Part 56
„Als het papiertje dáár,” zeide hij, „honderd pond waard is, dan heeft de vinder er van zeker meer dan een guinje verdiend. En, bovendien, verondersteld dat mijnheer de dame niet wedervindt,—of het haar niet weder ter hand stelt;—want hoewel mijnheer als een fatsoenlijk man er uit ziet, en ook zoo spreekt, heb ik niets anders dan het woord van mijnheer daarvoor, en zeker als de eigenaar niet gevonden wordt, behoort alles aan den eersten vinder toe. Ik hoop dat mijnheer dit alles in aanmerking zal nemen;—ik ben slechts een arm mensch en begeer dus niet alles te krijgen; maar het is niet meer dan billijk dat ik mijn deel zou hebben! Mijnheer ziet er uit als een goed mensch, en zal dus, vertrouw ik, mijne eerlijkheid in aanmerking nemen; want ik had alles voor mij kunnen houden, en geen mensch zou er ooit iets van geweten hebben.”
„Ik geef u mijn woord van eer,” riep Jones, „dat de regtmatige eigenaresse mij bekend is, en dat ik het haar weergeven zal.”
„Wat dat betreft, mijnheer,” hernam de bedelaar, „dat kunt gij doen of niet, naar verkiezing. Als gij mij maar mijn aandeel geeft, de helft van het geld, kunt gij zelf de rest houden, als u dat goed dunkt,” en hij eindigde met een krachtigen vloek te bezweren, „dat hij nooit iemand een enkel woord van de heele zaak vertellen zoude!”
„Zie eens, vriend,” antwoordde Jones, „de regtmatige eigenaresse zal stellig en zeker al het verlorene terug krijgen, en wat meer geld voor u betreft, dat kan ik u werkelijk thans niet geven; maar zeg me slechts hoe gij heet, en waar gij woont, en het is meer dan waarschijnlijk dat gij later reden zult hebben u te verheugen over het avontuur van dezen morgen.”
„Ik weet niet wat gij door avontuur bedoelt,” riep de bedelaar. „Het schijnt echter dat ik het wagen moet of gij der dame haar geld zult terug geven of niet;—maar ik hoop dat mijnheer bedenken zal,—”
„Kom, kom,” viel Partridge hier in, „zeg mijnheer maar hoe gij heet en waar gij te vinden zijt en ik sta u borg, dat het u nooit berouwen zal dat gij hem het geld toevertrouwd hebt.”
Daar de bedelaar geene kans zag om weder in het bezit van het zakboekje te geraken, stemde hij er eindelijk in toe om zijn naam en woonplaats op te geven, welke Jones, met Sophia’s potlood, op een stukje papier schreef en het leggende op de bladzijde waarop zij haar eigen naam geschreven had, riep hij uit: „Daar vriend! Ge zijt nu de gelukkigste der stervelingen; ik heb uw naam met dien van een engel verbonden!”
„Ik weet niets af van de engelen,” hernam de kerel; „ik wilde liever dat gij me het zakboekje terug gaaft, of nog wat geld!”
Partridge begon nu driftig te worden; hij schold den armen kreupele uit op de leelijkste wijze, en wilde er zelfs toe overgaan om hem een pak slagen te geven, als Jones dat niet belet had, en met de verzekering dat hij zeker de gelegenheid zou vinden om den armen man te helpen, vertrok de heer Jones nu zoo vlug hij slechts loopen kon, gevolgd door Partridge, die door de gedachte dat zijn geleider nu honderd pond op zak had, met nieuwen moed bezield was.
Inmiddels begon de man, die achterbleef, beiden te verwenschen,—alsmede zijne eigene ouders; „want,” zeide hij, „als zij mij maar op de armen-school gezonden hadden, om lezen, schrijven en rekenen te leeren, dan had ik, even goed als anderen, de waarde van die dingen begrepen.”
HOOFDSTUK V.
BEVATTENDE MEER AVONTUREN, WELKE DE HEER JONES EN ZIJN MAKKER ONDERWEG BELEEFDEN.
Onze reizigers liepen nu zoo hard dat zij zeer weinig tijd of adem overhielden voor het gesprek;—Jones dacht aanhoudend aan Sophia en Partridge aan de banknoot, wat, hoewel het hem eenig genoegen verschafte, hem tevens over zijn eigen hard lot deed morren, dat hem nooit zulk eene gelegenheid geboden had om zijne eerlijkheid te toonen.
Zij waren meer dan een uur op deze wijze voortgegaan, toen Partridge, die niet meer in staat was om Jones bij te blijven, zich tot hem wendde en hem smeekte iets langzamer te loopen, waarin deze te gewilliger toestemde daar hij een tijdlang het spoor der paarden kwijt was, dat de dooi hem in staat gesteld had tot dusver te volgen, en zij nu eene groote heidevlakte bereikt hadden, waarover verschillende wegen liepen.
Hij maakte dus halt op deze plek om te overleggen welken weg hij volgen zou, toen zij plotseling, schijnbaar op geen grooten afstand het geluid eener trom hoorden. De vrees van Partridge werd hierdoor opgewekt, en hij riep uit: „De hemel zij ons genadig! Daar komen zij!”
„Wie komt?” vroeg Jones; want de vrees had sedert lang plaats gemaakt in zijn hart voor zachtere gewaarwordingen en sedert zijne ontmoeting met den kreupelen bedelaar was hij zoo geheel en al vervuld geweest met het volgen van Sophia, dat hij hoegenaamd niet aan den vijand dacht.
„Wie?” riep Partridge. „Wel, de rebellen! maar waarom zou ik hen rebellen noemen? Voor zoo ver ik weet, zijn het zeer eerlijke lieden. De drommel hale hem, die hen beleedigt, zeg ik; want, zeker, als zij mij niets in den weg leggen, zal ik hier ook niets onbeleefds zeggen. Om ’s hemels wil, mijnheer, beleedig hen niet als zij het zijn, en dan doen zij ons welligt ook niets; maar zouden wij niet voorzigtig doen met ginds onder de struiken te kruipen tot zij voorbij zijn? Wat zouden twee ongewapende menschen ook doen tegen welligt vijftig duizend man? Zeker niemand, die zijn gezond verstand heeft,—ik wilde u wezenlijk niet beleedigen, mijnheer,—maar zeker niemand, die mens sana in corpore sano,—”
Hier brak Jones den stroom der welsprekendheid, door de vrees in het leven geroepen, kort af, door te zeggen, „dat hij uit het geluid van de trom opmaakte dat zij in de nabijheid van de eene of andere stad moesten zijn.”
Hij rigtte daarop zijne schreden regtstreeks op de plaats van waar het geluid scheen te komen en beval Partridge „moed te scheppen; want dat hij hem in geen gevaar zou brengen.” Hij voegde daarbij, „dat het ook onmogelijk was, dat de rebellen zoo vlak in de buurt zouden zijn.”
Partridge vond weinig troost in deze laatste verzekering, en hoewel hij gaarne den anderen weg ingeslagen zou hebben, volgde hij zijn geleider, terwijl zijn hart de maat sloeg, (echter niet naar de wijze van dat der helden) bij de muziek der trom, die steeds voortsloeg tot zij over de heide gekomen waren en van daar in eene smalle laan.
En thans ontdekte Partridge, die Jones digtbij bleef, iets bonts dat in de lucht fladderde, slechts eenige ellen vóór zich, en zich verbeeldende dat het des vijands vaandel moest zijn, begon hij het uit te brullen.
„O hemel, mijnheer! Daar zijn zij! Daar is de kroon en de doodkist! O hemel! Van mijn leven heb ik zoo iets verschrikkelijks niet gezien! En wij zijn al binnen schot!”
Zoodra Jones opkeek, ontwaarde hij dadelijk hoe zeer Partridge zich vergist had.
„Partridge,” zeide hij, „ik verbeeld me dat gij in staat zult wezen dit geheele leger zelf te verslaan; want uit het vaandel begrijp ik wat de trom beduidde, welke wij straks hoorden,—en die geene andere rekruten ophaalt dan toeschouwers voor de poppenkast.”
„Eene poppenkast!” hernam Partridge, met de meeste drift. „Is het werkelijk niets anders? Er is geen tijdverdrijf ter wereld, dat bij mij boven eene poppenkast gaat! Mijnheer, ik bid u, laat ons eventjes wachten om het te zien! Bovendien, ik ben half dood van den honger; want het is nu bijna donker en sedert drie uur heden morgen heb ik niets te eten gehad!”
Zij kwamen nu aan een logement, of liever een kroeg, waar Jones te eerder overgehaald werd te blijven, daar hij volstrekt geene zekerheid had om op den weg te zijn, welken hij zocht.
Beiden gingen dadelijk naar de keuken, waar Jones begon met te vragen of er dien morgen geene dames voorbij gegaan waren, terwijl Partridge even ijverig onderzoek deed naar den voorraad van eetwaren, en inderdaad hij slaagde beter dan Jones in zijne onderneming, want deze vernam niets van Sophia, maar Partridge, tot zijne groote voldoening, kreeg het vooruitzigt op een heerlijken schotel gebakken spek met eijeren.
Op gezonde, sterke gestellen heeft de liefde eene geheel andere uitwerking dan op het zwakke, ziekelijke gedeelte van het menschelijke ras. Bij deze laatsten vernietigt ze gewoonlijk den eetlust, die dient om den mensch te behouden; maar bij de eersten, hoewel ze dikwerf vergetelheid veroorzaakt en verwaarloozing van het voedsel, zoowel als van alle andere zaken,—als men een fiksch stuk ossenvleesch plaatst vóór een hongerigen minnaar, zal hij zelden nalaten zijne rol goed te spelen.
Dit was ook nu het geval: want hoewel Jones een voorganger noodig had en welligt, als hij alleen geweest ware, veel verder gegaan zou zijn met eene leege maag, zoodra hij het spek en de eijeren zag, viel hij er even vurig en woedend op aan als Partridge zelf.
Eer onze reizigers hun maaltijd geëindigd hadden, viel de avond, en daar de maan aan het afnemen was, begon het heel donker te worden. Partridge haalde Jones dus over om te blijven en de poppenkastvertooning bij te wonen, welke juist aanvangen zoude, en waartoe zij dringend uitgenoodigd werden door den eigenaar van het spel, die verklaarde dat zijne poppen de fraaiste waren ter wereld, en dat zij tot de grootste voldoening der voornaamste lieden in alle steden van het land vertoond waren.
De vertooning was dan in alle opzigten geregeld en betamelijk. Ze bestond uit: „Het schoone en ernstige tooneelstuk: „de Getergde Echtgenoot,”” en was, inderdaad, een zeer ernstig en plegtig stuk, zonder eenigen zweem van platte aardigheden, luim of grappen, of, zelfs in het allerminst iets, dat den lachlust opwekken kon. De toehoorders waren ook allen zeer tevreden. Eene deftige matrone beloofde den baas, dat zij den volgenden avond hare beide dochters medebrengen zou, daar hij geene gekheden vertoonde, en een zaakwaarnemersklerk en een kommies verklaarden beiden dat de rollen van Milord en Milady Townley heel goed volgehouden en naar de natuur geteekend waren. Partridge deelde dit gevoelen volkomen.
De baas was zoo zeer met deze lofspraken ingenomen, dat hij niet nalaten kon er zelf eenige bij te voegen.
Hij zeide, dat de tegenwoordige eeuw in niets zoo zeer vooruitgegaan was als in de poppenkast-vertooningen, die door Polichinel en zijne vrouw en dergelijken dwazen onzin er uit te gooijen, eindelijk tot eene verstandige tijdkorting gemaakt waren.
„Ik herinner me,” voegde hij er bij, „dat toen ik eerst dit beroep opvatte, er een heele boel gemeene aardigheden bij waren, die wèl daartoe strekten om de menschen te doen lagchen, maar die nooit berekend waren om de zeden der jonge lieden te verbeteren, wat eigenlijk het ware doel van alle poppenkast-vertooningen moest zijn; want waarom zou men niet op deze, liever dan op eenige andere wijze, goede en heilzame lessen mededeelen? Mijne poppen zijn levensgroot en stellen het leven in alle opzigten juist voor, en ik twijfel er niet aan, dat de menschen evenzeer verbeterd worden door mijn kleine drama als door het groote op het tooneel.”
„Ik wenschte volstrekt niet de waardigheid van uw beroep te kort te doen,” zei Jones; „maar ik beken dat het mij verheugd zou hebben mijn ouden vriend Polichinel te zien, en verre van ze te verbeteren, geloof ik, dat gij door hem en zijne vrouw er uit te bannen, juist uwe vertooning bedorven hebt.”
De touwtjestrekker vatte oogenblikkelijk de meeste minachting voor Jones op, die deze woorden geuit had. Hij hernam dan ook met veel minachting in zijne blikken: „’t Is wel mogelijk, mijnheer, dat dit uwe meening zij; maar ik heb de voldoening te weten dat de meest bevoegde beoordeelaren zeer van u verschillen—en het is onmogelijk het iedereen naar den smaak te maken. Ik wil echter wel bekennen, dat een paar jaren geleden sommige der groote lui te Bath, Polichinel weder op het tooneel wilden hebben. Ik geloof ook dat het mij wat geld kostte, omdat ik daarin niet toestemmen wilde; maar anderen mogen doen wat zij verkiezen,—ik zal me nooit door eene kleinigheid laten omkoopen om mijn eigen beroep te vernederen, noch zal ik er ooit, zonder dwang, in toestemmen om de ordentelijkheid en de welvoegelijkheid van mijn tooneel op te offeren door zulke gemeene aardigheden daarop toe te laten.”
„Ge hebt groot gelijk, vriend,” riep de klerk, „groot gelijk! Vermijd steeds al wat gemeen is. Ik heb vele kennissen te Londen, die vast besloten hebben, al wat gemeen is van het tooneel te weren.”
„Dat is best!” riep de kommies, de pijp uit den mond nemende. „Ik herinner me,” voegde hij er bij, „toen ik nog bij Milord woonde, dat ik op zekeren avond bij de andere knechts in de galerij zat, toen juist dit stuk, „de Getergde Echtgenoot,” voor de eerste keer gespeeld werd. Er was een heele boel gemeene onzin in over een landjonker, die naar de stad gekomen was, om zich kandidaat te stellen voor het Parlement, en zij bragten een heele troep zijner dienstboden op het tooneel;—ik herinner me in het bijzonder zijn koetsier; maar wij heeren in de galerij konden zulke platheden niet aanhooren en wij floten het uit. Naar ik zie, vriend, hebt gij er al dien onzin uitgelaten, en dat strekt u zeer tot eer.”
„Wel, heeren,” zei Jones, „het is onmogelijk mijne meening tegenover zoovele anderen te handhaven, en werkelijk als de zeer geleerde heer die de poppen vertoont, inziet dat de meerderheid zijner toehoorders een afkeer koestert van Polichinel, heeft hij groot gelijk, als hij hem nooit meer laat optreden.”
De eigenaar der poppen begon nu eene tweede redevoering, waarin hij veel vertelde van de kracht van het voorbeeld, en hoe de mindere menschen van de ondeugd afgeschrikt zouden worden indien zij opmerkten hoe hatelijk die was bij hunne meerderen; toen hij ongelukkig gestoord werd door eene gebeurtenis, welke, hoewel wij ze misschien bij eene andere gelegenheid overgeslagen zouden hebben, wij thans niet nalaten kunnen te vermelden, ofschoon niet in dit hoofdstuk.
HOOFDSTUK VI.
WAARUIT MEN OPMAKEN KAN DAT DE BESTE DINGEN ONDERHEVIG ZIJN AAN VERKEERDE OPVATTING EN UITLEGGING.
Een hevig rumoer deed zich op dit oogenblik hooren in den gang, waar de waardin bezig was om hare meid met de vuist en de tong tegelijk te mishandelen. Zij had namelijk het meisje gemist bij haar werk en vond haar zeer spoedig op het poppentooneel, in gezelschap van den Hansworst en in eene positie, die men niet best beschrijven kan.
Hoewel nu Grace,—want zoo heette zij,—alle aanspraken op zedigheid verbeurd had, was zij toch niet onbeschaamd genoeg om een feit te loochenen, waarop zij werkelijk betrapt was geworden; zij zocht dus eene andere uitredding en poogde haar vergrijp in een zachter licht te stellen.
„Waarom slaat ge me zoo, jufvrouw?” riep de meid; „als u mijn doen niet bevalt, staat het u vrij mij weg te jagen. Als ik werkelijk eene —— ben,” (zoo als de andere haar zeer ongedwongen genoemd had) „dat zijn mijne meerderen ook! Die groote dame in de poppenkastvertooning van straks, was er ook eene! Zij zal wel niet zonder reden den heelen nacht niet bij haar eigen man geslapen hebben!”
De waardin stoof nu in de keuken en viel haar echtgenoot en den armen poppenkast-eigenaar aan.
„Daar, man!” riep zij, „daar hebt ge al de gevolgen van zulk volk als dit in uw huis op te nemen! Al tapt men iets meer dan anders door hun toedoen, wordt dat naauwelijks vergoed door al de drukte die zij maken,—en dan maakt zulk gemeen volk onze herberg tot een publiek huis! Met één woord, ik verzoek dat hij morgen vroeg optrekt; want ik zal zoo iets niet meer dulden onder mijn dak. Het strekt alleen om onze dienstboden luiheid en onzin te leeren; want iets beters kan men niet halen uit zulke laffe vertooningen als deze! Ik herinner me den tijd toen men degelijke, bijbelsche verhalen koos voor de poppen-vertooningen, zoo als Jephta’s dochter en dergelijke zaken meer;—en toen de boozen door den duivel gehaald werden. Dáár zit verstand in; maar, zoo als de dominé verleden zondag zeide, niemand gelooft meer aan den duivel heden ten dage, en nu vertoont gij ons een troep poppen als groote heeren en dames opgeschikt, alleen om alle arme meisjes het hoofd op hol te brengen,—en geen wonder, dat als in haar brein alles ten onderste boven gekeerd is, het met haar heele persoon zoo gaat!”
Naar ik meen, is het Virgilius, die ons vertelt, dat wanneer het graauw, woest en opgewonden zamenschoolt en zich onderling allerlei naar het hoofd smijt, als een deftig man van gezag zich daaronder vertoont, ten spoedigste het geweld bedaart, en dat dan het graauw, dat men wel bij een ezel vergelijken mag, de lange ooren spitst om naar de woorden der wijsheid te luisteren.
Maar integendeel, als een troep ernstige mannen en wijsgeeren onderling twisten,—als de wijsheid zelve, om zoo te zeggen, tegenwoordig is, en de sprekers met argumenten voorziet, en als er dan een oproer onder het graauw losbreekt, of slechts ééne booze feeks,—die alleen even veel spektakel maakt als eene geheele menigte,—zich onder de wijsgeeren vertoont, houden oogenblikken hunne twisten op; de wijsheid verrigt niet meer hare vriendelijke diensten, en de oplettendheid van iedereen wordt dadelijk gevestigd alleen op de ééne feeks.
Dus bragt de verschijning der waardin, en voormeld oproer den poppenkast-vertooner dadelijk tot stilzwijgen en maakte een ontijdig einde aan de gewigtige en plegtstatige redevoering, waarvan wij den lezer reeds voldoende staaltjes gegeven hebben. Niets inderdaad had ontijdiger kunnen komen dan deze gebeurtenis; de kwaadaardigste grillen van het noodlot hadden geene tweede list van deze soort kunnen bedenken, om den armen kerel meer in de war te brengen, terwijl hij zegevierend uitweidde over de goede zedelessen door zijne vertooningen ingeprent. Zijne tong was nu even krachtig in banden geslagen als die van een kwakzalver zou zijn, als men te midden eener redevoering over de groote deugdzaamheid zijner pillen en poeders, het lijk van een zijner slagtoffers te voorschijn bragt en op het stellaadje legde, ten bewijze zijner groote kunde.
In plaats dus van de waardin te antwoorden, liep de poppenkast-vertooner naar buiten, om zijn Hansworst te straffen, en daar de maan hare zilveren schijf, zoo als de dichters zeggen,—hoewel ze op dat oogenblik eerder op een koperen potdeksel geleek,—begon te vertoonen, vroeg Jones zijne rekening en beval Partridge, dien de waardin uit een vasten slaap opgewekt had, zich voor het vertrek gereed te maken;—maar deze, die reeds op twee punten de overwinning behaald had, zoo als de lezer gezien heeft,—verstoutte zich nu om eene derde poging te wagen, die ten doel had om Jones over te halen den nacht dáár door te brengen waar hij zich bevond.
Hij leidde dit in door verbazing te veinzen over het voornemen dat Jones geuit had van te willen vertrekken, en na vele uitstekende argumenten daartegen ingebragt te hebben, drong hij er eindelijk op aan, dat het hoegenaamd tot niets leiden kon; want tenzij Jones wist welken kant uit de dame gegaan was, kon iedere stap dien hij deed, hem welligt hoe langer hoe meer van haar verwijderen; „want het is duidelijk, mijnheer,” zeide hij, „uit al hetgeen de menschen hier in huis vertellen, dat zij niet hier voorbij is getrokken. Het zou dus veel beter zijn tot den morgen te blijven, en dan zullen wij wel iemand ontmoeten, die ons betere inlichtingen kan geven.”
Dit laatste argument had eenige uitwerking op Jones, en terwijl hij er nog over nadacht, wierp de waard het gewigt van al de welsprekendheid, welke hij bezat, in dezelfde schaal.
„Zeker, mijnheer,” zeide hij, „is de raad van uw bediende de beste, welken men geven kan; want wie zou in dit jaargetijde des nachts willen reizen?” Daarop ging hij voort, in den gewonen trant, om de heerlijke inrigting van zijn huis te prijzen, en de waardin voegde zich weldra ook bij hem om daarop aan te dringen,—maar om den lezer niet op te houden met de welbekende praatjes van waard en waardin, vergenoegen wij ons met te melden, dat Jones eindelijk overgehaald werd te blijven en zich met eenige uren rust te verkwikken, waaraan hij werkelijk groote behoefte had, want hij had naauwelijks een oog toegedaan sedert hij de herberg verlaten had, waar hem een gat in het hoofd geslagen was.
Zoodra Jones besloten had dien nacht niet verder te reizen, begaf hij zich ter ruste, met zijne twee slaapkameraden, het zakboekje en de mof; maar Partridge, die reeds meermalen zich met een dutje verkwikt had,—gevoelde thans meer behoefte aan eten dan slapen,—en had nog grootere trek in drinken.
En nu, daar de storm, welken Grace had opgeroepen, bedaard, en de waardin met den poppenkast-vertooner verzoend was, die van zijn kant der goede vrouw den smaad vergaf, door haar, in drift, op zijne vertooningen geworpen, heerschte er volmaakte vrede en rust in de keuken. Daar zaten bij elkaar, rondom het vuur, de waard en de waardin, de poppenkast-vertooner, de procureursklerk, de kommies, en de vernuftige heer Partridge,—onder welk gezelschap het aangename gesprek gevoerd werd, dat men in het volgende hoofdstuk lezen kan.
HOOFDSTUK VII.
BEVATTENDE EEN PAAR OPMERKINGEN VAN ONS EN ZEER VELE VAN HET GOEDE GEZELSCHAP IN DE KEUKEN.
Hoewel de hoogmoed van Partridge niet toeliet dat hij bekende een knecht te zijn, verwaardigde hij zich toch in de meeste opzigten de gewoonten van menschen uit dien stand aan te nemen. Een voorbeeld hiervan was dat hij, er behagen in schepte het vermogen van zijn „reisgezel”, zooals hij Jones noemde, zeer te overdrijven,—wat de algemeene gewoonte der dienstboden is onder vreemdelingen, omdat zij niet gaarne hebben dat men hen als volgelingen van een bedelaar beschouwt; want hoe beter de positie is van den heer, des te beter is die van den knecht, naar zijn eigen gevoelen, en de waarheid dezer opmerking blijkt uit het gedrag van alle dienstboden van den adel.
Maar, ofschoon rang en vermogen overal in het rond glans verspreiden, en de knechts van groote heeren zich geregtigd achten tot een gedeelte van den eerbied, welken men bewijst aan den stand en het vermogen hunner meesters, heeft het tegenovergestelde duidelijk plaats ten opzigte van deugd en verstand. Deze voordeelen zijn geheel individueel, en verzwelgen zelve allen eerbied dien ze eischen. En om de waarheid te zeggen, die is zoo gering in hoeveelheid, dat zij er niet best toe komen kunnen, om hem met anderen te deelen. Daar deze dus den knecht geene eer aanbrengen, gevoelt hij zich volstrekt niet onteerd als zijn heer ze ten eenenmale mist. Het is echter weder anders gesteld als het de „deugd” eener meesteresse geldt, zoo als we reeds gezien hebben; want in deze schande is eene soort van besmetting, welke, even als die der armoede zich aan allen mededeelt, die daarmede in aanraking komen.
Om deze redenen dan, moet het ons niet verwonderen, dat dienstboden (wij spreken alleen van mannelijke) zoo veel zorg dragen voor den naam van hunne heeren, wat rijkdom betreft,—terwijl zij in andere opzigten niets geven om hun goeden naam, en dat hoewel zij zich schamen zouden de knechts van een bedelaar te zijn, het hun niet hinderen zou een schelm of een domkop te bedienen;—zoodat zij niet schroomen om de ondeugden en dwaasheden van hunne meesters zoo wereldkundig mogelijk te maken, en dit soms op de grappigste en vrolijkste wijze. Want werkelijk wordt de knecht dikwerf geestig en kwasterig op kosten van den heer, wiens liverei hij draagt.
Nadat Partridge dus behoorlijk uitgeweid had over het groote vermogen, waarvan Jones de erfgenaam zou zijn, deelde hij onbeschroomd de vrees mede, welke hij den vorigen dag was beginnen te koesteren, en die, zoo als wij bij die gelegenheid te kennen gaven, eenigzins verklaarbaar was uit de handelingen van Jones. Met één woord: hij gevoelde zich thans bijna overtuigd dat zijn heer zijn verstand kwijt was, en dit denkbeeld deelde hij zeer ongedwongen aan het gezelschap, dat bij het vuur zat, mede.
De poppenkast-vertooner was het oogenblikkelijk met hem eens.