Tom Jones

Part 12

Chapter 123,991 wordsPublic domain

Daar gij echter welligt dat geluk niet gesmaakt hebt, zullen wij met de meeste inspanning trachten dit pronkstuk der schepping te beschrijven, hoewel wij beseffen dat al onze gaven slechts zeer onvoldoende zijn voor die taak.

Sophia dan, de eenige dochter van den heer Western, was van middelbare grootte, maar eerder groot dan klein. Hare gestalte was niet slechts onberispelijk maar ook zeer tenger, en de schoone vorm harer armen getuigde van de heerlijke symmetrie harer overige ledematen. Haar donker hoofdhaar was zoo weelderig dat het tot haar midden reikte, eer zij het kortte om aan de mode te voldoen, en viel nu in zulke bevallige krullen op haren hals, dat slechts weinige gelooven konden, dat het echt was. Als de nijd eenig gedeelte van het gelaat kon vinden, dat minder aanprijzing verdiende, dan was het mogelijk het voorhoofd, dat, zonder haar te benadeelen, iets hooger had kunnen zijn. De wenkbraauwen waren schoon, gelijkmatig en gewelfd, zooals geene kunst dat nadoen kan. Hare zwarte oogen schitterden met een vuur, dat al de zachtheid van haar gemoed niet uitblusschen kon. Haar neus was volmaakt regelmatig, en haar mond, waarin zich twee rijen ivoor bevonden, beantwoordde volmaakt aan Sir John Suckling’s beschrijving, in de volgende regels:

„Haar lippen waren rond, en dun de een Aanschouwd bij de onderlip, die onlangs scheen Gestoken door een bij.—”

De vorm van haar gelaat was het zuiverst ovaal, en in de regterwang was een kuiltje, dat zich bij elk harer lachjes vertoonde. Hare kin droeg zeker tot de schoonheid van haar gelaat bij; maar het viel moeijelijk te zeggen of die te groot of te klein was;—hoewel misschien eerder het eerste dan het laatste. Hare gelaatskleur had meer van de lelie dan de roos; maar als beweging, of de blos der zedigheid hare natuurlijke kleur verhoogde, kon geen vermiljoen ze evenaren. Dus, inderdaad, had men met Dr. Donne kunnen uitroepen:

—————„Op hare wangen sprak Haar edel bloed met onmiskenbre macht, Zoodat het scheen dat ook haar ligchaam dacht.”

Haar hals was slank en fijn, en hier, als ik niet vreesde hare kieschheid te beleedigen, zou ik te regt kunnen zeggen, dat de grootste bekoorlijkheden van de Venus de Medicis overtroffen werden. Hier was eene blankheid welke door geene leliën, geen ivoor, geen albast, geëvenaard kan worden. Men mag ook veronderstellen, dat het fijnste batist slechts uit spijt een boezem verborg, die blanker was dan de stof zelve. Inderdaad:

„Nitor splendens Pario marmore purius.”

„Schitterende met een glans, reiner dan die van het Parisch marmer.”

Zoodanig was Sophia uiterlijk: en deze schoone gestalte werd door eene even schoone ziel bewoond. Haar geest was in alle opzigten aan haar uiterlijk gelijk; ja zelfs had dit laatste eenige bekoorlijkheden aan den eerste te danken; want als zij glimlachte, verspreidde hare zachtaardigheid een glans op haar gelaat, dien zelfs de regelmatigste gelaatstrekken alleen niet geven kunnen. Daar er echter geene volmaaktheden van den geest bestaan, die zich niet zullen doen kennen in den loop van dit verhaal, waarin wij den lezer in de naauwste betrekking met dit bekoorlijk wezen zullen brengen, is het noodeloos ze hier op te sommen;—ja, zelfs zou dit eene soort van beleediging wezen voor het verstand van den lezer, en hem welligt berooven van het genoegen dat hij zelf smaken zal in het beoordeelen van haar karakter.

Het is echter niet ongepast te zeggen, dat, welke gaven zij ook van de natuur ontvangen had, deze eenigzins ontwikkeld en gevormd waren door de kunst: want zij werd onder het oog eener tante groot gebragt, die eene zeer wijze dame was, met zeer veel wereldkennis, daar zij in hare jeugd lang aan het hof gewoond, en eerst sedert eenige jaren dit verlaten had, om op het land te leven. Door den omgang met haar en door hare lessen, kon men van Sophia zeggen, dat zij volmaakt wel opgevoed was, hoewel zij welligt iets van die gemakkelijkheid miste, welke men alleen verkrijgt door de gewoonte, en door te leven in hetgeen men „den beschaafden kring” noemt. Maar, om de waarheid te zeggen, wordt dit voorregt dikwerf maar al te duur gekocht,—hoewel het bekoorlijkheden heeft, die zoo onbeschrijfelijk zijn, dat de Franschen, onder andere hoedanigheden, ook deze welligt bedoelen, als zij zeggen, dat zij niet juist weten wat het is. Maar het gemis daarvan wordt best vergoed door de onschuld, en het gezond verstand en de aangeboren fatsoenlijkheid zijn er nooit om verlegen.

HOOFDSTUK III.

WAARIN DE GESCHIEDENIS TERUG GAAT, OM EENE KLEINE GEBEURTENIS TE VERMELDEN, DIE EENIGE JAREN VROEGER VOORVIEL, EN HOE GERING OOK, ZEKERE GEVOLGEN HAD IN DE TOEKOMST.

De beminnelijke Sophia was, bij haar optreden in deze geschiedenis in haar achttiende jaar. Haar vader, gelijk gezegd is, hield meer van haar dan van eenig ander menschelijk wezen. Tot haar dus wendde zich Tom Jones, ten einde hare hulp in te roepen voor zijn vriend den jager.

Maar eer wij hiermede voortgaan, zal eene korte opsomming van eenige vroegere zaken noodzakelijk wezen.

Hoewel de uiteenloopende karakters van den heer Allworthy en mijnheer Western niet toelieten, dat zij zeer gemeenzaam werden, leefden zij toch op hetgeen men een betamelijken voet noemt met elkaar, waardoor de jonge lieden van beide familiën elkaar sedert hunne kindschheid kenden, en daar zij bijna van denzelfden leeftijd waren, ook dikwerf met elkaar speelden.

De opgeruimdheid van Tom beviel Sophia beter dan de ernstige, bedaarde houding van den jongen heer Blifil. En de voorkeur, welke zij eerstgenoemden schonk, bleek dikwerf zoo duidelijk, dat iemand die hartstogtelijker van aard was dan de jonge heer Blifil, welligt eenig ongenoegen daarover betoond zou hebben.

Daar hij echter uiterlijk geene ontevredenheid van dien aard liet blijken, zou het verkeerd van ons zijn de diepte van zijn gemoed te peilen, even als sommige slechte menschen de geheimste zaken hunner vrienden onderzoeken, en dikwerf in hunne kisten en kasten loeren, alleen om hunne armoede en ellende aan de wereld te ontdekken.

Evenwel, daar dezulken, die vermoeden dat zij anderen reden tot ongenoegen gegeven hebben, geneigd zijn te denken, dat zij wezenlijk boos zijn, zoo schreef ook Sophia zekere handeling van den jongen heer Blifil toe aan zijn nijd, terwijl de meerdere schranderheid van Thwackum en Square een veel beteren oorsprong daarvoor wisten te vinden.

Tom Jones had namelijk, heel in zijne jeugd, Sophia een vogeltje geschonken, dat hij uit het nest genomen en groot gekweekt had en had leeren zingen.

Op dit vogeltje werd Sophia, die toen omstreeks dertien jaren oud was, zoo verzot, dat hare hoofdbezigheid was, het te voeden en te verzorgen, en haar grootste genoegen daarmede te spelen. Op deze wijze werd de kleine Tommy, gelijk hij genoemd werd, zoo tam, dat hij uit de hand zijner meesteresse at, op haar vinger zat, of stil in haar boezem lag, waar hij bijna bewust scheen van zijn geluk, hoewel zij hem altijd aan een touwtje om den poot vasthield, en hem nooit de vrijheid gaf om weg te vliegen.

Op zekeren dag toen de heer Allworthy met zijne geheele familie bij den heer Western dineerde, verzocht de jonge heer Blifil, die met de kleine Sophia in den tuin was en de groote liefde opmerkte, welke zij voor het vogeltje koesterde, haar hem het diertje voor een oogenblik toe te vertrouwen. Sophia stemde dadelijk in dit verzoek toe en na eenige voorafgaande waarschuwing, gaf zij hem het vogeltje over, dat hij naauwelijks in handen had, of hij maakte het touwtje los, en wierp den vogel in de lucht.

Het onnoozele diertje had ter naauwernood zijne vrijheid verkregen, of al de gunsten vergetende, die het van Sophia ontvangen had, vloog het dadelijk weg en ging zitten in een boom op eenigen afstand.

Sophia haar vogeltje aldus kwijt zijnde, begon zoo hard te gillen, dat Tom Jones, die niet ver van daar was, haar dadelijk ter hulp snelde.

Zoodra hij vernomen had wat er gebeurd was, vloekte hij tegen Blifil, dien hij een erbarmelijken, kwaadaardigen schelm noemde, en dadelijk den jas uittrekkende, begon hij den boom te beklimmen waarin, de vogel gevlugt was.

Tom was op het punt van zijn kleinen naamgenoot terug te krijgen, toen de tak waarop hij zat, en die over een breede sloot hing, brak en de arme jongen hals over kop in het water plofte.

Sophia’s angst veranderde nu van voorwerp. Daar zij vreesde dat de jongen in levensgevaar verkeerde, gilde zij tienmaal harder dan te voren, en de jonge heer Blifil hielp haar nu met al de kracht zijner longen.

Het gezelschap, dat zich in de tuinkamer bevond, hoorde het geschreeuw en kwam naar buiten; maar juist als men het water bereikte, was Tom (daar het gelukkig tamelijk ondiep was op die plek), veilig weer aan land gekomen.

Thwackum viel den armen Tom dadelijk hevig aan, die druipende van het water voor hem stond te rillen; maar de heer Allworthy hem verzoekende geduld te hebben, wendde zich tot den jongen heer Blifil en zeide:

„Nu, kind, wat heeft aanleiding tot al deze drukte gegeven?”

De jonge Blifil hernam: „Wezenlijk, oom, ik heb al berouw over hetgeen ik gedaan heb; want ik heb ongelukkig aanleiding tot alles gegeven. Ik had Sophia’s vogel in de hand; en mij verbeeldende, dat het arme schepsel naar vrijheid snakte, beken ik, dat ik niet nalaten kon, het die te geven; want het kwam mij altijd zeer wreed voor iets op te sluiten. Dat scheen mij toe in strijd te zijn met de wetten der natuur, volgens welke alles regt heeft op de vrijheid; ja, het is zelfs onchristelijk; want het is niet doen gelijk wij wenschen dat ook ons geschieden zoude;—maar als ik me had kunnen voorstellen dat Sophia er zoo veel verdriet van gehad zou hebben, dan zou ik het zeker nooit gedaan hebben, ook niet als ik geweten had wat het vogeltje zelf overkomen zou; want toen Tom Jones in den boom klom, en in het water viel, ging de vogel weer vliegen, en werd dadelijk door een leelijken havik gepakt.”

De arme Sophia, die nu voor het eerst het lot van haar kleinen lieveling vernam (want haar angst over Tom had haar belet te zien wat daarmede gebeurd was), stortte nu een vloed van tranen. De heer Allworthy trachtte die te stillen door de belofte van haar een schooner vogel te bezorgen;—maar zij verklaarde, dat zij er nooit meer een hebben wilde. Haar vader berispte haar, dat zij zoo schreide om een onnoozelen vogel, maar kon zich niet onthouden van den jongen Blifil te zeggen, dat als hij zijn zoon was, hij een geducht pak slagen zou krijgen.

Sophia ging nu naar hare kamer, de beide jonge heeren werden naar huis gezonden, en het overige van het gezelschap keerde naar de wijnflesch terug, waarbij een zoo merkwaardig gesprek over den vogel voorviel, dat wij ons verbeelden, dat het op zich zelf een hoofdstuk waardig is.

HOOFDSTUK IV.

BEVATTENDE ZULKE GELEERDE EN ERNSTIGE ZAKEN, DAT HET WELLIGT NIET NAAR DEN SMAAK VAN SOMMIGE LEZERS ZAL ZIJN.

Square had naauwelijks de pijp opgestoken, toen hij zich tot Allworthy wendde en aldus begon:

„Mijnheer, ik kan niet nalaten u geluk te wenschen met uw neef, die op een leeftijd, waarop de meeste jonge lieden alleen eenig begrip hebben van het stoffelijke, zoo ver ontwikkeld is, dat hij regt en onregt weet te onderscheiden. Iemand of iets op te sluiten, wie of wat het ook zij, schijnt me toe in strijd te zijn met de natuurwetten, waardoor alles regt heeft op vrijheid. Deze waren zijne woorden, en de indruk, welken ze op mij gemaakt hebben, zal nooit uitgewischt worden. Kan een mensch helderder begrippen hebben van de regels van het regt en de eeuwige orde der dingen? Uit zulk een begin kan ik niet nalaten te voorspellen, dat de rijpere leeftijd van dezen jongeling gelijk zal zijn aan dien van den eersten of den tweeden Brutus.”

Hier viel hem Thwackum driftig in de rede, en wat van zijn wijn stortende en het overige met veel haast doorslikkende, hernam hij:

„Uit eene andere uitdrukking, welke bij bezigde, hoop ik, dat hij op veel betere menschen zal gelijken. De natuurwetten zijn slechts klanken, die niets beteekenen. Ik ken zulke wetten niet, noch eenig regt dat daaruit zou kunnen ontleend worden. Doen hetgeen wij wenschen dat ook ons geschiede, dat is wezenlijk eene christelijke beweegreden, zoo als de jongen zeer juist zeide, en ik ben blijde te zien, dat mijn onderwijs zulke goede vruchten gedragen heeft.”

„Als de ijdelheid iets geoorloofds ware,” zei Square, „zou ik bij deze gelegenheid wel eenigzins trotsch mogen wezen; want, me dunkt, dat het tamelijk duidelijk is, van waar hij zijne begrippen van regt en onregt ontleend heeft. Als er geene wet der natuur bestaat, dan is er ook geen regt of onregt.”

„Hoe!” riep de geestelijke, „loochent ge dus de openbaring? Praat ik met een deïst of een atheïst?”

„Kom, drinkt maar uit,” zei Western. „De drommel hale uwe natuurwetten! Ik weet niet wat gij beiden wilt met uw regt en onregt. Naar mijn gevoelen, was het verkeerd om mijn meisje van haar vogel te berooven; en buurman Allworthy kan doen wat hem goeddunkt, maar jongens in dergelijke praktijken te versterken, is zoo veel als hen voor de galg groot brengen.”

Allworthy hernam, „dat hij spijt gevoelde over hetgeen zijn neef gedaan had, maar er niet in kon toestemmen om hem te straffen, daar hij eerder uit eene edele dan eene onedele beweegreden alzoo gehandeld had.” Hij voegde er bij: „Als de jongen den vogel gestolen had, dan zou hij de eerste zijn om op eene strenge kastijding aantedringen; maar het was duidelijk, dat hij dit niet bedoeld had,” en inderdaad, hij begreep dat de jongen geene andere bedoeling kon hebben, dan die welke hij zelf bekend had; want het kwaadaardige voornemen door Sophia verondersteld, kwam Allworthy volstrekt niet in de gedachte. Hij eindigde nog met de handeling als onbedachtzaam aftekeuren, en als eene die alleen in een kind te vergeven zou zijn.

Square had zijne meening al zoo onverholen gezegd, dat hij door nu te zwijgen, er in had moeten toestemmen om zijn gevoelen te hooren berispen. Hij hernam dus met eenige drift:

„Dat de heer Allworthy te veel hechtte aan verachtelijke bedenkingen omtrent eigendomsregt. Dat, in het beoordeelen van grootsche en verhevene daden, alle kleine bijzonderheden buiten de rekening moesten blijven; want dat men door zich te zeer aan deze kleingeestige regels te hechten, er toe komen kon om den jongeren Brutus van ondankbaarheid te beschuldigen en den anderen van kindermoord.”

„En als men hen wegens die misdaden opgehangen had,” riep Thwackum, „dan zouden zij hun verdiend loon gekregen hebben. Een paar heidensche schelmen! Goddank, dat wij heden ten dage geene Brutussen meer hebben! Ik wilde maar, mijnheer Square, dat gij het laten kondet mijne leerlingen de hersenen op hol te brengen met zulken onchristelijken onzin; want het gevolg is, dat zoolang zij aan mijne zorgen toevertrouwd blijven, ik het er weer uitranselen moet. Daar is uw discipel Tom,—die is al bijna bedorven. Ik hoorde hem een dag of wat geleden tegen den jongen heer Blifil volhouden, dat er geen verdienste was in het geloof zonder werken. Ik weet, dat dit één uwer leerstellingen is, en ik vermoed, dat hij ze van u vernomen heeft.”

„Beschuldig mij niet van hem bedorven te hebben,” zei Square. „Wie leerde hem lagchen om al wat deugdzaam en betamelijk en voegzaam en regt is in de natuur der dingen? Hij is uw eigen leerling en ik verloochen hem. Neen, neen! De jonge heer Blifil is mijn jongen! Hoe jeugdig hij ook zij, ik zet het u in hem de begrippen van zedelijke regtvaardigheid uit te roeijen!”

Thwackum grijnsde minachtend bij deze woorden en hernam: „Ja, ja, ik durf hem aan u te wagen. Hij is te goed onderlegd om benadeeld te worden door al uwe wijsgeerige wartaal. Neen, neen! Ik heb zorg gedragen hem zulke grondbeginselen in te prenten—”

„Ik heb hem ook grondbeginselen ingeprent,” riep Square. „Wat anders dan het verhevene denkbeeld der deugd, had den menschelijken geest kunnen bezielen met de edelmoedige gedachte om het arme diertje de vrijheid te verleenen? En ik herhaal, als het betamelijk was hoogmoedig te zijn, dan zou ik me de eer mogen aanmatigen van hem met dat denkbeeld bezield te hebben.”

„En als de hoogmoed niet verboden was,” zei Thwackum, „dan zou ik me er op kunnen beroemen dat ik hem den pligt geleerd heb, welken hij als de drijfveer van zijne handeling opgaf.”

„Dus met u beiden,” zei de landjonker, „hebt ge den jongen geleerd mijne dochter van haar vogeltje te berooven? Ik moet op mijne patrijzenkooijen letten! Ik zal op een goeden dag den een of anderen deugdzamen, godsdienstigen man zien komen, om al mijne patrijzen in vrijheid te stellen.” Daarop, een regtsgeleerde, die mede aan tafel zat, op den rug slaande, riep hij uit: „Wat zegt gij, mijnheer de advokaat? Is dat niet in strijd met de wet?”

De regtsgeleerde sprak, met de meeste deftigheid, als volgt: „Als er kwestie was van een patrijs, dan is het buiten kijf, dat de eisch toegelaten zou worden; want hoewel die vogel tot de ferae naturae behoort, wordt evenwel, wanneer hij eenmaal aan een eigenaar toebehoort, daardoor het eigendomsregt verzekerd; maar als men het geval aanneemt van een klein vogeltje, hoewel dat ook een eigenaar hebbe, moet het desniettemin, als zijnde eene zaak van geene waarde, beschouwd worden als nullius in bonis. In dit geval, zou de eischer niet ontvankelijk worden verklaard, en ik zou ten sterkste afraden eenigen eisch van dien aard in te stellen.”

„Nu” zei de gastheer, „als het nullus bonus is, laat ons dan maar voortgaan met drinken en wat over de politiek praten, of over iets daar we allen verstand van hebben; want ik verklaar u, dat ik hiervan niets begrijp. Het mag alles heel geleerd en verstandig wezen, voor mijn part; maar ge kunt me er toch niet van overtuigen. Wat drommel! Ge hebt geen van allen één woord gezegd van den armen jongen, die lof verdient;—want het was eene edele, moedige daad om zijn hals te wagen alleen om mijn meisje pleizier te doen. Ik heb geleerdheid genoeg om dat intezien. Wel! Ik drink op Tom’s welzijn. Ik zal van dien jongen houden tot den laatsten dag van mijn leven!”

Aldus werd de strijd gesmoord; maar ze zou waarschijnlijk spoedig hervat geworden zijn, als de heer Allworthy niet den wagen besteld en de twee strijders mede genomen had.

Dit was de afloop van het avontuur met den vogel, en van het gesprek dat daaruit voortvloeide, en hetwelk wij niet nalaten konden den lezer mede te deelen, hoewel het eenige jaren vóór den tijd voorviel, waartoe onze geschiedenis nu gekomen is.

HOOFDSTUK V.

BEVATTENDE ZAKEN MEER NAAR DEN ALGEMEENEN SMAAK.

„Parva leves capiunt animos,” „geringe zaken treffen een onbezwaarden geest,” was het gevoelen van een grooten kenner van de liefde. En zeker is het dat van dezen dag af, Sophia eenige genegenheid begon te koesteren voor Tom Jones, en niet weinig afkeer van zijn makker.

Vele gebeurtenissen droegen van tijd tot tijd bij om deze gewaarwordingen in haar hart te versterken, welke de lezer, ook zonder dat wij ze beschrijven, zich wel voorstellen kan uit hetgeen wij reeds gezegd hebben van den verschillenden aard der beide jongens, en hoe de eene meer dan de andere haar sympathie inboezemde. Om de waarheid te zeggen, ontdekte Sophia reeds zeer vroeg, dat Tom, hoewel een onnadenkende, luije, dolzinnige schelm, alleen zijn eigen vijand was, terwijl de jonge heer Blifil, hoewel een voorzigtig, bescheiden, bedaard jong mensch, alleen ernstig bezorgd was voor de belangen van één enkel persoon; en wie die persoon was, zal de lezer wel gissen, zonder mijne hulp.

Twee karakters als deze worden niet altijd in de wereld beoordeeld naar dien verschillenden maatstaf, waarop ieder regt heeft, en dien men zich verbeelden zou dat de menschen, al ware het alleen uit eigenbelang, moesten gebruiken. Maar welligt rust die schijnbare onregtvaardigheid toch op op eene fijne berekening—als de menschen iemand vinden van een wezenlijk welwillenden aard, verbeelden zij zich een schat gevonden te hebben, welken zij, even als alle goede dingen, voor zich wenschen te houden. Om die reden begrijpen zij, dat den roem van zoo iemand te verkondigen, even dwaas zou zijn als zijn middagmaal op de stoep te zetten en iedereen in de gelegenheid te stellen, dat te gebruiken, wat zij voor zich alleen bestemd hadden. Als deze reden den lezer niet voldoet, weet ik geen ander middel om de weinige achting te verklaren, welke men gewoonlijk ziet schenken aan karakters, die wezenlijk der menschelijke natuur veel eer aandoen, en der maatschappij het grootste voordeel opleveren. Maar het was anders met Sophia gesteld. Zij vereerde Tom Jones en verachtte den jongen heer Blifil bijna zoodra zij oud genoeg was om de beteekenis dezer beide woorden te begrijpen.

Sophia was meer dan drie jaren van huis geweest en had bij hare tante gelogeerd, gedurende welken tijd zij slechts weinig van deze beide jonge heeren gezien had. Zij dineerde echter eens met hare tante bij den heer Allworthy. Dit was slechts weinige dagen na het reeds beschrevene avontuur met de patrijs. Sophia hoorde het geheele verhaal aan tafel aan, waar zij niets zeide, en op weg naar huis, kon hare tante ook maar weinig uit haar lokken; maar terwijl hare kamenier bezig was met haar uit te kleeden, zei deze bij toeval:

„Nu, jufvrouw, gij zult heden den jongen heer Blifil wel gezien hebben?” waarop Sophia met veel drift uitriep:

„Ik haat den naam van den jongen heer Blifil, als alles wat laag en verraderlijk is, en het verwondert me dat mijnheer Allworthy toeliet, dat die wreede, oude schoolmeester den anderen armen jongen zoo streng tuchtigde voor iets, dat hij alleen uit goedheid gedaan had.”

Daarop verhaalde zij alles aan de kamenier, er bijvoegende, tot slot:

„Vindt ge niet, dat hij een edele jongen is?”

De jonge dame was nu weder bij haar vader terug gekeerd, die haar het bestuur over zijne huishouding liet, en haar de eereplaats aan tafel gaf, waar Tom (die wegens zijne liefhebberij voor de jagt een groote gunsteling van den huisheer geworden was), dikwijls mede aanzat. Jongelingen van openhartigen, edelen aard, zijn van natuur geneigd tot galanterie, die, als zij daarbij gezond verstand bezitten, wat bij Tom het geval was, zich uit in een verpligtend, hoffelijk gedrag jegens alle vrouwen in het algemeen. Dit onderscheidde Tom zeer van de luidruchtige en ruwe landjonkers van den eenen kant en van den plegtstatigen, eenigzins knorrigen jongen Blifil van den anderen kant, en hij begon nu, op zoowat twintigjarigen leeftijd, den naam te hebben van „een aardigen jongen” onder alle vrouwen in de buurt.

Tom onderscheidde Sophia volstrekt niet anders dan welligt door haar meer eerbied dan aan iemand anders te betoonen. Op deze onderscheiding scheen zij aanspraak te hebben door hare positie, hare schoonheid en hare beminnelijkheid; maar voornemens omtrent haar koesterde hij in het geheel niet,—om welke reden wij voor het oogenblik het aan den lezer overlaten moeten hem van domheid te beschuldigen;—terwijl wij echter welligt later dit redelijk goed zullen kunnen verklaren.

Sophia, ofschoon zoo onschuldig en zedig als mogelijk was, bezat toch veel levendigheid van aard. Deze vermeerderde nog zoodanig als zij zich in gezelschap met Tom bevond, dat als hij niet zeer jong en zeer onnadenkend geweest ware, hij het had moeten opmerken. En als de gedachten van den heer Western zelven niet doorgaans bezig waren geweest met de jagt, de stal of de honden, had het welligt eenigen argwaan bij hem opgewekt; maar de goede man was zoo ver van iets te vermoeden, dat hij Tom bij zijne dochter iedere gelegenheid verschafte, welke een minnaar had kunnen wenschen. En Tom, op de meest onschuldige wijze, maakte er beter gebruik van door alleen de ingevingen zijner aangeborene galanterie en goedaardigheid te volgen, dan hij welligt zou gedaan hebben, als hij in het geheim eenige plannen gekoesterd had op de hand van de jongedame.