Part 62
Om den lezer in te lichten, diene dat de edele Lord, om de eene of andere reden,—misschien om den goeden naam der dame,—er op gestaan had, dat zij den heer Jones niet meer ontvangen zou, dien hij een „gemeenen schooijer” noemde en de dame had hem zijn zin gegeven en de belofte afgelegd, welke wij haar thans zoo standvastig zien houden.
Daar echter de lezer welligt een betere meening heeft omtrent den jongen heer dan deze dame, en zelfs eenige vrees kan koesteren dat hij gedurende zijne ongelukkige scheiding van Sophia genoodzaakt was in eene herberg, of op straat te vertoeven, zullen wij nu het een en ander mededeelen omtrent zijne woning, welke in een zeer fatsoenlijk huis was, in eene zeer aanzienlijke buurt.
De heer Jones had namelijk den heer Allworthy dikwerf hooren spreken van de dame in wier huis hij zijn intrek nam, als hij naar de stad moest. Deze dame, die, zooals Jones gehoord had, in Bond-street woonde, was de weduwe van een predikant, en werd bij den dood van haar man in het bezit gelaten van twee dochters en van een bundel geschreven preken.
Van deze twee dochters had thans Nancy, de oudste, den leeftijd van zeventien jaren bereikt, terwijl Betsy, de jongste, tien jaar oud was.
Bij haar had Jones Partridge gevonden, en in dit huis kreeg hij eene kamer voor zich zelven op de tweede en eene voor Partridge op de vierde verdieping.
De eerste verdieping werd bewoond door een van die jonge heeren, die den naam hadden van „voor hun pleizier” te leven;—en niet zonder regt; want daar men de menschen gewoonlijk rangschikt naar hunne bezigheden, of beroep, kan men ook verklaren, dat pleizier maken de eenige bezigheid of beroep was van die heeren, welke door hun vermogen verheven waren boven alle wettige werkzaamheden. Schouwburgen, koffij- en wijnhuizen waren de plaatsen waar zij zich vereenigden. Geestigheid en scherts vermaakten hen in uren van uitspanning, en de liefde was de bezigheid van meer ernstige oogenblikken. De wijn en de Muzen werkten zamen om de schitterendste vlammen in hun hart te doen ontbranden:—zij beperkten zich ook niet slechts tot het bewonderen; maar sommigen waren zelfs in staat om de schoonheid, welke zij bewonderden, te bezingen, en allen waren bevoegd om dergelijke uitboezemingen te beoordeelen.
Zoodanig waren dan vroeger de heeren die „voor hun pleizier” leefden; maar ik twijfel zeer of men even gepast dezelfde benaming zou kunnen geven aan die jonge heeren uit onze dagen, die dezelfde eerzucht koesteren van zich te onderscheiden. Van de geestigheid weten zij zeker niets af. Om hun regt te doen, vliegen zij iets hooger dan hunne voorgangers, en men zou hen „liefhebbers van wijsheid en kunst” kunnen noemen.
Dus, op een leeftijd waarop bovengenoemde heeren bezig waren met op eene schoone vrouw een feestdronk in te stellen, of om sonetten op haar te maken,—met, in den schouwburg hun oordeel te vellen over een tooneelstuk,—of bij Will’s of Button een gedicht te bespreken,—overleggen deze heeren thans hoe zij eene kiezersvereeniging zullen omkoopen,—bedenken eene redevoering voor het parlement, of liever eene verhandeling voor de tijdschriften, terwijl de wetenschap van het spel vooral hunne gedachten bezig houdt. Dit zijn de studiën van hunne ernstige uren, terwijl zij voor hun vermaak het uitgestrekte gebied hebben van den kunstliefhebber: schilderijen, muzijk, beeldhouwkunst, en de natuurlijke, of liever de onnatuurlijke wijsbegeerte, welke het wonderbaarlijke opdischt, en van de natuur niets anders kent dan hare monsters en onvolmaaktheden.
Nadat Jones den heelen dag in vergeefsche pogingen had aangewend om mevrouw Fitzpatrick te zien, keerde hij eindelijk troosteloos naar zijne kamers terug. Hier, terwijl hij in stilte zijn lot beklaagde, hoorde hij een hevig geraas beneden aan de trap, en eene vrouwenstem, die hem om hulp riep en hem smeekte om een moord te komen beletten. Jones, die nooit eenige gelegenheid verzuimde om de ongelukkigen bij te staan, vloog dadelijk naar beneden, trad in de voorkamer en zag voormelden wijzen en kunstminnenden jongen heer, door zijn eigen knecht vast tegen den muur geklemd, terwijl eene jonge dame die er bij stond, de handen wrong en uitriep: „Moord! Moord! Hij zal hem vermoorden!” en inderdaad de arme man scheen gevaar te loopen van gewurgd te worden, toen Jones tot zijne hulp opdaagde en hem redde juist op het oogenblik dat hij gereed scheen den adem uit te blazen onder de onbarmhartige handen van zijn vijand.
Hoewel deze verscheidene trappen en stompen ontvangen had van den kleinen heer, die meer moed dan kracht bezat, beschouwde de knecht het toch als eene soort van gewetenszaak om zijn meester te slaan, en zou zich te vreden gesteld hebben met hem te wurgen; maar koesterde minder eerbied voor Jones. Zoodra hij zich dan wat ruw aangevallen zag door dezen nieuwen tegenstander, gaf hij hem een van die stompen in de ingewanden, welke, ofschoon, zij op het kampvechters-tooneel van den heer Broughton den toeschouwers oneindig veel genot verschaffen, slechts weinig genoegen doen aan diegenen, welke ze ontvangen.
De krachtige jongeling had naauwelijks dezen slag ontvangen, of hij gaf hem met woeker terug, en thans volgde er een strijd tusschen Jones en den knecht, die woedend maar zeer kort was; want deze kerel was evenmin bestand tegen Jones, als zijn meester tegen hem bestand was geweest.
En nu had Fortuna, volgens hare gewoonte, de zaken omgekeerd. De vorige overwinnaar lag ademloos op den grond uitgestrekt, en de overwonnene heer had adem genoeg gekregen, om den heer Jones voor zijne tijdige hulp te danken, terwijl hij mede hartelijk bedankt werd door de jonge dame die aanwezig was, en die niemand anders bleek te zijn dan jufvrouw Nancy, de oudste dochter des huizes.
De knecht, nu weer opgestaan zijnde, schudde het hoofd tegen Jones en zeide met een sluwen blik: „Neen verd—! Tegen jou zal ik het niet meer opnemen! Gij hebt eene goede school doorgemaakt,—of de drommel zal mij halen!”
En inderdaad, wij mogen hem dit vermoeden te goed houden; want onze held was zoo vlug en sterk dat hij welligt bestand zou zijn geweest tegen een boxer van beroep en gemakkelijk al de met den handschoen gepromoveerden van den heer Broughton zou beschaamd hebben. [16]
De meester nu, schuimbekkende van woede, beval den knecht om dadelijk de liverei uit te trekken, waartoe deze terstond gereed was, mits hij zijn loon kreeg. Die voorwaarde werd dadelijk vervuld en daarmede werd hij ontslagen.
Daarop drong de jonge heer, die Nightingale heette, er sterk op aan dat zijn bevrijder een glas wijn met hem gebruiken zoude, waarin Jones, na zich lang te hebben laten smeeken, toestemde; ofschoon eerder uit beleefdheid dan uit neiging; want zijne ongerustheid maakte hem op dat oogenblik weinig voor de gezelligheid geschikt.
Mejufvrouw Nancy, het eenige vrouwelijke wezen in huis daar hare moeder en hare zuster beiden naar de komedie waren gegaan, verwaardigde zich insgelijks hen met haar gezelschap te vereeren.
Zoodra de flesch en de glazen op tafel stonden, begon de heer Nightingale de aanleiding tot de pas ontstane rustverstoring uit te leggen.
„Ik hoop, mijnheer,” zeide hij tot Jones, „dat gij uit hetgeen gebeurd is, niet besluiten zult dat het mijne gewoonte is om mijne dienstboden te slaan; want ik kan u verzekeren dat, zoolang ik me herinneren kan, dit de eerste keer is dat ik me aan zoo iets schuldig heb gemaakt, en juist dezen kerel had ik vele lastige gebreken vergeven, eer hij mij zoo ver bragt;—maar, als gij verneemt wat er heden avond gebeurd is, zult gij denkelijk gelooven dat ik wel te vergeven ben. Bij toeval kwam ik een uur of wat vroeger dan gewoonlijk te huis, en vond vier heeren in liverei bezig met whist te spelen bij mijn vuur,—en mijn „Hoyle’s Whistspeler,” mijnheer,—mijn nieuwen Hoyle, die me een guinje gekost had, open op tafel, met een glas bier gestort op een der gewigtigste bladzijden van het boek. Gij zult bekennen dat dit eigenlijk al genoeg was; maar ik zei niets, tot het lieve gezelschap zich verwijderd had, toen ik den kerel een zacht verwijt deed, die, in plaats van eenig leedwezen te betoonen, mij het onbeschofte antwoord gaf, „dat dienstboden, even goed als andere menschen, hunne genoegens moeten hebben; dat het hem speet, dat er iets aan het boek gekomen was; maar dat vele zijner kennissen zoo’n boek voor een shilling gekocht hadden, en dat ik hem die som van zijn loon korten mogt, als ik dat verkoos.” Ik verweet hem nu zijn gedrag strenger dan te voren, en de schelm had toen de onbeschaamdheid om,—met één woord, hij zeide dat ik alleen vroeger naar huis was gekomen om,—om,—hij drukte zich met de meeste onbeschaamdheid uit;—hm,—hij zeide iets, met één woord, ten nadeele dezer jonge dame, dat mij bovenmate vertoornde en mijn geduld uitputte, en in mijne drift gaf ik hem een slag.”
Jones hernam, „dat hij geloofde dat geen mensch ter wereld hem zoo iets kwalijk kon nemen; en wat mij betreft,” zeide hij, „zou ik hem, als hij mij zoo getergd had, ook op dezelfde wijze behandeld hebben.”
Ons gezelschap was nog niet lang bijeen geweest toen het vermeerderd werd door de moeder en dochter, die van den schouwburg te huis kwamen. Zij sleten nu allen een zeer aangenamen avond; want allen, behalve Jones, waren zeer opgeruimd, en zelfs hij deed zijn best om zoo vrolijk mogelijk te schijnen. Inderdaad, de helft van zijn natuurlijken levenslust, gevoegd bij zijne groote goedaardigheid, was genoeg om hem zeer beminnelijk in den omgang te maken, en in weerwil van zijne droefgeestigheid, maakte hij zich nu zoo aangenaam dat, toen zij scheidden, de jonge heer ernstig smeekte om nader kennis met hem te mogen maken. Jufvrouw Nancy was ook zeer met hem ingenomen, en de weduwe, geheel bekoord door den nieuwen huisgenoot, noodigde hem, met den andere, den volgenden morgen op het ontbijt.
Jones was, van zijn kant, niet minder voldaan. Wat jufvrouw Nancy betreft, hoewel een heel klein ding, was zij zeer mooi, en de weduwe prijkte met al de bekoorlijkheden, welke eene vrouw van bijna vijftigjarigen leeftijd versieren kunnen. Zij was ook tevens een der onschuldigste en meest opgeruimde wezens ter wereld. Zij dacht, noch sprak, noch begeerde iets kwaads, en was bezield met dien gestadigen wensch om te behagen,—die in zoo ver de gelukkigste aller wenschen is, dat hij zelden,—zoo hij niet door gemaaktheid, verijdeld wordt,—zijn doel mist. Met één woord hoewel, er slechts weinig in hare magt was, bleef zij in haar hart steeds eene zeer getrouwe vriendin. Zij was eene uiterst liefderijke echtgenoote geweest, en was thans ook eene zorgzame en teedere moeder.
Daar onze geschiedenis geene courant is, die luide den roem verkondigt van menschen van welke men vroeger nooit iets gehoord heeft en van wie men nooit verder iets vernemen zal, moet de lezer inzien dat deze uitstekende vrouw later blijken zal eene belangrijke rol te spelen in ons verhaal.
Jones was ook niet weinig ingenomen met den jongen heer, die hem op een glas wijn verzocht had. Hij dacht dat hij veel gezond verstand bij hem ontdekt had, hoewel het een weinig bedorven was door de kwasterigheid der hoofdstad; maar hetgeen hem het meest aan Jones aanbeval, waren eenige zeer edelmoedige en menschlievende gevoelens, die hij zich tusschenbeide liet ontvallen, en vooral vele uitdrukkingen omtrent het in acht nemen der grootste onbaatzuchtigheid in alle liefdezaken. Over dit onderwerp drukte zich de jonge heer uit in eene taal die een Arkadischen herder uit den ouden tijd zich niet zou hebben behoeven te schamen, en welke zeer verwonderlijk scheen als men ze hoorde vloeijen van de lippen van een hedendaagschen man van de wereld;—maar dit laatste was hij alleen uit navolgingszucht;—de natuur had hem tot iets veel beters bestemd.
HOOFDSTUK VI.
HETGEEN ER GEBEURDE TERWIJL HET GEZELSCHAP BIJ HET ONTBIJT ZAT, MET EENIGE WENKEN OMTRENT DE OPVOEDING VAN DOCHTERS.
Ons gezelschap kwam den volgenden morgen bijeen, even vriendschappelijk gezind als het den vorigen avond gescheiden was; alleen de arme Jones was zeer mistroostig; want hij had pas van Partridge vernomen, dat mevrouw Fitzpatrick plotseling verhuisd was, zonder dat het hem gelukte te vernemen waar zij heen gegaan was. Dit nieuws trof hem zeer en zijn gelaat, zoo wel als zijne houding gaven, in weerwil van al zijne pogingen om het te verbergen, de duidelijkste blijken van zijne hevige ontroering.
Het gesprek liep nu weder, even als vroeger, over de liefde, en de heer Nightingale uitte op nieuw vele van die hartstogtelijke, edelmoedige en onbaatzuchtige gevoelens op dit punt, welke door wijze en bedaarde mannen „romanesk” genoemd worden, maar die wijze en bedaarde vrouwen gewoonlijk uit een gunstiger oogpunt beschouwen. Mejufvrouw Miller (zoo als de vrouw des huizes heette), keurde deze gevoelens zeer goed; maar als de jonge heer zich op hare dochter Nancy beriep, gaf deze slechts ten antwoord, „dat zij geloofde dat de mijnheer die het minst gesproken had, juist het diepste gevoelde.”
Dit compliment was zoo blijkbaar tot Jones gerigt, dat het ons gespeten zou hebben als hij het stilzwijgend had laten voorbij gaan. Hij gaf haar dan ook een zeer beleefd antwoord, en eindigde met een zijdelingschen wenk, dat haar eigen stilzwijgen haar zelve aan een dergelijke opmerking blootstelde; want zij had inderdaad den vorigen avond, noch thans, de lippen haast niet open gedaan.
„Ik ben blijde, Nancy,” zei jufvrouw Miller, „dat mijnheer dat opgemerkt heeft;—en ik verklaar dat ik bijna van zijne meening ben. Wat scheelt u toch, kind? Ik heb nooit zoo’n verandering gezien. Waar is al uwe vrolijkheid gebleven? Zoudt gij het gelooven, mijnheer?—Ik noemde haar altijd de kleine praatster. En nu heeft zij de geheele week geen tien woorden gesproken!”
Hier werd het gesprek gestoord door het binnentreden van eene dienstmeid met een pakje in de hand, hetwelk, naar zij zeide, door een kruijer afgegeven was voor den heer Jones. Zij voegde er bij, dat de man dadelijk weer weggegaan was, zonder op antwoord te willen wachten.
Jones gaf eenige verwondering hierover te kennen en verklaarde dat er eene vergissing bij plaats gevonden moest hebben; maar daar de meid volhield dat zij zeker was den naam goed gehoord te hebben, begeerden de vrouwen het pakje te openen, wat eindelijk, door de kleine Betsy gedaan werd,—met toestemming van den heer Jones, en men ontdekte dat de inhoud bestond uit een domino, een masker, en een kaartje voor eene maskerade.
Jones gevoelde zich thans nog meer dan vroeger overtuigd dat het pakje bij vergissing voor hem afgegeven was en jufvrouw Miller zelve drukte eenigen twijfel uit en zeide, „dat zij niet precies wist wat zij er van denken moest.”
Maar de heer Nightingale, toen men hem zijn gevoelen vroeg, uitte zich in een geheel tegenovergestelden zin. „Al wat ik er uit opmaak, mijnheer, is dat gij een zeer gelukkig mensch zijt; want ik koester hoegenaamd geen twijfel, dat deze dingen u gezonden zijn door de eene of andere dame, die gij het genoegen zult hebben op het gemaskerd bal te ontmoeten.”
Jones was niet ijdel genoeg om zich met zulk een vleijend denkbeeld te streelen, en jufvrouw Miller stemde ook niet sterk in met wat door den heer Nightingale beweerd werd, totdat, toen jufvrouw Nancy den domino op nam, er een kaartje uit de mouw viel, waarop geschreven stond:
„Aan den heer Jones.
„De feeënkoningin, die u haar gaven biedt, Roept met die gift u toe: misbruik haar goedheid niet.”
Mejufvrouw Miller en hare dochter Nancy werden het nu beide met den heer Nightingale eens, en Jones zelf liet zich haast overhalen om dezelfde meening te omhelzen. En daar hij zich verbeeldde, dat de eenige dame die zijne woning kende, mevrouw Fitzpatrick moest zijn, begon hij zich met de hoop te vleijen dat alles van haar kwam, en dat hij welligt zijne Sophia ontmoeten zou. Deze hoop had wel is waar weinig grond; maar daar het gedrag van mevrouw Fitzpatrick, die in weerwil van hare belofte om hem te ontvangen, hem niet had willen zien, zoo vreemd en onverklaarbaar was, koesterde hij de flaauwe hoop dat zij (van wier grilligheid hij vroeger gehoord had), hem welligt op deze wonderlijke wijze, eene dienst wilde bewijzen, welke zij hem op eene meer eenvoudige wijze geweigerd had. Om de waarheid te zeggen, daar er uit zulk eene verrassende en vreemde gebeurtenis niets zekers op te maken was, had hij ook de grootste vrijheid om zich de meest hersenschimmige gevolgen daarvan te verbeelden. Daar hij ook van aard zeer levendig was, gaf hij thans den vrijen loop aan zijne verbeelding en stelde zich duizenderlei beelden voor van eene gelukkige ontmoeting met zijne lieve Sophia dienzelfden avond.
Zoo gij, lezer, mij iets goeds toewenscht, zal ik u dat vergelden door u zelven die opgeruimdheid toe te wenschen, daar ik,—na veel gelezen en gedacht te hebben over het menschelijke geluk, een onderwerp dat zoo vele beroemde pennen bezig gehouden heeft,—bijna geneigd ben het te stellen in het bezit van deze gemoedsstemming, die ons, in zekere mate, buiten het bereik van het noodlot plaatst, en ons, zonder zijn toedoen, gelukkig maakt. En werkelijk zijn de aangename gewaarwordingen welke wij daaraan te danken hebben, veel standvastiger en levendiger dan die welke de blinde geluksgodin ons schenkt; daar de natuur het wijsselijk zoo ingerigt heeft, dat alle onze genietingen zelfs de voortreffelijkste, een gevoel van verzadiging en afgematheid te weeg brengen,—ten einde te beletten dat wij niet zoo zeer daarmede vervuld worden, dat ze ons van alle andere bezigheden afleiden. Ik twijfel dus niet, dat op die wijze, de pas gepromoveerde advokaat, die zich verbeeldt in de toekomst groot kanselier van het rijk te worden,—en de jonge geestelijke, die zich later aartsbisschop verbeeldt te worden, gelukkiger zijn dan diegenen welke werkelijk in het bezit zijn van al de magt en al de voordeelen aan die hooge ambten verbonden.
De heer Jones besloot dus dien avond naar het gemaskerde bal te gaan, en de heer Nightingale bood aan om hem te vergezellen. Terzelfder tijd bood hij ook aan om kaartjes te nemen voor jufvrouw Nancy en hare moeder,—wat echter de goede vrouw van de hand wees.
Zij zeide, „dat zij zooveel kwaad, als sommige menschen er in zagen, in een gemaskerd bal niet zag; maar dat zulke kostbare vermakelijkheden alleen geschikt waren voor menschen van rang en vermogen, en niet voor jonge meisjes, die zelve den kost verdienen moesten, en op zijn best hopen konden de vrouw van den een of anderen winkelier te worden.”
„Een winkelier!” riep Nightingale. „Gij moet Nancy niet te gering schatten! Er is geen edelman ter wereld te goed voor haar!”
„O foei, mijnheer Nightingale!” hernam jufvrouw Miller, „gij moest het arme kind zulke gekheden niet in het hoofd zetten; maar als zij ooit het geluk had,” voegde zij er met een glimlach bij, „om een fatsoenlijken heer te vinden, die zoo dacht als gij, dan hoop ik, dat zij zijne edelmoedigheid beter beloonen zou dan door zich aan dergelijke uitspattingen over te geven. Inderdaad, als jonge meisjes zelve een groot vermogen mede brengen, hebben zij het regt om haar eigen geld uit te geven, en om die reden heb ik de heeren wel eens hooren zeggen, dat een man soms beter doet met eene arme dan met eene rijke vrouw te nemen. Maar wie ook mijne dochters trouwen, ik zal trachten te maken dat hare echtgenooten een schat aan haar hebben;—ik verzoek u dus mij niet over maskerades te spreken. Nancy, dat weet ik, is veel te verstandig om er heen te willen gaan; want zij zal zich wel herinneren, dat toen gij haar verleden jaar daarheen medenaamt, het haar het hoofd bijna op hol bragt, en dat het eene maand duurde eer zij bij haar naaiwerk en haar vroeger doen eenige rust vond.”
Hoewel een zachte zucht, door Nancy geslaakt, eenige geheime afkeuring van deze gevoelens scheen te kennen te geven, durfde zij ze niet openlijk weerleggen. Want de goede vrouw had, in weerwil van al hare teederheid, ook haar moederlijk gezag bewaard, en uit vrees voor de veiligheid en het toekomstig geluk harer dochters, liet zij nooit toe dat de bevelen, welke daarop gegrond werden, verzuimd of tegengegaan werden. En de jonge heer, die al twee jaren bij haar in huis gewoond had, wist dit zoo goed, dat hij dadelijk in hare weigering berustte.
De heer Nightingale, die met elk oogenblik meer met Jones ingenomen werd, verlangde zeer dat deze heer met hem dien dag eten zou in een wijnhuis, waar hij aanbood om hem met eenige zijner vrienden bekend te maken; maar Jones verontschuldigde zich, met te zeggen, „dat zijne kleeren nog niet in de stad aangekomen waren.”
Om de waarheid te zeggen, was de heer Jones nu in een toestand, waarin zich soms jonge heeren bevinden van veel betere positie dan hij. Met één woord, hij had geen duit meer op zak, een toestand waarmede de oude wijsgeeren veel meer ingenomen waren dan de hedendaagsche wijzen, die in de nabijheid van de beurs wonen, of den chocolaat-winkel van White bezoeken. Welligt is de groote eer welke die wijsgeeren aan een leegen zak bewijzen, ééne der redenen van die diepe verachting waarmede zij aan genoemde beurs en in voormelden winkel beschouwd worden.
Als nu de oude meening, dat de mensch zeer goed alleen van de deugd leven kan, een dwaling is, zoo als de hedendaagsche wijzen, die wij pas vermeld hebben, gelooven ontdekt te hebben, beweer ik, dat het niet minder verkeerd is te stellen, met sommige romanschrijvers, dat de mensch alleen van de liefde leven kan. Want, hoe heerlijk die ook sommige onzer zinnen en lusten streelen moge, is het zeker dat wij er velen hebben, welke er niets aan hebben. Diegenen dus, die in dergelijke schrijvers te veel vertrouwen stelden, zagen hunne dwaling in als het te laat was, en hebben ondervonden dat de liefde evenmin in staat is den honger te stillen, als eene roos om het gehoor te streelen, of de violine om den neus te vergasten.
In weerwil dus van al de lekkernijen welke de liefde hem voorgezet had,—namelijk de hoop om Sophia op het gemaskerde bal te ontmoeten, en waarop hij (hoe ongegrond ze ook zijn mogt) den heelen dag zijne weelderige verbeelding vergast had, begon de heer Jones, zoodra de avond viel, naar voedsel van groveren aard te verlangen.
Partridge ontdekte dit door intuïtie, en nam de gelegenheid waar om eenige zijdelingsche wenken te geven omtrent de banknoot, en toen deze met minachting verworpen werden, verzamelde hij weder zijn moed om te spreken van eene terugreis naar den heer Allworthy.
„Partridge!” riep Jones, „gij kunt u mijn toestand niet wanhopiger voorstellen dan ik dat doe;—en ik begin er hartelijk berouw over te gevoelen, dat ik u van eene plaats, waar gij gevestigd waart, liet weggaan, alleen om mij te volgen. Maar nu sta ik er toch op, dat gij naar huis gaat, en ik verzoek u al de kleeren, welke ik bij u gelaten heb, als eene kleine vergoeding te beschouwen voor de onkosten en moeite welke gij u om mijnentwil hebt getroost. Het spijt me dat ik u niets anders aanbieden kan.”
Hij was zoo aangedaan toen hij deze woorden uitte, dat Partridge, die onder al zijne ondeugden, geene ongevoeligheid of hardvochtigheid telde, in tranen uitbarstte, en zwerende dat hij hem nooit in den nood verlaten zou, er ernstig op begon aan te dringen, dat hij naar huis terugkeeren zou.
„In ’s hemels naam, mijnheer,” riep hij, „bedenk wel wat gij doet! Hoe is het mogelijk in Londen te leven zonder geld? Wat gij ook doet, mijnheer, of waarheen gij ook gaat, ik heb besloten bij u te blijven. Maar, mijnheer, om uw eigen wil, bid ik u, overleg wel wat u te doen staat en ik ben overtuigd dat uw eigen gezond verstand u zeggen zal dat gij weer naar huis moet gaan!”