Part 11
Deze zaak leverde stof tot velerlei twisten tusschen Thwackum en Square. Thwackum hield vol dat het verzet was tegen den heer Allworthy, wiens voornemen het was den jager voor zijne ongehoorzaamheid te straffen. Hij zeide, dat in sommige gevallen, hetgeen de wereld milddadigheid noemde, hem toescheen verzet te zijn tegen den wil van God, die eenige personen aangewezen had, die te gronde moesten gaan; en dat het ook tevens oppositie was tegen den heer Allworthy;—terwijl hij, op zijne gewone wijze—eindigde met eene toepassing der roede aan te bevelen.
Square hield het tegenovergestelde vol; welligt om tegen Thwackum te opponeren, of uit toegefelijkheid jegens den heer Allworthy, die, hetgeen Jones gedaan had ten zeerste scheen goed te keuren. Wat aangaat hetgeen hij bij deze gelegenheid aanvoerde, daar ik overtuigd ben, dat de meeste mijner lezers, zelve nog de zaak van Jones beter bepleiten kunnen dan ik, is het onnoodig het hier te herhalen. Inderdaad, het viel niet moeijelijk eene daad, die van de wetten van het onregt niet afteleiden was, met die van het regt overeen te brengen.
HOOFDSTUK IX.
BEVATTENDE EENE VEEL SCHANDELIJKER GEBEURTENIS, MET DE AANMERKINGEN VAN THWACKUM EN SQUARE.
Het is door iemand aangemerkt, die een veel grooter naam heeft voor wijsheid dan ik, dat een ongeluk zelden alleen komt.
Ik geloof dat men hiervan een voorbeeld ziet in die heeren, die het ongeluk hebben eenige van hunne schelmenstreken te zien ontdekken; want de ontdekking wordt dan zelden gestuit tot alles aan het licht komt. Dit was ook het geval met den armen Tom, die pas vergiffenis verkregen had voor het verkoopen van het paard, toen het uitlekte dat hij korten tijd van te voren een schoonen bijbel verkocht had, hem door den heer Allworthy geschonken, en dat hij het geld daarvoor op dezelfde wijze besteed had. Deze bijbel was door den jongen heer Blifil aangekocht, hoewel hij zelf een dergelijk boek bezat, gedeeltelijk uit eerbied voor het werk zelf, gedeeltelijk uit vriendschap voor Tom, daar hij niet wilde dat de bijbel voor half geld in vreemde handen kwam. Hij gaf hem dus die som zelf; want het was een zeer voorzigtige jongen, die zoo goed op zijn geld paste, dat hij bijna elken stuiver oplegde van al hetgeen hij van den heer Allworthy kreeg.
Men heeft wel eens opgemerkt, dat er sommige menschen zijn, die alleen in hun eigen boek kunnen lezen. Maar het tegendeel scheen het geval te zijn met den jongen heer Blifil; want zoodra hij Tom’s bijbel kreeg, gebruikte hij nooit een anderen. Ja, men zag hem er zelfs veel meer in lezen, dan hij ooit in zijn eigen boek gedaan had. Daar hij ook dikwijls Thwackum verzocht hem moeijelijke passages daarin uit te leggen, merkte die heer ongelukkig Tom’s naam op, hier en daar in het boek geschreven. Dit gaf aanleiding tot een onderzoek, waardoor de jonge heer Blifil genoodzaakt was de geheele zaak te ontdekken.
Thwackum besloot dat eene misdaad van dezen aard, die hij heiligschennis noemde, niet ongestraft zou blijven. Hij ging dus onmiddellijk tot de strafoefening over en daarmede niet voldaan, maakte hij den heer Allworthy bij hunne eerste ontmoeting daarna, met deze, naar het hem toescheen schandelijke misdaad bekend, te gelijker tijd in de hevigste bewoordingen Tom berispende, en hem vergelijkende bij de kooplieden, die uit den tempel gedreven werden.
Square bekeek de zaak uit een geheel ander oogpunt. Hij zeide er geene zwaardere misdaad in te zien, of men het ééne boek of het andere verkocht. Het verkoopen van bijbels was geheel wettig,—volgens goddelijke en menschelijke instellingen, en dus was er niets ongepast in. Hij vertelde aan Thwackum, dat diens groote toorn bij deze gelegenheid hem herinnerde aan het verhaal van de zeer vrome vrouw die uit zuiveren godsdienstzin Tillotson’s preken stal van eene dame, die zij kende.
Dit verhaal deed al het bloed stroomen naar het gezigt van den geestelijke, dat op zich zelf nooit al te bleek was, en hij was op het punt van met groote drift en toorn te antwoorden, toen mevrouw Blifil, die bij dezen twist tegenwoordig was, tusschenbeide kwam. Die dame trok zeer bepaaldelijk partij voor Square. Zij redeneerde inderdaad zeer geleerd om zijn gevoelen te ondersteunen, en eindigde met te zeggen, dat zij bekennen moest dat haar eigen zoon even schuldig scheen; want dat zij geen onderscheid zien kon tusschen kooper en verkooper,—welke beide uit den tempel gedreven moesten worden.
Daar mevrouw Blifil nu eenmaal haar gevoelen had geuit, was er een einde aan den twist. Square’s overwinning zou al zijne welsprekendheid gestuit hebben, als hij die noodig had gehad, en Thwackum, die om voormelde redenen het niet waagde de dame te mishagen, stikte bijna van verontwaardiging. Wat de heer Allworthy aangaat, hij zeide, dat daar de jongen reeds gestraft was, hij zijne meening omtrent de geheele zaak voor zich houden zou; en ik laat het aan den lezer zelven over te beslissen, of hij vertoornd was of niet op den jongen.
Kort hierop werd de jager geregtelijk vervolgd door den heer Western,—den heer op wiens jagt de patrijs geschoten werd,—wegens meer dergelijke delicten. Dit was een zeer ongelukkig iets voor den armen vent, daar het niet slechts genoeg was op zich zelf om hem geheel te grond te rigten, maar ook wezenlijk belette, dat de heer Allworthy hem weder in zijne gunst opnam; want toen die heer op zekeren avond met den jongen heer Blifil en Tom Jones wandelde, wist deze laatste hem op eene listige wijze voorbij de woning van den Zwarten George te brengen, waar de familie van den armen man, namelijk zijne vrouw en kinderen, in al de ellende gevonden werden, welke koude, honger en gebrek aan kleeding den mensch doen uitstaan; want, wat het geld betreft, dat zij van Jones gekregen hadden, dat was bijna geheel en al door oude schulden verslonden.
Een dergelijk tooneel kon zijne uitwerking niet missen op het hart van den heer Allworthy. Hij schonk de moeder dadelijk een paar goudstukken en beval haar daarmede hare kinderen op nieuw te kleeden. De arme vrouw barstte in tranen uit over deze weldaad, en terwijl zij hem bedankte kon zij niet nalaten hare erkentelijkheid jegens Tom te uiten, die, gelijk zij zeide, haar en de haren zoo lang voor den hongerdood bewaard had.
„Wij hebben,” zeide zij, „geen brok eten, en geen enkel kleedingstuk dat wij niet aan zijne goedheid te danken hebben.”
En werkelijk, behalve het paard en den bijbel, had Tom nog een nachthemd en andere kleinigheden ten behoeve van het ongelukkige huisgezin opgeofferd.
Bij hunne terugkomst, bezigde Tom al zijne welsprekendheid, om de ellende dezer menschen af te schilderen, alsmede het berouw van den Zwarten George zelven, en hierin slaagde hij zoo goed, dat de heer Allworthy zeide, dat hij zich verbeeldde dat de man genoeg gestraft was voor het verledene; dat hij hem nu vergeven zou en middelen beramen om hem en zijne familie verder te bezorgen.
Jones was zoo verrukt over deze toezegging, dat hoewel het al donker was bij hunne tehuiskomst, hij in een regenbui terugdraafde, eene mijl ver, om de heugelijke tijding aan de arme vrouw over te brengen; maar even als andere overhaaste verspreiders van berigten, haalde hij zich slechts de moeite op den hals van het te moeten gaan tegenspreken, want het vijandige noodlot maakte juist gebruik van de afwezigheid van den vriend van den Zwarten George om alles weder in de war te brengen.
HOOFDSTUK X.
WAARIN DE JONGE HEER BLIFIL EN TOM ZICH IN EEN ZEER VERSCHILLEND LICHT DOEN ZIEN.
De jonge heer Blifil bezat, in veel minderen graad dan zijn makker, de beminnelijke hoedanigheid van het medelijden; maar hij overtrof hem daarentegen evenzeer in eene andere, die veel verhevener van aard is, en waarin hij zoowel de leerstellingen als het voorbeeld van Square volgde; want hoewel beiden het woord medelijden dikwijls gebruikten, was het duidelijk dat in de werkelijkheid Square het beschouwde als onbestaanbaar met de wetten van het regt, terwijl Thwackum de geregtigheid wilde uitoefenen en de barmhartigheid aan den Hemel overlaten.
Die twee mannen verschilden inderdaad zoo zeer in gevoelen omtrent de voorwerpen van deze verhevene deugd, dat Thwackum, op zijne wijze, waarschijnlijk de eene helft van het menschelijk geslacht en Square de andere helft vernietigd zou hebben.
De jonge heer Blifil dan, hoewel hij zweeg in het bijzijn van Jones, kon toch, toen hij over de zaak nadacht, het denkbeeld niet verdragen, dat zijn oom den onwaardige met weldaden zou overladen. Om deze reden besloot hij dadelijk zijn oom bekend te maken met het feit, waarvan wij den lezer eventjes een wenk gegeven hebben. De toedragt er van was als volgt:
De jager had, omstreeks een jaar na zijn ontslag uit de dienst van den heer Allworthy, en eer Tom het paard verkocht, en toen hij gebrek had aan brood voor zich zelven of zijn huisgezin, een zittenden haas ontdekt, terwijl hij door een veld ging dat den heer Western toebehoorde. Dit dier had hij op eene barbaarsche en laaghartige wijze met een knuppel doodgeslagen,—wat voorzeker zeer in strijd was met de wetten van het land en met die der jagt.
De handelaar aan wien de haas verkocht werd, werd ongelukkig vele maanden later gesnapt met eene menigte gestroopt wild, en was om den heer van de plaats te verzoenen, genoodzaakt den een of anderen wilddief te verraden. Daartoe werd de Zwarte George door hem uitgezocht, als iemand, dien de heer Western reeds ongenegen was, en die ook in de omstreken reeds een slechten naam had. De handelaar kon bovendien zelf geen voordeeliger offer brengen, daar George hem in al dien tijd geen wild geleverd had, en aldus vond hij gelegenheid zijne beste leveranciers te redden; want daar de heer Western verrukt was de gelegenheid te hebben om den Zwarten George te straffen, dien eene enkele overtreding geheel te gronde zou rigten, deed hij geen verder onderzoek.
Als men dit feit onvergroot den heer Allworthy blootgelegd had, zou het waarschijnlijk den jager zeer weinig hebben benadeeld. Maar geen ijver is meer verblind, dan die welke ontstaat uit de zucht om den boosdoener te straffen. De jonge heer Blifil vergat hoe lang geleden alles gebeurd was. Hij veranderde ook eenigzins de zaak, en door het onvoorzigtige gebruik van het woord hazen in plaats van haas, maakte hij een groot verschil en beschuldigde George van strikken te leggen om hazen te vangen. Deze verandering had welligt kunnen verbeterd worden, als de jonge heer Blifil niet heel ongelukkig den heer Allworthy eene belofte van geheimhouding afgeperst had eer hij hem de zaak mededeelde;—maar nu werd de arme jager veroordeeld zonder de gelegenheid te hebben om zich te regtvaardigen; want, daar het onbetwistbaar was dat hij één haas gedood had, en daarom geregtelijk vervolgd werd, twijfelde de heer Allworthy aan het overige van het verhaal niet.
Zeer kort dan was de vreugde dezer arme menschen; want de heer Allworthy verklaarde den volgenden morgen, dat hij eene nieuwe reden had, die hij niet opgeven wilde, om vertoond op George te zijn, en hij gelastte Tom diens naam nooit meer te noemen; hoewel, wat zijn huisgezin betrof, hij zijn best beloofde te doen om te beletten dat dat van honger omkwam;—met den jager zelven wilde hij echter niet te doen hebben, maar zou hem aan de wetten overlaten, die hij voor geen geld ter wereld wilde schenden.
Tom kon volstrekt niet gissen wat het was, dat de toorn van den heer Allworthy opgewekt had, want zijne verdenking viel niet op den jongen heer Blifil. Daar echter zijne vriendschap zich door niets liet afschrikken, besloot hij om een ander middel te baat te nemen om den armen man van den ondergang te redden.
Jones was in den laatsten tijd zeer intiem geworden met den heer Western. Hij had zich zoodanig aan dien heer aanbevolen, door zijn stout rijden op de jagt en andere heldenfeiten van dien aard, dat die heer verklaarde dat Tom zeker nog eens een groot man zou worden als hij slechts aanmoediging vond. Hij wenschte dikwijls zelf zulk een begaafden zoon te hebben, en verklaarde eens op eene drinkpartij dat hij er duizend pond onder verwedden wilde, dat geen jager in het geheele land zoo goed met de honden kon jagen als Tom.
Deze had zich door die gaven zoodanig bemind gemaakt bij den landjonker, dat hij altijd een zeer gewenschte gast was aan zijne tafel en zijn lievelingsmakker op de jagt. Alles wat de landjonker het kostbaarste achtte; te weten: geweren, honden en paarden, waren nu ook even zeer tot Tom’s beschikking als of ze hem zelven toebehoorden. Hij besloot dus om gebruik te maken van deze gunst ten behoeve van zijn vriend den Zwarten George, dien hij in het huis van den heer Western hoopte te doen opnemen in dezelfde hoedanigheid als vroeger bij den heer Allworthy. Als de lezer bedenkt, dat deze mensch reeds zeer gehaat was bij den heer Western en verder in overweging neemt welke gewigtige zaak den toorn van dien heer had gaande gemaakt, zal hij misschien de onderneming van Tom als dwaas en wanhopig beschouwen; maar als hij den jongen Jones om die reden veroordeelt, zal hij het toch prijzenswaardig vinden, dat hij zich in deze moeijelijke taak trachtte te versterken door elk hulpmiddel, waarover hij beschikken kon, te baat te nemen.
Tot dit einde dan wendde zich Tom tot de dochter van den heer Western, eene jonge dame van ongeveer zeventienjarigen leeftijd, die door haar vader (na de bovenvermelde onmisbare voorwerpen voor de jagt), boven alles ter wereld bemind en geschat werd. Terwijl zij dus eenigen invloed op haar vader bezat, bezat ook Tom eenigen invloed op haar. Daar deze dame echter de toekomstige heldin van dit boek wordt,—eene dame waarop wij zelf zeer verliefd zijn, en op wie waarschijnlijk vele onzer lezers verliefd zullen worden eer wij gedaan hebben, zou het niet gepast zijn haar aan het einde van een boek voor het eerst te doen optreden.
BOEK IV.
Bevattende den tijd van één jaar.
HOOFDSTUK I.
BEVATTENDE VIER BLADZIJDEN.
Daar onze geschriften niets dan de waarheid behelzen en zich aldus onderscheiden van die ijdele romans, die met monsters vervuld zijn, geene voortbrengselen der natuur, maar van een ziekelijk brein, en welke om die reden door een beroemden criticus alleen tot gebruik van den suikerbakker worden aanbevolen, om er zakjes van te maken,—zoo moeten wij ook, van den anderen kant, alle overeenkomst trachten te vermijden met die soort van geschiedenis, welke een groot dichter schijnt te meenen dat geschreven is in het voordeel van den bierbrouwer evenzeer als van den lezer, daar de lektuur er van altijd vergezeld moet gaan van een stevig glas bier:
„Terwijl het glas met ale bij het vrolijk drinkgelag ’t Verhaal van haar verzacht, hoe droevig ’t wezen mag.”
Ja, even als dit de drank is der hedendaagsche geschiedschrijvers, of welligt zelfs, hunner Muze, als wij het gevoelen van Butler mogen omhelzen, die hunne inspiratie aan het bier toeschrijft, moest het ook de drank van den lezer zijn, daar elk boek gelezen moest worden in den geest waarin en op dezelfde wijze waarop het geschreven is. Dus zei de beroemde schrijver van Hurlothrumbo aan een geleerden bisschop, dat de reden waarom zijn hoogeerwaarde het ware genot van dat stuk niet had, was, dat hij het niet las met de viool in de hand, welk instrument hij zelf, onder het opstellen er van, telkens bespeelde.
Ten einde dus het gevaar te voorkomen, dat ons werk bij dat dier geschiedschrijvers vergeleken worde, hebben wij iedere gelegenheid te baat genomen om het geheel te doorspekken met allerlei beelden, beschrijvingen en dergelijke dichterlijke opsiering meer. Deze dienen, inderdaad, om het bier te vervangen, en den geest te verkwikken telkens als de slaap, welke bij een werk van langen adem den lezer even goed als den schrijver overvalt, hem dreigt. Zonder tusschenpoozingen van dezen aard, zou het beste verhaal van eenvoudige, dagelijksche zaken iederen lezer vervelen; want niets dan de eeuwigdurende waakzaamheid door Homerus aan Jupiter toegeschreven, zou bestand zijn tegen een courant in vele boekdeelen.
Wij laten het aan den lezer over te beslissen met hoeveel oordeel wij de verschillende gelegenheden gekozen hebben om ons werk op die wijze op te luisteren. Men zal zeker bekennen, dat er geene geschikter kon zijn dan de tegenwoordige, waarbij wij op het punt zijn eene gewigtige persoonaadje ten tooneel te voeren,—niemand anders dan de heldin van dit episch-historisch-proza-gedicht. Wij hebben het dus hier gepast geacht den lezer op hare verschijning voor te bereiden, door zijn geest te vervullen met de aangenaamste beelden, welke wij aan de natuur konden ontleenen. En wij hebben vele voorbeelden om deze handelwijze te regtvaardigen. Ten eerste, is deze kunst zeer bekend aan en wordt ze ook zeer veel gebruikt door onze tragische tooneeldichters, die zelden nalaten den toeschouwer voor te bereiden op het optreden van de hoofdpersonen.
Dus wordt de held altijd door trompetgeschal en pauken voorafgegaan, ten einde een krijgshaftigen geest onder de toehoorders op te wekken, en hunne ooren te gewennen aan bombast en grootspraak, welke door den blinde van den heer Lock niet oneigenaardig met het geluid van een trompet had kunnen vergeleken worden—maar, als een minnend paar optreden zal, wordt het met zachte muzijk binnengeleid, hetzij om de toeschouwers voor den tederen hartstogt te stemmen, of om hen te sussen en voor te bereiden op dien zachten slaap, waarin het volgende tooneel hen waarschijnlijk wiegen zal.
En niet slechts de dichters zelven, maar ook de heeren en meesters der dichters, de tooneeldirecteuren, schijnen dit geheim te kennen; want behalve voornoemde pauken enz., die de nadering van den held aankondigen, wordt hij gewoonlijk op het tooneel gevolgd door eene heele bende verkleede timmerlieden en decorateurs; en hoe noodzakelijk die geacht worden bij zijne optreding, kan men uit het volgende tooneelverhaaltje opmaken.
De koning Pyrrhus was aan tafel, in eene naburige herberg, naast de komedie, toen hij geroepen werd om op het tooneel te verschijnen. Daar de held echter zijn schapenbout niet verlaten wilde, en er toch niet opgesteld was om zich de verontwaardiging van den heer Wilks (zijn mede-directeur), op den hals te halen door de toehoorders te laten wachten, had hij zijne trawanten omgekocht, om uit den weg te blijven. Dus terwijl de heer Wilks, met donderende stem riep: „Waar zijn de timmerluî, die den koning Pyrrhus voorafgaan moeten?” zat die vorst heel kalm zijn schapenbout te eten en de toeschouwers, hoe ongeduldig ook, moesten zich met de muzijk troosten zoo lang hij afwezig bleef.
Om opregt te zijn, moet ik ook bekennen, dat het mij zeer waarschijnlijk voorkomt, dat de staatsman, die gewoonlijk een fijnen neus heeft, ook het nut van dit gebruik eenigzins heeft leeren inzien. Ik ben overtuigd dat die ontzagwekkende magistraat, de Lord-Mayor, veel van den eerbied, welke hem het geheele jaar door volgt, te danken heeft aan de vele vertooningen, die zijne installatie voorafgaan. Ja, ik moet nog bekennen, dat zelfs ik, die niet bijzonder vatbaar ben om door eene bloote vertooning ingepakt te worden, in geene geringe mate bezweken ben voor de indrukken door groote staatsie opgewekt. Als ik een man in een optogt heb zien wandelen, achter anderen, die alleen dáár waren om hem vooraf te gaan, heb ik een veel grooter besef van zijne waardigheid gekregen dan als ik hem in eene dagelijksche positie gezien had. Maar één voorbeeld ken ik, dat volmaakt met mijn doel overeenkomt. Dit is de heerschende gewoonte om eene vrouw met een mandvol bloemen bij een krooningsoptogt op het tooneel vooraf te zenden, ten einde bloemen te strooijen eer de groote persoonaadjes den omgang beginnen. De ouden zouden zeker de godin Flora tot dit doel ingeroepen hebben, en het zou den priesters, of den staatslieden volstrekt niet moeijelijk gevallen zijn om het volk te overtuigen van de wezenlijke verschijning der godin, hoewel zij voorgesteld werd door een eenvoudige sterveling die haar ambt op zich genomen had.
Maar het is ons voornemen niet den lezer te foppen, en daarom kunnen diegenen, welke iets tegen de heidensche godenleer hebben, als zij verkiezen, onze godin in bovenvermelde vrouw met de mandvol bloemen veranderen. Ons voornemen is, met één woord, onze heldin met de meest mogelijke plegtigheid binnen te leiden, met eene verheffing van stijl en alle andere omstandigheden, die geschikt zijn om den eerbied van den lezer op te wekken. Inderdaad, wij zouden, om zekere redenen, diegenen onzer lezers, die een hart hebben, den raad geven om niet verder te lezen, indien wij niet verzekerd waren, dat hoe aanbiddenswaardig ook het beeld onzer heldin schijne, het toch slechts eene kopij is naar de natuur, en er vele onzer schoone landgenooten te vinden zijn, die overwaardig zijn het voorwerp van ieders liefde te worden, en die volkomen beantwoorden zullen aan elken eisch der vrouwelijke volmaaktheid, die wij ons in staat gevoelen te schilderen.
En nu, zonder verdere voorrede, gaan wij tot het volgende hoofdstuk over.
HOOFDSTUK II.
EEN GERING BLIJK VAN HETGEEN WAARTOE WIJ IN STAAT ZIJN IN DEN VERHEVEN SCHRIJFTRANT, EN EENE BESCHRIJVING VAN MEJUFVROUW SOPHIA WESTERN.
Gestild zij iedere ruwe storm! Dat de heidensche bestuurder der winden de oproerige leden van den luidruchtigen Boreas, en den puntigen neus van den bitter nijpenden Eurus in ijzeren boeijen sla! En gij, o zoete Zephyr, sta op van uwe geurige rustplaats, en beklim den westerschen hemel en zend ons hierheen die heerlijke koeltjes, welker bekoorlijkheden de schoone Flora uit haar verblijf lokken, versierd met de parelen van den dauw, als de bloeijende maagd, op den eersten Junij, haar geboortedag, zwierig getooid, luchtig trippelt over het groene veld, waar iedere bloem zich verheft om haar hulde te brengen, tot het geheele land daarmede prijkt, en kleuren en geuren met elkaar wedijveren om ons op het zeerst te bekoren.
Alzoo bekoorlijk verschijne zij ons nu! En gij, gevederde koorzangers der natuur, wier zoetste noten zelfs Händel niet overtreffen kan, stemt de welluidende keel, om hare verschijning te vieren. Uit de liefde ontstaat uwe muzijk, en tot de liefde keert zij terug. Wekt dus den zoeten hartstogt op in elken herder;—want, ziet! versierd met al de bekoorlijkheden, waarmede de natuur haar tooijen kan, opgeschikt met schoonheid, jeugd, opgeruimdheid, onschuld, zedigheid en teêrheid, geuren ademende uit de rozeroode lippen en vuur schietende uit de schitterende oogen,—daar verschijnt de heerlijke Sophia!
Lezer! gij hebt welligt de Venus de Medicis gezien? Wel ligt hebt gij ook de galerij van schoonheden gezien in het Paleis van Hampton Court! Gij herinnert u welligt al de schoone Churchills in die verzameling en al die schoonheden op wie men in de Kit-cat Club toasten instelde? Of, zoo hare regering voor uw tijd was, hebt gij ten minste hare dochters gezien, de niet minder schitterende schoonheden van deze eeuw, wier namen wij hier niet inlasschen kunnen, omdat ze het boekdeel zouden opvullen.
Als gij nu deze allen gezien hebt, vrees dan niet het onbeleefde antwoord te ontvangen, dat Milord Rochester eens aan zeker iemand gaf, die heel veel gezien had. Neen; als gij deze alle gezien hebt, zonder te weten wat schoonheid is, hebt gij geene oogen; en zonder hare magt te gevoelen, dan hebt gij geen hart.
En toch is het mogelijk, vriend, dat gij deze alle gezien hebt, zonder u een juist denkbeeld van Sophia te kunnen maken; want op geene van dezen allen geleek zij volkomen. Zij geleek het meest op het portret van Milady Ranelagh, en ik heb gehoord, dat zij nog sterker geleek op de beroemde hertogin van Mazarin; maar, het meest geleek zij op iemand, wier beeld nooit uit mijn hart gewischt kan worden, en als gij u haar herinnert, dan kunt gij u, vriend, een juist denkbeeld van Sophia vormen.