Tom Jones

Part 15

Chapter 154,001 wordsPublic domain

„Bah!” riep Western. „Hem bij Allworthy benadeelen! Wel, Allworthy zelf houdt van een knappe meid! Begrijpt niet iedereen wiens zoon Tom eigenlijk is? Kom mij daarmede niet aan boord! Ik herinner me Allworthy aan de akademie!”

„Ik dacht,” zei de geestelijke, „dat hij nooit op de akademie geweest was.”

„Ja, ja, dat was hij wel!” riep Western; „en wij hebben meer dan eens zamen de meisjes nageloopen. Er was geen grooter meisjes gek dan hij vijf mijlen in den omtrek! Neen, neen! Dat zal den jongen geen kwaad doen bij hem;—dat behoeft ge niet te vreezen!—Het zal hem ook bij niemand anders kwaad doen! Vraag maar eens aan Sophia!—niet waar, meid, gij zoudt niet minder van een jongen houden, omdat hij welligt een buitenbeentje had,—hé, meisje? Neen, neen! De vrouwen zullen hem maar des te aardiger vinden!”

Dit was eene wreede vraag voor de arme Sophia. Zij had opgemerkt hoe Jones bij het verhaal van den dominé van kleur veranderde; en dit, met zijn overhaast en plotseling vertrek, gaf haar aanleiding genoeg te denken, dat haar vaders vermoedens niet ongegrond waren. Haar hart verklapte haar nu op eens het groote geheim, dat zoo lang bezig geweest was met zich langzamerhand te openbaren, en zij begreep, dat zij groot belang bij die zaak had. In dezen toestand, toen de ongepaste vraag van haar vader plotseling geopperd werd, bragt dit woord verschijnselen bij haar voort, welke een ergdenkend mensch verontrust zouden hebben; maar, om den landjonker regt te doen, dat was zijn gebrek niet. Toen zij dus van haar stoel opstond, en hem zeide, dat een wenk van hem genoeg was om haar te doen begrijpen, dat het tijd was voor haar om de heeren alleen te laten, liet hij haar heengaan en merkte toen met den meesten ernst op, „dat het beter was eene al te bescheidene, dan eene al te onbeschaamde dochter te hebben,”—een gevoelen, dat zeer toegejuicht werd door den predikant.

Er volgde nu tusschen den gastheer en den geestelijke een zeer belangrijk onderhoud over de staatkunde, geput uit de couranten en politieke vlugschriften, gedurende hetwelk zij vier flesschen als plengoffer ledigden op het heil van het vaderland; waarop, daar de gastheer vast in slaap geraakte, de dominé zijne pijp opstak, te paard steeg en naar huis reed.

Zoodra de landjonker zijn dutje van een half uur gedaan had, riep hij zijne dochter naar de klavecimbel; maar zij verontschuldigde zich voor dien avond wegens zware hoofdpijnen. Dit uitstel werd haar dadelijk geschonken; want inderdaad, het was zelden noodig dat zij hem twee malen om iets vroeg, daar hij haar zoo hartelijk beminde, dat het gewoonlijk hem zelven de grootste vreugde verschafte als hij aan hare wenschen kon voldoen. Zij was dan ook wezenlijk wat hij haar zoo dikwerf noemde, zijne kleine lieveling, en verdiende het ook te zijn; want zij vergold ruimschoots zijne liefde. Zij nam haar pligten jegens hem in alles getrouw in acht; en hare liefde tot hem maakte haar dit niet slechts gemakkelijk, maar zoo aangenaam, dat toen eene harer vriendinnen haar uitlachte, wegens hare al te strenge inachtneming der kinderlijke gehoorzaamheid, zoo als die jonge dame het noemde, Sophia hernam: „Ge vergist u zeer, als ge u verbeeldt, dat ik me daarop eenigzins beroem; want, behalve dat ik ter naauwernood mijn pligt doe, verschaf ik mij zelve genoegen. Ik kan, naar waarheid, zeggen dat ik geen geluk ken dat gelijk staat met dat van bijtedragen tot het geluk van mijn vader, en als ik trotsch op mijzelve ben, lieve, is het omdat ik dit vermogen bezit,—en niet omdat ik er gebruik van maak.”

Dit was echter eene voldoening, welke de arme Sophia dien avond niet smaken mogt;—zij verlangde ook niet alleen ontslagen te worden van de verpligting om muzijk te maken, maar smeekte ook om ’s avonds van tafel te mogen wegblijven. Hierin stemde de heer Western ook toe, hoewel niet zonder tegenzin, want hij liet haar naauwelijks één oogenblik uit zijne oogen, tenzij hij bezig was met de paarden, de honden, of de flesch. Hij stemde echter in het verlangen zijner dochter toe, hoewel de arme man terzelfder tijd genoodzaakt was om zijn eigen gezelschap te ontloopen (als ik het zoo uitdrukken mag), door een pachter uit de buurt te laten halen, om bij hem te komen zitten.

HOOFDSTUK XI.

MOLLY SEAGRIM ONTLOOPT TER NAAUWERNOOD HET GEVAAR; MET EENIGE OPMERKINGEN, WAARNAAR WIJ IN DE DIEPTE VAN HET MENSCHELIJK HART HEBBEN MOETEN VISSCHEN.

Tom Jones had dien morgen een der paarden van den heer Western op de jagt gereden, zoodat hij, nu er geen van zijn eigen dáár op stal hebbende, genoodzaakt was te voet naar huis te gaan. Dit deed hij zoo snel, dat hij een uur afstands in minder dan een half uur aflegde.

Juist toen hij bij den hoofdingang van het huis van den heer Allworthy aankwam, ontmoette hij den geregtsdienaar met zijn gevolg, die Molly bragten naar dat verblijf, waar de mindere menschen ééne goede les kunnen krijgen, namelijk die van eerbied en ontzag voor hunne meerderen; daar zij er uit leeren moeten welk groot onderscheid door het noodlot gemaakt wordt tusschen diegenen, welke voor hunne euveldaden moeten gestraft worden en diegenen, met wie dat niet moet gebeuren;—en als zij deze goede les niet leeren, vrees ik dat zij in een verbeterhuis er geene andere leeren, en niets dat voor hunne zedelijkheid bevordelijk kan zijn.

Een regtsgeleerde zal welligt denken, dat de heer Allworthy zijne magt wat te buiten ging in dit geval. En, om de waarheid te zeggen, daar er geene geregelde klagt ingediend was, twijfel ik ook of zijn gedrag stipt naar de regels was. Daar echter zijn voornemen wezenlijk regtvaardig was, moet men hem in foro conscientiae vrijspreken; terwijl er zoo vele overheidspersonen zijn, die dagelijks willekeur plegen, zonder zelfs deze verontschuldiging te kunnen aanvoeren.

Zoodra Tom van den geregtsdienaar vernam waarheen zij gingen,—wat hij ook spoedig genoeg giste,—greep hij Molly in de armen op en haar teeder omhelzende in aller bijzijn, zwoer hij den eersten te vermoorden, die haar aanraakte. Hij smeekte haar hare tranen af te droogen en getroost te zijn; want, waar zij ook heenging, hij zou haar volgen. Zich daarop tot den geregtsdienaar wendende, die met den hoed in de hand stond te beven, verzocht hij hem, zeer vriendelijk, slechts een oogenblik met hem terug te keeren bij zijn vader (want zoo noemde hij Allworthy), daar hij verzekerd was, zeide hij, dat zoodra hij alles aangevoerd had, wat hij in haar voordeel kon bijbrengen, het meisje weder op vrije voeten gesteld zou worden.

De geregtsdienaar, die zonder twijfel de gevangene op Tom’s eisch dadelijk in vrijheid gesteld zou hebben, stemde zeer gaarne in zijn verzoek toe.

Zij keerden dus allen terug tot in het voorhuis van den heer Allworthy, waar Tom hen verzocht op zijne terugkomst te wachten en zelf den waardigen man ging zoeken. Zoodra hij hem gevonden had, wierp zich Tom aan zijne voeten en hem smeekende om hem geduldig aan te hooren, bekende hij zelf de vader te zijn van het kind waarvan Molly toen zwanger was. Hij bad hem medelijden te hebben met het arme meisje, en in aanmerking te nemen dat als er bij iemand schuld was in dit geval, hij die voornamelijk dragen moest.

„Als er schuld is?” riep Allworthy driftig. „Zijt ge dan zóó losbandig en onbeschaamd, dat ge er aan twijfelen kunt of er schuld bestaat in het schenden van de goddelijke en menschelijke wetten en in het verleiden van een ongelukkig meisje? Ik zie inderdaad dat de schuld voornamelijk op u rust, en die is zoo zwaar, dat ge verwachten moest daaronder verpletterd te worden!”

„Wat ook mijn lot zij,” zei Tom, „laat mij slagen in mijn smeeken voor het arme meisje! Ik beken dat ik haar verleid heb;—maar het hangt van u af, of zij geheel en al te gronde gerigt zal worden! In ’s Hemels naam, trek uw bevelschrift weder in en zend haar niet naar eene plaats, waar zij zeker haar geheelen ondergang te gemoet zou gaan.”

Allworthy beval hem dadelijk een knecht te roepen. Tom hernam dat dit onnoodig was; want hij had de menschen gelukkig bij de poort ontmoet en, vertrouwende op de goedheid van den heer Allworthy, hen met zich terug gebragt naar het voorhuis, waar zij nu op zijne beslissing wachtten, die hij hem nu op de knieën smeekte ten gunste van het meisje te nemen, en haar te vergunnen weer naar huis te gaan bij hare ouders, om niet aan meer schimp en schande blootgesteld te worden dan haar reeds nu noodzakelijk treffen moesten.

„Ik weet reeds,” voegde hij er bij, „dat zij maar al te veel te verdragen zal hebben. Ik weet dat mijne slechtheid de oorzaak van alles is. Ik zal, zoo mogelijk, dit trachten te vergelden, en als gij ooit later de goedheid hebt mij te vergeven, hoop ik mij die gunst waardig te betoonen.”

Allworthy aarzelde een oogenblik en zeide daarop:

„Nu, ik zal mijn bevel van aanhouding weder intrekken. Zend den geregtsdienaar hier.”

Dit geschiedde, hij werd dadelijk weggezonden en het meisje ook.

Men zal wel begrijpen dat de heer Allworthy Tom bij deze gelegenheid zeer ernstig de les las; maar het is onnoodig hier alles in te lasschen, daar wij getrouw opgeteekend hebben, in het eerste boek, hetgeen hij aan Jenni Jones zeide, waarvan het meeste even toepasselijk is op de mannen als op de vrouwen. Deze verwijten maakten zulken diepen indruk op den jongeling, die geen verharde zondaar was, dat hij zich in zijne eigene kamer opsloot en den avond in zeer droevig gepeins doorbragt.

Allworthy was nog al verstoord op Tom wegens dit vergrijp; want in weerwil van de beweringen van den heer Western, blijft het toch onbetwistbaar, dat hij nooit een losbol was geweest bij de vrouwen en de uitspattingen van anderen altijd ten hoogste afgekeurd had. Inderdaad, er bestaat wel reden te gelooven, dat er geen zweem van waarheid was in hetgeen de heer Western betuigd had, vooral daar hij als het tooneel dier ongeregeldheden, de hooge school noemde, welke nooit door den heer Allworthy was bezocht. Met één woord, de goede landjonker was wat al te zeer geneigd om zich te buiten te gaan in zekere soort van scherts, die wel eens „bluffen” genoemd wordt,—om geen ander woord te bezigen, wat welligt slechts al te dikwijls geschiedt, daar zeer veel van hetgeen meermalen in de wereld doorgaat voor geestigheid en humor, eigenlijk, als men de woorden met den stipsten eerbied voor hunne beteekenis bezigde, genoemd moest worden met dien naam, welken ik hier, overeenkomstig de wetten der welvoegelijkheid, verzwijg.

Maar welken afkeer ook de heer Allworthy voor deze eenige andere soort van ondeugd koesterde, werd hij er toch niet zoo door verblind, dat hij geene deugd hoegenaamd meer in den schuldige zien kon,—of die minder helder zag, dan wanneer er geen mengsel van ondeugd in dat karakter ware. Terwijl hij dus vertoornd was op Tom wegens diens losbandigheid, was hij niet minder ingenomen met de eerlijkheid en opregtheid zijner zelfbeschuldiging. Hij begon dan nu hetzelfde gevoelen te koesteren omtrent den jongen als dat, hetwelk, naar wij hopen, de lezer zelf opgevat zal hebben. En als hij zijne gebreken tegen zijne deugden woog, kwam het hem voor, dat deze laatste eenigzins de overhand hadden.

Het baatte dus niet, dat de heer Thwackum, die onmiddellijk door den jongen Blifil alles vernam, zijn gal uitspoog tegen den armen Tom.

Allworthy luisterde bedaard naar hunne smaadredenen, en hernam heel koel:

„Dat jonge lieden van een dergelijk temperament als Tom, maar al te zeer tot deze ondeugd geneigd waren; maar dat hij geloofde dat die jongeling opregt getroffen was door hetgeen hij hem bij deze gelegenheid gezegd had, en hij dus de hoop koesterde dat hij niet weer zondigen zoude.”

Dus, daar de dagen der ligchamelijke tuchtiging voorbij waren, kon de leeraar alleen door den mond zijn gal uitspuwen,—wat de gewone verachtelijke toevlugt der onmagtige wraakzucht is.

Maar Square, die minder driftig was, bezat veel meer sluwheid, en daar hij Jones welligt meer haatte dan Thwackum dat deed, vond hij ook middel om hem meer te benadeelen in de oogen van den heer Allworthy.

De lezer herinnert zich de verschillende kleine gevallen met den patrijs, het paard en den Bijbel, die in het tweede boek opgesomd werden. Door dit een en ander had Jones de liefde, welke de heer Allworthy tot hem koesterde, veel eer vermeerderd dan verminderd.

Hetzelfde zou, verbeeld ik me, zeker het geval zijn geweest met iedereen, die eenig besef heeft van vriendschap, mildheid en edelmoedigheid; dat is, met iedereen die eenigen aanleg tot het goede heeft.

Square zelf was niet onbekend met den wezenlijken indruk, welken deze verschillende blijken van goedheid op het uitstekende hart van den heer Allworthy gemaakt hadden; want de wijsgeer wist zeer goed wat de deugd was, hoewel hij misschien zelf ze niet altijd beoefende. Maar bij Thwackum (om welke reden wil ik niet beslissen), kwam zoo iets volstrekt niet op; hij zag Jones zelf in een slecht licht, en verbeeldde zich dat Allworthy dat ook deed, maar besloten had uit hoogmoed en stijfhoofdigheid, om den jongen, dien hij eens lief had gehad, niet op te geven; daar hij door dit te doen, stilzwijgend zou moeten bekennen, dat hij zich vroeger omtrent hem vergist had.

Square maakte dus gebruik van deze gelegenheid om Jones op de gevoeligste wijze te benadeelen, door nu eene zeer slechte uitlegging te geven aan al hetgeen vroeger gebeurd was.

„Het spijt me wel, mijnheer,” zeide hij; „maar ik moet bekennen, dat ik me ook in hem vergist heb, even als gij. Ik kon niet nalaten ingenomen te zijn met hetgeen ik aan vriendschap toeschreef, hoewel die overdreven werd,—en alle overdrijving verkeerd en schandelijk is;—maar hierbij nam ik zijne jeugd in aanmerking. Ik vermoedde niet, dat het verzwijgen der waarheid, dat zoo als wij ons voorstelden om den wille der vriendschap had plaats gehad, wezenlijk niets anders was dan het verguizen daarvan, om den wille van een bedorven en losbandigen hartstogt. Men ziet nu duidelijk in uit welke bron de schijnbare edelmoedigheid van den jongen, ten opzigte van het huisgezin van den jager voortsproot. Hij ondersteunde den vader ten einde de dochter te verleiden, en bewaarde het huisgezin van den hongerdood, ten einde het meisje tot schimp en schande te brengen. Dit heet vriendschap! Dit heet edelmoedigheid! Zoo als Sir Richard Steele zegt: „Het is allezins billijk een lekkerbek, die een fijnen schotel duur betaalt, mild te noemen!” Dit voorbeeld leert mij voortaan nooit meer aan de zwakheid der menschelijke natuur toe te geven, en iets voor deugdzaam te houden, dat niet volmaakt in overeenstemming te brengen is met de onfeilbare regels van het regte.”

Allworthy’s goedheid had hem tot dusver belet aan zoo iets te denken; maar hetgeen hij nu hoorde, klonk te waarschijnlijk om bepaaldelijk en overhaast verworpen te worden, zoodra het hem door een derde onder het oog werd gebragt. Inderdaad, hetgeen door Square gezegd was, drong diep in zijn hart door, en de onrust welke het hem baarde werd door den andere zeer goed opgemerkt, hoewel de waardige man zelf het niet bekennen wilde, zeer kort antwoordde, en met geweld het gesprek op een ander onderwerp bragt. Het was echter welligt een geluk voor den armen Tom, dat dergelijke inblazingen niet gehoord werden eer hij vergiffenis gekregen had; want voor het eerst van zijn leven lieten zij in Allworthy’s geest een slechten indruk omtrent Tom achter.

HOOFDSTUK XII.

BEVATTENDE ZAKEN DIE VEEL DUIDELIJKER ZIJN; MAAR WELKE UIT DEZELFDE BRON VOORTVLOEIJEN ALS DIE VAN HET VORIGE HOOFDSTUK.

Het zal den lezer zeker aangenaam zijn met mij bij Sophia terug te keeren. Zij sleet den nacht, nadat wij haar voor het laatst zagen, op geene zeer aangename wijze. De slaap begunstigde haar weinig, en hare droomen nog minder. ’s Morgens, toen jufvrouw Honour, hare kamenier, op het gewone uur bij haar kwam, vond zij haar reeds op en gekleed.

Op het land worden menschen, die slechts op een uurtje afstands van ons wonen, als buren beschouwd, en hetgeen in het ééne huis voorvalt, wordt met ongeloofelijke snelheid in het andere overgebragt.

Jufvrouw Honour had dus het geheele verhaal van Molly’s schande gehoord, hetwelk zij, zeer mededeelzaam van aard zijnde, zoodra zij in de kamer trad, op de volgende wijze aan de jonge dame begon te vertellen:

„Wel, jufvrouw! Neen, maar! zoo iets zoudt gij niet willen gelooven! Het meisje, dat gij zondag in de kerk gezien hebt, en dat gij zoo mooi vondt,—maar zóó mooi zoudt gij haar niet gevonden hebben, als gij haar maar van wat digterbij gezien hadt,—is voor den vrederegter gebragt, omdat zij bevallen moest! Ik zag dadelijk dat het eene onbeschaamde feeks was! En zij heeft den jongen mijnheer Jones de schuld daarvan gegeven! En iedereen zegt, dat mijnheer Allworthy zoo kwaad is op den jongen heer, dat hij hem niet meer zien wil. ’t Is waarachtig om medelijden te hebben met den armen jongen, hoewel hij eigenlijk geen medelijden verdient, omdat hij zich met zulk een slet heeft willen ophouden. Maar het is toch zulk een knappe jongen, dat het mij ijsselijk spijten zou als hij op straat gezet werd. Ik zou wel durven wedden, dat het meisje even veel schuld heeft als hij; want het is altijd een onbeschaamd mensch geweest. En als de meisjes hun zoo te gemoet komen, kan men het de jongens niet zoo erg kwalijk nemen; want het is zeker, zij doen alleen wat de natuur hun ingeeft. Maar het is beneden hunne waardigheid zich met zulke vuile deerns op te houden, en dan verdienen ze ook het ergste wat hen overkomen kan. En toch zijn het die leelijke meiden die de meeste schuld hebben. Ik wenschte van ganscher harte, dat men ze allen door den beul liet geesselen; want het is schande, dat zij een knap jong mensch ongelukkig zouden maken,—en niemand zal loochenen dat mijnheer Jones een der mooiste jongens is, die—”

Zij draafde op deze wijze door toen Sophia, op een meer knorrigen toon dan waarop zij haar ooit te voren aangesproken had, riep:

„Hoe komt gij er toe mij met dergelijke zotheden op te houden? Wat gaat mij de heer Jones aan? Ik verbeeld me, dat gij allen onderling gelijk zijt. Het is alsof gij kwaad zijt, dat het niet met u gebeurd is!”

„Ik, jufvrouw?” hernam Honour. „Het spijt me zeer, dat de jufvrouw zulk een min denkbeeld van mij heeft! Geen mensch zou zoo iets van mij zeggen,—dat is zeker! Voor mijn part kunnen alle jonge heeren ter wereld naar den drommel loopen! Omdat ik zeide dat hij een mooije jongen was!—Dat zegt iedereen!—Wel! ik heb nooit geweten, dat er eenig kwaad in zat, als men zeide, dat een jongen er goed uitzag! Maar ik zal dat niet weer van hem zeggen,—van iemand die zoo leelijk handelt! Bah! met zoo’n bedelaarskind!—”

„Houd op met uwe onbeschaamdheid!” riep Sophia, „en ga zien of mijn vader klaar is om te ontbijten.”

Juffer Honour vloog nu de kamer uit, druk in zich zelve pratende, en een heele boel zeggende, waarvan alleen: „Wel nou kom aan!” alles was, wat hoorbaar bleef.

Of nu juffer Honour wezenlijk verdiende op die manier verdacht te worden, zoo als hare meesteresse het zeide, is iets dat wij niet op ons nemen kunnen voor den lezer te beslissen. Wij zullen dat echter vergoeden door hem mede te deelen wat er in Sophia’s hart omging.

De lezer zal gelieven zich te herinneren dat deze jonge dame ongevoelig eene geheime neiging voor Jones had opgevat. Die hartstogt was in de diepte van haar boezem tamelijk vastgeworteld eer zij er zelve iets van ontdekte. Toen zij de eerste sporen er van opmerkte, waren de gewaarwordingen zoo heerlijk en zoet, dat zij de standvastigheid miste om ze tegen te gaan, of ze te smoren, en zij was dus voortgegaan met een hartstogt te koesteren, aan welks gevolgen zij niet eens gedacht had.

Hetgeen er nu met Molly gebeurd was, opende haar voor het eerst de oogen. Zij zag de zwakheid in waaraan zij zich schuldig had gemaakt, en hoewel dit haar in een hevigen graad ontroerde, wekte het toch even als andere onaangename geneesmiddelen, en verdreef tijdelijk de ziekte. De werking was inderdaad verbazend snel en in den korten tusschentijd der afwezigheid van de kamenier, waren alle ziekte-teekenen zoo volmaakt geweken, dat toen juffer Honour haar bij haar vader kwam roepen, zij volmaakt op haar gemak was en de meeste onverschilligheid voor den heer Jones gevoelde.

De kwalen van den geest gelijken in bijna alle bijzonderheden op die van het ligchaam,—om welke reden wij durven hopen, dat de geneeskundige fakulteit ons vergeven zal als wij ons genoopt zagen gebruik te maken van verscheidene woorden en phrases, die van regtswege haar toebehooren;—maar zonder welke onze beschrijving op vele punten onverstaanbaar zou gebleven zijn.

Nu is er geen ééne bijzonderheid, waarin de ziekten van den geest eene grootere analogie hebben met die van het ligchaam, dan in de neiging van beide om op nieuw uit te breken. Dit is zeer blijkbaar in de hevige kwalen van eerzucht en gierigheid. Ik heb gezien dat de eerzucht aan het hof, genezen door herhaalde teleurstellingen (welke het eenige middel daartegen zijn), weer uitbrak in een twist over het voorzitterschap eener Jury; en ik heb van een man gehoord, die in zoo ver de gierigheid was te boven gekomen, dat hij menigen stuiver wegschonk, en zich eindelijk op zijn sterfbed troostte met eene listige en voordeelige overeenkomst te maken met een lijkbezorger, die de man was zijner eenige dochter.

In de liefde, welke wij, ons streng aan de stoicijnsche leerbegrippen houdende, hier als eene ziekte mogen beschouwen, is deze neiging om weer uit te breken niet minder duidelijk. Dus ging het onze arme Sophia, bij wie, de allereerste keer, dat zij den jongen Jones weder zag, al de vroegere ziekteverschijnselen uitbraken, terwijl haar hart, van dien tijd af, beurtelings door heete en koude koortsachtige aandoeningen geschokt werd.

De toestand van deze jonge dame verschilde nu zeer van dien van vroegere dagen. De hartstogt, welke vroeger zoo bekoorlijk en heerlijk geweest was, werd nu tot een schorpioen in haar hart. Zij bood dus met de meeste kracht er wederstand aan, en riep alle redenen op, die zij bijeen kon brengen, om deze liefde te onderdrukken en te vernietigen. Dit gelukte haar in zoo ver, dat zij begon te hopen door den tijd en de afwezigheid volkomen genezen te worden. Zij besloot om Tom Jones zoo veel mogelijk te mijden, en had al het voornemen opgevat om hare tante te gaan bezoeken, waaraan zij niet twijfelde dat haar vader zijne toestemming zou geven.

Maar het noodlot, dat andere plannen koesterde, verijdelde dit voornemen door een ongeluk te doen plaats hebben, hetwelk in het volgende hoofdstuk beschreven zal worden.

HOOFDSTUK XIII.

EEN VERSCHRIKKELIJK ONGELUK, DAT SOPHIA OVERKOMT. DE MANHAFTIGE HOUDING VAN TOM JONES, EN DE NOG VERSCHRIKKELIJKER GEVOLGEN VAN DIE HOUDING TEN OPZIGTE DER JONGE DAME,—MET EENE KORTE AFWIJKING TER VERHEERLIJKING DER VROUWEN.

De liefde van den heer Western tot Sophia vermeerderde met elken dag, zoodat zijne beminde honden zelve bijna voor haar onderdoen moesten; daar hij echter niet over zijn hart kon krijgen die te verzaken, overlegde hij het zeer slim om hun bijzijn met dat zijner dochter tegelijk te genieten, door er op te staan dat zij met hem op de jagt zou rijden.

Sophia, voor wie haar vaders woord wet was, stemde gaarne in zijn verlangen toe, hoewel het vermaak haar in het minst niet aanstond, daar het veel te ruw en te manhaftig was, om met haren smaak overeen te komen. Zij had echter eene andere beweegreden behalve hare gehoorzaamheid, waarom zij den ouden man op de jagt vergezelde; want door haar bijzijn, hoopte zij eenigermate zijne vermetelheid tegen te gaan en hem te beletten om zich zoo dikwerf aan levensgevaar bloot te stellen.