Tom Jones

Part 10

Chapter 103,854 wordsPublic domain

Indien niets anders dan het genot dat hij in het straffen zelf vond den onderwijzer daartoe aangespoord had, is het waarschijnlijk dat de jonge heer Blifil ook zijn deel gekregen zou hebben; maar hoewel de heer Allworthy hem dikwijls aanbevolen had geen onderscheid tusschen hen te maken, bleef Thwackum steeds even zachtaardig en vriendelijk jegens dezen jongen, als hij hard, ja, zelfs barbaarsch was, tegen den anderen.

Om de waarheid te bekennen, Blifil had in hooge mate de toegenegenheid van zijn leermeester verworven, gedeeltelijk door den diepen eerbied, welken hij dikwijls toonde voor zijn persoon, maar nog meer door den betamelijken ijver, waarmede hij zijne leerstellingen omhelsde; want hij had de spreekwijzen van zijn meester van buiten geleerd, en herhaalde ze dikwijls, en handhaafde al de godsdienstige grondbeginselen van zijn onderwijzer met een ijver, die verbazend was in iemand van zijn jeugdigen leeftijd, en die hem zeer dierbaar maakte aan zijn leeraar.

Tom Jones, van den anderen kant, bleef niet slechts in gebreke in uiterlijke teekenen van eerbied,—maar lette in ’t geheel niet op de leer en de voorschriften van zijn onderwijzer. Hij was inderdaad een onnadenkende, ligtzinnige jongen, die zeer weinig bedaardheid liet blijken in zijn gedrag en nog minder op zijn gelaat,—en hij plagt dikwijls, op de meest onbetamelijke en onbeschofte wijze, zijn makker uit te lagchen over diens ernstige houding.

De heer Square had dergelijke redenen ook om meer van Blifil te houden, want Jones toonde niet meer ontzag voor de geleerdheid, welke deze heer soms aan hem verspilde, dan voor de vermaningen van Thwackum. Hij waagde het zelfs eens te spotten over „de eeuwige wetten van het regt,” en zeide, bij eene andere gelegenheid, dat er geene wetten ter wereld bestonden, volgens welke zulk een man als zijn vader (want de heer Allworthy liet toe dat hij hem zoo noemde), geschapen kon worden.

Daarentegen bezat de jonge heer Blifil op zestienjarigen leeftijd behendigheid genoeg om zich tegelijkertijd bij beide partijen aan te bevelen. Bij den één was hij zuiver godsdienst; bij den andere zuiver deugd. En als beide tegenwoordig waren, bewaarde hij een diep stilzwijgen, dat beiden tot hun en zijn voordeel uitlegden.

Blifil vergenoegde zich ook niet met deze beide heeren slechts in hun bijzijn te vleijen; hij zocht vele gelegenheden om hen achter hun rug bij Allworthy te roemen, tegen wien, als zij alleen waren, en zijn oom het een of ander godsdienstig of deugdzaam gevoelen prees,—waartoe hij dikwerf aanleiding gaf,—hij zelden naliet dit toe te schrijven aan de goede lessen van Thwackum en Square. Hij wist namelijk, dat zijn oom alle dergelijke complimenten overbragt aan diegenen voor wie ze bestemd waren, en hij leerde, door ondervinding, den grooten indruk kennen, welken zij maakten, beide op den wijsgeer en den theologant; want zeker is het, dat geene vleijerij zoo onweerstaanbaar is, als die, welke ons uit de derde hand bereikt.

Daarenboven ontdekte weldra de jonge heer hoe buitengewoon aangenaam al deze lofspraken op zijne onderwijzers klonken in de ooren van den heer Allworthy zelven, daar ze het vreemde opvoedingstelsel schenen aantebevelen, hetwelk hij zelf aangenomen had. Want daar de waardige man de onvolmaaktheid der openbare scholen kende en de vele ondeugden, welke de jongens daar aanleeren konden, had hij besloten zijn neef, even als zijn aangenomen zoon, op eene wijze optevoeden, waarop hunne zeden minder gevaar liepen van bedorven te worden, dan op eene publieke school of akademie.

Nadat hij zich dus voorgenomen had hen aan de zorgen van een gouverneur toe te vertrouwen, werd hem voor dit ambt de heer Thwackum aanbevolen, door een vertrouwden vriend, op wiens oordeel de heer Allworthy hoogen prijs stelde en op wiens eerlijkheid hij meende te kunnen rekenen.

Deze Thwackum had op eene beurs gestudeerd aan eene der akademiën, waar hij bijna altijd woonde, waar hij gepromoveerd was, en grooten naam gemaakt had van wege zijne geleerdheid, godsdienstigheid en onberispelijken wandel. Het waren ook, zonder twijfel, al deze vereischten, welke den vriend van den heer Allworthy er toe bragten om hem aan te bevelen; ofschoon inderdaad, deze vriend eenige verpligtingen had aan de familie van Thwackum, die tot de aanzienlijkste menschen behoorden in een plaatsje, waarvoor die heer zitting had in het parlement.

Bij zijne aankomst maakte Thwackum zich zeer aangenaam, en beantwoordde werkelijk in het begin aan den goeden naam, welken hij medebragt. Bij nadere kennismaking echter, en in den loop van een meer vertrouwelijken omgang, ontdekte de waardige Allworthy zwakheden in den gouverneur, welke hij gaarne gemist zou hebben, hoewel, daar ze meer dan opgewogen schenen door zijne goede hoedanigheden, ze den heer Allworthy volstrekt niet geneigd maakten om hem weg te zenden. Ze zouden ook eene dergelijke handelwijze niet gewettigd hebben; want de lezer zou zich zeer vergissen als hij zich verbeeldde, dat de heer Thwackum zich aan den heer Allworthy vertoonde in hetzelfde licht als dat, waarin hem de lezer ziet in deze geschiedenis. Hij vergist zich evenzeer, als hij zich verbeeldt, dat de intiemste kennis met den geestelijke, hem die dingen zouden geopenbaard hebben, welke wij, door onze inspiratie, in staat zijn in te zien en bloot te leggen.

Van lezers, die om zulke redenen, de wijsheid of de scherpzinnigheid van den heer Allworthy in twijfel trekken, schroom ik niet te zeggen, dat zij een zeer slecht en ondankbaar gebruik maken van de kennis, welke wij hun medegedeeld hebben.

Deze blijkbare dwalingen in Thwackum’s leer dienden echter om de tegenovergestelde dwalingen in die van Square, welke onze waardige vriend ook inzag, te verzachten. Hij verbeeldde zich inderdaad, dat de uiteenloopende gebreken dezer heeren elkander onderling verbeteren zouden, en dat van beide, vooral met zijn behulp, de beide jongens genoegzame begrippen zouden krijgen van echte godsdienst en deugd. Zoo de uitslag zijne verwachtingen niet regtvaardigde, is dit waarschijnlijk toe te schrijven aan eenig gebrek in zijn stelsel zelf, hetwelk ik den lezer verlof geef zelf te ontdekken als hij dat kan; want het is ons voornemen niet, eenig onfeilbaar karakter in dit boek in te voeren, waarin wij hopen niets te laten zien, dat tot nog toe niet in de menschelijke natuur gevonden werd.

Maar, om tot de zaak terug te komen: de lezer zal nu, denkelijk, niet verwonderd staan, dat het verschillende gedrag van de beide jongens, de verschillende uitwerkingen had, van welke hij reeds één voorbeeld gezien heeft, en bovendien, bestond er nog eene reden voor de houding van den wijsgeer en den onderwijzer, die wij echter, als van groot belang, pas in het volgende hoofdstuk zullen openbaren.

HOOFDSTUK VI.

BEVATTENDE EENE NOG BETERE REDEN VOOR DE VOORMELDE GEVOELENS.

Men moet dan weten, dat de twee geleerden, die nu op het tooneel dezer geschiedenis zoo veel plaats beslaan, sedert hunne eerste opname onder het dak van den heer Allworthy zoo veel liefde opgevat hadden, de ééne voor zijne deugd, de andere voor zijne godsdienst, dat zij beiden verlangden zich zoo naauw mogelijk met hem te verbinden.

Tot dit einde vestigden zij hunne blikken op die schoone weduwe, welke, ofschoon wij haar in den laatsten tijd niet vermeld hebben, naar wij hopen, nog niet vergeten is door den lezer. Mevrouw Blifil dan was inderdaad het voorwerp waarop beide hunne hoop vestigden.

Het zal welligt opmerkelijk schijnen, dat van vier personen, die wij in het huis van den heer Allworthy vermeld hebben, er drie hunne liefde vestigden op eene dame, die nooit zeer beroemd was om hare schoonheid, en die nu, bovendien, zekeren leeftijd bereikt had; maar het is ontegenzeggelijk, dat boezemvrienden en intieme kennissen gemeenlijk eene zekere aangeborene neiging hebben voor sommige vrouwen in het huis van hunne vrienden, bijvoorbeeld voor hunne grootmoeder, moeder, zuster, dochter, tante, of nicht, als deze rijk is, en voor hunne vrouw, zuster, dochter, nicht, beminde, of dienstmeid, als die schoon zijn.

Wij wenschten echter niet, dat de lezer zich verbeelde, dat menschen van het karakter van Thwackum en Square, iets van dien aard zouden ondernemen, dat sommige strenge zedepredikers afgekeurd hebben, eer zij het naauwkeurig onderzocht en uitgemaakt hadden, of het eene gewetenszaak was of niet. Thwackum werd tot de onderneming aangespoord door zich te herinneren, dat het nergens verboden is, zijns naasten zuster te begeeren, en hij wist dat het een regel was in de uitlegging van alle wetten, dat „expressum facit cessare tacitum.” Hetgeen beteekent, dat, als een wetgever duidelijk zijne geheele bedoeling ontwikkelt, het ons niet vrij staat hem te laten zeggen wat ons goed dunkt. Daar dus sommige vrouwen vermeld worden in de goddelijke wet, die ons verbiedt datgene te begeeren wat onzen naaste toebehoort, en er niet van eene zuster gesproken wordt, beschouwde hij dat als voor hem voldoende. En wat Square betreft, die uiterlijk, wat men noemt een fiksche kerel was, hij bragt weldra zijne wenschen in overeenstemming met de eeuwige orde der dingen.

Daar nu beide heeren ijverig elke gelegenheid waarnamen om zich bij de weduwe aan te bevelen, begrepen zij dat het één onfeilbaar middel zou zijn om hare gunst te verwerven, wanneer zij haren zoon aanhoudend de voorkeur schonken boven den anderen jongen, en daar zij inzagen, dat de goedheid en de liefde, welke de heer Allworthy dezen laatsten bewees haar hoogst onaangenaam moest wezen, twijfelden zij niet dat zij haar zeer behagen zouden door elke gelegenheid te haat te nemen om hem te vernederen en te verlagen,—omdat, daar zij den jongen haatte, zij natuurlijk al diegenen moest beminnen, die hem kwaad deden.

Op dit punt was het voordeel aan Thwackum’s zijde; want terwijl Square slechts den goeden naam van den armen jongen schenden kon, had de andere het in zijne magt hem bijna levend te villen, en inderdaad, hij beschouwde elken slag, dien hij hem gaf als een compliment aan zijne beminde: zoodat hij, met het meeste regt, den ouden regel, „castigo te non quod odium habeam, sed quod AMEM,” op zich zelven toepassen kon:—Dat is, „ik straf u niet uit haat, maar uit liefde.” En deze woorden had hij ook werkelijk telkens in den mond.

Het was dan voornamelijk om deze reden dat de beide heeren, zooals wij gezien hebben, overeenstemden in hunne meening omtrent de twee jongens;—en dit was, wezenlijk, bijna het eenige punt waaromtrent zij het ooit eens waren; want behalve het verschil van grondbeginselen, waren zij beide reeds lang geleden begonnen elkanders voornemen te peilen, en haatten zij elkaar met niet weinig verbittering.

Deze onderlinge vete werd niet weinig vermeerderd door de voordeelen beurtelings door beide behaald; want mevrouw Blifil begreep waar zij heen wilden lang eer zij zich dat verbeeldden, of het zelfs wenschten; want zij handelden met de meeste omzigtigheid, ten einde haar niet te beleedigen, waarna zij zeker den heer Allworthy de oogen daaromtrent zou kunnen openen. Maar zij hadden dit niet behoeven te vreezen; want eene liefde, waarvan zij zich vast voornam dat niemand dan zij zelve eenige vruchten zou plukken, mishaagde haar volstrekt niet. En de eenige vruchten, welke zij zich voorstelde, bestonden in vleijerij en vrijaadje; om welke reden zij beiden beurtelings streelde en een tijdlang in gelijke mate. Zij was inderdaad meer geneigd om de grondbeginselen van den geestelijke te begunstigen; maar Square’s uiterlijk beviel haar beter, want hij was een knap man,—terwijl de onderwijzer, wat zijne gelaatstrekken betreft, veel geleek op dien heer die, in Hogarth’s „leven van een ligtekooi,” de dames in de gevangenis de les leest.

Hetzij mevrouw Blifil walgde van de zoete huwelijksvreugden, of afgeschrikt werd door het bittere daarvan, of om eenige andere oorzaak,—dat weet ik niet, maar zij kon er niet toe komen van eenig nieuw aanzoek te hooren. Evenwel, begon zij eindelijk op zulk een gemeenzamen voet met Square omtegaan, dat eerbiedwaardige menschen dingen van haar begonnen te fluisteren, waaraan wij, uit eerbied voor de dame (en omdat zij geheel en al in strijd waren met de wetten van het regt en de orde der dingen), geen geloof hechten en waarmede wij dus ons papier niet bezoedelen zullen. Zeker is het echter, dat de meester aan het ranselen bleef, zonder één stap vooruit te komen.

Inderdaad, hij had eene groote dwaling begaan, welke Square veel eerder ontdekte dan hij. Mevrouw Blifil (zoo als de lezer welligt geraden zal hebben), was niet zeer ingenomen geweest met haar man,—ja, om eerlijk te zijn,—zij had hem bepaaldelijk gehaat, tot de dood haar eindelijk eenigzins met hem, in de herinnering, verzoende. Het zal dus niet veel verwondering baren, dat zij geene zeer hevige liefde koesterde tot zijn kroost. En, inderdaad, zij gaf zoo weinig om haar zoon, dat zij hem in zijne kindschheid slechts zelden zag, of eenige notitie van hem nam; en om die reden, na eenig tegenstribbelen, stemde zij stilzwijgend in de gunsten toe, waarmede de heer Allworthy den vondeling overlaadde, dien de goede man zijn eigen zoon noemde en in alle opzigten op gelijken voet stelde met den jongen heer Blifil. Deze toegefelijkheid van den kant van mevrouw Blifil werd door de buren en de familie beschouwd als een blijk harer inschikkelijkheid jegens haren broeder; en alle menschen geloofden, even als Thwackum en Square, dat zij den vondeling haatte; ja zelfs, hoe meer beleefdheid zij hem bewees, hoe meer zij zich verbeeldden dat zij hem haatte, en hoe langer zoo gevaarlijker plannen smeedde om hem te grond te rigten: want, daar zij begrepen dat het in haar belang was hem te haten, viel het haar zeer zwaar te bewijzen dat zij dat niet deed.

Thwackum werd te meer in dit gevoelen bevestigd, omdat zij hem meer dan eens Tom Jones had doen afrossen als de heer Allworthy, die een vijand van die ligchaamsoefening was, niet te huis was, zonder dat zij ooit eenig bevel van dien aard gegeven had ten opzigte van den jongen heer Blifil. En dit had Square ook gefopt.

En geen wonder, want hoewel zij zeker haar eigen zoon haatte,—iets waarvan, hoe afschuwelijk dit ook zij, zij niet het eenige voorbeeld is,—scheen zij toch, in weerwil van allen uiterlijken schijn, in haar hart zeer ontevreden met de gunst door den heer Allworthy aan den vondeling bewezen. Hierover klaagde zij dikwerf achter den rug van haar broeder, tegen Thwackum en Square, ja, verweet het wel eens Allworthy zelven, als er soms een kleine twist, of woordenwisseling tusschen hen ontstond.

Naarmate echter Tom opgroeide en blijken gaf van dien hoffelijken aard, welke de mannen zoo zeer bij de vrouwen aanbeveelt, verminderde langzamerhand de afkeer, welken zij voor hem als kind gekoesterd had, en zij toonde eindelijk zoo duidelijk dat hare liefde tot hem verre die, welke zij haar eigen zoon toedroeg, overtrof, dat het onmogelijk was zich verder daaromtrent te vergissen. Zij verlangde zoo dikwijls om hem te zien, en toonde zoo veel genoegen en voldoening in zijn omgang, dat eer hij achttien jaren oud was hij een mededinger werd van Square en Thwackum, en wat nog erger is, alle buren even luide begonnen te spreken over hare neiging tot Tom als vroeger over die welke zij jegens Square aan den dag had gelegd, om welke reden deze den onverzoenlijksten haat koesterde voor onzen armen held.

HOOFDSTUK VII.

WAARIN DE SCHRIJVER ZELF HET TOONEEL BETREEDT.

Hoewel de heer Allworthy zelf niet spoedig de dingen in een slecht licht zag, en vreemd bleef aan de openbare geruchten, welke zelden het oor van een broeder of een echtgenoot bereiken, werkte toch de liefde, welke mevrouw Blifil jegens Tom aan den dag legde, en de voorkeur, welke zij hem blijkbaar boven haar eigen zoon schonk, zeer tot zijn nadeel.

Want zoo groot was de mate van medelijden, welke den heer Allworthy bezielde, dat niets dan het staal der geregtigheid het ooit deed bezwijken. Op de eene of andere wijze ongelukkig te zijn (mits dat met geen ondeugd gepaard ging), was genoeg om de schaal van het medelijden in zijne hand te doen overslaan, en om zijne vriendschap en welwillendheid te verwerven.

Zoodra hij dus duidelijk ontwaarde dat de jonge heer Blifil gehaat werd (en dat was het geval) door zijne eigene moeder, begon hij, alleen om die reden, hem met medelijden te beschouwen, en hoe het medelijden werkt op een goed en welwillend hart, behoef ik hier niet aan de meerderheid mijner lezers uitteleggen.

Van dit oogenblik af zag hij elken schijn van deugd in dien jongen door een vergrootglas, en al zijne gebreken door een verkleinglas, zoodat ze naauwelijks zigtbaar werden. Dit mag welligt, wegens den beminnelijken aard van het medelijden, loffelijk wezen, maar de volgende stap is alleen te verontschuldigen door de zwakheid van de menschelijke natuur; want naauwelijks had hij ontdekt, dat mevrouw Blifil de voorkeur aan Tom schonk, of deze arme jongen (hoe onschuldig ook) begon in zijne schatting te dalen, naarmate hij in de hare rees. Het is waar, dat dit alleen Jones niet ten eenemale uit zijn hart zijne plaats zou hebben doen verliezen, maar het benadeelde hem zeer, en bereidde den geest van den heer Allworthy voor op die indrukken, welke later die gewigtige gebeurtenissen veroorzaakten, die in deze geschiedenis herdacht zullen worden, en waartoe men bekennen moet, dat de ongelukkige jongen door zijne ligtzinnigheid, ongeregeldheid en gebrek aan voorzigtigheid, slechts al te veel bijdroeg.

Door sommigen daarvan op te teekenen,—als men ons niet verkeerd begrijpt, zullen wij eene zeer nuttige les geven aan die jongelieden van goeden aanleg, die later ons werk zullen lezen; want zij zullen daaruit leeren, dat goedheid van harte en een open gemoed, hoewel zij veel inwendigen troost mogen opleveren, en zij gevoelen dat zij daar trotsch op mogen wezen, helaas volstrekt, niet geschikt zijn om hen in de wereld vooruit te helpen. Zelfs de beste menschen kunnen de voorzigtigheid en de bedaardheid niet missen. Deze zijn inderdaad, als het ware, de wachters der deugd, zonder welke zij nooit veilig is. Het is niet genoeg, dat uwe voornemens, of zelfs uwe daden, in zich zelve goed zijn;—gij moet ook zorg dragen dat zij dit schijnen. Laat het inwendige nog zoo schoon zijn, het uiterlijke moet ook schoon wezen. Hiervoor moet men aanhoudend zorg dragen, of de kwaadwilligheid en de nijd zullen zich beijveren alles zoodanig te bezwalken, dat de wijsheid en goedheid van een Allworthy niet in staat zullen zijn dat te doorzien en de inwendige schoonheden te ontdekken. Vergeet nooit, jeugdige lezer, den stelregel, dat geen mensch goed genoeg kan wezen om de voorschriften der voorzigtigheid te verwaarloozen, en dat de deugd zelve niet bekoorlijk schijnen zal, wanneer ze de uiterlijke versierselen der welvoegelijkheid en der betamelijkheid versmaadt. Ik geloof, mijne waarde discipelen, dat, als gij slechts met oplettendheid leest, gij de bevestiging dezer regels zult vinden op de volgende bladzijden van dit boek.

Ik vraag vergiffenis, dat ik voor een oogenblik zelf, opgetreden ben, bij wijze van koor. Dat deed ik wezenlijk, om mijn eigen wil, opdat, terwijl ik de rotsen aantoon, waarop de onschuld en de deugd dikwerf schipbreuk lijden, men niet denke, dat ik juist de middelen, waardoor zij te gronde zouden gaan, aanbeveel. Daar ik nu geen mijner persoonaadjes overhalen kon dit te zeggen, was ik genoodzaakt het zelf te verklaren.

HOOFDSTUK VIII.

EEN KINDERACHTIG VOORVAL, WAARUIT MEN ECHTER HET GOEDAARDIGE KARAKTER VAN TOM JONES ZIEN KAN.

De lezer zal zich herinneren, dat de heer Allworthy Tom Jones een hit gegeven had, als eene soort van vergoeding voor de straf, welke deze schijnbaar onschuldig had moeten ondergaan.

Deze hit had Tom meer dan een halfjaar gehad, toen hij naar eene naburige paardenmarkt reed en het dier daar verkocht.

Bij zijne terugkomst werd hij door Thwackum ondervraagd over de wijze, waarop hij het geld dat hij voor het paard gekregen had, besteed had en verklaarde ronduit, dat hij het niet zeggen wilde.

„O, ho!” riep Thwackum; „Ge wilt niet? Nu, dan zal ik het heel spoedig uit je —— slaan!”—zijnde deze de plaats waar hij altijd, als er eenige twijfel bestond, naar berigten zocht.

Tom werd nu door een knecht op de schouders geheschen, en alles was voor de strafoefening gereed, toen de heer Allworthy in de kamer trad, den beschuldigde uitstel van executie schonk en hem met zich nam naar een ander vertrek, waar hij, met Tom alleen zijnde, hem dezelfde vraag deed als Thwackum.

Tom hernam, dat het zijn pligt was hem niets te weigeren; maar wat dien tirannieken schurk betrof, hij hem alleen met een knuppel antwoorden zou, waarmede hij spoedig hoopte in staat te zijn hem al zijne wreedheden te betalen.

De heer Allworthy verweet den jongen zeer streng deze onbetamelijke en oneerbiedige uitdrukkingen omtrent zijn leermeester; maar nog meer zijne aan den dag gelegde wraakzucht. Hij dreigde hem met het geheele verlies zijner gunst, als hij ooit iets van dien aard weder van hem vernam; want hij verklaarde een aterling nooit te willen ondersteunen of beschermen.

Door deze en dergelijke gezegden, wekte hij iets bij Tom op dat naar berouw zweemde, in welks uiting echter hij niet al te opregt was; want hij peinsde er wezenlijk over, hoe hij den onderwijzer de pijnlijke gunstbewijzen zou vergelden, waarmede deze hem overladen had. De heer Allworthy echter bragt hem er toe om eenig leedwezen te toonen over zijn wrok tegen Thwackum, en na eenige heilzame vermaningen, verzocht hij hem verder te vertellen; wat hij in de volgende woorden deed:

„Inderdaad, waarde heer, ik bemin en eerbiedig u meer dan wien ook ter wereld:—ik besef mijne groote verpligtingen jegens u, en zou mijzelven haten, als ik me tot eenige ondankbaarheid in staat achtte. Als het hitje, dat gij me gaaft, spreken kon, zou het dier u zeker vertellen, hoe zeer ik ingenomen was met uw geschenk, want ik vond het nog prettiger het te voeden dan het te rijden. Wezenlijk, mijnheer, het ging me aan het hart om er van te scheiden, en ik zou het om alles ter wereld, zonder die eene reden, die me er toe overhaalde, niet verkocht hebben. Ik ben ook overtuigd, mijnheer, dat gij, in mijn geval, ook zoo zoudt gehandeld hebben;—want geen mensch is gevoeliger dan gij voor de rampen van anderen. En hoe zoudt gij u gevoelen, mijnheer, als gij dacht, dat gij het zelf veroorzaakt hadt?—Inderdaad, mijnheer, ongelukkiger menschen dan die—”

„Dan wie, jongen?” vroeg de heer Allworthy. „Wat bedoelt ge?”

„O, mijnheer,” hernam Tom; „de arme jager en zijn huisgezin, sedert ze door u weggejaagd zijn, vergaan van ellende, koude en honger. Ik kon echter deze ongelukkigen niet in lompen gehuld en in gebrek zien, en terzelfder tijd bedenken, dat ik de oorzaak was geweest van al hun lijden.—Dat kon ik niet verdragen!—mijnheer, dat kon ik, op mijn woord van eer niet doen!” (Hier biggelden hem de tranen langs de wangen en hij hervatte): „Het was om hen van den geheelen ondergang te redden, dat ik scheidde van uw kostbaar geschenk, niettegenstaande mijne ingenomenheid daarmede:—ik verkocht het paard om hunnentwil en heb hun àl het geld, tot den laatsten duit toe, gegeven.”

De heer Allworthy bleef eenige oogenblikken zwijgen, en eer hij sprak welden hem de tranen in de oogen. Eindelijk zond hij Tom met een zacht verwijt weg, terwijl hij hem den raad gaf in de toekomst, zich in gevallen van nood liever tot hem te wenden, dan tot zulke buitengewone hulpmiddelen zijn toevlugt te nemen.