Part 69
„Ik verzeker u, mijnheer,” riep Jones, „dat zij ze alle in hooge mate bezit. Ik moet echter bekennen, dat ik van mijn kant vreesde, dat gij zelf iets minder gunstig gestemd zoudt zijn voor het huwelijk; want uw zoon vertelde me, dat gij nooit de dame gezien hadt;—ik kwam dus eigenlijk, mijnheer, u bidden en smeeken, als gij eenigen prijs stelt op het geluk van uw zoon, om zijn huwelijk niet af te keuren met eene vrouw, die niet slechts de gaven bezit, welke ik opgenoemd heb, maar nog veel meer bovendien.”
„Als dat uwe boodschap was, mijnheer,” hernam de vader, „zijn wij beiden u zeer veel verpligt, en gij kunt volkomen gerust wezen; want ik geef u mijn woord, dat ik zeer voldaan ben met wat zij ten huwelijk mede brengt.”
„Mijnheer,” riep Jones; „mijn eerbied voor u vermeerdert met elk oogenblik. Dat gij zoo ligt tevreden, zoo matig zijt op dat punt, is een bewijs van uw gezond verstand evenzeer als van uwe edele denkwijze!”
„Van overgroote matigheid zullen we niet spreken, jonge heer,” hernam de vader.
„Gij toont hoe langer zoo meer edelmoedigheid,” zei Jones, „en vergeef me als ik ook zeg, verstand; want het is zeker weinig minder dan razernij om het geld te beschouwen als den eenigen grondslag van het geluk. Zulk eene vrouw als deze, met haar gering, haar nietig fortuintje—”
„Naar ik zie, vriend,” hernam de oude heer, „hebt gij een eenigzins vreemd denkbeeld van de waarde van het geld;—of gij zijt beter met de persoon der dame dan met hare omstandigheden bekend. Wel! Op hoeveel taxeert gij het vermogen der dame?”
„Vermogen?” riep Jones. „Het is niet noemenswaardig bij dat van uw zoon vergeleken.”
„Nu, nu,” hernam de andere, „hij had welligt beter kunnen doen.”
„Dat moet ik ontkennen,” zei Jones, „want eene betere vrouw ken ik niet.”
„Ja, ja, maar ik spreek van het geld,” hernam de andere,—„en toch;—zeg maar hoeveel denkt gij dat uw vriend met zijne vrouw meê krijgt?”
„Hoe veel?” vroeg Jones; „hoe veel? Wel! Op zijn hoogst twee honderd pond.”
„Houdt ge me voor den gek, jonge heer?” vroeg de vader, beginnende boos te worden.
„Neen,—dat niet, op mijn woord,” hernam Jones. „Ik spreek in ernst. Ik geloof niet dat zij een duit meer zal krijgen,—als het ooit zoo veel is. Als ik de dame te laag schat, spijt het me.”
„Maar dat is wel het geval!” riep de vader. „Ik weet wel dat zij vijftig maal die som heeft, en zij zal dat nog verdubbelen, eer ik mijne toestemming geef tot haar huwelijk met mijn zoon!”
„Wel,” zei Jones, „het is nu wat laat om van toestemming te spreken:—al had zij geen rooden duit, zij is toch met uw zoon getrouwd!”
„Getrouwd?” riep de oude heer, verbaasd.
„Wel,” zei Jones, „ik dacht dat gij het wist!”
„Mijn zoon al getrouwd met jufvrouw Harris!” vroeg de vader.
„Met jufvrouw Harris?” riep Jones; „wel neen! Met jufvrouw Nancy Miller,—de dochter van jufvrouw Miller, bij wie hij kamers had;—eene jonge dame, die hoewel hare moeder genoodzaakt is kamers te verhuren—”
„Schertst gij—of is u dat ernst?” riep de vader, op plegtigen toon.
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik veracht het karakter van een spotvogel. Ik kwam bij u in goeden ernst, mij verbeeldende, wat nu blijkt waar te zijn, dat uw zoon het niet gewaagd had u met een huwelijk bekend te maken, dat, wat het geld betreft, zoo gering is voor uw zoon, hoewel de goede naam der dame niet duldt dat het langer geheim blijve.”
Terwijl de vader als verstomd door deze tijding bleef staan, trad iemand in de kamer, die hem met den naam van broeder begroette.
Maar hoewel deze beiden door bloedverwantschap in zulke naauwe betrekking tot elkaar stonden, waren zij in karakter bijna lijnregt aan elkaar tegenovergesteld. De broeder, die nu binnen trad, was ook als handelaar groot gebragt, maar had naauwelijks een zes duizend pond sterling verdiend, of hij kocht met het grootste gedeelte van zijn geld een klein landgoed, en trok zich daar terug, en huwde de dochter van een armen geestelijke, eene jonge dame, die hoewel noch schoon noch rijk, zich aan hem aanbevolen had alleen door hare meer dan gewone goedaardigheid.
Met deze vrouw had hij vijfentwintig jaren lang een leven geleid, dat meer geleek op het beeld, hetwelk zekere dichters van de gouden eeuw ophangen, dan op eenig voorbeeld, dat men in deze dagen aantreft. Zij had hem vier kinderen geschonken, van welke er geen groot was geworden dan ééne dochter, die door hem en zijne vrouw, zoo als men zegt, „bedorven” werd;—dat is, zij hadden haar opgevoed met de meeste teederheid en liefde, welke zij hun zoodanig vergold, dat zij werkelijk een zeer voordeelig huwelijk met een heer die naauwelijks veertig jaren oud was afgeslagen had, alleen omdat zij er niet toe komen kon om van hare ouders te scheiden.
De jonge dame, welke de heer Nightingale voor zijn zoon bestemd had, woonde in de buurt van zijn broeder, en was eene kennis van zijne nicht; en het was juist wegens het voorgenomen huwelijk dat de broeder nu naar de stad gekomen was,—niet, om de verbindtenis te bevorderen, maar integendeel om zijn broeder een plan af te raden, dat, volgens zijn gevoelen, zijn neef geheel te gronde zou rigten; want hij voorzag niets anders van diens huwelijk met mejufvrouw Harris, in weerwil van haar groot vermogen, daar noch haar uiterlijk noch haar karakter eenig huwelijksgeluk scheen te voorspellen;—zij was namelijk zeer lang, zeer mager, zeer leelijk, zeer gemaakt, zeer dwaas, en zeer slecht van humeur.
Zoodra dus zijn broeder melding maakte van het huwelijk van zijn neef met jufvrouw Miller, drukte hij de meeste voldoening daarover uit, en toen de vader hevig over zijn zoon uitvoer en hem tot den bedelstaf doemde, begon de oom, als volgt:
„Als gij iets minder driftig waart, broeder, zou ik u vragen, of gij uw zoon om zijnentwil, of om u zelven bemint? Denkelijk zoudt gij antwoorden, en u ook verbeelden, dat het om zijnentwil was, en het was zonder twijfel zijn geluk dat gij ten doel hadt met het voorgenomen huwelijk.
„Nu is het mij, broeder, altijd zeer ongerijmd voorgekomen om regels voor te schrijven voor het geluk van anderen, en ook zeer willekeurig om zich het regt daartoe aan te matigen. Ik weet wel, dat dit eene algemeene dwaling is;—maar eene dwaling blijft ze toch. En als dit ongerijmd is in andere zaken, is het des te ongerijmder als het een huwelijk betreft, daar het geluk daarvan alleen afhangt van de neiging die tusschen het paar bestaat.
„Ik heb het dus steeds als zeer onredelijk beschouwd, wanneer de ouders bij deze gelegenheid voor hunne kinderen eene keuze verlangden te doen, daar het onmogelijk is de liefde te dwingen, die zelfs zoo veel afkeer heeft voor al wat geweld is, dat zij welligt door eene ongelukkige, maar toch ongeneesselijke verkeerdheid in onzen aard, veelal onvatbaar is voor overtuiging.
„Het blijft echter waar, dat hoewel een vader, naar ik meen, wijs doet met niets te bevelen op dit punt, hij het regt heeft om geraadpleegd te worden, en strikt genomen, moest hij ook welligt de magt bezitten om „neen” te zeggen. Ik beken dus, dat mijn neef zich vergrepen heeft, door een huwelijk aan te gaan zonder uwe toestemming te vragen. Maar, eerlijk gesproken, broeder, hebt gij zelf geene aanleiding tot dit vergrijp gegeven? Hebben niet uwe dikwerf geuite gevoelens op dit onderwerp hem de zedelijke overtuiging gegeven, dat gij uwe toestemming zoudt weigeren in elk geval waar het meisje gebrek aan vermogen had? Is ook uw toorn op dit oogenblik niet enkel en alleen aan dit gebrek aan geld toe te schrijven? En als hij, op dit punt, te kort geschoten is in zijn pligt, zijt gij niet evenzeer uw gezag te buiten gegaan, door bepaaldelijk, zonder hem daarin te kennen, over eene echtgenoote voor hem te onderhandelen, die gij zelf nooit gezien hebt, en die gij, als gij haar even goed kendet en even dikwerf gezien hadt als ik, het voor razernij zoudt moeten houden om in uwe familie te brengen.
„Ik blijf echter daarbij dat mijn neef een fout begaan heeft;—maar zeker geene die onvergeefelijk blijft. Hij heeft, inderdaad, zonder uwe toestemming gehandeld in eene zaak, waarbij hij die had moeten vragen;—maar het blijft toch eene zaak, waarmede voornamelijk zijn eigen belang gemoeid is,—gij zelf zult bekennen, dat ook gij alleen in zijn belang wildet handelen, en als hij ongelukkig van u verschilde in meening, omtrent zijn eigen geluk, zult gij, broeder, als gij hem werkelijk lief hebt, hem nog verder van zijn doel afbrengen? Zult gij de treurige gevolgen van zijne onverstandige keuze verergeren? Zult gij trachten om zijne handeling bepaald ongelukkig voor hem te maken, terwijl het nu nog de vraag is, of ze blijken zal zoo zeer betreurenswaardig te zijn? met één woord, broeder, omdat hij u belet heeft hem zoo rijk te maken, als gij wel bedoeldet, zoudt gij hem nu zoo arm mogelijk willen maken?”
Door de kracht van het echt katholieke geloof, zag men den heiligen Antonius de visschen bepraten. Orpheus en Amphion gingen zelfs iets verder, en bekoorden onbezielde dingen door de tooverkracht der muzijk. Alles even verbazend! Maar noch de geschiedenis noch de fabelkunde hebben het ooit gewaagd een voorbeeld te vermelden van iemand, die door kracht van redenering en van redenen over tot gewoonte gewordene geldzucht gezegevierd heeft.
De heer Nightingale, de vader, in plaats van te trachten zijn broeder te beantwoorden, vergenoegde zich met op te merken, dat zij altijd verschillend gedacht hadden over de opvoeding hunner kinderen.
„Ik wilde wel, broeder,” zeide hij, „dat gij uwe zorgen tot uwe eigene dochter bepaald hadt, zonder u ooit met mijn zoon te bemoeijen, die, naar ik geloof, even weinig goeds van uw onderrigt als van uw voorbeeld geleerd heeft.”
De jonge Nightingale was namelijk het petekind van zijn oom en had langer bij hem dan bij zijn eigen vader geleefd,—zoodat de oom dikwerf verklaard had, dat hij bijna evenveel van zijn neef hield als van zijn eigen kind.
Jones dweepte met dezen waardigen man, en toen zij, na lang praten, bevonden dat de vader in plaats van te bedaren, hoe langer zoo driftiger werd, bragt Jones den oom bij zijn neef, in het huis van jufvrouw Miller.
HOOFDSTUK IX.
VREEMDE DINGEN BEVATTENDE.
Bij zijne terugkeer naar huis, vond Jones den toestand der zaken aldaar sedert zijn vertrek zeer veranderd. De moeder, de beide dochters en de jonge heer Nightingale zaten zamen bij het avondmaal, toen de oom, op zijn eigen verzoek, zonder verdere pligtplegingen, zich bij het gezelschap voegde, waaraan hij reeds goed bekend was, daar hij zijn neef meer dan eens daar bezocht had.
De oude heer trad dadelijk op jufvrouw Nancy toe, begroette haar en wenschte haar geluk, alsmede zijn neef en de andere zuster, en eindelijk zijn neef, met even veel goedheid en hoffelijkheid alsof de jongen zijns gelijke, of eene meerdere in vermogen gehuwd had,—na inachtneming van alle vooraf geëischte plegtigheden.
Mejufvrouw Nancy en haar veronderstelde echtgenoot verbleekten en zagen er eerder verlegen dan gelukkig uit bij deze gelegenheid; maar jufvrouw Miller nam de eerste de beste gelegenheid waar om zich te verwijderen, liet Jones halen naar de eetkamer, wierp zich aan zijne voeten, en met een stortvloed van tranen noemde zij hem haar beschermengel, den redder van haar arm klein huisgezin, met vele andere eerbiedige en liefderijke benamingen,—terwijl zij hem dankte met al het vuur, hetwelk de grootste der weldaden in een gevoelig hart kan doen ontbranden.
Nadat de eerste opwelling iets bedaard was, die zij, zooals zij zeide, niet zou hebben kunnen smoren zonder het met den dood te boeten, ging zij er toe over om den heer Jones te berigten dat alles al afgesproken was tusschen mijnheer Nightingale en hare dochter, en dat zij den volgenden morgen in het huwelijk zouden treden. Hierover drukte Jones zijn groot genoegen uit en de arme vrouw kreeg weder een aanval van vreugde en dankbaarheid, welke hij slechts met moeite tot bedaren kon brengen, terwijl hij haar eindelijk overhaalde om zich weder met hem bij het gezelschap te voegen, dat even gelukkig was, als pas te voren.
Zij bragten nu een paar zeer aangename uren met elkaar door, gedurende welke de oom, die zeer veel van de flesch hield, zijn neef zoo druk ingeschonken had, dat deze hoewel niet dronken, eenigzins verhit begon te geraken, en den ouden heer Nightingale met zich naar boven nemende op de kamer, welke hij vroeger zelf bewoond had, als volgt aan zijn hart lucht gaf:
„Daar gij steeds de beste en liefste oom voor mij geweest zijt, en zulke weergalooze goedheid getoond hebt, in de wijze waarop gij mij dit huwelijk vergeven hebt, zou ik het mijzelven nooit kunnen vergeven als ik trachtte u in wat ook te bedriegen.”
Daarop vertelde hij hem de waarheid en alle nadere omstandigheden van de zaak.
„Hoe, Jaap!” riep de oude heer. „Dus zijt ge werkelijk nog niet met het meisje gehuwd?”
„Neen, oom, op mijn woord niet,” hernam Nightingale; „ik heb u alles naar waarheid verteld.”
„Mijn waardste jongen,” riep de oude heer, hem omhelzende, „daar ben ik hartelijk blijde om! Ik heb nooit van mijn leven iets vernomen, dat mij half zoo veel genoegen deed! Als gij getrouwd geweest waart, zou ik u zoo veel mogelijk geholpen hebben, om eene leelijke zaak weder goed te maken;—maar er bestaat een groot onderscheid in hoe men handelen moet in eene reeds afgedane zaak, die onherroepelijk is, en in eene die nog niet gedaan is! Raadpleeg uw gezond verstand, Jaap, en gij zult inzien dat dit huwelijk zoo allerdwaast en bespottelijk zou zijn, dat er geene lange betoogen noodig zijn, om u daarvan terug te houden.”
„Hoe, oom?” riep de jonge Nightingale; „bestaat er eenig verschil in, dat men reeds iets gedaan heeft,—of alleen verpligt is, als man van eer, om het te doen?”
„Onzin!” hernam de oom; „de eer is een kind der wereld, en de wereld heeft ouderlijk gezag er over en kan er meê doen wat ze wil. Nu weet ge zelf heel goed hoe weinig men geeft om het verbreken van dergelijke verbindtenissen;—zelfs het ergste geval van dien aard, levert slechts stof tot verbazing en praatjes voor een enkelen dag. Kent gij één man ter wereld, die om die reden zich bedenken zou eer hij u zijne dochter of zuster tot vrouw gaf? Of bestaat er eenige zuster of dochter, die er daarom bezwaar in zou zien om u te ontvangen? De eer heeft niets te maken met dergelijke beloften!”
„Met uw verlof, oom,” riep Nightingale; „dat geloof ik nooit, en niet alleen de eer, maar ook het geweten en de menschlievendheid zijn daarin betrokken. Ik ben vast overtuigd dat als ik het meisje nu fopte, zulks haar dood ten gevolge zou hebben, en ik zou me dan als haar moordenaar moeten beschouwen, die haar den wreedsten dood berokkend had door haar het hart te breken.”
„Haar het hart breken? Neen, neen, Jaap!” riep zijn oom; „een vrouwenhart is zoo gaauw nog niet gebroken;—daarvoor is het al te taai, mijn jongen!”
„Maar, oom,” hernam Nightingale, „mijne eigene neigingen staan ook op het spel. Ik zou nooit met eene andere vrouw gelukkig worden. Hoe dikwerf heb ik u niet hooren zeggen, dat men in dergelijke gevallen, de kinderen zelve moet laten kiezen, en dat gij nicht Henriette zelve daarin vrijheid zoudt geven.”
„Nu ja,” hernam de oude heer; „dat is ook zoo;—maar dan verlang ik ook dat een kind eene wijze keuze zou doen.—En, werkelijk, Jaap, gij moet en zult dit meisje laten loopen!”
„Werkelijk, oom,” riep de andere, „ik moet en wil haar tot vrouw nemen!”
„Gij wilt, jonge heer!” riep de oom; „ik dacht nooit zoo’n woord van u te hooren! Het zou me niet verwonderen als gij dergelijke taal ook tegen uw vader uitgeslagen hadt, die u altijd als een hond behandeld, en op denzelfden afstand gehouden heeft als een tiran zijne onderdanen; maar ik, die als uws gelijke met u omgegaan heb, mogt zeker eene betere behandeling verwachten! Evenwel, weet ik me dit alles best te verklaren; het komt van uwe bespottelijke opvoeding, waarbij ik te weinig in te brengen heb gehad. Daar hebt ge mijne dochter echter, die ik als mijne vriendin groot gebragt heb, en die nooit iets doet zonder mijn raad, en dien altijd volgt als zij hem eens ingewonnen heeft!”
„In eene zaak van dezen aard hebt gij haar zeker nog nooit raad behoeven te geven,” zei Nightingale; „want ik vergis me zeer in nicht, als zij zich ooit gereed toont, zelfs op het meest stellige bevel van u, om hare neigingen te verzaken.”
„Spreek geen kwaad van mijn kind!” hernam de oude heer met eenige drift; „laster mijne Henriette niet! Ik heb haar zoo opgevoed, dat al hare neigingen met de mijnen overeen komen;—door haar alles te laten doen wat zij goedvindt, heb ik haar er aan gewend om in haar schik te zijn met al wat mij behaagt!
„Vergeef me, oom,” hernam Nightingale, „ik had volstrekt geen plan om iets ten nadeele van nicht te zeggen, voor wie ik de meest onbepaalde achting koester,—en ik ben ook overtuigd, dat gij haar nooit zoo op de proef zult stellen, of haar zulke moeijelijk te volvoeren bevelen opleggen zult, als gij mij nu hebt wille doen.—Maar, waarde oom, laat ons nu naar het gezelschap terug keeren; want men zal beginnen ongerust te worden over ons lang uitblijven. Ik moet u ook, waarde oom, nog ééne gunst verzoeken;—namelijk om niets te zeggen, dat het arme meisje of hare moeder grieven zou.”
„O, ge behoeft volstrekt niets van dien aard van mij te vreezen,” antwoordde de oom, „ik ben te goed opgevoed om ooit eene vrouw te beleedigen; dus stel u daaromtrent gerust. Maar, als ik u dat genoegen doe, verwacht ik ook dat gij er mij een doet van uw kant.”
„Gij kunt weinig van me vergen, oom, waaraan ik me niet gaarne onderwerpen zal,” hernam de jonge Nightingale.
„Nu, neef, ik verg niets anders dan dat gij mij naar huis vergezelt, om de zaak daar iets uitvoeriger met u te bespreken; want ik wenschte de voldoening te smaken van mijne familie van dienst te wezen,—hoewel dat naauwelijks mogelijk is na de koppige dwaasheid van mijn broeder, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben.”
Nightingale, die wel wist dat zijn oom even koppig was als zijn vader, onderwierp er zich aan, om hem later naar huis te brengen, waarop zij beiden naar het gezelschap terug keerden, waar de oude heer beloofde niet minder beleefd dan vroeger te zijn.
HOOFDSTUK X.
EEN KORT HOOFDSTUK, TOT BESLUIT VAN DIT BOEK.
De lange afwezigheid van den oom en zijn neef had eenige ongerustheid doen ontstaan bij de achterblijvenden,—te meer, daar in den loop van het hier voorafgegane onderhoud, de oom meer dan eens de stem verheven had, zoodat men hem beneden in huis had kunnen hooren,—wat, ofschoon men niet onderscheiden kon wat hij zeide, bij Nancy en hare moeder, en inderdaad ook bij Jones zelven, eenige kwade vermoedens opgewekt had.
Zoodra dus het gezelschap weder bijeen was, bespeurde men eene zigtbare verandering op aller gelaatstrekken, en de opgeruimdheid, welke te voren op elk gezigt gestraald had, was nu geweken voor eene veel minder aangename uitdrukking. Het bragt inderdaad eene verandering te weeg, welke niets ongewoons heeft in dit klimaat, waar zonneschijn en wolken, Junij en December elkaar telkens afwisselen. Deze verandering werd echter niet bijzonder opgemerkt door iemand der aanwezigen; want daar allen druk bezig waren met hunne eigene gedachten te verbergen en met eene rol te spelen, hadden zij zelve te veel te doen dan dat zij den tijd zouden gehad hebben, om iets van het tooneel waar te nemen. Dus ontdekte noch de oom noch de neef eenig spoor van kwade vermoedens op het gelaat der moeder of dochter, en dezen letten van haar kant niet op de overdrevene beleefdheid van den grijsaard, noch op de geveinsde voldoening waarmede de jonge man hem aangrijnsde.
Het komt mij voor, dat men dikwerf iets dergelijks kan opmerken, als de oplettendheid van twee vrienden geheel geboeid is door de rollen welke beide spelen, ten einde elkaar te foppen, en dus geen van beide ziet, of vermoedt, de list welke tegenover hem gebezigd wordt, en dus beide strijders, om geen ongepast beeld hier te gebruiken, elkaar een steek toebrengen.
Om dezelfde reden, is het niets vreemds, dat beide partijen bij een koop gefopt worden, hoewel de eene steeds meer verliezen moet dan de andere,—zooals hij die een blind paard verkocht en betaald werd met eene valsche banknoot.
Na verloop van ongeveer een half uur, scheidde ons gezelschap, en de oom voerde zijn neef mede, maar niet eer deze fluisterend aan jufvrouw Nancy verzekerd had, dat hij haar den volgenden morgen vroeg bezoeken zoude, om al zijne beloften te vervullen.
Jones, die het minst betrokken was in dit tooneel, begreep er het meeste van. Hij vermoedde inderdaad de geheele waarheid; want behalve dat hij de groote verandering in de houding van den oom, den afstand waarop hij zich hield, en zijne overdrevene beleefdheid jegens jufvrouw Nancy opmerkte, was het medenemen van den bruidegom op dat uur van den avond iets zoo buitengewoons, dat het alleen verklaard kon worden door de vooronderstelling dat de jonge Nightingale de geheele waarheid verteld had,—wat nog waarschijnlijker werd wegens zijne bekende openhartigheid en wegens de opgewondenheid, welke hij aan den wijn te danken had.
Terwijl Jones nog bij zich zelven overlegde of hij deze arme menschen met zijne vermoedens zou bekend maken, kwam hem de meid waarschuwen, dat er eene vrouw was, die verlangde om hem te spreken. Hij verliet de kamer dadelijk, en het licht van de meid nemende, bragt hij zijne bezoekster naar boven,—die niemand anders bleek te zijn dan mejufvrouw Honour, welke hem zulke verschrikkelijke tijdingen mededeelde omtrent zijne Sophia, dat hij onmiddellijk alle andere menschen vergat, en al zijn medelijden noodig had voor zijne eigene rampen en van die zijner ongelukkige beminde.
Wat deze verschrikkelijke zaak was, zal de lezer spoedig vernemen, nadat wij eerst de veelvuldige gebeurtenissen verhaald hebben welke daartoe aanleiding gaven,—en die het onderwerp van het volgende boek zullen uitmaken.
BOEK XV.
Waarin de geschiedenis omtrent twee dagen vooruit gaat.
HOOFDSTUK I.
TE KORT OM EEN INHOUDSOPGAVE TE EISCHEN.
Er zijn zekere godsdienstige, of liever zedekundige schrijvers, die ons leeren dat de deugd zeker tot geluk,—de ondeugd zeker tot ellende in deze wereld leidt. Eene zeer gezonde en troostrijke leer, waartegen wij slechts één bezwaar hebben,—namelijk dat ze onwaar is.
Als deze schrijvers door „deugd” bedoelen de beoefening van die hoofddeugden, welke als goede huismoeders te huis blijven, en zich alleen met haar eigen huisgezin bezig houden, zal ik hun gereedelijk gelijk geven; want deze dragen zoo zeker tot ons geluk bij, dat ik bijna wenschen zou, in weerwil van alle oudere en nieuwere geleerden, ze eerder „wijsheid” dan „deugd” te noemen;—want, wat dit leven betreft, houd ik het er voor, dat er nooit een wijzer stelsel bestaan heeft dan dat der oude Epicureërs, die het hoogste goed in deze wijsheid zagen,—noch een dwazer stelsel dan dat der nieuwere Epicuristen, die hun geheel geluk zoeken in de ruime voldoening van alle zinnelijke lusten.
Maar, als men onder deugd verstaat (wat met mijn gevoelen overeenkomt) eene zekere betrekkelijke hoedanigheid, die zich altijd buiten ’s huis bezig houdt, en evenzeer bekommerd schijnt om het geluk van anderen als om dat van zich zelve, kan ik niet zoo gaaf toestemmen, dat die het zekerste middel oplevert om zelf gelukkig te worden, omdat wij dan, naar ik vrees, in ons begrip van deugd, de armoede, de minachting, met al de rampen, welke laster, nijd en ondankbaarheid den mensch berokkenen kunnen, moeten opnemen;—ja, wij zullen dan zelfs soms verpligt zijn gezegd geluk ook in de gevangenis te volgen, daar velen door de beoefening der genoemde deugd daarheen gebragt worden.