Part 58
Dowling raadde Jones zeer ernstig aan dien avond niet verder te reizen, en staafde zijne raadgevingen met vele zeer geldige redenen, zoo als de invallende duisternis, de slechte toestand der wegen, en hoe veel beter het was over dag te reizen, met vele andere even gewigtige argumenten, van welke sommige waarschijnlijk Jones zelven reeds vroeger ingevallen waren, maar die niets bij hem uitgewerkt hadden,—wat ook nu het geval was,—zoo dat hij vast bleef bij zijn besluit om verder te gaan, al moest hij dat ook te voet doen.
Zoodra de vriendelijke procureur nu ontwaarde dat hij Jones niet overhalen kon om te blijven, legde hij zich ijverig er op toe om den gids te overtuigen, dat hij verder gaan moest. Hij gebruikte allerlei redenen om hem de korte reis te doen ondernemen en eindigde met te zeggen: „Gelooft gij niet dat mijnheer u zeer ruim beloonen zal voor de moeite?”
Twee tegen één is eene zware partij, niet slechts bij het balspel, maar ook in andere dingen. Maar het voordeel van deze vereenigde kracht bij overreding en smeeken moet door iederen opmerkzamen toeschouwer waargenomen zijn; want hij heeft dikwerf moeten zien, dat als een vader, een meester, eene vrouw, of ieder ander gezaghebbende, zijne weigering standvastig volgehouden heeft tegenover al de redenen, welke één enkel mensch heeft kunnen aanvoeren, hij dikwerf bezweken is voor dezelfde argumenten, als zij door een tweeden of derden persoon aangehaald werden, die voor de zaak in de bres sprong, zonder iets nieuws tot haar voordeel aan den dag te brengen. Van daar welligt de gewoonte dat men „ondersteund” moet worden, als men in eene vergadering een voorstel doet, en het groote gewigt hetwelk men daaraan hecht in alle openbare bijeenkomsten, waar iets te behandelen valt. Vandaar ook waarschijnlijk dat wij dikwijls een wel-edel-gestrengen heer (gewoonlijk een advokaat), een uur achtereen precies hetzelfde hooren voordragen wat een andere wel-edel-gestrenge heer, die hem voorgegaan is, pas gezegd heeft.
In plaats nu van dit te willen verklaren, zullen wij op onze gewone wijze voortgaan, met het door een voorbeeld op te helderen in het gedrag van voornoemden postiljon, die bezweek voor de bewijsgronden van den heer Dowling, en nogmaals beloofde toe te staan dat Jones den vrouwenzadel beklom; maar er op bleef aandringen dat zijne arme dieren eerst goed gevoed werden, zeggende dat ze al ver en snel geloopen hadden. Inderdaad was deze voorzorg van den postiljon onnoodig; want Jones, in weerwil van zijne haast en zijn ongeduld, zou dit zelf wel verkozen hebben; daar hij het volstrekt niet eens was met diegenen welke de dieren beschouwen als slechts zoovele werktuigen, en die als zij hun paard de sporen geven, zich verbeelden dat het dier en de spoor beide even weinig gevoel hebben.
Terwijl nu de paarden hun haver opvraten (of liever verondersteld werden te vreten, want daar de postiljon voor zich zelven zorgde in de keuken, zorgde de stalknecht dat zijn haver op stal niet verkwist werd), vergezelde de heer Jones den heer Dowling, op diens ernstig verzoek, naar zijne kamer, waar zij zamen eene flesch wijn gingen gebruiken.
HOOFDSTUK X.
WAARIN DE HEER JONES EN DE HEER DOWLING ZAMEN EENE FLESCH LEDIGEN.
De heer Dowling, een glas wijn inschenkende, stelde de gezondheid van den heer Allworthy in, er bijvoegende: „Met uw goedvinden, mijnheer, zullen wij ook drinken op zijn neef en erfgenaam, den jongen heer. Kom aan, mijnheer, op mijnheer Blifil! ’t Is een knappe jongen, en ik sta er voor in, dat hij met der tijd eene heel goede rol zal spelen in het graafschap. Ik heb zelf een plaatsje voor hem in het Parlement op het oog!”
„Mijnheer,” hernam Jones, „ik ben er van overtuigd dat gij de bedoeling niet hebt om mij te beleedigen, dus duid ik het u niet ten kwade; maar ik verklaar u dat ge op de meest ongepaste wijze twee menschen bij elkaar genoemd hebt; want de één strekt het menschelijke geslacht tot eer, terwijl de andere een schelm is, die den naam van man onteert!”
Dowling zette hierbij groote oogen.
Hij zeide dat hij zich verbeeld had, dat beide heeren even onberispelijk van karakter waren. „Wat mijnheer Allworthy aangaat,” voegde hij er bij, „ik heb nooit het geluk gehad van hem te ontmoeten; maar iedereen praat van zijne goedheid. En, wat den jongen heer betreft, dien heb ik slechts eens gezien, toen ik hem de tijding bragt van zijn moeders dood, waarbij ik zoo gehaast en gejaagd was door eene opeenstapeling van zaken, dat ik naauwelijks den tijd kon vinden om hem te woord te staan. Maar hij zag er uit als een fatsoenlijk man, en hield zich zoo goed, dat ik verklaar nooit van mijn leven een innemender mensch ontmoet te hebben.”
„Het verwondert me volstrekt niet,” hernam Jones, „dat hij u bij de eerste kennismaking fopte; want hij is slim als de Satan, en men kan jaren lang met hem leven zonder dat hij zich bloot geeft. Ik ben als kind met hem opgevoed, en wij zijn haast nooit van elkaar af geweest; maar het is slechts in den laatsten tijd dat ik de helft zijner schelmenstreken ontdekt heb. Ik beken echter dat ik nooit veel met hem op had. Ik dacht dat het hem ontbrak aan die edelmoedigheid, welke den grondslag legt tot al wat groot en schoon is in de menschelijke natuur. Ik herkende en verachtte al lang geleden zijne zelfzucht; maar het is slechts onlangs, zelfs zeer kort geleden, dat ik hem gereed vond om de gemeenste en boosaardigste streken te begaan; want, inderdaad, ik heb eindelijk ontdekt, dat hij misbruik heeft gemaakt van mijne eigene openhartigheid, om het snoodste plan te beramen, dat door de kwaadaardigste kuiperijen werd uitgevoerd, ten einde mijn ongeluk te bewerken,—waarin hij ook volmaakt geslaagd is.”
„Wel, wel!” riep Dowling, „het is toch jammer dat zoo iemand het groote vermogen van uw oom Allworthy erven zou!”
„Helaas, mijnheer,” hernam Jones, „gij doet me eene eer aan, waarop ik geene aanspraak heb. ’t Is wel waar, dat hij eens de goedheid had mij te veroorloven hem een nog dierbaarder naam te geven; maar dat was alleen uit overgroote liefde; dus kan ik volstrekt niet over onregtvaardigheid klagen, als het hem goeddunkt mij van die eer te berooven; daar ik niets verlies waarop ik eenig regt had. Ik verzeker u, mijnheer, dat ik geen bloedverwant ben van den heer Allworthy, en als de menschen in de wereld, die buiten staat zijn om zijne deugd naar waarde te schatten, zich verbeelden dat hij door zijne tegenwoordige houding tegenover mij, een bloedverwant mishandeld heeft, dan doen zij den besten der menschen groot onregt aan;—want ik—maar, ik vraag u vergiffenis, mijnheer; ik zal u met geene bijzonderheden lastig vallen, die mij alleen aangaan;—daar gij echter scheent te gelooven dat ik een naastbestaande van den heer Allworthy was, achtte ik het noodig u op de hoogte te brengen in eene zaak, welke hem anders aan berisping kon blootstellen, en eerder dan daartoe bij te dragen, verklaar ik plegtig, liever mijn leven te willen laten.”
„Werkelijk, mijnheer,” riep Dowling, „gij spreekt als een man van eer;—maar in plaats van mij lastig te vallen, betuig ik, dat het mij het grootste genoegen zou doen te vernemen hoe het komt dat men u voor een bloedverwant van den heer Allworthy houdt, als gij dat niet zijt. Het zal wel een half uur duren eer de paarden gereed zijn, en daar gij tijd in overvloed hebt, wenschte ik wel dat gij mij vertellen wildet hoe zich alles toegedragen heeft; want, wezenlijk, het luidt wel wat vreemd, dat gij steeds voor iemands bloedverwant doorgaat, zonder dat er iets van aan is.”
Jones, die wat inschikkelijkheid, hoewel niet wat voorzigtigheid betrof, iets had van zijne schoone Sophia, liet zich gemakkelijk overhalen om aan de nieuwsgierigheid van den heer Dowling te voldoen door de geschiedenis van zijne geboorte en opvoeding mede te deelen, wat hij deed even als Othello,
„—Van af de kinderjaren, Tot op het oogenblik dat hij nog sprak.”
En even als Desdemona, leende hem Dowling ernstig het oor.
„En zwoer ’t was vreemd,—zeer vreemd voorwaar, En treurig,—ja, verbazend treurig.”
De heer Dowling was inderdaad zeer aangedaan door al wat hij vernam; want ofschoon hij procureur was, had hij zijne menschlijkheid niet afgelegd. Er is ook werkelijk niets onbillijker, dan onze vooroordeelen tegen een beroep over te brengen in het huisselijke leven, en om ons een denkbeeld te maken van een mensch alleen volgens het beroep dat hij uitoefent. ’t Is waar, dat de gewoonte het akelige vermindert van die bedrijven, welke het beroep eischt, en die dus tot dagelijksche zaken worden; maar in alle overige gevallen werkt de natuur bij menschen van alle beroepen op dezelfde wijze,—ja zelfs, welligt nog sterker bij diegenen, die, als het ware, haar niets te doen geven, als zij hunne gewone bezigheden volgen. Ik twijfel er niet aan, dat een slager wroeging zou gevoelen over het slagten van een schoon paard, en hoewel een heelmeester niets geeft om de pijn als hij een been moet afzetten, heb ik hem wel medelijden zien hebben met iemand die aan jichtpijnen lijdt. Den gewonen beul, die er honderden opgeknoopt heeft, heeft men zien beven als hij voor den eersten keer een hoofd moest afslaan, en de ware professoren in de kunst van bloedvergieten, die in hun krijgsberoep niet slechts duizenden hunner medeprofessoren, maar zelfs dikwerf vrouwen en kinderen dooden, zonder eenige wroeging, leggen in vredestijd, als de trom en de trompet zwijgen, ook al hunne woestheid af, en worden zeer zachtzinnige leden der burgermaatschappij. Op dezelfde wijze is soms een procureur gevoelig voor al de rampen en ellende zijner mede-schepselen,—mits hij niet ambtshalve tegen hen optreden moet.
Jones, gelijk de lezer zich herinneren zal, was nog onbekend met de zeer zwarte kleuren waarmede men hem aan den heer Allworthy afgeschilderd had, en wat andere zaken betreft, die stelde hij niet in het meest nadeelige licht voor; want ofschoon hij niet wenschte eenigen blaam te werpen op zijn vroegeren vriend en beschermer, verlangde hij ook zich zelven niet al te veel te bezwaren. Dowling merkte dus op, en niet zonder reden, dat de een of ander hem zeker zeer slechte diensten bewezen had; „want,” riep hij, „de heer Allworthy zou u zeker nooit onterfd hebben alleen om eenige kleine wanbedrijven, welke iedere jongen had kunnen begaan. Maar onterven is eigenlijk het woord niet dat ik had moeten gebruiken; want, ’t is waar, volgens de wet, zijt gij zijn erfgenaam niet. Dat is zeker, en daaromtrent behoeft men het gevoelen van geen advokaat in te roepen. Maar toen een heer u op die wijze als zijn eigen zoon aangenomen had, kondt gij redelijk een aanzienlijk deel,—zoo niet geheel zijn vermogen wachten;—ja, al hadt gij het geheel verwacht, zou ik u dat niet ten kwade geduid hebben; want, werkelijk, iedereen doet zijn best om zoo veel mogelijk te krijgen,—en dat kan men geen mensch kwalijk nemen.”
„Wezenlijk,” hernam Jones, „gij doet me onregt aan. Ik zou met heel weinig tevreden zijn geweest;—ik dacht nooit aan het vermogen van mijnheer Allworthy;—ja, ik geloof zelfs dat ik naar waarheid verklaren kan, dat het nooit bij mij opgekomen is hoe veel of hoe weinig hij mij geven zou. Dat verklaar ik plegtig: als hij, om mij te begunstigen, zijn neef benadeeld had, dan zou ik het nooit aangenomen hebben! Ik heb meer op met mijne eigene zielerust dan met het vermogen van een ander. Wat beteekent de armzalige hoogmoed, die ontstaat uit het bezit van een prachtig huis, eene talrijke bediening, eene heerlijke tafel en al de andere voordeelen of vertooningen der rijkdommen, vergeleken bij de opregte, degelijke tevredenheid, de trotsche zelfvoldoening, de verrukkelijke gewaarwordingen en de vreugdevolle overwinningen, die een deugdzaam mensch smaakt bij de beschouwing van eene edele handeling? Ik benijd Blifil niet zijne verwachtingen, noch zal ik hem het bezit zijner rijkdommen misgunnen. Ik wilde mij zelven geen half uur lang een schurk achten, om met hem te ruilen. Ik geloof inderdaad, dat de heer Blifil mij verdacht hield van de vooruitzigten door u vermeld, en ik veronderstel dat deze vermoedens, die uit de laagheid van zijn eigen karakter ontstonden, ook zijn laag gedrag ten mijnen opzigte veroorzaakten. Maar, Goddank, ik weet, ik gevoel,—ja, vriend, ik ken mijne eigene onschuld, en om de geheele wereld, zou ik daarvan geen afstand willen doen.—Want zoolang ik weet dat ik nooit kwaad bedoeld, of gedaan heb aan eenig mensch ter wereld:
„Pone me pigris ubi nulla campis Arbor aestiva recreatur aura, Quod latus mundi nebulae, malusque Jupiter urget. Pone sub curru nimium propinqui Solis in terra domibus negata; Dulce ridentem Lalagen amabo, Dulce loquentem.” [13]
Hierop schonk hij zich een vollen beker in, ledigde hem op het welzijn zijner lieve Lalage en Dowlings glas ook tot den rand vullende, stond hij er op, dat hij mededrinken zou.
„Nu dan, van ganscher harte,” riep Dowling; „het welzijn van jufvrouw Lalage! Ik heb dikwijls een toast op haar hooren instellen, dat is waar; hoewel ik haar nooit gezien heb; maar iedereen zegt dat zij zeer schoon is!”
Ofschoon nu het Latijn niet het eenige gedeelte van de redevoering van Jones was, dat Dowling niet volmaakt verstond, was er toch iets in, dat diepen indruk op hem maakte. En hoewel hij door knipoogen, knikken, lagchen en grijnzen zijn best deed om dit voor Jones te verbergen,—want wij schamen ons even dikwerf over goede gedachten als over slechte,—is het zeker dat hij in zijn hart zoo veel van Jones’ denkwijze goedkeurde als hij er van begreep, en werkelijk eene sterke opwelling van medelijden met hem gevoelde. Mogelijk zullen wij eene andere gelegenheid waarnemen om nader hierover uit te weiden, als wij toevallig in den loop dezer geschiedenis den heer Dowling weer ontmoeten. Thans zijn wij genoodzaakt eenigzins kortaf dien heer te verlaten, in navolging van den heer Jones, die zoodra hij van Partridge vernam dat de paarden gereed waren, zijne rekening betaalde, zijn makker goeden nacht wenschte en op weg ging naar Coventry, ofschoon het heel donker was en juist sterk begon te regenen.
HOOFDSTUK XI.
DE ONGELUKKEN WELKE DEN HEER JONES TROFFEN OP ZIJNE REIS NAAR COVENTRY, MET DE OPMERKINGEN VAN PARTRIDGE.
Geen weg ter wereld kan regter zijn dan die van de plaats welke zij pas verlaten hadden naar Coventry en hoewel noch Jones, noch Partridge, noch de gids dien ooit te voren gegaan waren, zou het bijna onmogelijk voor hen geweest zijn om af te dwalen, zonder de twee redenen, welke aan het einde van het vorige hoofdstuk vermeld zijn.
Daar echter nu deze beide omstandigheden zoo ongelukkig tusschenbeide kwamen, geraakten onze reizigers op een veel minder begaan spoor, en na een paar uur ver gereden te zijn, bevonden zij zich, in plaats van bij de trotsche torens van Coventry, nog in eene zeer modderige laan, waar geen teeken te ontdekken was van de nabijheid eener groote stad.
Jones begreep nu dat zij verdwaald waren; maar de gids hield vol dat dit onmogelijk was;—een woord, dat in den dagelijkschen omgang gebezigd wordt, om niet slechts het onwaarschijnlijke, maar dikwerf ook het zeer waarschijnlijke uit te drukken, en soms zelfs het werkelijk reeds gebeurde;—eene verkrachting van de ware beteekenis, welke zoo dikwerf plaats heeft ook bij de woorden „oneindig” en „eeuwig;”—met het eerste van welke men wel eens een afstand van eene halve el, en met het tweede een tijdsverloop in vijf minuten aanduidt. En op deze wijze is het even gebruikelijk de onmogelijkheid te betuigen van ooit iets te verliezen,—hoewel men het al verloren heeft. Dit was inderdaad nu het geval; want niettegenstaande het vaste beweren van den postiljon van het tegendeel, is het zeker dat zij thans evenmin op den goeden weg waren naar Coventry, als de oneerlijke, grijpende, wreedaardige, huichelende vrek op den goeden weg is naar den hemel.
Het valt welligt den lezer, die nooit in zulke omstandigheden verkeerd heeft, niet gemakkelijk om zich den akeligen toestand voor te stellen van menschen, die te midden der duisternis, in regen en wind, des nachts afgedwaald zijn; en die daarom geen aangenaam vooruitzigt hebben op warme vuren, drooge kleêren en andere verkwikkingen, om hun moed te geven als zij te worstelen hebben tegen de woede der elementen. Een zeer onvolmaakt begrip echter van dezen treurigen toestand, zal voldoende zijn om de voorstellingen te verklaren, die nu voor de verbeelding van Partridge oprezen, en welke wij straks genoodzaakt zullen wezen mede te deelen.
Jones gevoelde zich hoe langer zoo meer overtuigd dat zij verdwaald waren, en de postiljon bekende eindelijk, dat hij geloofde dat zij van den goeden weg af waren; hoewel hij tevens beweerde dat het onmogelijk was, dat zij verdwaald konden zijn. Maar Partridge was van een ander gevoelen.
Hij zeide, „dat hij overtuigd was, al bij hun vertrek, dat hun het eene of andere ongeluk overkomen zou.—Hebt gij die oude vrouw niet gezien, in de deur, juist toen wij te paard stegen, mijnheer?” vroeg hij aan Jones. „Ik wilde maar van ganscher harte, dat gij haar eene kleinigheid gegeven hadt; want zij zeide toen al, dat het u wel berouwen kon dat niet gedaan te hebben, en juist op dat oogenblik begon het te regenen en de wind is hoe langer zoo sterker opgekomen. Wat ook sommige menschen verkiezen te zeggen, ik weet zeker dat de heksen het in hare magt hebben den wind te doen opkomen wanneer zij verkiezen. Ik heb het dikwerf zien gebeuren, en als ik ooit van mijn leven eene heks gezien heb, is die oude er eene. Dat dacht ik dadelijk, zoodra ik haar zag, en als ik maar wat kopergeld op zak had gehad, zou ik haar eene kleinigheid gegeven hebben; want het is waarlijk geraden jegens dergelijke menschen mild te zijn, uit vrees voor hetgeen zou kunnen gebeuren, en menigeen heeft zijn vee verloren, door een duit te willen sparen.”
Hoewel Jones zich zeer ergerde over de vertraging, welke hij nu waarschijnlijk in zijne reis ondervinden zou, kon hij niet nalaten te glimlagchen om het bijgeloof van zijn vriend, die nu, door een nieuw ongelukje, in zijne denkbeelden bevestigd werd. Dit was niets anders dan een val van zijn paard, waardoor hij echter geen ander letsel ondervond dan dat zijne kleeren met modder bespat werden.
Partridge was pas weder op de beenen, toen hij zich beriep op zijn val als een afdoend bewijs van hetgeen hij beweerd had; maar Jones, bevindende dat hij ongekwetst was, hernam met een glimlach: „Die heks van u, Partridge, is een ondankbaar wijf, en maakt geen onderscheid, voor zoo ver ik zie, tusschen vriend en vijand in hare wraakoefening. Als de oude dame kwaad op mij geweest ware, omdat ik haar verwaarloosde, zie ik niet in waarom zij u van het paard zou smijten, na al den eerbied welken gij voor haar uitgedrukt hebt.”
„Men moet niet spotten,” riep Partridge, „met menschen, die het in hunne magt hebben zoo iets te doen; want zij zijn kwaadaardig. Ik herinner me een hoefsmid, die eene heks tergde, door haar te vragen, wanneer de tijd om zou zijn waarvoor zij met den duivel afspraak had gemaakt, en binnen drie maanden daarna was eene zijner beste koeijen verdronken. En daarmede was zij nog niet tevreden; want kort daarna verloor hij een vat van zijn best bier;—de oude heks was namelijk in den kelder geweest, en had de kraan open gezet, en den heelen kelder vol laten loopen, den eersten avond, dat hij het vat aftapte, om een pretje met zijne vrienden te hebben. Met één woord, later is er niets meer goed gegaan met hem; want zij plaagde den armen man zoo, dat hij aan den drank raakte, en binnen een jaar of wat werd zijn boeltje verkocht en zijne familie is nu aan de diakonie gekomen.”
De gids—en welligt zijn paard ook,—hadden zoo oplettend naar dit verhaal geluisterd dat beiden nu,—hetzij door gebrek aan voorzigtigheid, of door de kwaadaardigheid der heks, in den modder lagen te spartelen.
Partridge schreef dit ongeluk aan dezelfde oorzaak toe als het zijne. Hij zeide aan den heer Jones, „dat hij nu zeker aan de beurt was, en smeekte hem terug te keeren, om de oude vrouw op te zoeken, en haar te verzoenen. Wij zullen spoedig de herberg weder bereiken,” voegde hij er bij; „want hoewel wij ons verbeeld hebben vooruit te gaan, ben ik zeker dat wij juist op dezelfde plek zijn, waar wij een uur geleden waren, en als het daglicht was, zou ik durven wedden dat wij nu in het gezigt zouden zijn van de herberg vanwaar wij vertrokken zijn.”
In plaats van eenig antwoord op dezen wijzen raad te geven, was Jones bezig met onderzoek te doen naar den toestand van den postiljon, die er echter even goed afgekomen was als Partridge, terwijl zijne kleêren ook niet veel geleden hadden, daar ze sedert vele jaren aan dergelijke ongelukken gewoon waren geweest. Hij klom dan ook spoedig weder in den zadel en door de vele verwenschingen en slagen, welke hij aan zijn paard besteedde, overtuigde hij spoedig den heer Jones dat er niets kwaads met hem gebeurd was.
HOOFDSTUK XII.
DE HEER JONES ZET DE REIS VOORT, TEGEN DEN RAAD VAN PARTRIDGE IN, EN HETGEEN ER BIJ DEZE GELEGENHEID GEBEURDE.
Zij ontdekten nu een licht op eenigen afstand, tot groot genoegen van Jones, en tot geen geringen schrik van Partridge, die vast geloofde dat hij betooverd was, en dat het een dwaallichtje was, of iets welligt van nog gevaarlijker aard.
Maar hoe zeer vermeerderde niet deze schrik toen zij nader bij dit licht (of deze lichten, zoo als ze nu bleken te zijn) gekomen, een verward gebrom hoorden van menschelijke stemmen, lagchende, zingende, schreeuwende, tegelijk met een vreemd geluid, dat van zekere instrumenten scheen te komen, maar dat toch naauwelijks muzijk kon heeten;—hoewel men het,—naar het gevoelen van Partridge,—wel heksen-muzijk had kunnen noemen.
Het is haast onmogelijk den schrik, waardoor Partridge nu overvallen werd, te beschrijven, en die zich thans uitstrekte tot den postiljon, die zeer scherp geluisterd had naar al wat gezegd was. Hij vereenigde zich dan ook nu met Partridge, om Jones te smeeken terug te keeren; verklarende, dat hij vast geloofde aan hetgeen de schoolmeester pas verteld had, en dat hoewel de paarden schenen vooruit te gaan, zij gedurende het laatste half uur geene schrede verder gekomen waren.
Jones kon niet nalaten te glimlagchen over den angst dier arme knapen, hoezeer hij zich er over ergerde.
„Of wij naderen de lichten,” zeide hij, „òf de lichten naderen ons; want wij zijn er nu vlak bij,—en hoe kunt gij toch bang zijn voor een troep menschen, die zich alleen schijnen vrolijk te maken?”
„Zich vrolijk maken, mijnheer?” riep Partridge. „Wie zou dat doen op zulk een uur van den nacht, op zulk eene plaats en bij zulk weder? Het zijn niets anders dan spoken en heksen, of booze geesten van den een of anderen aard,—dat is zeker!”
„Wat het ook zijn,” hernam Jones, „ik heb besloten naar hen toe te gaan en den weg te vragen naar Coventry. Niet alle toovenaressen, Partridge, zijn zoo kwaadaardig als de heks, die wij tot ons ongeluk pas ontmoet hebben.”
„Hemel, mijnheer!” antwoordde Partridge, „het is onmogelijk vooraf te weten hoe zij gemutst zullen zijn; maar het beste is, zeker, heel beleefd jegens haar te zijn. Maar hoe, als wij nog erger dan heksen ontmoeten;—als het de booze geesten zelve zijn?—O, mijnheer, volg een goeden raad! dat bid ik u, mijnheer! Als gij zoo vele schrikkelijke verhalen van dergelijke dingen gelezen hadt als ik, zoudt gij niet zoo vermetel zijn.—De hemel weet waar wij nu al heen geraakt zijn, of waarheen wij gaan; want, zeker, is het nooit zoo pikdonker op aarde geweest, en ik twijfel of het elders donkerder kan zijn.”
Niettegenstaande al deze wenken en waarschuwingen, haastte zich Jones zoo veel mogelijk om vooruit te komen en de arme Partridge zag zich genoodzaakt om hem te volgen; want hoewel hij naauwelijks durfde verder te gaan, waagde hij het nog veel minder om alleen achter te blijven.