Tom Jones

Part 18

Chapter 184,077 wordsPublic domain

Te midden van deze gedachten sleet de arme Jones een langen en slapeloozen nacht, en de uitslag was, dat hij ’s morgens besloot bij Molly te blijven en niet meer aan Sophia te denken.

Bij dit deugdzame voornemen bleef hij den geheelen dag, tot den avond, steeds de herinnering aan Molly koesterende en die aan Sophia verbannende; maar op dien noodlottigen avond werd al zijn hartstogt weder door eene zeer onbelangrijke gebeurtenis opgewekt, waardoor zulk een geheele ommekeer in zijn gemoed bewerkt werd, dat wij het noodzakelijk achten dit in een nieuw hoofdstuk mede te deelen.

HOOFDSTUK IV.

EEN KLEIN HOOFDSTUKJE, VOOR EENE KLEINE GEBEURTENIS.

Onder andere bezoekers, die hunne opwachting maakten bij den jongen heer gedurende zijne ziekte, bevond zich ook juffer Honour. De lezer zal zich welligt, als hij zich eenige uitdrukkingen herinnert, die haar ontvallen waren, verbeelden, dat zij zelve eene bijzondere neiging koesterde tot den heer Jones;—maar dat was volstrekt niet het geval.

Tom was een knap jong mensch, en voor dat slag van mannen had juffer Honour eenige achting; maar dit was van zeer algemeenen aard; want gedwarsboomd zijnde in hare liefde tot den knecht van zekeren edelman, die haar op eene laaghartige wijze verlaten had, na beloofd te hebben haar tot zijne vrouw te maken, had zij de verbrijzelde brokken van haar hart voortaan zoo zorgvuldig bewaard, dat geen stukje er van sedert dien tijd ooit in het bezit van eenigen man was geweest. Zij beschouwde alle schoone mannen met die gelijkmatige achting en welwillendheid, welke een geregelde en deugdzame geest voor al wat goed is, gevoelt.—Men kon inderdaad van haar zeggen dat zij dezelfde liefde gevoelde voor de mannen in het algemeen als Socrates voor de menschheid; den een de voorkeur gevende boven den anderen voor ligchamelijke, even als hij het deed voor geestelijke hoedanigheden; maar zonder ooit toe te laten dat deze voorkeur eenige stoornis te weeg bragt in de wijsgeerige kalmte van haar gemoed.

Den dag nadat de heer Jones tegen zich zelven den strijd gevoerd had, door ons in het vorige hoofdstuk beschreven, kwam juffer Honour hij hem in de kamer, en hem alleen vindende, begon zij als volgt:

„Wel, mijnheer! Waar denkt gij dat ik heen ben geweest? Ik wed dat gij het in geen vijftig maal raden kunt. En al deedt ge het, dat zou toch niet helpen; want ik mag het u niet zeggen.”

„O, als het iets is, dat ge me niet zeggen moet,” zei Jones, „dan zal ik juist zoo vrij zijn daarnaar te vragen;—want ik weet dat ge niet hardvochtig genoeg zijt, om mij te leur te stellen.”

„Ik weet ook eigenlijk niet, waarom ik u teleurstellen zoude,” zeide zij; „want, wat dat betreft, gij zult er wel niet verder van praten. En al deedt gij dat, het zou toch niets te zeggen hebben, als gij niet wist, wat ik daar doen moest. Maar, voor mijn part, weet ik niet waarom het een geheim zou blijven;—want zooveel is zeker, dat zij het liefste meisje ter wereld is!”

Hierop begon Jones ernstig te smeeken in het geheim ingewijd te worden, met de stellige belofte van het niet te verklappen, waarop zij hervatte:

„Nu, dan moet gij weten, mijnheer, dat mijne jonge dame mij zond om naar Molly Seagrim te zien, en te vragen of het meisje iets noodig had;—’t is waar, daar had ik weinig zin in; maar dienstboden moeten doen wat hun bevolen wordt.—Hoe kondt gij u toch zoo verlagen mijnheer Jones?—Nu! mijne meesteresse beval me er heen te gaan en haar wat linnengoed en het een en ander te brengen.—Zij is werkelijk al te goed! Als men zulke gemeene feeksen naar het verbeterhuis zond, zou dat beter voor haar zijn!—Ik zei tegen de jufvrouw,—jufvrouw, zei ik, dat is wel degelijk de luiheid aanmoedigen—”

„Ach! heeft mijne Sophia die goedheid gehad!” riep Jones.

„Mijne Sophia! Heere mijn tijd!” hernam Honour. „En toch, als gij alles wist,—wezenlijk, als ik mijnheer Jones was, zou ik wat hooger uitzien dan naar zulke sletten als die Molly Seagrim.”

„Wat beteekent dat: „als ik alles wist?”” vroeg Jones.

„O ik weet wel wat ik zeg,” hernam Honour.—„Herinnert gij u niet eens de handen gestoken te hebben in de mof van de jufvrouw?—Wezenlijk, ik zou het haast over het hart kunnen krijgen het u te vertellen, als ik maar zeker was, dat de jufvrouw er niets van vernemen zou.”

Hierop legde Jones de plegtigste geloften af, en Honour ging voort:

„Nu dan, de jufvrouw had me het mofje gegeven; en later, toen zij vernam wat gij gedaan hadt,—”

„Dus hebt gij dat over verteld?” viel haar Jones in de rede.

„En als ik dat gedaan heb, mijnheer,” hernam zij, „behoeft gij u niet kwaad te maken. Menigeen zou zijn leven er voor gegeven hebben, om zoo iets aan de jufvrouw te doen oververtellen, als zij maar geweten hadden,—want zeker de eerste edelman van het land zou er trotsch op kunnen zijn,—maar ik verklaar, dat ik meer dan half lust heb u er niets van te vertellen.”

Jones begon weder te smeeken en haalde haar weldra over aldus voort te gaan.

„Ge moet dan weten, mijnheer, dat de jufvrouw me die mof gegeven had; maar een dag of wat nadat ik haar die geschiedenis verteld had, begint ze me ontevreden te zijn met hare nieuwe mof,—het mooiste dingetje, dat ge u wel voorstellen kunt. „Honour,” zei zij tegen me, „deze is eene afschuwelijke mof; ze is me veel te groot. Ik kan ze niet gebruiken. Tot ik eene andere krijg, moet ge me de oude maar weer geven, en ge kunt deze hier in de plaats daarvan krijgen”;—want zij is veel te goed, dat verzeker ik u, om iets te geven en het dan weer terug te nemen. Dus ging ik ze maar voor haar halen en ik geloof dat zij ze sedert dien tijd altijd aan den arm heeft gehad, en ik sta er voor in dat zij ze menigen kus gegeven heeft als er niemand bij was!”

Hier werd het gesprek afgebroken door den heer Western, die Jones naar de klavecimbel kwam roepen, waarheen de arme jongen bleek en bevend ging. Dit merkte Western wel op, maar jufvrouw Honour ziende, schreef hij het aan eene verkeerde reden toe, en half lagchende, half in ernst, beval hij hem met een zwaren vloek, om buiten ’s huis jagt te maken, en niet op zijn gebied te stroopen.

Sophia schitterde dezen avond in al hare schoonheid, en wij kunnen wel aannemen, dat het hare bekoorlijkheden niet weinig verhoogde in de oogen van den heer Jones, om nu juist de mof, waarvan sprake geweest was, op haar regter arm te zien.

Zij speelde juist een van haar vaders lievelingsdeuntjes, terwijl deze achter op haar stoel leunde, toen de mof over hare vingers zakte en haar spel stoorde. Dit maakte haar vader zoo driftig, dat hij de mof opgreep en ze met een vloek op het vuur wierp.

Sophia echter sprong dadelijk op en redde ze met de meeste drift uit de vlammen.

Hoewel deze gebeurtenis slechts beuzelachtig zal schijnen aan vele onzer lezers maakte ze evenwel zulk een geweldigen indruk op den armen Jones, dat wij ons verpligt rekenden ze te vermelden. Inderdaad, onverstandige schrijvers laten dikwerf maar al te vele kleine omstandigheden onvermeld, waaruit de meest gewigtige gebeurtenissen voortgevloeid zijn. In het algemeen toch moet de wereld beschouwd worden als eene machine, welker groote raderen eerst in beweging gezet worden door de kleine die bijna onzigtbaar zijn voor alle, behalve voor de allersterkste oogen.

Dus waren al de bekoorlijkheden van de onvergelijkelijke Sophia, het schitterende vuur en de kwijnende zachtheid harer oogen, de welluidendheid harer stem, hare schoonheid, evenmin als hare geestigheid, goedheid, of beminnelijkheid in staat geweest zoo bepaaldelijk het hart van den armen Jones te veroveren en in boeijen te slaan, als deze ééne kleine gebeurtenis met de mof! Dus zingt ook de dichter zoo bekoorlijk van Troje:

„—Captique dolis lachrymisque coactis Quos neque Tydides, nec Larissaeus Achilles, Non anni domuere decem, non mille carinae.”

„—De stad die Diomeed en Thetis’ grooten Zoon, Een lang beleg van tiental jaren weerstond, En duizend schepen fier trotseerde, viel Door vleijend taal en valsche tranen magt.”

Alzoo werd ook de citadel van Jones overrompeld. Al die bezwaren van eer en voorzigtigheid, welke onze held pas met zooveel krijgsbeleid als wachters gesteld had voor de toegangen tot zijn hart, verlieten hunne posten en de liefdegod deed zijn zegevierenden intogt.

HOOFDSTUK V.

EEN ZEER LANG HOOFDSTUK VOOR EENE ZEER GEWIGTIGE GEBEURTENIS.

Maar hoewel de overwinnende god zeer gemakkelijk zijne verklaarde tegenstanders uit het hart van Jones verdreef, vond hij het moeijelijker het garnizoen er uit te jagen, dat hij er zelf in geplaatst had. Om alle beeldspraak te vermijden: de goede jongen was erg geplaagd en gekweld door de zorg wat er van Molly moest worden. De meerdere verdiensten van Sophia verduisterden, of liever verdoofden geheel en al de schoonheid der arme Molly; maar medelijden en geene verachting verving de plaats der liefde. Hij was er van overtuigd dat het meisje al hare liefde en al hare vooruitzigten op geluk voor de toekomst alleen op hem gevestigd had. Hiertoe was hij overtuigd genoegzame aanleiding te hebben gegeven, door haar steeds met de meeste teederheid te behandelen;—eene teederheid, welke hij zich door alle mogelijke middelen beijverd had haar te doen gelooven dat van eeuwigen duur zou zijn.

Zij, van haar kant, had hem altijd verzekerd, dat zij vast vertrouwen stelde in zijne beloften, en had met de plegtigste geloften verklaard, dat van het vervullen of het schenden zijner beloften haar hoogste geluk of diepste ellende afhing. Hij kon er geen oogenblik aan denken, om eenig menschelijk wezen tot de laagste trap van ellende te brengen. Voor hem was het zeker dat dit arme meisje hem alles opgeofferd had wat zij ter wereld maar bezat; dat zij met opoffering van zich zelve zijne lusten gediend had; dat zij elk oogenblik naar hem zuchtte en om hem kwijnde. „Moet dan,” vroeg hij zich zelven af, „mijn herstel, waarnaar zij zoo vurig verlangd heeft, in plaats van haar de vreugde te schenken, waarmede zij zich steeds gevleid heeft, haar ten eenenmale tot ellende en wanhoop brengen? Zou ik zoo slecht kunnen wezen?” Hier echter, toen de beschermengel van de arme Molly scheen te zullen zegevieren, trad hem de liefde van Sophia, als niet meer twijfelachtig, voor den geest, en wierp eensklaps alle hinderpalen omver, die zich daartegen verzetten.

Eindelijk viel het hem in, dat het welligt mogelijk zou zijn Molly alles te vergoeden op eene andere wijze, namelijk door haar eene zware som gelds te schenken. Hij wanhoopte er echter aan, dat zij het van hem aannemen zou, als hij zich de driftige en hartstogtelijke verzekeringen herinnerde welke zij gedaan had, dat de geheele wereld voor haar tegen zijn verlies niet opwegen zoude. Evenwel gaf hem hare groote armoede en vooral hare buitensporige ijdelheid (waarvan we wel eens gesproken hebben) eenige, ofschoon kleine hoop, dat zij niettegenstaande al hare liefde, met der tijd er toe komen kon, om zich tevreden te stellen met een fortuin, dat hare verwachting te boven ging, en dat voldoen zou aan hare ijdelheid, door haar boven haars gelijken te verheffen. Hij besloot dus de eerste gelegenheid waar te nemen, om haar eene aanbieding in dien zin te doen.

Op zekeren dag dus, toen zijn arm in zoo ver genezen was, dat hij gemakkelijk wandelen kon,—sloop hij met den arm in een doek, de deur uit, op een oogenblik dat de heer Western bezig was met jagen, en ging de schoone bezoeken. Hare moeder en zusters, die hij bezig vond met thee drinken, zeiden hem eerst dat Molly niet te huis was; maar later vertelde hem de oudste zuster, met een boosaardigen glimlach, dat Molly boven te bed lag. Tom had er niets tegen zijne beminde in dezen toestand te vinden, en beklom dadelijk de ladder welke tot hare slaapkamer leidde; maar toen hij boven kwam, vond hij, tot zijne groote verbazing, de deur gesloten, en kon een tijdlang geen antwoord van binnen krijgen; want Molly vertelde hem straks zelve, dat zij vast in slaap was geweest.

Men heeft opgemerkt dat uitersten van vreugde en verdriet uitwerkselen voortbrengen, die weinig van elkander verschillen, en als wij plotseling door de eene of het andere overvallen worden brengt, dat zooveel ontroering en verwarring te weeg, dat wij dikwerf van het gebruik van al onze vermogens beroofd worden. Het is dus niet te verwonderen, dat het onverwachte gezigt van den heer Jones zoo sterk op Molly’s geest werkte, dat zij door verlegenheid overstelpt werd, en eenige minuten lang buiten staat was, om de groote verrukking te uiten waarmede de lezer veronderstellen zal dat zij bezield was. Wat Jones aangaat, hij was zoodanig bezield en, als het ware, betooverd door het bijzijn van het geliefde voorwerp, dat hij voor een oogenblik Sophia vergat,—en dus natuurlijk ook het hoofddoel van zijn bezoek.

Dit echter viel hem weldra weder in, en na de eerste verrukkelijkheden hunner ontmoeting, vond hij langzamerhand gelegenheid om een gesprek aan te knoopen over de noodlottige gevolgen hunner liefde als de heer Allworthy, die hem streng verboden had haar ooit weder te zien, ontdekte dat hij nog steeds met haar omging. Zulk eene ontdekking, welke, wegens zijne vijanden, zeide hij, eindelijk onvermijdelijk zou zijn, moest uitloopen op zijn en ook op haar verderf. Aangezien dus het wreede noodlot beslist had dat zij van elkander moesten scheiden, ried hij haar aan dat standvastig te dragen, terwijl hij zwoer nooit eenige gelegenheid te verzuimen, om haar de opregtheid zijner liefde te bewijzen, door op eene wijze voor haar te zorgen, die al hare verwachtingen te boven zou gaan, en zelfs hare wenschen overtreffen zou, als hij ooit dat kon,—eindigende met te zeggen, dat zij wel zeker den een of anderen man zou vinden, die haar trouwen wilde en haar veel gelukkiger maken dan zij ooit kon zijn als zij een oneerlijk leven met hem bleef leiden.

Molly zweeg eenige oogenblikken en barstte toen uit in een stortvloed van tranen, terwijl zij hem zijn gedrag in de volgende woorden verweet:

„En dit is dus uwe liefde, dat ge me eerst te gronde rigt en me nu verlaat! Hoe dikwerf,—als ik u zeide, dat alle mannen even valsch en verraderlijk zijn, en ons in den steek laten als zij ons eenmaal naar hunne booze zinnen geplooid hebben, hoe dikwijls, zeg ik, hebt ge niet gezworen mij nooit te verlaten! En toch zijt gij een meineedige! Wat geef ik om alle rijkdommen ter wereld zonder u, nu gij mijn hart hebt,—ja, gij alleen! Waarom spreekt gij mij van een anderen man? Zoo lang ik leef, zal ik geen anderen man beminnen! Alle andere mannen bestaan niet voor mij! Als de grootste man uit het graafschap morgen naar me kwam vrijen, zou ik niet naar hem luisteren! Neen,—ik zal altijd het geheele geslacht om uwentwil haten!—”

Zij ging op deze wijze voort, toen een toeval hare redevoering afbrak eer die half ten einde was. De kamer, of liever de vliering, waar Molly sliep, boven in huis zijnde, dat is, onder het dak, had eene hellende gedaante als de groote Delta der Grieken. De lezer die geen Grieksch verstaat, zal zich er een juister denkbeeld van maken, als hij verneemt dat het onmogelijk was ergens anders dan in het midden van het vertrekje regtop te staan. Daar er echter aan deze kamer eene kast ontbrak, had Molly daarin voorzien door een oud karpetje op te spijkeren tegen de zoldering van het huis, zoo dat het een gat vormde, waar hare beste kleederen, zoo als de overblijfselen van den hoepelrok, waarvan wij gesproken hebben, eenige mutsen en andere dingen, welke zij in den laatsten tijd aangekocht had, opgehangen en tegen het stof beveiligd waren.

Deze afgeschoten plek was vlak aan het voeteneinde van het bed, en het karpet hing er inderdaad zoo digt langs, dat het in zekere mate de plaats van een gordijn verving. Hetzij nu dat Molly in hare vlaag van woede met den voet op het karpet trapte, of dat Jones het aanraakte, of dat de speld, of de spijker van zelf bezweek,—dat weet ik niet,—maar juist toen Molly de laatste woorden uitte, welke hier boven vermeld staan, kwam het ondeugende karpet naar beneden en gaf alles bloot wat er achter schuilde, en, onder andere vrouwelijke benoodigdheden—(ik schrijf het met schaamte en men zal het met leedwezen lezen)—den wijsgeer Square, in eene houding, welke, daar de ruimte niet toeliet, dat hij zich oprigtte, zoo belagchelijk mogelijk was.

Zijne positie had werkelijk veel van die van een soldaat, dien men „krom gesloten” heeft,—of van die van de kerels, welke wij in de Londensche straten zien bedelen,—die wezenlijk niet krom zijn, maar straf verdienen, omdat zij veinzen kreupel te zijn.

Hij had eene slaapmuts van Molly op het hoofd, en staarde met groote oogen, zoodra het karpet viel, Jones aan, zoodat, als men aan de wijsbegeerte dacht, en die figuur daar zag, het iedereen moeite zou gekost hebben niet hardop te lagchen.

Ik twijfel er niet aan dat de lezer hier even verbaasd zal staan als Jones zelf, daar de verdenkingen, welke onwillekeurig ontstaan moeten uit het verschijnen van dezen wijzen en deftigen man in zulk een toestand, geheel onbestaanbaar schijnen met het karakter, dat hij zonder twijfel tot nu toe bij iedereen heeft weten te handhaven.

Maar, om de waarheid te zeggen, is de ongerijmdheid eerder denkbeeldig dan wezenlijk. De wijsgeeren bestaan, even als alle andere menschen, uit vleesch en bloed, en hoe verheven en verfijnd zij ook in de theorie mogen wezen, is hun praktijk evenzeer aan zwakheid onderhevig als die van andere stervelingen. Het is inderdaad, gelijk wij reeds opgemerkt hebben, alleen in de theorie en volstrekt niet in de praktijk, dat het onderscheid bestaat; want hoewel zulke verhevene wezens veel beter en wijzer denken, handelen zij altijd juist zóó als alle andere menschen. Zij weten best hoe zij alle lusten en hartstogten moeten bedwingen, en verdriet en leedwezen evenzeer verachten; en deze kennis levert stof tot vele heerlijke beschouwingen, en is gemakkelijk te verkrijgen; maar de beoefening er van zou zeer lastig en bezwaarlijk zijn, en daarom leert hun diezelfde wijsheid ze volstrekt niet in praktijk te brengen.

De heer Square was toevallig in de kerk geweest dien zondag, toen, zooals de lezer zich wel herinneren zal, de verschijning van Molly in den hoepelrok aanleiding gaf tot zooveel baldadigheid. Hier had hij haar voor het eerst opgemerkt, en was zoo door hare schoonheid bekoord, dat hij de jonge lieden overhaalde hun wandelrid dien avond in eene nieuwe rigting te nemen, ten einde de woning van Molly voorbij te komen, en eene tweede kans te hebben van haar te zien. Hij vond echter goed die reden aan niemand optegeven, en wij achtten het op het oogenblik dus ook niet noodig om den lezer er iets van mede te deelen.

Onder andere bijzonderheden, welke, volgens het gevoelen van Square, niet in de orde der dingen behooren, worden en gevaar èn bezwaren gerangschikt. De moeijelijkheid dus, welke hij veronderstelde te zullen ontmoeten in het verleiden van dit meisje, en het gevaar voor zijn goeden naam, als zoo iets ontdekt werd, waren zulke krachtige middelen om hem af te schrikken, dat hij zeer waarschijnlijk in het begin voornemens was zich tevreden te stellen met de aangename denkbeelden, welke het beschouwen der schoonheid ons oplevert. Deze genieten zelfs de ernstigste menschen bij wijze van dessert, na een ruimen maaltijd van de deftigste overpeinzingen; om welke reden zekere boeken en schilderijen een plaatsje vinden in de geheimste schuilplaatsen hunner studeervertrekken, terwijl zeker smakelijk gedeelte der natuurkennis dikwerf het lievelingsonderwerp van hun gesprek is.

Maar toen de wijsgeer een paar dagen later vernam dat het fort der deugd al bestormd was geworden, begon hij zijne wenschen verder uit te strekken. Zijn eetlust was niet van dien viezen aard, dat zij iets niet lekker zou vinden, omdat iemand anders er al van gesnoept heeft. Met één woord, het meisje beviel hem te meer wegens dat gebrek aan kuischheid, die, als zij ze bezeten had, een hinderpaal voor hem zou geweest zijn: hij vervolgde haar dus en kreeg zijn zin.

De lezer zou zich vergissen, als hij veronderstelde dat Molly aan Square de voorkeur gaf boven haren meer jeugdigen minnaar; integendeel, als zij zich in hare keuze tot één van beide beperkt had gezien, zou Tom Jones ontwijfelbaar de overwinnaar geweest zijn. Het was ook niet alleen de bedenking dat twee meer waard zijn dan één,—hoewel dit ook van gewigt was,—waaraan de heer Square zijn geluk te danken had; de afwezigheid van Jones gedurende zijne ziekte, was eene ongelukkige gebeurtenis, en in dien tusschentijd werd het hart van het meisje zoodanig verweekt en verleid door eenige welgekozene geschenken van den wijsgeer, dat de gunstige gelegenheid onweerstaanbaar werd, en Square zegevierde over de geringe overblijfselen van deugd, die nog in het hart van Molly schuilden.

Het was ongeveer veertien dagen na deze overwinning, toen Jones voormeld bezoek bij zijne beminde aflegde, op het oogenblik dat zij en Square zamen te bed lagen. Dit was de ware reden waarom de moeder zeide dat zij niet te huis was; want daar de oude vrouw in de winsten deelde welke de schande harer dochter opleverde, moedigde zij haar daarin zoo veel mogelijk aan, en verleende haar hare bescherming. Maar zoo groot was de haat en nijd, welken de oudste zuster Molly toedroeg, dat hoewel ook zij deel had aan den buit, zij dien gaarne opgeofferd zou hebben, om hare zuster te gronde te rigten en hare zaken te bederven.

Daarom had zij Jones verteld dat Molly boven te bed lag, in de hoop dat hij haar in Square’s armen zou vinden. Molly echter vond middel om dit te beletten, daar de deur op slot was, waardoor zij gelegenheid had haren minnaar te verbergen achter het karpet, in dien hoek waar hij nu zoo ongelukkig ontdekt werd.

Zoodra Square zigtbaar werd, wierp zich Molly achterover op het bed, riep uit dat zij te gronde gerigt was en gaf zich aan de wanhoop over. Dit arme meisje was slechts een nieuweling in haar bedrijf, en had nog niet die volmaakte onbeschaamdheid zich eigen gemaakt, welke de stadsche dame uit iederen nood redt, en haar leert òf zich te verontschuldigen, òf de zaak tegenover haar man met een stalen gezigt te verdedigen, die uit zucht tot rust, of uit vrees voor zijn naam, en soms, welligt, uit vrees voor den minnaar, die misschien even als zekere mijnheer Constant in het tooneelstuk, den degen weet te voeren, blijde is de oogen te mogen digt knijpen en zijne horens in den zak te steken. Molly daarentegen werd geheel uit het veld geslagen door deze ontdekking, en gaf dadelijk de zaak der ware liefde en getrouwheid, welke zij tot dus ver met zoo vele tranen en plegtige en hartstogtelijke verzekeringen verdedigd had, voor goed op.

Wat den heer achter het gordijn betreft, hij was bijna even ongelukkig er aan toe. Hij bleef een tijdlang als versteend en scheen evenzeer verlegen om woorden, als hij het was met zijne blikken. Jones, hoewel misschien de meest verbaasde der drie, vond het eerst woorden, en dadelijk herstellende van die pijnlijke gewaarwordingen, welke Molly door hare verwijten opgewekt had, proestte hij het uit van lagchen, en daarop den heer Square groetende, trad hij voor om hem de hand te geven, ten einde hem uit den hoek, waar hij opgesloten zat, te bevrijden.

Square nu in het midden van het vertrek zijnde, de eenige plaats waar hij regtop staan kon, keek Jones met een zeer ernstig gelaat aan en zeide:

„Nu, mijnheer, ik zie dat ge u verheugt over deze prachtige ontdekking, en het zal u zeker groot genot verschaffen, om mij aan iedereen ten toon te stellen; maar als gij zoo goed wilt wezen, de zaak eerlijk na te gaan, zult gij inzien, dat gij alleen de schuld moet dragen. Ik heb me niet schuldig gemaakt aan de verleiding der onschuld. Ik heb niets gedaan, waarvoor die menschen in de wereld, welke de zaken volgens de regels der billijkheid beoordeelen, mij afkeuren zouden. De gepastheid wordt geregeld volgens den aard der dingen, en niet door gebruiken, vormen, of burgerlijke wetboeken. Niets is inderdaad ongepast, dat niet onnatuurlijk is.”