Part 13
Maar het kan inderdaad slechts weinig verwondering baren, dat deze zaak door anderen onopgemerkt bleef, daar de arme Sophia zelve er niets van merkte en haar hart reddeloos verloren had, eer zij zelfs vermoedde dat het in gevaar was.
Zoo stonden nu de zaken, toen Tom, op zekeren namiddag Sophia alleen vindende, na eene korte inleiding, verlof vroeg, met een heel ernstig gezigt, om eene gunst van haar af te smeeken, die hij hoopte dat zij hem niet weigeren zoude.
Hoewel noch de houding van den jongeling, noch de wijze waarop hij de zaak ingeleid had, bij haar eenig redelijk vermoeden opwekken kon, dat hij voornemens was haar zijne liefde te verklaren,—evenwel, hetzij dat de natuur haar iets in het oor fluisterde, of om eenige andere reden—dat laat ik daar,—maar zeker, is het dat iets van dien aard zich aan haar opgedrongen moet hebben; want hare wangen verbleekten, zij beefde aan alle ledematen en hare stem zou haar begeven hebben als Tom op antwoord gewacht had; maar hij verloste haar weldra uit den nood, door voort te gaan en haar zijn verzoek mede te deelen, dat niets anders was dan haar invloed in te roepen ten behoeve van den jager, wiens eigen ondergang, alsmede die zijner groote familie, gelijk hij zeide, veroorzaakt zou worden door de vervolging, door den heer Western ingesteld.
Sophia herstelde spoedig van hare verlegenheid en met een liefelijken glimlach zeide zij:
„Is dit dan de groote gunst, daar ge zoo ernstig om smeekt? Ik zal het van ganscher harte doen. Ik heb wezenlijk medelijden met den armen man en pas gisteren zond ik zijne vrouw eene kleinigheid.” Deze kleinigheid bestond uit een harer eigen kleedjes, wat linnengoed en tien shillings aan geld,—waarvan Tom reeds gehoord had, en wat hem eigenlijk zijn verzoek in het hoofd gezet had.
De jongen nu, door den voorspoed aangemoedigd, besloot om de zaak verder door te zetten, en waagde zelfs te vragen dat zij den jager aanbevelen zou, om in haar vaders dienst genomen te worden, daar hij verklaarde hem te houden voor een der eerlijkste menschen van het graafschap, die ook buitengewoon geschikt was voor de plaats van jager, welke toen, gelukkig, open was.
Sophia hernam: „Nu, dit zal ik ook beproeven; maar ik kan u niet beloven daarmede zoo goed te slagen als met het eerste wat ge vraagt;—en ik verzeker u, dat ik mijn vader geen rust zal laten, tot ik dat ten minste verkregen heb. Ik zal ook alles doen wat in mijne magt ligt voor den armen man; want wezenlijk, ik heb medelijden met hem en zijn huisgezin.—En nu, mijnheer Jones, heb ik ook eene gunst van u te vragen.—”
„Eene gunst! O, als gij wist hoe gelukkig ik me gevoelde in de hoop van een bevel van u te ontvangen, dan zoudt gij begrijpen, dat door mij er een op te leggen, gij mij reeds de hoogste gunst bewijst, want bij deze lieve hand, ik zou mijn leven kunnen opofferen in uwe dienst!”
Hij greep bij deze woorden hare hand en kuste die met veel vuur, wat de eerste keer was dat hij haar met de lippen aangeraakt had. Het bloed, dat straks uit hare wangen weggevloeid was, vergoedde dit nu door met zooveel geweld terug te stroomen naar haar hals en gelaat, dat beide met een diepen blos gekleurd werden. Zij gevoelde ook nu eene gewaarwording, die haar tot nu toe vreemd was geweest, en welke, toen zij tijd vond om er over na te denken, haar bekend begon te maken met eenige geheimen, welke, als de lezer ze nu niet kent, hij met der tijd wel zal leeren inzien.
Zoodra Sophia nu spreken kon,—wat niet oogenblikkelijk was,—maakte zij hem bekend, dat de gunst welke zij van hem te vragen had, was om haar vader op de jagt niet aan zooveel gevaar bloot te stellen; want uit hetgeen zij gehoord had, telkens als zij zamen uitgingen, vreesde zij haren vader met gebroken armen of beenen te huis te zien brengen. Zij smeekte hem dan, om harentwil voorzigtiger te zijn, en daar hij wel wist dat de heer Western hem overal volgen zou, niet meer zoo roekeloos te zijn te paard en geene gevaarlijke sprongen meer te doen.
Tom beloofde haar getrouw te gehoorzamen en na haar bedankt te hebben voor de vriendelijke toestemming in zijn verzoek, nam hij afscheid en ging heen, uiterst verrukt over zijn welslagen.
De arme Sophia was ook verrukt; maar op eene geheel andere wijze. Hare gevoelens echter zal zich de lezer in zijn hart (als hij er een heeft), beter kunnen voorstellen, dan ik ze zou kunnen beschrijven, al had ik even veel monden als zich ooit een dichter toegewenscht heeft,—naar ik veronderstel, om die lekkernijen te eten, waarmede hij zoo ruimschoots voorzien is.
Het was de gewoonte van den heer Western om iederen namiddag, zoodra hij dronken was, naar zijne dochter te zitten luisteren als zij op de klavecimbel speelde, want hij was een groot liefhebber der toonkunt, en als hij te Londen gewoond had, had hij welligt voor een kenner kunnen doorgaan; want hij had altijd iets te zeggen op de prachtigste compositiën van mijnheer Händel. Hij hield van geene muzijk, die niet ligt en luchtig van aard was; en zijne meest geliefkoosde deuntjes waren eenige vrolijke oude balladen en drinkliederen.
Zijne dochter, die zeer bedreven in de muzijk was, en die nooit als zij haar eigen zin had gevolgd, eenige andere muzijk dan die van Händel zou gespeeld hebben, was zoodanig begeerig om haar vader genoegen te doen, dat zij al die deuntjes leerde om hem te behagen. Evenwel trachtte zij tusschenbeide hem tot haar eigen smaak over te halen, en als hij om de herhaling zijner balladen vroeg, smeekte zij om daarvan verschoond te mogen zijn, en bad iets anders te mogen spelen.
Dezen avond echter, toen hij met de flesch gedaan had, speelde zij al zijne lievelingsstukken driemaal over, zonder dat hij er haar om verzocht. Dit beviel den goeden landjonker zoo zeer, dat hij van zijn stoel opsprong, zijne dochter een kus gaf en zwoer dat zij veel aangeleerd had. Zij nam deze gelegenheid waar om hare belofte jegens Tom te houden, waarin zij zoo goed slaagde, dat haar vader verklaarde, gereed te zijn den jager den volgenden morgen zijne benoeming te zenden als zij één der balladen nog eens spelen wilde. Het lied werd gespeeld en weder gespeeld tot de bekoorlijke muzijk den heer Western in slaap suste. Den volgenden morgen verzuimde Sophia niet hem aan zijne belofte te herinneren, en zijn zaakwaarnemer werd onmiddellijk gehaald, en kreeg het bevel om de verdere vervolging te staken en tevens dadelijk de benoeming op te maken.
Tom’s welslagen in deze zaak werd spoedig door het geheele graafschap ruchtbaar, en zeer uiteenloopend waren de oordeelvellingen daarover. Sommigen keurden het goed, als een blijk van goedaardigheid; anderen spotten en zeiden, „dat het geen wonder was dat de eene deugniet den anderen voorstond.” De jonge Blifil was er woedend om. Hij had sedert lang den Zwarten George evenzeer gehaat als Tom hem bemind had,—niet om eenige grieven, welke hij tegen hem kon hebben; maar alleen uit groote liefde tot godsdienst en deugd; want de Zwarte George had den naam van een lossen klant te zijn. Blifil stelde dit dus voor als openlijk verzet tegen den heer Allworthy en verklaarde, met veel leedwezen, dat het onmogelijk was eenige andere beweegreden te vinden om zulk een ellendeling goed te doen.
Thwackum en Square hieven insgelijks hetzelfde lied aan; zij waren nu (vooral de laatste), zeer ijverzuchtig op den jongen Jones geworden tegenover de weduwe: want thans, op twintigjarigen leeftijd, was hij wezenlijk een knappe jongen, en die dame scheen, door de wijze, waarop zij hem aanhaalde, dagelijks meer en meer in dat gevoelen versterkt te worden.
Allworthy echter liet zich niet misleiden door hunne kwaadaardigheid. Hij verklaarde, zeer tevreden te zijn met Tom’s handelwijze. Hij zeide dat zijne volharding en standvastige vriendschap zeer lofwaardig waren, en het speet hem, niet meer dergelijke voorbeelden van die deugd te zien.
Maar het noodlot, dat zelden ingenomen is met zulke kwasten als vriend Tom,—misschien omdat zij te weinig hun hof maken aan de godin, gaf nu eene geheel andere rigting aan zijne handelingen, en vertoonde ze aan den heer Allworthy in een veel minder gunstig licht dan hij ze tot dusver gezien had.
HOOFDSTUK VI.
EENE VERONTSCHULDIGING VOOR DE ONGEVOELIGHEID VAN DEN HEER JONES OMTRENT DE BEKOORLIJKHEDEN VAN SOPHIA, WAARDOOR WIJ WELLIGT ZIJN KARAKTER ERNSTIG ZULLEN BENADEELEN IN DE SCHATTING VAN DIE EDELE EN GALANTE MENSCHEN, DIE DE HELDEN BEWONDEREN VAN DE MEESTE ONZER HEDENDAAGSCHE TOONEELSTUKKEN.
Er zijn, vrees ik, reeds twee soorten van menschen, die een laag denkbeeld opgevat hebben van mijn held, wegens zijn gedrag ten opzigte van Sophia. De eersten zullen zijn gedrag berispen, omdat hij de gelegenheid liet voorbijgaan, om zich in het bezit te stellen van het vermogen van den heer Western; en de laatsten zullen hem niet minder verachten wegens zijne onverschilligheid jegens een schoon meisje, dat gereed scheen hem in de armen te vliegen, zoodra hij ze openen wilde om haar te ontvangen.
Hoewel het mij nu welligt niet mogelijk zal wezen hem op een dezer punten vrij te pleiten,—want gebrek aan voorzigtigheid laat geene verontschuldiging toe, en hetgeen ik tegen het tweede punt in te brengen heb, zal, naar ik vrees, weinig voldoen,—zoo zal ik toch, daar men soms verzachtende omstandigheden er in zou kunnen vinden, maar heel eenvoudig de zaak bloot leggen en de beslissing aan den lezer overlaten.
De heer Jones had iets over zich, hetwelk,—ofschoon het mij voorkomt, dat de schrijvers het onderling niet eens zijn in den naam welken, zij daaraan geven—zeker in sommige menschelijke harten woont, en dat dient, niet zoo zeer om regt van onregt te onderscheiden, als om hen tot het eerste aan te zetten, en hen van het laatste af te schrikken en te weerhouden.
Dit kan welligt vergeleken worden bij den bekenden koffermaker in de komedie;—want wanneer iemand, die het bezit, iets goeds doet, is er niemand anders onder de toeschouwers zoo vurig, zoo luid in zijne toejuiching; terwijl, van den anderen kant, als hij verkeerd doet, er niemand meer geneigd is om hem uit te fluiten en weg te jagen.
Maar om een hooger denkbeeld te geven van het door mij bedoelde grondbeginsel, en een, dat meer algemeen verstaanbaar is in deze eeuw, kan men zeggen, dat het als het ware, in het menschelijk hart op den troon zit, even als de groot-kanselier van dit rijk in zijn hof; dat het aldaar bestuurt, regeert, vonnist, vrijspreekt of veroordeelt, volgens regt en wet, met eene kennis, aan welke niets ontgaat, een doorzigt dat door niets misleid, en eene eerlijkheid, welke door niets omgekocht kan worden.
Dit werkzaam grondbeginsel mag welligt beschouwd worden als de groote slagboom tusschen ons en onze buren de dieren; want, ofschoon er sommigen zijn in menschelijke gestalte, die onder zijne leiding niet staan, beschouw ik hen eerder als overloopers van ons tot onze buren, onder wie zij het gewone lot van overloopers zullen ondervinden en niet eens eene eerste plaats verdienen.
Onze held (of hij het verkregen had van Thwackum of Square laat ik daar), stond in hooge mate onder den invloed van dit grondbeginsel; want hoewel hij niet altijd goed handelde, handelde hij nooit verkeerd zonder het te gevoelen en daardoor te lijden. Het was dit grondbeginsel dat hem leerde, dat de beleefdheden en de kleine vriendschapsbewijzen der gastvrijheid te vergelden door het huis te bestelen waar men ze ontvangt, zoo veel is, als zich te verlagen tot den meest verachtelijken en gemeenen dief. Hij verbeeldde zich niet dat de laagheid van de misdaad verminderd werd door de grootte van het toegebragte nadeel; integendeel, als het stelen van iemands tafelzilver met dood en schande bestraft werd, scheen het hem moeijelijk eene geëvenredigde straf te bedenken voor het ontstelen van iemands geheel vermogen met zijne dochter er bij.
Dit grondbeginsel belette hem dus eenige gedachte te koesteren van op deze wijze fortuin te maken,—want, gelijk ik gezegd heb, is het een zeer werkzaam grondbeginsel en stelt zich niet alleen tevreden met weten en gelooven. Als hij zeer verliefd was geweest op Sophia, zou hij welligt anders gedacht hebben; maar, vergun me op te merken, dat er een groot verschil bestaat tusschen iemands dochter uit liefde te schaken, of dat te doen alleen uit geldzucht.
Hoewel nu deze jongeling niet ongevoelig was voor de bekoorlijkheden van Sophia; hoewel hij hare schoonheid zeer bewonderde, en al hare overige goede hoedanigheden wist te schatten, had zij toch geen diepen indruk op zijn hart gemaakt;—en dit zullen wij nu, daar het hem bloot stelt aan de beschuldiging van domheid, of te minnste, van gebrek aan smaak, trachten te verklaren.
De waarheid is dan, dat zijn hart al in het bezit was van iemand anders. Hier twijfel ik niet, dat de lezer verbaasd zal staan over ons lang stilzwijgen op dit punt,—en onmogelijk kunnen gissen wie die vrouw was, daar wij tot dus ver geen woord gesproken hebben van iemand, die als mededingster van Sophia kon optreden; want wat mevrouw Blifil aangaat, hoewel wij genoodzaakt waren onze vermoedens te uiten omtrent hare neiging tot Tom, hebben wij tot dus ver geen de minste vrijheid gegeven, om te veronderstellen dat hij iets voor haar gevoelde; en inderdaad, het spijt mij te moeten zeggen, dat de jeugd, van beide geslachten, slechts al te zeer geneigd is ondankbaar te zijn voor die toegenegenheid waarmede menschen van meer gevorderden leeftijd soms zoo goed zijn haar te vereeren.
Ten einde den lezer niet langer in onzekerheid te houden, herinneren wij hem, dat wij dikwijls melding gemaakt hebben van het huisgezin van George Seagrim (den jager,—gewoonlijk de Zwarte George genoemd), welk gezin op dit oogenblik bestond uit man, vrouw en vijf kinderen.
Het tweede dezer kinderen was eene dochter, Molly geheeten, die voor een der schoonste meisjes in den omtrek doorging.
Congreve merkt te regt op, dat er in de schoonheid iets is dat gemeene zielen niet bewonderen kunnen;—en evenmin, zijn morsigheid of lompen in staat dit iets te verbergen voor die zielen, welke boven het gemeene verheven zijn.
De schoonheid van dit meisje maakte echter geen indruk op Tom, tot zij bijna zestien jaren oud was, toen Tom, die bijkans drie jaren ouder was, voor het eerst een liefderijk oog op haar begon te slaan. En zijne liefde was al lang op dit meisje gevestigd eer hij er toe komen kon om eenige poging te doen om haar te bezitten; want ofschoon zijne driften hem zeer daartoe aanspoorden, werd hij niet minder door zijne grondbeginselen teruggehouden. Een jong meisje, van welken lagen stand ook te verleiden, scheen hem eene zeer schandelijke misdaad te zijn, en de toegenegenheid, welke hij voor den vader koesterde, tegelijk met zijn medelijden voor het geheele huisgezin, versterkten hem zeer in zijne wijze voornemens, zoodat hij eenmaal besloot om zijne liefde te overwinnen en zich wezenlijk drie maanden lang onthield van Seagrim’s huis te bezoeken, of diens dochter te zien.
Hoewel nu Molly, gelijk gezegd is, over het algemeen voor een zeer schoon meisje doorging, en dat wezenlijk ook was, was hare schoonheid echter niet van den meest beminnelijken aard. Er was inderdaad slechts zeer weinig vrouwelijks in, en ze zou een man even goed als eene vrouw gepast hebben; want, om de waarheid te zeggen, jeugd en eene bloeijende gezondheid waren er de hoofdbestanddeelen van.
Ook haar innerlijk beantwoordde geheel aan dit uiterlijk. Even als het laatste groot en sterk was, zoo was het eerste stout en onbeschaamd. Zij bezat zoo weinig zedigheid, dat Jones meer bekommerd was om hare deugd dan zij zelve. En daar zij waarschijnlijk evenveel zin had in Tom als hij in haar, drong zij zich, zoodra zij zijne terughouding bespeurde, hoe langer hoe meer op en toen zij ontwaarde dat hij haar vermeed, vond zij de middelen om zich in zijn weg te plaatsen en gedroeg zich zóó, dat de jongen òf heel veel, òf heel weinig van een held had moeten hebben, als hare pogingen bij hem mislukt waren. Met één woord, zij zegevierde spoedig over al de deugdzame voornemens van Jones; want hoewel zij op het laatste oogenblik den meest betamelijken weerstand bood, moet ik toch haar de zege toekennen; daar zij, inderdaad, haar oogmerk bereikte.
In de leiding dezer zaak, zeg ik, speelde Molly hare rol zoo goed, dat Jones zich zelven de overwinning toeschreef, en inderdaad geloofde dat het meisje alleen bezweek voor zijne hevige aanvallen. Hij schreef hare toegevendheid ook toe aan de onweerstaanbare magt harer liefde tot hem, en de lezer zal bekennen, dat dit eene zeer natuurlijke en waarschijnlijke veronderstelling was, daar wij reeds meer dan eens zijn goed voorkomen vermeld hebben, en inderdaad, weinige jonge lieden evenaarden hem in schoonheid.
Even als er sommige karakters zijn, welker genegenheden, even als die van den jongen Blifil, alleen gevestigd zijn op één enkel mensch, wiens belangen en genoegens zij bij elke gelegenheid raadplegen, en het geluk of ongeluk van anderen als geheel onverschillige zaken beschouwen, ten zij deze eenigzins bijdragen tot het genot of het voordeel van dien eenen persoon, zoo bestaat er ook een andere gemoedsaard, die eene zekere mate van deugd zelfs aan het egoïsme ontleent. Deze menschen kunnen nooit eenig genoegen ondervinden van wien ook, zonder het schepsel te beminnen, dat hun dit genoegen schenkt, en zonder het welzijn van dat wezen zich eenigzins tot eene behoefte te maken, als zij zelve in rust zullen leven.
Tot deze laatste soort van menschen behoorde ook onze held. Hij beschouwde het arme meisje als iemand wiens geluk of ongeluk hij geheel en al van zich zelven afhankelijk had gemaakt. Hare schoonheid werkte nog steeds op zijne hartstogten, hoewel grootere schoonheid, of een nieuw voorwerp, dat welligt in hoogere mate gedaan zou hebben; maar als hij een weinig afgekoeld was door haar bezit, werd dit ruimschoots opgewogen door de gedachte aan de liefde, welke zij hem toedroeg, en aan den toestand waarin hij haar gebragt had. De eerste dezer beweegredenen stemde hem tot dankbaarheid, de laatste tot medelijden, en beide te zamen, met zijne ingenomenheid met hare schoonheid, onderhielden bij hem een hartstogt, die, zonder groot misbruik van het woord, liefde mogt genoemd worden, hoewel die misschien niet van den meest verstandigen aard was.
Dit was dan de ware reden van zijne onverschilligheid omtrent de bekoorlijkheden van Sophia, en omtrent hare houding, welke men, niet zonder reden, had kunnen beschouwen als aanmoedigend voor hem; want evenmin als hij er aan denken kon om de arme en hulpelooze Molly te verlaten, kon hij ooit de gedachte koesteren om zoo iemand als Sophia te misleiden. En zeker, als hij aan eenige neiging tot die jonge dame had willen toegeven, zou hij zich bepaaldelijk schuldig hebben gemaakt aan de eene of andere dezer misdaden, waarvan slechts ééne, naar mijn gevoelen, hem met regt onderhevig zou gemaakt hebben aan dat noodlottige uiteinde, dat bij zijne eerste optreding in deze geschiedenis hem zoo vrij algemeen voorspeld werd.
HOOFDSTUK VII.
HET KORTSTE HOOFDSTUK IN DIT BOEK.
Hare moeder was de eerste, die de verandering in Molly’s gestalte merkte, en ten einde alles voor de buren te verbergen, stak zij haar zeer dwaas in den hoepelrok, welken zij van Sophia gekregen had.
Natuurlijk had die jonge dame volstrekt niet verondersteld, dat de arme vrouw zwak genoeg zou zijn om eene harer dochters dat stuk in dien vorm te laten dragen.
Molly was verrukt met de gelegenheid, die haar nu voor het eerst gegeven werd, om hare schoonheid op de meest voordeelige wijze te doen uitkomen; want hoewel zij er nog al van hield zich in den spiegel te bekijken, zelfs als zij in lompen gehuld was,—en ofschoon zij in dien tooi het hart van Jones veroverd had,—en misschien ook van enkele anderen,—dacht zij, dat de bijgevoegde opschik hare bekoorlijkheden zeer zou verhoogen en hare veroveringen uitbreiden.
Molly dus met den hoepelrok opgeschikt, met eene nieuwe muts met kanten, en eenige andere sieraden, welke zij van Tom gekregen had, ging den eerstvolgenden zondag, met den waaijer in de hand, naar de kerk. De grooten vergissen zich deerlijk, als zij zich verbeelden, dat zij, bij uitsluiting, bezield zijn met eerzucht en ijdelheid. Deze edele hoedanigheden bloeijen even weelderig in eene dorpskerk en op een dorpskerkhof, als in de receptie-zaal of het kabinet.
Inderdaad, er worden soms plannen gesmeed in de kerkeraadskamer, die een conclave niet onteeren zouden. Daar vindt men een ministerie en eene oppositie;—daar vindt men mijnen en tegenmijnen, partijen en factiën, die niet onderdoen voor die, welke men aan het hof ziet.
De vrouwen uit de volksklasse zijn ook niet minder ervaren dan hare meerderen in stand en vermogen, in de beoefening van al de hoogste kunsten der vrouw. Men vindt er preutschen en coquettes;—men vindt er opschik, verliefde lonkjes, valschheid, nijd, kwaadaardigheid, laster;—in één woord, al wat te huis behoort in de schitterendste cirkels, of de beschaafdste kringen. Menschen dus uit de groote wereld, moeten niet meer de onwetendheid hunner minderen verachten, en de geringen niet meer klagen over de ondeugden der grooten.
Molly had al eenigen tijd op hare plaats gezeten eer zij door hare buren herkend werd. Toen hoorde men een gefluister onder het geheele gehoor: „Wie is dat?” dat gevolgd werd, zoodra men haar herkende, door zooveel gegrijns en gegigchel, gesnap en gelach, onder de vrouwen, dat de heer Allworthy genoodzaakt werd zijn gezag te doen gelden, ten einde haar eenige welvoegelijkheid te doen bewaren.
HOOFDSTUK VIII.
EEN SLAG, DOOR DE MUZE IN DEN TRANT VAN HOMERUS BEZONGEN, EN DIE DUS ALLEEN DOOR DEN KLASSIEK GEVORMDEN LEZER GEWAARDEERD ZAL WORDEN.
De heer Western bezat een landgoed in deze gemeente, en daar zijn huis bijna even digt bij deze als bij zijne eigene kerk was, woonde hij er ook dikwijls de godsdienstoefening bij,—en hij en de bekoorlijke Sophia waren er op dit oogenblik tegenwoordig.
Sophia was zeer ingenomen met de schoonheid van het meisje, dat zij om haren eenvoud beklaagde, welke haar daartoe gebragt had zich op die wijze op te schikken en den nijd harer gelijken op te wekken.
Zoodra zij dus te huis kwam, ontbood zij den jager, en beval hem zijne dochter bij haar te zenden, zeggende, dat zij haar daar in huis wilde verzorgen en mogelijk het meisje als kamenier nemen, zoodra hare eigene meid, die nu wegging, haar verlaten had.
De arme Seagrim stond als verpletterd toen hij dit vernam; want hij wist zeer goed waaraan de verandering in de gestalte zijner dochter toe te schrijven was. Hij hernam dus, stamelende, „dat hij vreesde dat Molly te onhandig zou zijn om de jufvrouw van dienst te kunnen wezen, vooral daar zij nog nooit in betrekking was geweest.”
„Dat doet er niet toe,” hernam Sophia. „Zij zal het wel spoedig aanleeren. Ik ben met het meisje ingenomen en heb besloten het met haar te wagen.”
De Zwarte George ging nu bij zijne vrouw, op wier goeden raad hij hoopte om hem nu uit dezen nood te redden; maar toen hij zijn huis bereikte, vond hij daar de boel eenigzins in de war. De hoepelrok had zooveel nijd opgewekt, dat zoodra de heer Allworthy en de andere groote luî uit de kerk weggegaan waren, de woede, welke zoolang onderdrukt was geweest, losbarstte, en na zich lucht gegeven te hebben eerst in scheldwoorden, hoongelach, gefluit en beleedigende gebaren, nu overging tot het werpen met zekere stof, welke, ofschoon, uit haar kleverigen aard voor leven noch ledematen gevaarlijk, verschrikkelijk genoeg was voor eene welgekleede dame. Molly bezat te veel moed om deze behandeling lijdelijk te ondergaan. Zich dus———maar wacht! Daar wij geen genoegzaam vertrouwen stellen in onze eigene krachten, moeten wij hier eene hoogere magt inroepen.