Tom Jones

Part 17

Chapter 173,964 wordsPublic domain

Hieruit is een blijkbare en misschien onvermijdelijke dwaling ontstaan; want deze critici, mannen zijnde van zeer geringe bekwaamheden, namen zeer ligt den schijn voor het wezen aan. Zij handelden op de wijze van een regter, die de doode letter van de wet zou willen volgen zonder aan den geest te denken. Kleine bijzonderheden, welke misschien slechts toevallig bij een grooten schrijver gevonden worden, werden door deze critici beschouwd als zijn hoofdverdienste en als hoofdvereischte ook aanbevolen aan al zijne opvolgers. Aan deze inbreuken verleenden tijd en onwetendheid, de beide groote steunpilaren van het bedrog, gezag, en dus werden vele regels voor het schrijven vastgesteld, welke noch in de natuur noch in de waarheid eenigen grond hebben, en die gewoonlijk tot niets anders dienen dan om het genie te belemmeren en te beteugelen, op dezelfde wijze als men den dansmeester belemmerd zou hebben, als men in de vele heerlijke leerboeken over die kunst, als stelregel aangenomen had, dat iedereen geboeid moet dansen.

Om derhalve alle beschuldigingen te voorkomen van regels voor de nakomelingschap te hebben willen vaststellen, alleen gegrond op het gezag van een ipse dixit, waarvoor wij bekennen niet bijzonder veel eerbied te koesteren, zullen wij het voorregt, dat men zich vroeger aanmatigde, hier opgeven, en voortgaan met den lezer de redenen bloot te leggen, welke ons overgehaald hebben de verschillende tusschengevoegde afwijkingen in den loop van dit werk in te lasschen.

En dit zal ons noodzakelijk aanleiding geven om eene nieuwe bron van kennis te openbaren, die, al werd ze reeds vroeger ontdekt, voor zoo ver wij weten, nooit door eenigen ouden of nieuwen schrijver gebruikt is. Deze bron is niets anders dan die der tegenstelling, welke zigtbaar is in alle werken der schepping, en waarschijnlijk er veel toe bijdraagt om het begrip van alle schoonheid in ons duidelijk te maken; want waardoor wordt de schoonheid, of de heerlijkheid van wat ook, meer bewezen, dan door het tegenovergestelde daarvan? Dus wordt de schoonheid van den dag en die van den zomer verhoogd door de afgrijsselijkheid van den nacht en van den winter. En ik geloof, dat als het mogelijk ware voor een mensch slechts de beide eersten te zien, hij een zeer onvolmaakt denkbeeld van hunne schoonheid zou hebben.

Maar, om een al te ernstigen toon te vermijden:—kan men er aan twijfelen, dat de schoonste vrouw ter wereld al de voorregten van hare bekoorlijkheden zou missen, in het oog van een man, die nooit eene minder begaafde vrouw had gezien? De dames zelve schijnen hiervan zoo overtuigd, dat zij zich alle beijveren iets te vinden dat afsteekt tegen hare schoonheid;—ja, zij nemen die rol op zich tegenover zich zelve; want ik heb wel eens opgemerkt (vooral te Bath), dat zij zich moeite geven om ’s morgens zoo leelijk mogelijk te schijnen, ten einde de schoonheid, welke zij des avonds ten toon willen spreiden, des te meer in het oog te doen vallen.

De meeste kunstenaren kennen de praktijk van dit geheim, hoewel velen welligt de theorie er van niet bestudeerd hebben. De juwelier weet, dat de schoonste diamant gezet moet worden, om goed uit te komen, en de schilder oogst dikwijls grooten roem in door de tegenstelling, welke zijne figuren opleveren.

Een groot genie onder de Engelschen bewijst deze stelling ten duidelijkste. Ik kan hem inderdaad niet brengen onder eenige kathegorie der gewone kunstenaren, daar hij aanspraak heeft op eene plaats onder diegenen

„Inventas qui vitam excoluere per artes.”

„Die door het uitvinden der kunsten het leven veredeld hebben.”

Ik bedoel hiermede de uitvinder van dat heerlijke tijdverdrijf de Engelsche Pantomime.

Dit schouwspel bestond uit twee deelen, welke de uitvinder onderscheidde als het ernstige en het komische deel. Het ernstige vertoonde een zeker aantal heidensche goden en helden, die zeker het slechtste en vervelendste gezelschap uitmaakten waarin de toehoorder ooit gebragt werd, en die (en dit was een geheim slechts aan weinigen bekend,) eigenlijk alleen op deze wijze voorgesteld werden, om het komieke gedeelte van de voorstelling te doen uitkomen en de kunstjes van den harlekijn des te voordeeliger te laten uitblinken.

Het was welligt niet heel beleefd zulke persoonaadjes tot zulk een doeleinde te gebruiken, maar de uitvinding was niettemin zeer vernuftig en miste hare uitwerking niet. En dit zal nu duidelijk blijken, als wij, in plaats van de woorden ernstig en komiek, de uitdrukking „vervelender” en „allervervelendst” bezigen; want het komieke was zeker vervelender dan iets wat men vroeger ten tooneele gevoerd had, en kon alleen schitteren door de tegenstelling met hetgeen in den hoogsten graad vervelend was,—zoo als het ernstige.

Inderdaad, die goden en helden waren zoo onverdragelijk ernstig, dat harlekijn (hoewel de Engelschman van dien naam geene familie is van zijn naamgenoot in Frankrijk; waar hij veel ernstiger van aard is), altijd op het tooneel welkom was, daar hij de toehoorders verloste van veel slechter gezelschap.

Oordeelkundige schrijvers hebben altijd deze kunst met den besten uitslag beoefend. Het verwondert me, dat Horatius ze bij Homerus berispt; maar inderdaad, hij spreekt zich zelven tegen in den eerstvolgenden regel:

„Indignor quandoque bonus dormitat Homerus; Verum opere in longo fas est obrepere somnum.”

„’t Spijt me als soms Homerus zelf slaapt, Schoon bij lang werk men aanspraak heeft op rust.”

Want wij moeten het niet zoo opnemen, als sommigen welligt gedaan hebben, dat de schrijver wezenlijk inslaapt onder het schrijven. ’t Is wel waar dat zoo iets den lezer ligt overkomt; maar al is het werk nog zoo lang, stelt de schrijver zelf er veel te veel belang in om het minste gevaar te loopen van dommelig te worden. Hij is, gelijk Pope zegt:

„Slaaploos zelf, opdat de lezer slape!”

Eigenlijk gezegd, zijn deze slaapwekkende deelen slechts zoovele ernstige tooneelen, kunstmatig er in geweven, om het overige te doen uitkomen, en dit is hetgeen wezenlijk bedoeld werd door wijlen zekeren grappigen schrijver, die het publiek verzekerde, dat telkens als men hem vervelend vond, men er op staat kon maken, dat dit zijn voornemen was. In dit licht dan, of liever in deze duisternis, wenschte ik dat de lezer deze inleidende verhandelingen beschouwen wilde;—en als hij na deze waarschuwing, van meening is, dat hij nog ernst genoeg zal vinden in andere deelen van deze geschiedenis, kan hij deze inleidingen, waarin het ons voornemen is bepaaldelijk vervelend te zijn, overslaan, en de volgende boeken bij het tweede hoofdstuk beginnen.

HOOFDSTUK II.

WAARIN DE HEER JONES VELE VRIENDSCHAPPELIJKE BEZOEKEN ONTVANGT GEDURENDE ZIJNE ZIEKTE, MET EENIGE HEEL KLEINE SPOREN VAN VERLIEFDHEID, DIE NAAUWELIJKS VOOR HET BLOOTE OOG ZIGTBAAR ZIJN.

Tom Jones kreeg gedurende zijne genezing vele bezoeken, waarvan sommige hem welligt niet zeer aangenaam waren. De heer Allworthy zag hem bijna dagelijks; maar hoewel hij medelijden gevoelde met Tom’s smarten, en zeer ingenomen was met de onversaagdheid, welke daar aanleiding toe gegeven had, hield hij dit toch voor eene gunstige gelegenheid om hem tot rijp nadenken te brengen over zijn overigens ligtzinnig gedrag, en dacht dat goede raad tot dat einde, nooit meer ingang zou vinden dan op dit oogenblik, terwijl Tom’s hart vermurwd was door pijn en ziekte en verschrikt door gevaar, en zijne oplettendheid niet afgetrokken werd door die woelige hartstogten, welke ons verleiden tot het najagen van genot.

Ten allen tijde dus, als de waardige man alleen was met den jongeling, en vooral als deze zonder pijn was, nam hij de gelegenheid waar om hem aan zijne vroegere wanbedrijven te herinneren; maar steeds op de zachtste en liefderijkste wijze, en alleen met het doel om hem in de toekomst voorzigtigheid aan te raden. „Want hiervan alleen,” verzekerde hij hem, „zoude zijn eigen geluk afhangen zoowel, als de liefde welke hij zich nog vleijen kon van zijn aangenomen vader te ondervinden, tenzij hij zich later diens achting onwaardig maakte; want,” voegde hij er bij, „wat het verledene betrof, dat was alles vergeten en vergeven. Daarom moedigde hij hem aan, om zich zijn ongeluk ten nutte te maken opdat; het op den duur blijken mogt eene bezoeking te zijn geweest tot zijn eigen best.”

Thwackum was ook een tamelijk getrouwe bezoeker en ook hij beschouwde het ziekbed als een gepast tooneel voor zijne lessen. Zijn trant was echter strenger dan die van den heer Allworthy; hij vertelde zijn leerling, dat hij zijn gebroken arm als een Gods-oordeel over zijne zonden moest beschouwen. Dat het hem betamen zou dagelijks op de knieën den hemel te danken, dat hij slechts den arm en niet den nek gebroken had, welk laatste ongeluk, merkte hij op, „waarschijnlijk slechts tot eene latere gelegenheid uitgesteld was, die welligt niet heel ver verwijderd zou zijn. Wat hem zelven (Thwackum) betrof, hij was er dikwerf over verwonderd geweest, dat hem vroeger geene straf overkomen was; maar men kon toch aan deze zien, dat de straffe des Hemels, hoewel soms lang uitgesteld, altijd toch den zondaar treft.” Hij ried hem dus aan, „met evenveel zekerheid zich voor te bereiden op de nog grootere rampen, die komen moesten, en die hem zeker treffen zouden in zijn goddeloozen toestand. Deze,” zeide hij, „kunnen alleen afgewend worden door groot en opregt berouw, dat niet te hopen of te verwachten is bij iemand, die in zijne jeugd zoo bedorven is, en wiens hart, naar ik vrees, geheel versteend is. Evenwel, het blijft mijn pligt u tot berouw te vermanen, ofschoon het mij wel bewust is, dat alle vermaningen even ijdel en vruchteloos zullen zijn. Maar liberavi animam meam. Ik heb me geen verzuim te verwijten, en het doet me uiterst leed u den weg te zien opgaan tot eene zekere ellende in deze wereld en eene even zekere verdoemenis hier namaals.”

Square praatte in een geheel anderen trant. Hij zeide, „dat het een wijs man niet betaamde eenig gewigt te hechten aan zulke ongelukjes als een gebroken arm. Dat het meer dan genoeg was om ons te verzoenen met dergelijke kleine rampen, als men bedacht dat ook de wijsste der stervelingen daaraan onderhevig waren, en dat ze, zonder twijfel, tot het algemeen welzijn bestonden.” Hij voegde er bij, „dat het een misbruik van woorden was, om die dingen kwalen te noemen, die zedelijk niets ongepast bevatten; dat pijn, welke het ergste gevolg was van zulke toevallen, de verachtelijkste zaak ter wereld was;” met dergelijke gezegden meer, gehaald uit het tweede boek van de Tusculanae van Cicero, en uit den beroemden Lord Shaftesbury. Hij geraakte op zekeren dag zoodanig in vuur onder het vertellen van deze zaken dat hij zich ongelukkig op de tong beet en zoo erg, dat het niet slechts een einde aan zijne redevoering, maar hem tevens driftig maakte en hem een paar vloeken afperste; maar wat het ergste van alles was, deze gebeurtenis verschafte Thwackum de gelegenheid, daar hij er bij was, en dergelijke leerstellingen voor heidensch en atheïstisch hield, om hem zijn ongelukje als een godsoordeel te verwijten. Dit gebeurde met zulk een kwaadaardig gegrijns, dat het den wijsgeer, die reeds eenigzins knorrig was over hetgeen hij gedaan had, het hoofd geheel op hol bragt, en daar hij buiten staat was zijn toorn met woorden te uiten, zou hij welligt op eene meer gewelddadige wijze zich wraak verschaft hebben, als de heelmeester, die gelukkig in de kamer was, niet (wat zeer in strijd was met zijn eigen belang), tusschenbeide gekomen ware, om den vrede te doen bewaren.

De heer Blifil bezocht slechts zelden zijn vriend Jones, en nooit alleen. Deze waardige jongeling echter betuigde veel van hem te houden, en groot leedwezen te gevoelen over zijn ongeluk; maar vermeed voorzigtig den vertrouwelijken omgang met hem, opdat niet,—zoo als hij zelf dikwerf verklaarde,—de zuiverheid van zijn eigen gemoed besmet mogt worden; en hij had dan ook telkens in den mond dat spreekwoord van Salomo, hetwelk tegen slechten omgang gerigt is. Hij was echter niet zoo bitter als Thwackum; want hij drukte toch steeds eenige hoop uit, dat Tom zich op den duur beteren zoude, „wat te weeg gebragt moest worden,” zeide hij, „als hij niet geheel en al reddeloos verloren is, door de onvergelijkelijke goedheid van zijn oom: maar,” voegde hij er bij, „als Jones zich ooit later weder te buiten gaat, zal het mij onmogelijk wezen één woord ten zijnen gunste te spreken.”

Wat den heer Western betreft, die was zelden uit de ziekenkamer, tenzij hij op de jagt was, of bij de flesch zat. Ja, hij kwam er zelfs soms, om er zijn glas bier te drinken, en het kostte eenige moeite hem te beletten Jones ook het bier op te dringen; want nooit heeft een kwakzalver meer geloof gehad in eenig medicament, dan hij in dit algemeene geneesmiddel, dat, volgens hem, beter was dan alle kruiden van den apotheker. Door veel smeeken echter, bragt men hem zoover, dat hij van de toediening er van afzag; maar het was onmogelijk hem te beletten den zieke elken morgen onder het venster met eene serenade op zijn jagthoren te begroeten, en hij vergat ook nooit het luidruchtige „Hola, ho!” waarmede hij in elk gezelschap trad, als hij Jones bezocht, zonder zich er over te bekommeren of de lijder sliep of niet.

Deze luidruchtigheid, die volstrekt met geen kwade bedoeling gepaard ging, deed ook gelukkig geen kwaad, en werd ruimschoots vergoed, zoodra Jones opzitten kon, door het bijzijn van Sophia, die haar vader medebragt om hem te bezoeken;—en het duurde ook niet lang eer Tom in staat was haar naar de klavecimbel te volgen, waar zij de goedheid had hem uren achtereen met de heerlijkste muzijk te betooveren, tenzij de oude heer goed vond haar te storen door om eene ballade, of een zijner geliefkoosde oude liederen te vragen.

Niettegenstaande de groote voorzigtigheid, welke Sophia zich beijverde in haar gedrag in acht te nemen, kon zij niet nalaten tusschenbeide eenige kleine blijken van liefde te laten doorschemeren; want de liefde gelijkt ook hierin op eene ziekte, dat als ze niet op de eene plaats uitbreekt, zij zeker zich ergens anders een uitweg banen zal. Wat hare lippen dus verzwegen, werd verraden door hare blikken, haar blozen en allerlei onwillekeurige kleine aandoeningen.

Op zekeren dag toen Sophia op de klavecimbel speelde, en Jones naar haar zat te luisteren, trad haar vader in de kamer, met den uitroep: „Nu, Tom, ik ben voor jou slaags geweest daar beneden met den dikken dominé Thwackum. Hij vertelde aan Allworthy terwijl ik er bij was, dat de gebroken arm een godsoordeel over u was! „Wel verdraaid!” riep ik, „hoe kan dat waar zijn? Kreeg hij ’t ongeluk niet toen hij een jong meisje bijstond? Een godsoordeel! Wel ja! Als hij nooit iets gemeeners doet dan dat, zal hij eerder in den Hemel komen dan al de dominés in het land! Hij heeft eerder reden om er trotsch op te zijn, dan zich er over te schamen.”

„Wezenlijk, mijnheer,” zei Jones, „ik heb noch tot het een noch het ander reden; maar als het uwe dochter redde, zal ik het altijd als het gelukkigste ongeluk van mijn leven beschouwen.”

„En dan maar zijn best te doen om Allworthy daarom tegen je op te stoken!” zei de landjonker. „Verdraaid! Als de dominé zijne toga niet aan had gehad, dan zou ik hem eens van mijn stok hebben laten proeven; want ik houd veel van jou, jongen, en de drommel zal me halen, als er iets in mijne magt is, dat ik voor jou niet doen zou! Ge zult morgen vroeg de keuze hebben uit al de paarden, die ik op stal heb, met uitzondering alleen van den Chevalier en Miss Slouch.”

Jones bedankte hem, maar weigerde gebruik te maken van zijne aanbieding.

„Nu dan,” hernam Western, „ge zult de merrie hebben, die Sophia bereed. Ze kostte me vijftig guinjes en is nog geen zes jaar oud.”

„Al had ze me er nog duizend gekost,” riep Jones driftig, „ik zou haar aan de honden gegeven hebben!”

„Kom, kom!” hernam Western, „alleen omdat ze jou den arm gebroken heeft? Ge moet leeren te vergeten en te vergeven. Ik hield jou voor te veel mans om wraak te koesteren tegen een stom dier!”

Hier maakte Sophia een einde aan het gesprek door verlof van haar vader te vragen om iets voor hem te spelen:—een verzoek dat hij nooit afsloeg.

Het gelaat van Sophia had eene verandering ondergaan gedurende het pas vermelde gesprek, en zij schreef waarschijnlijk de hartstogtelijke drift, door Jones aan den dag gelegd tegen het paard, aan eene oorzaak toe, die veel verschilde van diegene waarvan ze door haar vader afgeleid werd. Zij was ook op dit oogenblik blijkbaar ontroerd, en speelde zoo erbarmelijk slecht, dat als Western niet spoedig in den dut geraakt ware, hij het zeker opgemerkt zou hebben. Jones echter, die wakker genoeg was, en wien het evenmin aan gehoor ontbrak als aan oogen, vond gelegenheid om eenige opmerkingen te maken, die gevoegd bij al hetgeen vroeger gebeurd was, en dat de lezer kent, hem, bij rijper nadenken, tamelijk vast verzekerden dat Sophia’s teeder hart op de eene of andere wijze aangedaan was. Ik twijfel ook niet dat sommige jonge heeren zeer verbaasd zullen wezen, dat hij dit niet veel vroeger ontdekt had. Maar, om de waarheid te zeggen, hij vertrouwde zich zelven niet genoeg, en was niet verwaand genoeg om de ingenomenheid eener jonge dame te zien; een gebrek, dat alleen genezen kan worden door eene opvoeding in de hoofdstad, zoo als nu zoo zeer in de mode is.

Zoodra echter deze gedachten bij Tom opkwamen, bragten ze bij hem zulk eene ontroering te weeg, dat in een minder rein en standvastig gemoed de gevolgen,—vooral op zulk een tijd,—zeer gevaarlijk hadden kunnen zijn. Hij besefte geheel en al Sophia’s waarde. Hij bewonderde hare schoonheid zeer, en niet minder hare gaven, terwijl hij zeer getroffen was door hare beminnelijkheid. En waarlijk, daar hij nooit eenige gedachte had gekoesterd om haar eens de zijne te kunnen noemen, en nooit, met zijn weten, zijne neiging tot haar aangekweekt had, gevoelde hij veel meer liefde tot haar dan hij zelf wel wist. Zijn hart verried hem nu den geheelen omvang van dat geheim, terwijl het hem verzekerde dat de aangebedene zelve voor zijne liefde niet ongevoelig was gebleven.

HOOFDSTUK III.

BEVATTENDE,—VOOR ALLEN DIE GEEN HART HEBBEN,—VEEL GESCHREEUW EN WEINIG WOL.

De lezer zal zich welligt nu verbeelden, dat de gevoelens, waarmede Jones bezield was, zoo zoet en verrukkelijk waren, dat ze eerder strekken moesten om eene heldere kalmte in zijn geest te doen ontstaan, dan eenige van die gevaarlijke uitwerkingen, welke wij reeds opgesomd hebben; maar, inderdaad, gewaarwordingen van dien aard, hoe heerlijk ook, zijn, als men ze eerst ondervindt, zeer onstuimig, en hebben zeer weinig kalmerends. In het onderhavige geval, werd het genot er ook van verbitterd door zekere omstandigheden, die met zoetere bestanddeelen vereenigd, bij elkaar een mengsel vormden, dat men wel bitter-zoet mogt noemen;—het onaangenamste voor den smaak en, in den overdragtelijken zin, het nadeeligste voor het gemoed dat men zich verbeelden kan.

Want, ten eerste, hoewel er grond genoeg bestond voor hem, om zich te vleijen met hetgeen hij in Sophia opgemerkt had, was hij niet geheel overtuigd dat hij niet medelijden, of, op zijn best, achting, aanzag voor iets van meer vurigen aard. Het was er verre af, dat hij die levendige overtuiging koesterde, dat Sophia zooveel liefde tot hem koesterde, als noodig was om hem die uitkomst te verzekeren, welke zijne eigene neiging, als hij die aankweekte, eindelijk begeeren zou. Bovendien, al mogt hij hopen geene bezwaren te vinden bij de dochter, meende hij zeker te zijn ze bij den vader te ontmoeten; die hoewel slechts een ruwe landjonker, wat zijn vriendschap betrof, heel en al een man van de wereld was in al wat geldzaken aanging, die daarbij de vurigste liefde tot zijne eenige dochter koesterde en dikwijls, over de wijnflesch, het genoegen had te kennen gegeven, dat het hem verschaffen zou haar met een der rijkste mannen van het graafschap te zien trouwen. Jones was niet ijdel en onverstandig genoeg om te verwachten dat Western zich ooit door eenige neiging voor hem zou laten overhalen, om zijne plannen ten voordeel zijner dochter op te geven. Hij wist wel dat het geld gewoonlijk de hoofd- zoo niet de eenige drijfveer der ouders is in dergelijke beschikkingen; want de vriendschap maakt ons zeer ijverig om de belangen van anderen te bevorderen; maar laat ons zeer koel ten opzigte van de bevrediging hunner hartstogten.

En inderdaad, om het geluk te beseffen, hetwelk daaruit voortvloeijen kan, is het een vereischte, dat wij zelve die hartstogten kennen.

Daar hij dus geene hoop koesterde om de toestemming van haar vader te krijgen; begreep hij, dat hij door pogingen aan te wenden om zijn doel te bereiken zonder deze, misbruik zou maken van de gastvrijheid en zich zeer ondankbaar zou betoonen voor de vele kleine gunsten, die (op welke ruwe wijze dan ook) Western hem bewezen had. Terwijl hij aan dergelijke gevolgen met schrik en afschuw dacht, werd hij nog meer getroffen als hij zich den heer Allworthy voorstelde, aan wien hij reeds meer dan kinderlijke verpligtingen had en voor wien hij eene meer dan kinderlijke liefde koesterde. Hij wist dat die waardige man zoo afkeerig was van al wat op laagheid of valschheid geleek, dat het geringste blijk van de eene of de andere dier ondeugden den schuldige voor altijd verachtelijk in zijne oogen zou maken, terwijl hij nooit weder diens naam zou willen hooren noemen.

Reeds de schijn van dergelijke onoverkomelijke bezwaren zou genoeg geweest zijn omhem aan eenig goed gevolg te doen wanhopen, hoe vurig ook zijne liefde was; maar deze werd ook nog beteugeld door zijn medelijden met eene andere vrouw. Het beeld van de schoone Molly drong zich steeds aan hem op. Hij had, in hare armen, haar eeuwige trouw gezworen, en zij had even dikwijls gezworen, dat zij het niet overleven zou als hij haar verliet.

Hij stelde zich haar voor, stervende op de meest verschrikkelijke wijze; of nog erger, hij dacht aan al de ellende van een losbandig leven, waaraan zij onderhevig zou zijn, en waarvan hij de dubbele schuld moest dragen van haar eerst verleid en later verlaten te hebben; want hij was wel bekend met den haat welken de buren en zelfs hare eigene zusters haar toedroegen, en hoe gereed zij zouden zijn om haar te mishandelen. Inderdaad, hij had haar nog meer aan nijd dan aan schande blootgesteld;—of liever, aan de laatste door den eersten. Want vele vrouwen veroordeelden haar ligtzinnig gedrag, terwijl zij haar om den minnaar en den opschik benijdden, en zelve gaarne, voor denzelfden prijs, beide zouden verkregen hebben. Hij begreep dus, dat als hij haar verliet, het arme meisje te grond gerigt zou zijn, en deze gedachte ging hem zeer aan het hart. De armoede en de nood schenen niemand het regt te geven beide deze rampen te verergeren. Haar nederige stand maakte, in zijne oogen, hare ellende niet minder beteekenend, en scheen hem ook niet zijne schuld uit te wisschen of te verminderen, daar hij haar die ellende berokkend had. Maar waarom spreek ik van regt geven? Zijn eigen hart liet hem niet toe een menschelijk wezen te gronde te rigten, dat, naar hij zich verbeeldde, hem beminde en aan die liefde zijne onschuld opgeofferd had. Zijn eigen goed hart pleitte voor haar, niet als een koele, betaalde advokaat, maar als iemand, die belang had bij de uitspraak, en die een groot deel zou moeten dragen van de kwellingen welke een ander zou ondergaan.

Toen deze krachtige advokaat het medelijden van Jones genoegzaam opgewekt had, door de arme Molly af te schilderen als het slagtoffer van allerlei rampen, riep die pleitbezorger zeer listig de hulp in van andere driften en stelde hem het meisje voor in al de schoone kleuren van jeugd, gezondheid en schoonheid,—des te verleidelijker voor de zinnen, ten minste van een regtgeaard mensch, omdat zij tegelijker tijd zijn medelijden verdiende.