Tom Jones

Part 16

Chapter 163,937 wordsPublic domain

Hetgeen zij het meest er tegen had, was juist hetgeen haar vroeger daartoe overgehaald zou hebben, namelijk het drukke ontmoeten van den jongen Jones, dien zij besloten had te vermijden; daar echter het einde van het jagtsaizoen op handen was, hoopte zij, gedurende een kort verblijf bij hare tante, door het gebruik van hare rede haren ongelukkigen hartstogt geheel te boven te komen, en twijfelde er niet aan, dat zij in staat zou zijn hem het volgende jaar zonder eenig gevaar op het jagtveld te ontmoeten.

Op den tweeden dag van haar jagen echter, terwijl zij naar huis reed, en slechts op een korten afstand was van het huis van den heer Western, begon haar paard, (een vurig dier, dat een beteren ruiter dan zij was, vereischte), zoo plotseling te steigeren en te springen, dat zij in groot gevaar verkeerde om uit den zadel te slaan. Tom Jones, die op zeer geringen afstand achter haar reed, zag dit en vloog onmiddellijk haar ter hulpe. Zoodra hij haar bereikte, sprong hij van zijn paard af en greep het hare in de teugels. Het woeste dier steigerde echter met zooveel geweld, dat zijn schoone last van zijn rug geslingerd en door Jones in de armen opgevangen werd.

Zij was zoodanig ontsteld en verschrikt, dat zij niet dadelijk in staat was Jones te antwoorden, die met veel belangstelling vroeg of zij zich bezeerd had? Zij herstelde echter weldra, verzekerde hem dat haar niets deerde en bedankte hem voor de hulp, welke hij haar geschonken had.

„Als ik u maar gered heb, dan ben ik al meer dan genoegzaam beloond, want ik verzeker u dat ik u gaarne voor het geringste ongeluk behoeden zou, op kosten van een veel grootere ramp dan me nu overkomen is.”

„Hoe! Een ramp!” riep Sophia ontsteld. „Ik hoop toch dat u geen ongeluk getroffen heeft?”

„Wees niet bezorgd,” hernam Jones; „Goddank, dat gij zoo gelukkig het dreigende gevaar ontgaan zijt;—als ik den arm gebroken heb, beschouw ik dat slechts als eene kleinigheid, vergeleken bij hetgeen ik voor u vreesde!”

Sophia gilde het nu uit: „Uw arm gebroken? Dat verhoede de Hemel!”

„Ik vrees dat het zóó is,” zei Jones; „maar, bid ik u, laat me nu eerst verder voor u zorgen. Ik heb nog den regterarm tot uwe dienst, om u door die weide te brengen, van waar wij slechts een heel klein eindje hebben naar uw huis.”

Sophia, die nu zag dat zijn linkerarm langs zijne zijde nederhing, terwijl hij den anderen gebruikte om haar te ondersteunen, twijfelde niet meer aan de juistheid zijner woorden. Zij verbleekte nu veel meer dan zij pas van te voren uit vrees voor haar zelve gedaan had. Zij sidderde zoodanig aan alle ledematen, dat Tom haar naauwelijks ondersteunen kon, en daar hare gedachten uiterst verward waren, kon zij zich niet onthouden van zulk een teederen blik op Jones te werpen, dat die bijna een krachtiger gevoelen in haar hart verried, dan zelfs de dankbaarheid en het medelijden vereenigd in het weekste vrouwenhart kunnen opwekken, als ze niet bijgestaan worden door een derden en meer krachtigen hartstogt.

De heer Western, die een eindje vooruit gereden was, eer dit ongeluk gebeurd was, keerde nu terug met de overige ruiters. Sophia deelde hun dadelijk mede wat Jones overkomen was, en smeekte hen voor hem te zorgen, waarop Western, die zeer ongerust was geworden, toen hij zijn dochters paard zonder ruiter aan zag komen, en die nu verrukt was haar ongedeerd weer te zien, uitriep:

„Nou! Ik ben blijde dat het zoo afgeloopen is! En als Tom den arm gebroken heeft, zullen wij een timmerman laten komen, om hem heel te maken.”

Hierop steeg de landjonker van het paard en ging te voet naar huis met zijne dochter en Jones. Een onwetende voorbijganger, die hen onderweg ontmoet had, zou, naar het uiterlijk te oordeelen, opgemaakt hebben dat Sophia alleen zijn medelijden verdiende; want, wat Jones betreft, hij verheugde zich er over het leven der jonge dame waarschijnlijk gered te hebben alleen, ten koste van een gebroken arm, en de heer Western, ofschoon niet onverschillig voor het ongeluk dat Jones getroffen had, was in nog hoogere mate verheugd over de redding zijner dochter.

Sophia had de edelmoedigheid om de houding van Jones als uiterst dapper te beschouwen, en daardoor maakte deze een diepen indruk op haar hart; want het is zeker, dat er geene hoedanigheid is, welke den man zoozeer bij de vrouw aanbeveelt als deze. En dit is, volgens de algemeene meening toe te schrijven aan de algemeene vreesachtigheid van het schoone geslacht, „welke,” zegt de heer Osborne, „zoo groot is, dat de vrouw het lafhartigste is van alle schepselen.” Een gevoelen dat eerder merkwaardig is voor de onbewimpelde wijze waarop het uitgedrukt is, dan wegens de waarheid, welke het bevat. Ik geloof dat Aristoteles in zijne „Politeia” regtvaardiger jegens haar is, als hij verklaart: „De zedigheid en de moed van den man verschillen van die deugden bij de vrouw; want de moed, welke eene vrouw goed staat, zou niet meer dan lafhartigheid zijn in een man, en de zedigheid, welke een man betaamt, zou haast onbeschaamdheid zijn bij de vrouw.” Even weinig waarheid is er welligt in het gevoelen van diegenen, die de genegenheid, welke de vrouwen den dapperen toedragen, aan hare bovenmatige vreesachtigheid toeschrijven. De heer Bayle, (naar ik meen, in zijn artikel over Helena), schrijft dit toe, met grooten schijn van regt, aan hare hevige ingenomenheid met den roem,—wat bekrachtigd wordt door hem, die beter dan alle anderen de menschelijke natuur peilde en die de heldin zijner Odyssee, dat toonbeeld van huwelijksliefde en trouw, voorstelt, als den roem van haar echtgenoot vermeldende als de eenige bron harer liefde tot hem.

Hoe dit ook zij, het blijft onbetwistbaar, dat deze gebeurtenis grooten indruk maakte op Sophia, en inderdaad, na de zaak rijpelijk onderzocht te hebben, ben ik geneigd te gelooven, dat juist te dezer tijd de bekoorlijke Sophia niet minder indruk op het hart van Jones maakte: om alles te bekennen, hij was sedert kort bewust geworden van de onweerstaanbare magt harer bekoorlijkheden.

HOOFDSTUK XIV.

DE AANKOMST VAN EEN HEELMEESTER. ZIJNE OPERATIËN EN EEN LANG GESPREK TUSSCHEN SOPHIA EN HARE KAMENIER.

Zoodra zij bij den heer Western in huis traden, zeeg Sophia, die slechts met groote inspanning zich zoo lang goed gehouden had, op een stoel neder; maar, door het gebruik van hartshoorn en water werd eene onmagt voorkomen, en zij was bijkans geheel hersteld, toen de heelmeester, om wien men gezonden had om Jones bijtestaan, verscheen.

De heer Western, die al deze verschijnselen bij zijne dochter toegeschreven had aan de gevolgen van haar val van het paard, gaf haar den raad zich dadelijk te doen aderlaten, om nog grooter onheil te voorkomen. In dit gevoelen werd hij ondersteund door den heelmeester, die zoovele redenen daarvoor aanvoerde en zoovele gevallen opsomde van miskramen, alleen omdat men het aderlaten verzuimd had, dat de landjonker zeer lastig werd op dat punt en inderdaad ten stelligste eischte, dat zijne dochter zich wat bloed zou laten afnemen.

Sophia bezweek weldra voor de bevelen van haar vader, hoewel die geheel in strijd waren met hare eigene overtuiging, want zij vreesde, naar ik vermoed, veel minder erge gevolgen van den schrik dan haar vader of de geneesheer.

Zij strekte dus den schoonen arm uit en de heelmeester begon zich voor zijn werk gereed te maken.

Terwijl de dienstboden bezig waren met het noodige er bij te halen, begon de heelmeester, die Sophia’s onwilligheid aan vrees toeschreef, haar te troosten met de verzekering dat er geen het minste gevaar te duchten was; want, zeide hij, er kon bij het aderlaten geen ongeluk plaats hebben, zonder de monsterachtige onkunde van een kwakzalver, welke hij tamelijk onbewimpeld te verstaan gaf, dat nu niet te vreezen was.

Sophia verklaarde, dat zij hoegenaamd geen angst gevoelde, en voegde er bij: „Als gij de slagader raakt, schenk ik u vooraf mijne vergiffenis.”

„Zoo!” riep Western. „Ik niet; om den drommel niet! Als hij u het minste kwaad doet, wil ik verd.... worden, als hij het zelf er levend afbrengt!”

De heelmeester nam aan haar op deze voorwaarden ader te laten, en ging nu tot die operatie over, welke hij met de beloofde behendigheid, en ook met den meesten spoed volbragt; want hij nam haar slechts weinig bloed af, verzekerende dat het veiliger was om dat bij herhaling te doen, dan om te veel tegelijk af te tappen.

Zoodra Sophia’s arm verbonden was, verwijderde zij zich; want zij wenschte niet (en het zou ook welligt niet al te gepast geweest zijn), bij hetgeen met Jones volgen moest, tegenwoordig te zijn. Inderdaad, één bezwaar, dat zij tegen het aderlaten had (hoewel zij het niet uitte), was het oponthoud, dat het veroorzaken zoude met het zetten van den arm. Want Western, als er sprake was van Sophia, dacht alleen aan haar, en wat Jones betreft, hij zat geduldig als een lam zijn eigen pijn te dragen. Om de waarheid te zeggen, toen hij het bloed zag vloeijen uit Sophia’s schoonen arm, dacht hij naauwelijks aan hetgeen hem zelven overkomen was.

De heelmeester beval nu den patient tot op het hemd uit te kleeden, en den arm geheel en al ontblootende, begon hij er aan te trekken en hem te onderzoeken op zulk eene wijze, dat die marteling Jones eenige scheve gezigten deed trekken, welke de heelmeester zag en zeer verbaasd uitriep: „Wat scheelt er aan, mijn heer? Het is onmogelijk dat ik u pijn doe!”

Daarop, den gebroken arm ophoudende, begon hij eene zeer lange en zeer geleerde anatomische verhandeling te houden, waarin hij zeer uitvoerig sprak over enkele en dubbele breuken, en de verschillende wijzen uitlegde, waarop Jones den arm had kunnen breken, met allerlei opmerkingen daarbij, om te bewijzen, dat sommige gevallen veel erger waren en sommige veel beter dan het onderhavige.

Eindelijk, gedaan hebbende met zijne uitgewerkte redevoering, waardoor zijn gehoor, hoewel men hem oplettend en met veel bewondering aanstaarde, weinig gesticht was, daar men eigenlijk geen woord begreep van hetgeen hij vertelde, ging hij aan het werk, dat hij sneller afmaakte dan hij het begonnen was.

Hij beval toen Jones naar bed te gaan, wat de heer Western hem dwong dáár te doen, en veroordeelde hem verder om niets dan wat grutten te gebruiken.

Onder de toeschouwers in de kamer, terwijl de arm gezet werd, bevond zich ook juffer Honour, die geroepen zijnde door hare meesteresse toen alles gedaan was, ook gevraagd werd hoe de jonge heer het maakte, waarop zij dadelijk uitweidde in buitensporige loftuitingen over de heldhaftigheid, zoo als zij het noemde, van zijn gedrag, wat zij „betooverend vond,” zeide zij, „in zulk een beeldschoon jong mensch.” Daarop uitte zij nog vurige lofspraken op zijne schoonheid, vele bijzonderheden opsommende, en eindigende met de blankheid van zijn vel.

Deze woorden hadden eene uitwerking op hare meesteresse, welke der sluwe dienaresse misschien niet ontgaan zou zijn, als zij slechts eenmaal onder het spreken hare dame aangezien had: daar echter een spiegel, die, zeer te pas, vlak tegenover haar hing, haar de gelegenheid verschafte om die gelaatstrekken te aanschouwen, welke zij boven alle andere het meest bewonderde, had zij niet ééns onder hare geheele redevoering haar oog van dat beminde voorwerp laten gaan.

Jufvrouw Honour dus was zoodanig verdiept in het onderwerp waarover zij hare tong liet uitweiden, en in de beschouwing van hetgeen zij zelve voor oogen had, dat zij hare meesteresse den tijd liet om hare verwarring meester te worden, waarop zij glimlachte en tot hare kamenier zeide, „dat die zeker op dien jongen heer verliefd was!”

„Ik verliefd, jufvrouw!” riep deze. „Wel jufvrouw! Op mijn woord van eer dat ben ik niet!”

„Nu, en al waart ge verliefd, dat zou geene schande zijn; want hij is zeker een heel knappe jongen,” zei hare meesteresse.

„Ja, jufvrouw,” hernam de andere, „dat is waar! Hij is het knapste manspersoon, dien ik van mijn leven gezien heb! Ja, dat is waar, en, gelijk gij zegt, jufvrouw, ik weet niet waarom ik mij schamen zou als ik op hem verliefd was,—al is hij ook van een anderen stand dan ik. Want de groote luî zijn toch maar vleesch en bloed, even als wij arme dienstboden. Bovendien, wat mijnheer Jones aangaat, hoewel mijnheer Allworthy een fatsoenlijk man van hem gemaakt heeft, is hij van afkomst niet zoo goed als ik; want, al ben ik slechts eene arme ziel, ben ik toch eerlijke luî’s kind, en mijn vader en moeder waren getrouwd, wat meer is dan sommige menschen, die nu zoo grootsch doen, van de hunne kunnen getuigen. Wel kom aan! ’t Is me wat liefs! Al is zijn vel nog zoo blank,—en dat is waar, blanker kon het niet zijn,—ben ik een Christen mensch net zoo goed als hij, en geen mensch kan zeggen dat ik niet van eerlijke ouders ben;—mijn grootvader was ook geestelijke [2] en hij zou wat kwaad zijn geweest als iemand van zijne familie zich met zoo’n vuile Molly Seagrim haar afval had willen behelpen!”

Misschien had Sophia, uit gebrek aan moed om haar te doen stilzwijgen, wat, gelijk de lezer begrijpt, geene zeer gemakkelijke taak was, hare kamenier op deze wijze laten doorslaan; want, voorzeker, waren er eenige dingen in hetgeen zij zeide, die de dame volstrekt niet aanstonden. Daar er echter geen einde kwam aan den stroom der woorden, begreep zij dat het tijd werd dien te stuiten.

„Ik ben er verbaasd over,” zeide zij, „dat gij het waagt op zulk een toon te spreken over een van mijn vaders vrienden. Wat het meisje aangaat, ik verzoek u haar nooit in mijn bijzijn te noemen. En ten opzigte van de geboorte van den jongen heer zelven, als men niets meer tot zijn nadeel kan zeggen, dan is het wel zoo goed daarover te zwijgen, gelijk ik u verzoek voortaan te doen.”

„Het spijt me zeer, jufvrouw,” hernam Honour, „dat ik u beleedigd heb. Ik weet zeker dat ik Molly Seagrim evenzeer verfoei als gij dat zelve doen kunt, en wat het kwaadspreken over mijnheer Jones aangaat, ik kan alle dienstboden in huis tot getuigen roepen, dat als er ooit sprake is van onechte kinderen, ik altijd partij voor hem getrokken heb. „Want, wie van u,” zei ik tot den knecht, „zou geen onecht kind willen wezen, als hij het maar worden kon, om een mijnheer te zijn?” zei ik. „En hij is zeker een heele mijnheer, en heeft zulke blanke vingers als iemand ter wereld,” zei ik, „dat is waar! En hij is een der vriendelijkste, beleefdste heeren, die men zich denken kan,” zei ik, en al de dienstboden en al de buren in het rond houden van hem. „En—ja,—het is waar,—maar ik vrees u kwaad te maken als ik het u vertelde,—”

„Wat zoudt ge me kunnen vertellen, Honour?” vroeg Sophia.

„Wel, jufvrouw,—’t is ook waar, dat hij er niets mede bedoelde, daarom hoop ik, dat het u niet kwaad zal maken.”

„Vertel nu maar wat ge bedoelt,” zei Sophia. „Ik moet het dadelijk weten!”

„Wel, jufvrouw,” hernam Honour, „verleden week, kwam hij in de kamer waar ik zat te werken, en daar lag uw mof op een stoel, en hij stak er de handen in,—het was de mof die, gij me gisteren gegeven hebt.—„Wel, mijnheer Jones,” zei ik, „ge zult de mof van de jufvrouw heel en al uit elkaar rekken en bederven!” Maar hij hield er de handen nog in, en toen kuste hij ze;—zoo’n kus heb ik van mijn leven niet gezien!”

„Hij zal wel niet geweten hebben dat ze mij toebehoorde,” zei Sophia.

„Dat zult gij wel hooren, jufvrouw! Hij kuste ze en kuste ze weer, en zeide, dat het de mooiste mof was die hij ooit gezien had. „Wel, mijnheer,” zei ik, „ge hebt ze wel honderdmaal gezien!” „Ja, jufvrouw Honour,” riep hij, „dat is mogelijk; maar wie kan iets anders zien als uwe schoone meesteresse zelve dáár is?” En dat was niet alles; maar ik hoop, dat het u niet kwaad zal maken; want hij bedoelde er zeker niets mede; maar, op zekeren dag, toen gij aan de klavecimbel zat voor mijnheer te spelen, bevond zich mijnheer Jones in de kamer daarnaast en het kwam mij voor, dat hij er zeer bedroefd uitzag. „Nu, mijnheer Jones,” zei ik, „ik zou wel willen weten, waar gij aan denkt!” „Wel, meisje!” riep hij, uit zijn droom opschrikkende, „waar zou ik aan denken als die engel, uwe meesteresse, speelt!” En mij daarop bij de hand grijpende, „o, jufvrouw Honour,” zeide hij, „hoe gelukkig zal de man zijn, die—” en daar zuchtte hij;—op mijn woord zijn adem is zoo geurig als een ruiker;—maar wezenlijk, hij bedoelde er niets kwaads mede. Dus hoop ik, jufvrouw, dat gij er geen woord over spreken zult; want hij gaf me een daalder om er niets van te zeggen, en liet me er een eed op zweren,—op een boek,—maar ik geloof niet, dat het de Bijbel was.”

Tot men iets schooners dan het vermiljoen uitgevonden zal hebben, zal ik er niets van zeggen hoe Sophia bij deze gelegenheid bloosde.

„O... Honour!” zeide zij, „ik—ik—als gij belooft mij niets meer hierover te zeggen,—en—niemand anders ook, dan zal ik u niet verklappen,—ik meen dan zal ik niet meer boos op u zijn;—maar ik ben wezenlijk bang voor uwe praatjes! Waarom, meisje, geeft ge uwe tong zooveel vrijheid?”

„Wel, jufvrouw!” hernam de andere; „ik zou me liever de tong afbijten, dan iets zeggen om u te beleedigen! Gij kunt er gerust op aan, dat ik nooit iets zal oververtellen, dat gij wenscht verzwegen te hebben!”

„Nu dan,” hernam Sophia, „ik wilde wel, dat gij hiervan verder zweegt; want het kon mijn vader ter ooren komen, en hij zou boos worden op mijnheer Jones,—hoewel hij zeker, zooals gij zegt, er niets bij bedoelde. Ik zou zelve heel boos zijn, als ik me verbeeldde—”

„Neen, jufvrouw!” riep Honour, „ik verklaar dat ik heilig geloof, dat hij er niets meê bedoelde! Ik dacht wel, dat hij als een gek praatte;—ja, hij zei zelf, dat hij dacht dat hij gek was, om zoo iets te zeggen. „Ja, mijnheer,” zei ik, „dat geloof ik ook.” „Ja, Honour,” zeide hij—maar ik vraag vergiffenis, jufvrouw! Daar verpraat ik me weder! Ik zou me de tong willen afbijten!”

„Ga maar voort,” zei Sophia, „als er iets meer is, kunt ge het me wel vertellen.”

„Ja, Honour,” zeide hij, „—dit was nog wat later, toen hij mij den daalder gaf,—„ik ben noch zulk een kwast noch zulk een schurk, dat ik anders aan haar zou denken, dan als aan eene godin; en als zoodanige zal ik haar altijd beminnen en aanbidden zoolang ik leef!” Dat was alles, jufvrouw, dat ik me herinneren kan, daar wil ik een eed op doen. Ik was zelve heel kwaad op hem, tot ik ontdekte, dat hij er niets kwaads mede bedoelde.”

„Ik geloof wezenlijk, Honour,” hernam Sophia, „dat ge opregt veel van mij houdt;—ik was verleden, toen ik u de dienst opzeide, heel boos op u; maar, als ge wenscht nog bij me te blijven, dan moogt ge dat doen.”

„O wezenlijk, jufvrouw,” antwoordde Honour, „ik verlang niets liever dan altijd bij u te blijven. Wezenlijk, ik schreide me haast blind, toen gij mij de dienst opzeidet. Het zou zeer ondankbaar van mij zijn, als ik u verlaten wilde;—omdat ik zeker nooit weder zoo’n goede dienst zou krijgen. Ja, jufvrouw, ik zou bij u willen leven en sterven; want, zooals die arme mijnheer Jones zeide,—gelukkig de man, die—”

Hier stoorde de etensklok een gesprek, dat zooveel indruk op Sophia maakte, dat zij misschien meer moest danken aan de aderlating van dien morgen, dan zij zelve veronderstelde. Wat den tegenwoordigen toestand van haar gemoed betreft, ik zal mij aan een stelregel van Horatius houden, als ik, uit wanhoop van te slagen, niet op mij neem dien te beschrijven. De meeste mijner lezers kunnen zich dat voorstellen, en de weinigen, die dat niet kunnen, zouden de schildering niet begrijpen, of verklaren dat ze onnatuurlijk was, al teekende ik ze nog zoo goed.

BOEK V.

Bevat een tijdvak van iets meer dan een half jaar.

HOOFDSTUK I.

VAN DEN ERNST IN HET SCHRIJVEN, EN WAARTOE DIE DIENT.

Misschien zal er niets wezen in dit verbazend werk, dat den lezer minder genoegen schenkt dan juist datgene, wat den schrijver de meeste moeite kostte. Hieronder zal men waarschijnlijk tellen die inleidende verhandelingen, welke de geschiedkundige stof van elk boek vooraf gaat, en die wij als onmisbaar achten bij den schrijftrant waarvan wij het voorbeeld willen geven.

Wij rekenen ons volstrekt niet verpligt, eenige reden aan te voeren voor dit ons gevoelen; daar het reeds meer dan voldoende is, dat wij het als een noodzakelijken regel vastgesteld hebben bij alle proza-komisch-epische geschriften. Wie heeft ook ooit de redenen gezocht van die eenheden van tijd en plaats, die nu zoo bepaaldelijk als een vereischte worden beschouwd in de dramatische dichtkunst? Aan welken criticus heeft men ooit durven vragen, waarom een tooneelstuk niet even goed twee dagen als slechts één mogt bevatten? Of waarom de toehoorders (mits zij als vrije kiezers kosteloos van de eene plaats tot de andere vervoerd worden), niet even goed vijftig als vijf mijlen zouden reizen? Heeft eenige commentator ooit de beperkingen verklaard, die een criticus onder de ouden voorgeschreven heeft voor het drama, dat, volgens hem, niet meer en ook niet minder dan vijf bedrijven bevatten mag? Of heeft eenig levend mensch ooit getracht uit te leggen, wat onze nieuwere theaterbeoordeelaren bedoelen met het woord „plat”, waardoor het hun gelukt is om alle humor van het tooneel te bannen en zij de komedie zoo vervelend als eene receptiezaal gemaakt hebben? Bij al deze gelegenheden schijnt de wereld een stelregel van onze regtsgeleerden omhelsd te hebben, namelijk: cuicunque in arte sua perito credendum est; want het schijnt eenigzins moeijelijk te begrijpen, dat iemand de onbescheidenheid zou hebben om, zonder eenig regt, stellige regels voor eenige kunst of wetenschap voor te schrijven. In zulke gevallen dus, zijn wij geneigd te gelooven, dat er in den grond wezenlijk gezonde en degelijke redenen bestaan, hoewel wij, ongelukkig, niet zoo diep kunnen zien.

Maar, inderdaad, de wereld is al te beleefd jegens de critici geweest, en heeft zich verbeeld, dat zij veel dieper denken dan wezenlijk het geval is. Deze toegevendheid heeft de critici aangemoedigd om zich eene dictatoriale magt toe te eigenen, en dit is hun in zoo ver gelukt, dat zij nu de meesters zijn geworden en de stoutheid hebben de wetten voor te schrijven aan die schrijvers, van wier voorgangers zij ze oorspronkelijk gekregen hebben.

De criticus, wel beschouwd, is niets meer dan de griffier, wiens ambt het is, om de regels en wetten over te schrijven, door die verhevene regters vastgesteld, wier onmetelijk genie hen als wetgevers doet beschouwen in de verschillende vakken, waarin zij uitgeblonken hebben. Dit was ook het eenige ambt, waarnaar de critici van ouds streefden, en zij waagden het nooit een vonnis te vellen, zonder het te bekrachtigen door het gezag van den regter, van wien zij het gekregen hadden.

Maar, met der tijd, en in de eeuwen der onwetendheid, begon de griffier inbreuk te maken op het gezag en zich de waardigheid van zijn meester aan te matigen. De wetten van het schrijven waren niet meer gegrond op de gewoonten van den schrijver, maar op de voorschriften van den beoordeelaar. De griffier werd de wetgever, en diegenen, wier oorspronkelijke taak het was de wetten slechts af te schrijven, stelden nu zelve zeer willekeurig de wet.