Tom Jones

Part 57

Chapter 574,121 wordsPublic domain

„Ik beken,” zeide hij, „dat het me dadelijk zeer verwonderde dien heer op zulk eene ongerijmde wijze over de poppenkasten te hooren spreken. Men kan, inderdaad, naauwelijks begrijpen hoe iemand, die zijn gezond verstand heeft, den bal zoo misslaan kan;—maar hetgeen gij ons nu medegedeeld hebt, verklaart best al zijne ontaarde begrippen. De arme man! Het doet me van harte leed zoo iets van hem te hooren. Hij heeft ook werkelijk iets vreemds en woests in de oogen, dat ik dadelijk zag, hoewel ik er niets van zeide.”

De waard stemde hierin toe en verklaarde tevens dat hij ook de slimheid gehad had om dat te zien.

„Het moet ook werkelijk zoo zijn,” zeide hij; „want niemand dan een gek zou het in de hersenen gekregen hebben om zoo’n huis als dit des nachts te verlaten om het land te doorkruisen.”

De kommies nam de pijp uit den mond en zeide: „Hij dacht ook dat die mijnheer iets woests in zijne blikken en gebaren had,” en zich tot Partridge wendende, voegde hij er bij: „Men moest hem zoo niet overal vrij laten rondloopen; want hij zou best in staat zijn het een of ander ongeluk te bewerken. ’t Is jammer dat men hem niet oppakt en naar huis zendt bij zijne bloedverwanten.”

Eene dergelijke gedachte was al bij Partridge opgekomen; want, daar hij zich thans overtuigd hield, dat Jones van den heer Allworthy weggeloopen was, beloofde hij zich zelven eene groote belooning als hij hem op de eene of andere wijze terugbrengen kon. Maar de vrees voor Jones, van wiens woestheid en kracht hij reeds eenige voorbeelden gezien—en zelf ook ondervonden had, deed hem zulk een plan als onuitvoerbaar beschouwen, en had hem ontmoedigd van iets geregelds van dien aard te beramen. Maar, zoodra hij het gevoelen van den kommies vernam, greep hij de gelegenheid aan om het zijne te doen kennen, en drukte den opregten wensch uit, dat zoo iets maar doenlijk ware.

„Doenlijk!” riep de kommies. „Wel! dat is gemakkelijk genoeg!”

„O, mijnheer,” hernam Partridge, „ge weet niet wat voor een duivel in hem steekt! Hij kan mij met de ééne hand opnemen en het raam uitsmijten, en dat zou hij ook doen, als hij zich maar verbeelden kon, dat—”

„Bah!” riep de kommies. „Ik ben niet bang voor hem! En bovendien, zijn wij hier met ons vijven!”

„Ik weet niet van welke vijf gij spreekt,” zei de waardin; „maar mijn man zal er niets mede te maken hebben. Er zal ook tegen niemand onder mijn dak geweld gebruikt worden. Ik heb van mijn leven geen knapper jong mensch gezien dan die mijnheer, en ik geloof dat hij evenmin gek is als een van ons. Wat praat gij van zijne woeste blikken? Hij heeft de mooiste oogen die ik ooit gezien heb, en den vriendelijksten blik ook, en hij is ook een zeer beleefd, aardig jong mensch. Ja, en sedert die heer daar in den hoek ons verteld heeft, dat zijn mijnheer eene ongelukkige liefde heeft, heb ik diep medelijden met hem. Dat is al zeker genoeg om iedereen, vooral zoo’n knap jong mensch als hij is, iets vreemd uit de oogen te doen kijken. Eene dame nog wel! Wat drommel zou die dame liever kunnen wenschen dan zulk een mooijen jongen met een slomp geld er bij? Zij zal eene van die groote dames zijn,—eene van die stadsche freules, die we gisteren avond op het poppentooneel zagen, die niet eens weten wat zij willen!”

De procureursklerk verklaarde ook dat hij niets met de zaak te maken wilde hebben, zonder eerst het advies van een regtsgeleerde ingewonnen te hebben.

„Verondersteld,” zeide hij, „dat men ons vervolgde in regten wegens onwettige inbreuk op de vrijheden van den onderdaan;—hoe zouden we ons kunnen verdedigen? Wie weet wat de Jury beschouwt als een voldoend bewijs van krankzinnigheid? Ik spreek echter alleen voor mij; want het past geen procureur om zich in dergelijke zaken te mengen, tenzij ambtshalve. De Jurys zijn ons altijd minder gunstig dan andere menschen;—daarom raad ik het u, mijnheer Thomson,” (tot den kommies) „noch dien heer, noch iemand anders af.”

De kommies schudde het hoofd bij deze woorden, en de poppenkastman zeide: „dat het soms heel moeijelijk was voor eene Jury te beslissen, of iemand gek was of niet; want ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat ik eenmaal bij een regtsgeding over een krankzinnige aanwezig was toen een twintigtal getuigen een eed aflegden dat de persoon in kwestie stapel gek was, terwijl twintig anderen zwoeren dat hij even goed bij zijn verstand was als iemand in het heele land. En werkelijk, de meeste menschen geloofden dat het slechts eene list was van zijne bloedverwanten om den armen vent van zijn vermogen te berooven.”

„Dat is heel waarschijnlijk,” riep de waardin. „Ik zelve heb een armen heer gekend, die zijn leven lang in een gekkenhuis opgesloten werd door zijne familie, die van zijn vermogen teerde;—maar het baatte die menschen toch niet; want hoewel het hun door de wet toegekend werd, behoorde het van regtswege aan iemand anders toe.”

„Bah!” riep de procureursklerk, met de meeste minachting; „niemand heeft eenig regt, dat hem niet door de wet wordt toegekend. Als de wet mij het schoonste vermogen in het heele land schonk, zou het mij niets kunnen schelen, wie er regt op had!”

„In dat geval,” zei Partridge, „felix quem faciunt aliena pericula cautum.”

De waard, die intusschen door de aankomst van een ruiter aan de deur weggeroepen was, kwam nu in de keuken terug, en riep met een verschrikt gelaat uit: „Wat zegt gij er van, heeren? De rebellen hebben den hertog gefopt, en zijn al haast te Londen.—’t Is zeker waar, want ik heb het daar even gehoord van een man te paard, die hier was.”

„Dat verheugt me van ganscher harte,” riep Partridge, „dan zal er hier in de omstreken niet te vechten vallen!”

„Ik heb eene betere reden om mij er over te verheugen,” zei de procureursklerk: „het verheugt mij namelijk altijd als de goede zaak zegeviert.”

„Ja maar,” zei de waard, „ik heb hooren zeggen dat die Pretendent hoegenaamd geene regten heeft—”

„Ik zal u dadelijk het tegendeel bewijzen,” riep de procureursklerk. „Als mijn vader in het bezit van een regt sterft,—let op, ik zeg, in het bezit van een regt, gaat dan dat regt niet op zijn zoon over? En gaat het ééne regt niet even goed over als het andere?”

„Maar,” zei de waard, „hoe kan hij het regt hebben om ons Roomsch te maken?”

„Wees daar niet bang voor!” riep Partridge. „Wat het regt betreft, dat is helder als het zonnelicht door dien heer bewezen; en wat de godsdienst betreft, die komt hier in het geheel niet in ’t spel. De Roomschen zelve verwachten dat niet. Een Roomsch geestelijke, dien ik ken, en die een zeer eerlijk man is, verzekerde me op zijn woord van eer, dat zoo iets volstrekt niet bij hen opgekomen was.”

„En een andere priester, dien ik ken,” zei de waardin, „heeft me dat ook verzekerd.—Maar mijn man is altijd zoo benaauwd voor die Roomschen. Ik ken een heele boel Roomschen, die beste eerlijke lieden zijn en niet bang om hun geld uit te geven; en het staat altijd bij mij vast, dat het geld van den een zoo goed is als het geld van den ander.”

„Dat is wel waar, jufvrouw,” hernam de eigenaar der poppen. „’t Kan mij niet schelen welke godsdienst boven komt,—als het maar niet die Presbyterianen zijn, die vijanden van de poppenkast!”

„Dus zoudt gij uwe godsdienst aan uw eigenbelang opofferen?” vroeg de kommies; „en gij wenscht de Roomsche kerk hier in het land gevestigd te zien,—niet waar?”

„Wel neen!” riep de andere; „dat waarlijk niet! Ik haat het pausdom evenzeer als iemand dat doen kan; maar het is toch een troost dat men daaronder zou kunnen leven,—wat niet het geval zou zijn onder de Presbyterianen. ’t Is waar, iedereen zorgt eerst voor de huishouding; dat moet men bekennen, en ik sta u er voor in, dat als gij de waarheid spreken wilt, gij bekennen zult, dat gij banger zijt om uwe plaats te verliezen dan voor wat anders ook;—maar daarvoor behoeft ge niet bang te zijn, vriend. Een nieuw bestuur zal evenmin als het oude de kommiezen kunnen missen.”

„Nu ja,” hernam de kommies, „ik zou zeker een gemeene vent zijn als ik den koning niet eerde wiens brood ik eet. Dat is niet meer dan natuurlijk, zou ik zeggen;—want wat kan het mij schelen of er ook kommiezen zijn onder een ander bestuur, daar mijne vrienden hun invloed verloren zouden hebben en ik niet anders verwachten kon, dan er ook uit te moeten gaan? Neen, neen, vriend, ik zal nooit mijne godsdienst laten loopen op hoop van mijne plaats te behouden onder een ander bestuur; want dan zou ik er zeker niets beter aan toe zijn, en welligt veel slechter dan nu.”

„Dat is precies wat ik zeg,” riep de waard. „Wat men ook vertelt, wie weet wat er gebeuren zal? Wel drommel! zou ik niet stapel gek zijn als ik mijn geld leende aan de hemel weet wien, op de kans af dat hij zoo goed zal wezen het me vroeger of later weer te geven? Ik weet zeker dat het veilig is in mijne eigene geldkist—en daar zal ik het laten.”

De procureursklerk was zeer ingenomen met Partridge’s schranderheid. Of dit ontstond uit de gezonde inzigten welke deze toonde te hebben in menschen en zaken, of uit sympathie, omdat beide echte Jakobieten waren in hun hart, weet ik niet; maar zij drukten elkaar nu hartelijk de hand, en ledigden bekers vol zwaar bier op gezondheden, welke wij liefst in de vergetelheid laten.

Op deze gezondheden werd later ook gedronken door alle aanwezigen en den waard zelven, hoewel met tegenzin; maar hij was niet bestand tegen de bedreigingen van den procureursklerk, die zwoer dat hij nooit weer bij hem een voet in huis zou zetten als hij het weigerde.

De volle bekers, welke thans geledigd werden, maakten ook weldra een einde aan het gesprek. En om die reden zullen we ook een einde aan dit hoofdstuk maken.

HOOFDSTUK VIII.

WAARIN VROUW FORTUNA GUNSTIGER GESTEMD SCHIJNT DAN TOT DUS VER TEN OPZIGTE VAN JONES.

Even als er niets gezonder is, is er ook welligt geen krachtiger slaapdrank dan de vermoeijenis. Men kan wel zeggen dat Jones eene tamelijk sterke dosis daarvan ingenomen had, en ze werkte ook krachtig op hem. Hij had reeds negen uren geslapen en had welligt nog langer kunnen slapen, als hij niet gewekt was geworden door een hevig geraas vóór zijne kamerdeur, waar het geluid van vele slagen vergezeld ging van herhaalde kreten van „moord!”

Jones sprong dadelijk uit het bed, en vond den poppenkast-vertooner bezig met zijn armen Hansworst zonder genade of barmhartigheid af te ranselen.

Jones kwam dadelijk ten behoeve der lijdende partij tusschenbeide en klemde den overmoedigen meester tegen den muur; want de poppenkastman was evenmin in staat zich tegen Jones te verzetten, als de arme, bontgekleede Hansworst tegen zijn heer.

Maar hoewel de Hansworst slechts een klein kereltje was, en niet zeer sterk, was hij toch eenigzins driftig van aard. Zoodra hij zich dus van zijn vijand bevrijd zag, begon hij hem aan te vallen met het eenige wapen, waarmede hij zich met hem meten kon. Hiermede vuurde hij eerst eene geheele reeks algemeene scheldwoorden af en ging toen over tot eenige bijzondere beschuldigingen.

„Jou vervloekte gemeene schelm!” riep hij, „niet alleen heb ik u den kost gegeven; want al het geld dat gij verdient, hebt gij aan mij te danken; maar ik heb u ook van de galg gered! Het was slechts gisteren dat gij de dame dáár in die donkere laan van haar mooi rijkleedje wildet berooven! Ge kunt niet loochenen, dat gij wenschtet haar alleen in het bosch te vinden, om haar uit te kleeden,—om een der schoonste meisjes die ik ooit gezien heb, uit te kleeden! En nu valt ge mij aan en hebt me bijna vermoord, omdat ik de meid hier niets kwaads gedaan heb, maar alleen omdat zij mij de voorkeur geeft boven u!”

Zoodra Jones deze woorden hoorde, liet hij den baas los, met het strengste bevel om geen geweld meer te bezigen tegen den armen Hansworst; en dien ongelukkige met zich nemende op zijne kamer, kreeg hij weldra van hem berigten van zijne Sophia, die de arme drommel, terwijl hij den vorigen dag zijn meester met de trom volgde, had zien voorbij trekken. Hij haalde den knaap spoedig over om hem de juiste plaats der ontmoeting te wijzen, en daarop, Partridge geroepen hebbende, hervatte hij zijn togt, met den meesten spoed.

Het was echter bijna acht uur des morgens eer alles klaar was; want Partridge had geen haast om te vertrekken en de rekening was ook niet spoedig opgemaakt,—en toen eindelijk dit alles gedaan was, wilde Jones het huis niet verlaten eer hij den Hansworst met zijn meester verzoend had.

Zoodra dit gelukkig volbragt was, trok hij op en werd door den getrouwen Hansworst naar de plek geleid waar Sophia voorbij gegaan was, en na zijn gids zeer mild beloond te hebben, haastte hij zich met de meeste drift om verder te komen, zeer verrukt over de toevallige wijze waarop hij zijne inlichtingen verkregen had.

Zoodra Partridge dit vernomen had, begon hij zeer ernstig te voorspellen en Jones te verzekeren dat hij eindelijk slagen zou, „want,” zeide hij, „twee zulke toevallige omstandigheden om hem op het spoor zijner beminde te brengen, zouden zeker niet gebeurd zijn, als de Voorzienigheid niet voornemens ware hen eindelijk bijeen te brengen.”

En dit was de eerste keer dat Jones eenig gewigt hechtte aan de bijgeloovige leerstellingen van zijn makker.

Zij waren nog geen uur ver gekomen toen zij overvallen werden door een hevige regenbui, en daar zij op dit oogenblik in het gezigt waren van eene herberg, haalde Partridge, na lang smeeken, Jones eindelijk over om daar eene schuilplaats te zoeken.

De honger is een vijand (als men hem zoo noemen kan), die meer van den Engelschman dan van den Franschman in zijn aard heeft; want hoe dikwijls men hem ook overwint, met der tijd verzamelt hij steeds weder nieuwe krachten;—en dit gebeurde thans ook met Partridge, die naauwelijks in de keuken was gekomen, of hij herhaalde dezelfde vragen welke hij den vorigen avond gedaan had. Het gevolg daarvan was dat een heerlijk stuk koud ossenvleesch op tafel verscheen, waarvan niet slechts Partridge maar ook Jones zelf een zeer ruim ontbijt nam, hoewel de laatste zich begon te verontrusten, daar de menschen in de herberg hem geene nieuwe tijdingen van Sophia konden geven.

Zoodra hun maaltijd gedaan was, wilde Jones zich weêr op weg begeven, hoewel de storm nog hevig woedde; maar Partridge smeekte aandoenlijk om nog ééne kan bier, en eindelijk het oog werpende op een jongen die bij het keukenvuur stond en die hem op dat oogenblik ook strak aankeek, keerde hij zich plotseling tot Jones en riep uit:

„Mijnheer! Geef me de hand! Ditmaal komt ge er niet met ééne kan af! Wel! Daar hebben wij meer nieuws van jufvrouw Sophia! De jongen, die dáár bij het vuur staat, is de postiljon, achter wien zij reed. Ik herken hem aan den pleister, dien ik hem zelf op het gezigt gelegd heb!”

„De hemel zegene u, mijnheer,” riep de jongen, „’t is waar, het is uw pleister. Ik zal steeds met dankbaarheid aan uwe goedheid denken, want ze heeft me haast genezen.”

Bij deze woorden sprong Jones van zijn stoel op, en den jongen bevelende hem te volgen, ging hij dadelijk uit de keuken naar eene afzonderlijke kamer; want hij was zoo kiesch omtrent Sophia dat hij zeer ongaarne haar naam noemde in het bijzijn van andere menschen, en hoewel hij, toen zijn hart, als het ware, overvloeide, op Sophia gedronken had onder de officieren, zich verbeeldende dat men haar onmogelijk herkennen zou, zal toch de lezer zich herinneren hoe zwaar het toen viel om hem over te halen haar familienaam te noemen.

Het was dus zeer hard, en welligt volgens de meening van vele schrandere lezers, ongerijmd en bespottelijk, dat hij zijn tegenwoordig ongeluk voornamelijk toeschrijven moest aan het veronderstelde gebrek aan kieschheid, van hetwelk hij geheel vrij te pleiten was; want werkelijk was Sophia veel meer beleedigd door de vrijheden, welke zij, niet zonder reden, veronderstelde dat hij met haar naam en faam genomen had, dan door eenige vrijheden welke hij zich veroorloofd had ten opzigte van de persoon eeniger andere vrouw. En werkelijk, ik geloof dat jufvrouw Honour haar nooit overgehaald zou hebben om Upton te verlaten voor dat zij Jones gezien had, zonder die twee sterke voorbeelden van ligtzinnigheid, welke inderdaad zoo geheel onbestaanbaar waren met de liefde en teederheid, die men bij een grootmoedigen en kieschen man verwachten mogt.

Maar dit was de loop der zaken geweest, en zóó moet ik ze ook verhalen, en als de eene of andere lezer zich daarover ergert, omdat ze onnatuurlijk schijnen, kan ik het niet helpen. Ik moet dergelijke menschen herinneren dat ik geen stelsel schrijf, maar alleen eene geschiedenis, en ik ben dus niet verpligt alles met de aangenomene begrippen omtrent waarheid en natuur overeen te brengen. En al ware dat nog zoo gemakkelijk, zou het misschien toch voorzigtig zijn als ik het vermeed. Bij voorbeeld: zoo als het feit in kwestie nu staat, zonder dat ik zelf er eenige aanmerking op maak, hoewel het misschien in het begin sommige lezers hinderen moge, zal het toch, na rijp overleg, iedereen bevallen; want wijze en goede menschen zullen hetgeen Jones te Upton overkomen is, beschouwen als de regtvaardige straf voor zijne ligtzinnigheid ten opzigte der vrouwen—waarvan ze ook, inderdaad, het onmiddellijke gevolg was, en dwaze en slechte menschen kunnen zich troosten in hunne ondeugd, door zich in stilte wijs te maken dat de goede naam der stervelingen meer van toeval dan van deugd afhangt.

Welligt zouden echter onze gevolgtrekkingen, als wij ze hier wilden maken, met beide deze besluiten in strijd zijn, en aantoonen dat zulke gebeurtenissen alleen er toe bijdragen om de groote, nuttige en ongewone leer te bevestigen, welke het ons voornaamste doel is bij dit werk in te prenten, en met welker herhaling wij deze bladzijden niet vullen mogen, zoo als een gewone dominé zijne preek vol krijgt, door aan het einde van iedere paragraaf zijn tekst te herhalen.

Wij stellen ons dus daarmede tevreden, dat het blijken moet, dat hoe ongelukkig Sophia ook dwaalde in hare meening omtrent het karakter van Jones, zij grond genoeg had voor haar gevoelen, daar het mij voorkomt dat iedere jonge dame in hare positie op dezelfde wijze gedwaald zou hebben.—Ja zelfs, al had zij haren minnaar thans op den voet gevolgd, en haren intrek genomen in deze zelfde herberg, op het oogenblik dat Jones ze verliet, zou zij den waard even goed met haren naam en persoon bekend gevonden hebben, als de meid in het logement te Upton. Want terwijl Jones fluisterend den postiljon ondervroeg op zijne kamer, was Partridge, die hoegenaamd geene kieschheid kende, bezig, om, ten aanhoore van allen in de keuken, den anderen gids te ondervragen, die mevrouw Fitzpatrick vergezeld had, waardoor de waard, die bij alle dergelijke gelegenheden de ooren spitste, volmaakt onderrigt werd van Sophia’s val van het paard enz.—alsmede van de vergissing omtrent Jenny Cameron, met de gevolgen van al het punch-drinken,—en in één woord, van bijna alles wat er in het logement gebeurd was, vanwaar wij onze dames in een rijtuig met zes paarden bespannen, zagen vertrekken, toen wij voor het laatst afscheid van haar namen.

HOOFDSTUK IX.

BEVATTENDE WEINIG MEER DAN EENIGE LOSSE OPMERKINGEN.

Jones was ruim een half uur weg geweest toen hij overhaast in de keuken terugkeerde, en den waard verzocht hem oogenblikkelijk te laten weten wat hij te betalen had. En nu werd het verdriet van Partridge, omdat hij het warme hoekje van den haard en zijn lekkeren drank verlaten moest, eenigzins getemperd door te vernemen dat men niet verder te voet zou reizen; want Jones had met gouden overredingsmiddelen den postiljon overgehaald om hen terug te brengen naar het logement, waarheen hij Sophia begeleid had. De jongen wilde echter alleen hierin toestemmen onder voorwaarde dat de andere gids hem in de herberg wachten zoude,—omdat, daar de waard te Upton bevriend was met dien te Gloucester, het vroeger of later hem ligt ter ooren kon komen, dat zijne paarden tweemaal verhuurd waren geweest, en de jongen aldus het geld zou moeten verrekenen, dat hij nu zeer wijsselijk besloten had zelf op te steken. Wij zijn genoodzaakt geweest, deze omstandigheid, hoe nietig ze ook schijnen moge, te vermelden, omdat ze het vertrek van den heer Jones aanzienlijk vertraagde; want de eerlijkheid van den tweeden jongen was zeer groot,—wat den prijs betreft,—en zou inderdaad Jones zeer duur te staan zijn gekomen, zoo Partridge,—die, gelijk wij reeds gezegd hebben, een zeer slimme vent was,—niet op de meest listige wijze hem een daalder extra geboden had, om te verteren waar hij zat, terwijl hij op de terugkomst van zijn makker wachtte.

Zoodra de waard lucht kreeg van dezen daalder, gaf hij zich zeer veel moeite om Partridge bij te staan, ten einde het geld zelf in handen te krijgen, zoo dat de jongen weldra overtuigd was, en er in toestemde den daalder aan te nemen en te wachten. Wij kunnen niet nalaten om hier op te merken, dat daar er reeds zoo vele diplomatie bestaat onder de lagere klassen, de groote lui zich dikwerf te hoog schatten wegens hunne fijne listen, waarin zij toch menigmaal overtroffen worden door de meest verachtelijke leden der maatschappij.

Zoodra de paarden voorgebragt werden, sprong Jones dadelijk in den vrouwenzadel, waarop zijne geliefde Sophia gereden had. De jongen bood hem wel zeer beleefd den zijne aan; maar Jones gaf de voorkeur aan den vrouwenzadel, waarschijnlijk omdat hij zachter was. Partridge echter, ofschoon hij wel zoo wekelijk was als Jones, kon er niet aan denken zijne waardigheid als man te verloochenen; hij maakte dus gebruik van het aanbod van den jongen, en Jones, op Sophia’s zadel, de jongen op dien van jufvrouw Honour en Partridge op het derde paard, hervatten hunne reis en bereikten binnen vier uren het logement, waar de lezer vroeger zoo langen tijd heeft moeten toeven. Partridge was den heelen weg zeer opgeruimd, en herinnerde Jones herhaaldelijk aan de vele goede voorteekens van welslagen, welke hem in den laatsten tijd begunstigd hadden, en de lezer, zonder in het minst bijgeloovig te zijn, zal bekennen dat ze ook bijzonder gelukkig waren.

Bovendien was Partridge meer ingenomen met het tegenwoordige doel van zijn makker, dan met zijn streven naar roem, en juist uit deze voorteekens, welke hem zulk een goed gevolg voorspelden, verkreeg hij tevens een helder begrip van de liefde van Jones en Sophia, waaraan hij tot dus ver slechts weinige aandacht geschonken had, omdat hij van het begin af op een verkeerd spoor was geweest omtrent de redenen welke bij Jones bestonden voor zijn vertrek van huis. Wat betreft al hetgeen er te Upton gebeurd was, had hij te veel van den schrik geleden kort vóór en pas na zijn vertrek van die plaats, om er iets anders uit op te maken, dan dat de arme Jones volmaakt krankzinnig was,—een begrip dat volstrekt niet in strijd was met het denkbeeld dat hij reeds opgevat had van zijne buitengewone dolzinnigheid, welke naar zijn gevoelen omtrent het gedrag van Jones toen zij Gloucester verlieten, zoo goed overeen kwam met al wat hij vroeger van hem gehoord had. Hij was echter tamelijk in zijn schik met dezen nieuwen togt en begon van nu af een veel beter denkbeeld te koesteren omtrent de verstandelijke vermogens van zijn vriend.

De klok had pas drie uur geslagen toen zij aankwamen en Jones bestelde dadelijk postpaarden;—maar ongelukkig, was er geen paard in de heele plaats te krijgen, wat den lezer niet verwonderen zal als hij bedenkt welke drukte toenmaals heerschte in het geheele rijk en vooral in dit gedeelte van het land, daar op elk uur van den dag en nacht expressen heen en weer vlogen.

Jones deed het onmogelijke om zijn gids over te halen hem tot Coventry te brengen, maar de jongen was onverbiddelijk. Terwijl hij nog op de plaats met den postiljon stond te praten, naderde iemand die hem bij zijn naam aansprak, en hem vroeg hoe de geheele lieve familie in Somersetshire het maakte, waarop Jones, de oogen op den vrager werpende, spoedig den heer Dowling herkende, den procureur, met wien hij gegeten had te Gloucester en hem dus met de meeste beleefdheid weder groette.