als vroeger: hij had namelijk geen stuiver geld om een draagstoel te betalen en kon nu niets leenen. Hij stapte dus stout achter den draagstoel der schoone, gevolgd door een luid hoera der dragers, die zeer wijsselijk, steeds hun best doen om hunne meerderen af te schrikken van ooit te voet te gaan. Gelukkig echter dat de dragers, die naar de opera gaan, het te druk hadden om hunne praktijk op te geven, en daar het zoo laat was dat hij geen hunner kameraden op straat ontmoette, vervolgde hij onbelemmerd zijn weg in eene kleeding, welke op een ander uur een geheelen oploop veroorzaakt zou hebben.
De dame hield stil in eene straat niet ver van Hanover-square; de huisdeur werd wijd open gezet en de dame werd binnen gedragen, terwijl de heer haar zonder eenige pligtplegingen volgde.
Jones en zijne schoone bevonden zich thans in een zeer goed ingerigt verwarmd vertrek, en de dame, steeds met de piepende maskerstem sprekende, verklaarde verbaasd te zijn dat hare vriendin de afspraak scheen vergeten te hebben;—hierop drukte zij eerst hare groote verontwaardiging uit, en vervolgde met eenige vrees te uiten voor Jones, terwijl zij hem vroeg, wat de menschen er van denken zouden, als men hen op dat uur van den nacht zoo alléén daar vond?
Maar, in plaats van haar regtstreeks antwoord te geven op die gewigtige vraag, begon Jones de dame te smeeken om zich te ontmaskeren, waartoe hij haar eindelijk overhaalde,—en niet mevrouw Fitzpatrick, maar Lady Bellaston zelve zich aan zijne blikken vertoonde.
Het zou vervelend wezen om het gesprek verder te beschrijven, dat niets bevatte wat niet van zeer gewonen en dagelijkschen aard is, en dat van twee tot zes uur ’s morgens duurde. Genoeg als wij melding maken van hetgeen er in van belang was voor onze geschiedenis. En dit was, dat de dame beloofde haar best te doen om Sophia te ontdekken en hem in staat te stellen om haar te ontmoeten, onder voorwaarde dat het alleen zou zijn om afscheid van haar te nemen. Dit afgesproken zijnde,—en tevens eene tweede bijeenkomst dien avond op dezelfde plaats, scheidden zij:—de dame ging naar huis en Jones naar zijne kamers.
HOOFDSTUK VIII.
BEVATTENDE EEN TOONEEL VAN ELLENDE, DAT DE MEESTE LEZERS ZEER VREEMD ZAL TOESCHIJNEN.
Jones, eenige uren uitgerust hebbende, liet Partridge roepen, en hem eene banknoot van vijftig pond gevende, beval hij hem ze te gaan wisselen. Partridge ontving het papiertje met schitterende oogen, hoewel, toen hij over de zaak nadacht, hij niet nalaten kon eenige verdenking te koesteren, die niet zeer tot eer van zijn meester strekte, en waartoe het verschrikkelijke denkbeeld, dat hij van eene maskerade koesterde, en van de verkleeding, waarin Jones uitgegaan was, niet weinig bijdroeg. Met één woord, hij kon zich alleen het bezit van de banknoot door een diefstal verklaren, en, om de waarheid te bekennen, als de lezer niet veronderstelt, dat Jones ze te danken had aan de mildheid van Lady Bellaston, zal hij er ook geene andere verklaring voor kunnen vinden.
Ten einde dus de eer van den heer Jones te zuiveren, en om de milddadigheid der dame regt te doen, bekennen wij, dat hij de banknoot tot geschenk ontvangen had van deze dame, die, hoewel zij niet veel besteedde aan de dagelijksche liefdegiften van de wereld, het bouwen van hospitalen en dergelijke, niet geheel ontbloot was van die christelijke deugd en begreep (naar ik me verbeeld, met groot regt), dat een verdienstelijk jong mensch, die geen duit ter wereld bezat, geen ongeschikt voorwerp voor harer milddadigheid was.
De heeren Jones en Nightingale waren door jufvrouw Miller ten eten gevraagd. Op het bepaalde uur dan verschenen de beide heeren met de twee meisjes in de huiskamer, waar zij van drie tot bijna vijf uur wachtten eer de goede dame verscheen. Zij was uit de stad geweest, om eene harer betrekkingen te bezoeken, omtrent wie zij het volgende berigt gaf:
„Ik hoop, heeren, dat gij het mij niet kwalijk zult nemen, dat ik u heb laten wachten;—ik weet zeker dat als gij de reden wist——Ik ben er op uit geweest om eene nicht te bezoeken, ongeveer twee uren van hier, die nu in de kraam is.—Het moest eene waarschuwing zijn voor alle menschen” (met een blik op hare dochters), „om geen onverstandig huwelijk aan te gaan! Zonder ruimte van middelen, is er geen geluk in deze wereld! O, Nancy, hoe zal ik den ellendigen toestand beschrijven, waarin ik uwe arme nicht vond? Zij is naauwelijks eene week geleden bevallen, en daar lag zij, bij dit verschrikkelijk weder, op eene koude kamer, zonder gordijnen om het ledikant, en met geen enkelen bak steenkolen voor het vuur. Haar tweede zoon, zoo’n lief kereltje, ligt ter neder aan eene keelontsteking op dezelfde kamer, in hetzelfde bed met zijne moeder; want zij hebben geen tweede in huis. Die arme kleine Tommy! Ik vrees, Nancy, dat gij uwen lieveling nooit weer zult zien; want hij is hard ziek! De overige kinderen zijn redelijk gezond; maar ik vrees dat Molly een ongeluk zal krijgen;—die is slechts dertien jaren oud, mijnheer Nightingale, en toch heb ik van mijn leven zoo’n ziekenoppasster niet gezien: zij zorgt voor hare moeder en haar broertje, en wat verbazend is in zulk een jong schepseltje, zij is zoo opgeruimd mogelijk voor hare moeder,—en toch zag ik het arme kind, mijnheer Nightingale, zich in stilte omkeeren, om hare tranen af te droogen.”
Hier werd jufvrouw Miller door hare eigene tranen belet om voort te gaan, en ik geloof ook niet dat er een der aanwezigen was, die niet mede weende;—eindelijk echter bedaarde zij een weinig en vervolgde:
„Te midden van deze rampen, houdt zich ook de arme moeder verbazend goed. Het gevaar, waarin haar zoontje verkeert, drukt haar het zwaarst, en toch doet zij haar best om zelfs dit leed zooveel mogelijk, om den wille van haar man te verbergen. Soms echter, in weerwil van al hare inspanning, bezwijkt zij daaronder; want zij was altijd bijzonder verzot op dezen jongen, die wezenlijk een zeer verstandig, goedaardig wezen is. Ik betuig, dat ik van mijn leven niet zóó aangedaan ben geweest, als toen het schepseltje, dat naauwelijks zeven jaar oud is, zijne moeder, die over hem heen lag te weenen, smeekte om gerust te zijn.—„Wezenlijk, moeder,” riep het kind, „ik zal niet sterven. Ik weet zeker dat onze lieve Heer Tommy niet wegnemen zal,—en al is het nog zoo mooi in den hemel, ik blijf liever hier honger lijden met u en vader, dan daarheen te gaan!” Neemt het me niet kwalijk,—ik kan het niet laten,”—zeide zij, de tranen afvegende, „zulke gevoeligheid en liefde in een kind!—En toch is hij welligt het minst van allen te beklagen; want misschien, zal hij binnen een dag of wat van alle menschelijke ellende bevrijd zijn. De vader is echter diep te beklagen. De arme man! Men kan hem zijn ongeluk op het gezigt lezen; hij ziet er eerder uit als een lijk dan een levend mensch. Mijn hemel! Dat was een tooneel toen ik eerst in de kamer trad! De goede man had den arm onder de kussens, zijne vrouw en zijn kind tegelijk ondersteunende. Hij had niets aan dan een dun vest; want hij had den rok over het bed gespreid, om in het gebrek aan dekens te voorzien.—Toen hij bij mijn binnentreden opstond, herkende ik hem ter naauwernood. Veertien dagen geleden, mijnheer Jones, was hij zoo’n knap mensch als gij er ooit een gezien hebt;—mijnheer Nightingale heeft hem wel eens ontmoet. Zijne oogen stonden hol, zijn gelaat was bleek en met een langen baard bedekt. Hij rilde ook van de koude en was uitgeput van den honger; want nicht zegt, dat het haar moeite kost om hem te bewegen iets te gebruiken. Hij vertelde me zelf,—fluisterend,—ik kan het er haast niet uitkrijgen,—dat hij er niet toe komen kon het brood te eten dat zijne kinderen zoo noodig hadden. En toch,—zult gij het willen gelooven, heeren?—was de kandeel voor zijne kraamvrouw zoo goed alsof zij in den grootsten overvloed leefden;—ik heb er nooit betere geproefd!—Hij zeide, dat hij geloofde dat een engel uit den hemel hem van de middelen voorzien had om ze haar te verschaffen;—ik begreep hem echter niet;—en had den moed niet om hem eene enkele vraag te doen. Dat was wat men noemt een huwelijk uit liefde, van weerskanten, dat wil zeggen, twee bedelaars trouwden met elkaar. Ik moet wel bekennen dat ik nooit van mijn leven een liefderijker paar gezien heb;—maar waartoe dient hunne liefde, tenzij om elkaar te kwellen?”
„Wezenlijk, mama,” riep Nancy, „ik heb altijd nicht Anderson, (zoo heette zij), voor eene der gelukkigste vrouwen ter wereld gehouden.”
„En ik ben overtuigd,” hernam jufvrouw Miller, „dat zoo als de zaken nu staan, het niet zóó is; want iedereen had kunnen zien dat teedere deelneming in elkaars leed, het onverdragelijkste gedeelte van hunne ellende uitmaakt,—zoo wel voor den man als voor de vrouw, en in vergelijking daarvan gevoelen zij naauwelijks honger of koude, wat hunne eigene personen betreft.—Ja, zelfs de kinderen, van welke het jongste nog geen twee jaar oud is, toonen alles op dezelfde wijze te gevoelen; want zij houden allen veel van elkaar en als zij maar geld genoeg hadden, zouden zij de gelukkigste menschen ter wereld zijn!”
„Ik heb zeker nooit iets opgemerkt dat minder goed was bij hen in huis,” hernam Nancy, „en mijn hart bloedt na al hetgeen gij ons verteld hebt.”
„Ja kind,” hervatte de moeder, „zij heeft altijd haar best gedaan om alles van den besten kant te bekijken. Zij zijn altijd zeer behoeftig geweest; maar deze groote nood is hun werkelijk door anderen berokkend. De arme man was borg gebleven voor zijn broeder, die een schurk is, en ongeveer acht dagen geleden,—juist den dag vóór hare bevalling,—werd hun boeltje opgepakt en geregtelijk verkocht. Hij zond mij er berigt van door een der deurwaarders; maar de schelm bezorgde het briefje niet.—Wat moest hij van mij denken toen ik eene geheele week liet voorbijgaan zonder dat hij iets van mij vernam?”
Jones kon dit verhaal niet met drooge oogen aanhooren, en toen het ten einde was, nam hij jufvrouw Miller ter zijde op eene andere kamer, en haar de beurs gevende, waarin zich de vijftig pond sterling bevonden, verzocht hij haar zooveel er van te nemen als haar noodig scheen, ten behoeve dier arme menschen. Het is niet gemakkelijk den blik te beschrijven, welken jufvrouw Miller op Jones liet vallen bij deze woorden. Zij barstte het uit in eene vlaag van vreugdetranen, en riep: „Goede hemel! Is het mogelijk dat er nog zulk een mensch op aarde bestaat!”—Maar, zich bedenkende, voegde zij er bij: „Ja, zoo een ken ik zelve! Maar is het mogelijk dat er een tweede zij?”
„Naar ik hoop, jufvrouw,” riep Jones, „zijn er zeer velen met dagelijksche menschlievendheid bezield; want men kan het in met eer noemen, als men de rampen zijner medeschepselen tracht te verzachten.”