Part 13
Daar staat hij een oogenblik stil:
„’t Weer is toch zwoar.... Riekske!.... En voader zei Liefde!—Nee, nou of nooit! Krek dit weer mot ’et wêzen. Toe dan! Toe!!” De aarzeling is voorbij. Reeds heeft hij het uiterst van zijn tabaksland bereikt. Het drassig stuk gemeenteweide dat Reinderts hoeve aan de achterzijde bepaalt, of inderdaad van zijn andere eigendommen afscheidt, loopt hij over; het kleine hek tusschen de doornenhaag—in dezen oogenblik voor een vreemde niet te vinden—wordt door den welbekende behoedzaam geopend. Daar staat hij op Reinderts grond.... op Reinderts grond! Zie, ter rechter- en ter linkerzijde verrijzen vijf pikzwarte gevaarten, die een twintigtal donkere armen ten duisteren hemel heffen.—„Erbarming! Nee, nee, stêkt em—toe!!”
’t Begint weer te regenen; een sissende bliksemstraal verlicht eensklaps het donkere tafreel. De zwarte gevaarten met hun armen en hemel, ’t zijn de rijk geladen hooi- en graanbergen van ’t Hoogeland.
Een geweldige slag dreunt door het luchtruim en doet de aarde trillen.
’t Helpt niet of de engel met kruus sleet, den duuvel verjoagt ie niet.
Wel heeft Lamers een oogenblik de hand voor de oogen gedrukt, moar—nou is ’t weer duuster. Geen steenworp is hij van de plaats verwijderd waar hij.... Maar wát, maar wát dan....?
Zie, de donkere gestalte nadert alras de plek waar het hoogste gevaarte als naar den hemel grijpt. Hij toeft.... Hoort hij gerucht van de zijde der huizing? een snelle wending—en gij ziet hem niet meer; achter den breeden hooiberg, waaronder zich een lage en opene berging bevindt, is hij verdwenen. Wij volgen hem. Zie, daar hebt ge hem weder, die zwarte figuur. Of zijn harte klopt, of zijn handen beven, wij weten het niet.—Het kraakt! Hij doet een schrede terug. ’t Was de bergkap op het windas. Nu treedt hij den hooiberg meer nader. Daar grijpt hij met de linkerhand een post, die den vloerbalk van het gevaarte onderstut.—Mensch! wat begint ge?—Zie, de rechterhand doet een krachtigen greep naar boven; daar daalt zij; nóg een greep, en weder en nogmaals. Waartoe?—Dat snelle licht van den hemel zal ’t u zeggen: Hij rukt het hooi uit den berg om een droge holte te bekomen.—Nu niet meer. Hij luistert.... Ha, de booze heeft duizend ooren.—Zie, weer vervolgt hij zijn werk. De opening die in het hooi werd geplukt schijnt voldoende te zijn; de arbeid wordt gestaakt.—Waar blijft hij....? De duisternis door den sterker stroomenden regen verzwaard, doet ternauwernood de zwarte figuur onderscheiden. Ja toch, hij bukt zich, en—verdwijnt in het diepe zwart onder den hooiberg.
En daar? Een blauwachtig lichtje glimt er; maar eensklaps verdwijnt het. Weder dat lichtje—’t blijft; ’t wordt helderder, rooder. Nogmaals glimt er een blauwe vlam, maar een grootere, een veel grootere.
Is het de helle daar?—Ja, de hel in het hart. Honderd duuveltjes branden: vuurduuveltjes!
„Hannes, Hannes! um Gods wil!” klinkt een stem. En zie, de blauwe vlam valt eensklaps op den grond, terwijl een kreet van angst en ontzetting de lage ruimte vervult. Maar zie, zie, de zwarte figuur snelt onstuimig voort. De engel heeft hem getroffen!
Met een denkbeeldigen vervolger vlak op de hielen, snelt Hannes terug naar zijn erf. Telkens waant hij dat de hand van den wreker hem vat. „Wie is het? wie?” Hoe meer hij zijn woning nadert, hoe meer hij tevens der waarheid nabij komt: „Joapik, Joapik!” Reeds heeft hij de schuur op eigen hoeve bereikt. Nu waagt hij al loopend een blik terug in het duister. Een laatste en heldere lichtstraal doet hem nogmaals hevig ontstellen en jaagt hem weer voort; doch, op hetzelfde tijdstip—daar grijpt hem een klauw in de borst, daar stort hij achterover ter aarde: „God, God!” kermt hij luide, en—alles wordt stil.
Alles wordt stil in het ronde. De boer van De Lagekamp ligt roerloos op den grond, en de kar tegen wier vooruitstekenden boom de vluchteling zoo geweldig is aangeloopen, staat even onbeweeglijk als te voren. Alleen de wind die ruischt en de regen die klettert.
Hannes ligt roerloos; maar de jongen, die tegen het weder een schuilplaats onder Reinderts hooiberg gezocht had, hij beeft nog van ontzetting.
In ’t schemerdonker en bij ’t opkomen van de bui is Japik het kleine hek van ’t Hoogeland binnengegaan. Tegen een roei van den hooiberg geleund, heeft hij een wijle getoefd. Hij heeft er getoefd, want nu, zoo nabij die woning, nu is hem het denkbeeld van zonde te doen, gelijk met den eersten bliksemstraal uit het donkere zwerk, nog sterker dan te voren in de ziel gedrongen. Maar wat, maar wát dan te doen? Zie, al peinzend heeft hij zich in den aanvang op eenig rijshout, vooraan onder den berg, nedergezet. Bij het sterker stroomen van den regen heeft hij zich naar het midden der ruimte, die grootendeels met hout is gevuld, teruggetrokken, en is er op een gekeerden kruiwagen gaan zitten.—Of hij gewaakt dan of hij gedroomd heeft.... hij weet het niet. Hij hoorde gerucht; hij zag een zwarte gedaante nabij den hooiberg.—De jongen heeft gebeefd.—Daar bukte zich die zwarte gedaante en trad op hem toe. ’t Geluid is Japik verstokt in de keel. Blauwachtig licht heeft hij gezien; phosphordamp heeft hij geroken. Hemel! hij had hem herkend, en—opgesprongen, heeft hij met den uitroep: „Hannes, Hannes um Gods wil!” de brandende lucifersdoos aan de hand van zijn broeder ontrukt.
En—terzelfder tijd zong Hanske, wellicht voor de derde maal, het slot van haar liedje:
„Liefde Gods woakt er bij dag en bij nacht, Sloap moar klein kienje, sloap zacht.”
De vroege morgen die er volgt op den beschreven avond is frisch en lekker. De ooievaar op ’t dak van ’t Hoogeland kleppert vroolijk, en zie, daar spreidt hij de vleugels, en zweeft over de prachtige graan- en hooibergen heen en weder, hooger en lager in breede kringen: Zégen op ’t Reinderts-huus!
Zie, na lang zwevens, daar zet hij zich weder op ’t nest; kleppert in ’t ronde; richt zijn langen snavel naar de Rijnzijde; spreidt weder zijn vleugels, en....
„Doar kumt ie, krek op mien af,” denkt een boerenknaap, die op een rastering van den Rijndijk gezeten, den grooten vogel een wijle heeft gadegeslagen: „Krek.... over mein heer. Hê! da’s geluk!”
En hij die dat denkt, och, hij zag er nog even te voren zoo ongelukkig uit.
’t Is Japik. A’j Joapik vroeg woar ie den heelen nacht van gedreumd het, dan zou ie ’t niet zegge willen. „Nee, dat zou ie niet, oan geen moerzoalige mins; went wát ie gedreumd het, ’t is hoast krek ’t eigest as ’t geen ie giester onder den barg.... Harrejennig! hie dreumt ’r nog van. Moar,—’t kos verbeilding gewêst zin.—Nee nee, dat was ’et niet. ’t Kan wêzen dat hij—dien ie nooit zal nuumen—dat ie misschien.... zijn piep oan wou stêken; dat ie.... Harrejennig, wat was ’t duuster! Die zwarte mins! Dat blauwe vlemmeke! Die schrauw!—Weg met den dreum; weg ’r mee!—Dan wat anders,” denkt de jongen weder, „warken is ’t beste. Acht doag’ he’k ien huus gezêten, umdat Hannes moar stief hiew da’k niet loopen kos. A’j niet warkt dan wor ie zoo roar en zoo soezig. Goddank, da’k weer werken kan. Moar Riekske.... ’t is toch arg da’k de goeje dern nog heel niet gezien heb.”
En peinzende aan zijn geliefde zuster, en peinzende aan nog een andere, springt hem ook weder het beeld van Hannes voor den geest; maar zoo zwart, zoo lillik.... zoo.... zoo bedrieglik.
Wat klinkt doar? Toeketoek, toeketoek. Een vuurrood bedekt Japiks gelaat. Hij wil, hij zal.... kijkt vóór, ter zijde en achter zich, en, haastig opgestaan ziet hij nog eens naar dien kant; hoort het: Toeketoek, toeketoek, al naderbij komen; ziet iets glinsteren van verre, en—over de heining gesprongen, loopt hij zoo snel hij maar kan de dijkglooiing af, om.... ja, dat weet hij nu zelf niet.
Zie, daar staat Japik beneden aan den dijk. Over die breede sloot te springen dat kan hij niet, en waartoe zou het dienen! Zich plat op den grond te leggen zoodat hij niet te zien, althans niet te herkennen is? Joa, moar ’t gres is zoo nat, en.... Toeketoek, toeketoek, klinkt het al nader en zeer van nabij, en—een lief stemmetje roept van omhoog:
„Wel Joapik, hoe geet ’et?”
„Wallew!?” zegt de knaap, en het schemert hem voor de oogen.
„Ho Grauwke, ho!—We zien oe in geen velden of wêgen,” klinkt het nogmaals uit de hoogte.
„Joa, joa, krek!” spreekt de jongen beteuterd.
„En ge loat ou moar niks oan ons gelêge liggen,” bestraft het stemmetje, en daarna roept het: „Toe, kom is hier.”
Daar stapt ie naar boven en grijpt het gras, alsof ie anders zou vallen; lood zinkt hem in de schoenen. Rood was ie straks; nou is ie wit, zoo wit as room.—Hoor wat ze spreken:
„Ik kan ’t oe oanzien Joapik, da’j ziek bint gewêst.”
„Da’s te zeggen mien voet; moar.... ’t was zoo arg niet.”
Hanske lachend: „Dat zag ik Joapik, went ge liept as ’en hoas noar umlêg toe. Moar, a’j dan zoo loopen kunt woarum kwiem ie dan niet noar ’t Hoogeland?”
„Um um—umda’k.... umda’j....”
„Heb ik ’t gedoan?” vraagt Hanske; maar ze zwijgt eensklaps, en Hanske wordt ook ’en bietje rood: „Vort Grauwke!—Loop ie ’en eindje mee Joapik?”
Grauwke loopt, en Japik loopt mee, en Hanske zegt weder:
„Ge hadt toch alêvel bij Riekske kunne kommen; och ze het zoo’n oarig jungske gekregen.”
Joapik, asof ie ’t kienje al ziet: „Kom! hêt ze?”
„’t Liekt krek noar Reindert, en ’t liekt ook op mien; dat zei Riekske ten minste.”
Joapik ziet êfkes hoe Hanske d’r uut ziet: „Nou, dan mot et ’en oarig kienje wêzen.” Eensklaps: „’k Zal oe gendag zeggen, ’k goai weer noar huus toe.”
„Nee, dat goa’j nou is niet!” spreekt Hanske goedig. „Joapik ik wou da’j noar Riekske toegong, en—en da’j mien de hand gaf, en dan weer vrêje en vrindschap.”
Grauwke, met zijn kop naar den grond, loopt verder; maar, ’t oarige dernje blijft staan; ze slaat haar blauwe oogen tot den jongen op en zegt: „Joapik, ge bint ’en goeje Joapik, ’k het ou afgestooten, moar—’k doei et niemeer; kom, gêf mien de hand?”
Hanske vermoedt niet dat een gansch andere reden den knaap zoo schuchter maakt. Maar Japik, al vat hij van zijn zijde evenmin hoe Hanske kan proaten asof ze hum kwoad dee, meen niet dat hij tegen haar vragen bestand is. Nee nee, onmeugelik! Ien ééne seconde tien scheuten door ’t lief. Praten kan hij niet; brabbelen: „Och goeje Hanske!” en zijn hand in de hare leggen, ja hij durft en hij doet het; maar zie, zijn oogen zijn vochtig—immers hoar zunnekes ook, en weder voortgaande aan ’s meisjes zijde spreekt hij iets later: „Moar Hanske, dat ééne van gij met ikke, dàt kan en dat mag niet.”
Hanske begrijpt het maar half, en praat weer van Riekske en ’t lieve jungske, en wil maar weten of Joapik nou goan zal?
Nee, nee; nog niet. Erst mot ie hoar wat zeggen: „Heur is Hanske.”
„Wat blief Joapik?”
De jongen sleet de peerdsvliegen weg die Grauwke ien ’t lief stêken. „Ge weet ’et Hanske,” zegt hij gejaagd; „ge weet ’et van ikke en gij, en van ien één huuske soamen, en da’k warken wou van den mergen tot den oavend um altied bij oe te wêzen. Hanske dat weet ie, en da’j zee van te jong um oan trouw’ te denken, en, da’k moar goan most? Zie je—weet ie—moar—nou he’k wat anders geheurd Hanske, wat anders!”’
’t Meisje is dankbaar dat de jongen haar niet in de oogen ziet. Zou ie ’t begrepen hebben wat ze van Koendert uut den Oanval gedocht had....?
Daar gaan ze den afweg af: „Ho, Grauwke, ho!”
Ja ze staan reeds aan ’t hek der koeweide, en nog is Japik niet verder gekomen. Grauwke is reeds ontladen, maar ’t pak weegt den jongen nog loodzwaar op ’t hart. En ’t meisje, als zij op de horken gezeten en met den rug ten halve naar Japik gekeerd aan ’t melken is, dan vraagt ze heel zachtjes: „Moar wàt dan toch Joapik?” Ze hoopt nog dat het iets anders dan een beschuldiging zal wezen.
En ’t is wat anders, heel wat anders! ’t Is: malleproat, gekkeproat!—Niet van Joapik! nee van den Hannes. Ouwe Huibert zou dát gezeid hebben! gezeid: dat Joapik niet trouwen mocht went dat ie dan ongelukkig zou wêzen! Onneuzele Joapik, dát gleuft ie van Hannes! Goeje Joapik: hij gleuft ’t; hij gleuft ’t!
’t Pak is den jongen van ’t hart af. Hanske is twintig pond lichter. Nu zit ze niet meer met den rug naar hem toe. Ze ziet hem aan met heur lieve eugskes; um ’t kleine munje speult ’en lachske, en—als ze daar luide herhaalt: „Da’s malleproat Joapik!” dan begint ze verechtig te lachen. En hij.... hij had niks geen zin um te lachen; moar—nou ie dat oarige dernje ziet lachen, nou, nou mot ie toch ook krek als vroeger gronniken, en begriept eigenlik niet woarum, moar, lachen mot ie—um ’t vroolikke snuutje.
En als ze in ’t einde hebben uitgelachen, en Joapik het blonde kind in de oogen ziet asof ie wil zeggen: Hoe mowwe zoo lachen? dan aarzelt ze niet om te beweren: dat Hannes gelogen, en zij al dukkels, nog giester geheurd het, hoe ouwe Huibert heel anders geproat had: Riekske die wist ’et, en Riekske zou ’t zeggen.
Joapik, goeje Joapik kiekt asof ie wat moois zag, en hie ziet ook wat moois: Oarig klein ding! as ’t niet zoo roar was, dan zou ie heur kussen.
Kon Hannes ook liegen! Dat ook al!?
Nou kiekt Joapik noar boven; en ’t is asof ie weer wat moois ziet. Dát ziet ie: Van den Rienkant kumt den uiver weerum, krek op hum oan—op Hanske en hum—vlak boven d’r heer, en.... verder noar ’t nest toe: „Geluk!” roept Joapik: „zie Hanske, geluk!” en Grauwke: „I-O!” Da’s ezels, ien ’t Bêtuws: „Hoeroa!”
Andere, gansch andere tonen klinken er binnen de keukenkamer van De Lagekamp.
Maar de jongen, dien wij daarbuiten ontmoetten, hij wist er niets van, hij vermoedde niet wat onheil zijn broeder is overkomen en in wat zielsangsten vrouw Janneke den nacht heeft doorwaakt. Welk een nacht voor die vrouw: Vremd en roar en zonder te sprêken is Joapik ’s oavends thuus gekommen. Zonder te êten is ie op stond noar bed gegoan. Vrouw Janneke het ’et gezien, en tevrêje dat ie d’r weer was, is ze opgebleven um op Hannes te wachten.
Negen, tien, elf uren is ’t geworden, moar Hannes kwiem niet.—Onrustigheid.—Noar buute geloopen het ze, gunder bij de kleine schuur wat gemeind te heuren. ’t Was duuster. Bij de plek gekommen het ze karmen geheurd, en o Heere! doar had ie gelêgen, mins, zoo oakelik! o zoo oakelik! Wat ze geproat en wat ze gedoan het, dat weet ze niemeer, moar, Teun de errebeiër het heur geholpen, en Mie de meid het heur ook geholpen. Hannes is ien huus en noar bed gebrocht. Teun is op ’t peerd goan zitten en met den dokter is ie weerum gekommen. O wat nacht is ’t gewêst: oajerloating, kop, bloedzuugers! Janneke is altijd bezig gewêst, en de dokter het gezeid: dat ’et ’en uutstorting van bloed ien de borstholte was, heel weinig moed op; ’t most ’en slag op de borst zin gewêst; te middag kwiem ie weerum.
Toen de dokter goeng, was ’t schiemermergen, Hannes lag ’en bietje stiller, en Janneke—’t erste oogenblik dat ze vrij had—is ze zuutjes noar Joapiks kämerke geloopen om ’t hum eiges te zeggen, moar—Joapik was ’r niemeer. Joapik! As hie ’t gedoan had! Alêvel, nee, dat kos niet!
Zie Hannes Lamers. Op dit oogenblik ontwaakt hij uit een korte verdooving. Wat is zijn ademhaling diep, zwaar en pijnlijk; de bitterste smartkreten ontsnappen gedurig aan zijn halfgeopenden mond. Om te verhalen wat hem in ’t huiswaarts keeren overkwam, daar toe heeft hem de kracht ontbroken, want slechts een paar maal vermocht hij een enkel woord te spreken; straks bij het vragen der vrouw: „Hannes, za’k Reindert ook hoalen?” toen klonk hét: „Nee!” maar hijgend en dof.
Daar ligt hij, de ongelukkige, en wat er omgaat in zijn ziel....? ja, dat is nog killer dan de adem des doods, die hem reeds tegenblaast; hij ligt daar en twist met zijn Schepper en twist met zijn Rechter!
En zij, die van nature zoo goedaardige vrouw, die nu bijna zeven jaren in den dampkring van nijd en afgunst moest leven, wat gaat er om in hare ziel? Ach! nu jammert ook zij: „’En ander al ’t goeje, veur ons moar ’t kwoaje! Loat Hannes wat stroef zin van oard en soms wat afgonstig, wát het ie misdoan dat ie zóó ien d’ ellend kwiem! Veurspoed bij Reindert, onspoed bij ons, dóar meer aan huus kommen—nooit! nooit!” En, op een hevigen kreet van den lijder: „Hier Hannes, hier bin ik. O God, loat ’em lêven!”
Leven, waartoe? Leven, om straks misschien den knaap die een somber geheim met hem deelt, van ’t kwaad te betichten dat de ongelukkige zelf te volvoeren dacht? Misschien om hem van een pogen tot broedermoord te beschuldigen? Maar neen, dat laatste niet; neen!
Vreeselijk oogenblik! Een benauwd en akelig hoesten klinkt er door de kamer. ’t Wordt gevolgd door een droevig verschijnsel. Vrouw Janneke grijpt den lijder bij de hand. Groote God! ze weet niet wat ze doen, hoe ze helpen kan. Bevend en trillend ijlt ze naar de deur; maar, weer klinkt een kreet van den lijder, en, angstig blijft ze staan en roept ze: „help! help!!”
De kamerdeur wordt geopend. Twee mannen treden naar binnen. Wie het zijn....? Ze ziet het ternauwernood; voor de bedstee ligt ze geknield: „O God! hie starft!”
En die mannen? Tot in het diepst der ziel geschokt staan zij ter zij van die vrouw. Nog maar weinige minuten geleden is hun, door vreemden, het onheil bericht. Daar staan ze, Reindert en Japik, en de jongste dier twee schijnt het bloed verstijft in de aders. Een snik glijdt er van zijn lippen, en toen—toen zich vermannende, vat hij de hand van zijn broeder, en hokkend klinkt zijn stem: „Hannes, Liefde zei voader!”
Zie, daar opent de lijder nog even de oogen; de matte blik treft snel den knaap en den man die er naast staat. Welk een uitdrukking teekent zich op dat doodsbleek gelaat. Een hevige krachtsinspanning; een ademtocht met ontzettend geweld; en... „Genoade!” klinkt het hol door de kamer.
„Genoade”, dát was het laatste.
’t Is geen wonder, dat het voorval groot opzien gebaard heeft. Men spreekt van niets anders in ’t kleine Betuwsche dorp; ook de buurtschap verneemt het, en weet al ras méér te verhalen. Maar—wat er ook verre gepraat en vergroot, ja zelfs wordt gelasterd, de waarheid voor zooverre ze bekend is, geeft stoffe tot meelij en sprake genoeg: Um Joapik te zuuken is Hannes dien oavend naar buuten gegoan. Um de rêgen weer hoastig naar huus geloopen, het ie ien’t duuster de kar niet gezien; dóar tegen oan, en’t borstbein kapot! Oan misdoad is niet te denken, went, dokter en burgemeister hadden eiges gezien: hoe de voettrooi van Hannes tot krek veur de karboom gestoan had; ’en uutglei ’r zichtboar gewêst, en de hugt van de karboom, krek de hugt van de borst was.
’t Is geen wonder, dat de arme vrouw bij zoo’n toestand beklag heeft, maar ook niet vreemd, dat liefde en goedheid van zuster en broeders de jonge weduw omringen: Liefde had voader gesproken, en liefde dat bleef ’et. Gereed en geredderd wier alles deur Reindert. Vrouw Jannekes hofstee bestiert hij als eigen. Ternauwernood bij haar krachten, snelt Riekske reeds heen om woorden van troost en van liefde te spreken. Liefde drijft Japik: hij zwijgt en zal zwiegen. Die verschijning ien’t duuster, die wil ie vergêten, mocht God ’t vergeven.
En liefde, ze opent ook allengs het harte dier weduw. Met onbevangen blik mag ze spoedig weer om zich henen zien. Al spreekt ze slechts ’t goede van hem, die haar toch eens boven allen heeft liefgehad, de ure komt ras waarin ze ontwaart dat iets naars, iets zwarts met hem ten grave is gedaald; iets, dat altijd kwam steken in de borst. Ze kan weer geluk zien en vrede, en gelooven wat Hanske eens zong:
„’t Best wat de hemel oe wil.”
O zie haar even; ’t is twee maanden later. Vier en dertig malen heeft ze dien dag als haar jaarfeest begroet.
Naast haar op de tafel staat—de warkdeus van moeder; in de hand houdt zij ’t golden slot met de rooie grenoaten. Riekske en Reindert hebben ’t heur gebrocht, en Janneke houdt de oogen naar den grond geslagen; tranen vloeien haar langs de wangen; die voorwerpen herinneren haar.... Doch zie, zij weent, en den arm om den hals van haar zuster geslagen, stamelt ze: „Riekske en Reindert, zooveul liefde, ’k verdiende ze niet!”
En in het dorpje hoort men van het droevige voorval maar zelden meer spreken. Geen enkele is er dan ook die Hannes terugwenscht in den stillen kring van het leven. Geen enkele.
Men hoort van het voorval niet meer; de winter heeft er zijn kouden adem overheen geblazen, en—de ooievaar is weer gekomen. Men spreek van iets anders.
Stil! Mergen is ’t Zundag, en mergen zal ’t wêzen. ’t Is nou al loat ien den oavond. Elf uren het de klok al gesloagen. Gunder ien de groote schuur van ’t Hoogeland doar zitten ’r vier um ’en groote kuup heer; drie knappe boerinnekes en—Janske de weduw van De Lagekamp. Ien de kuup liggen blom’ en bloajer, en zie, bij ’t schien van de groote stallanteern vlechten ze slinger, jong, dat ’et zoo’n oard het:
„Hier ’en reuske, en doar ’en flikske, Weer ’en tekske en weer ’en strikske; Bluumkes moar, Bij mekoar; Rood en gruun veur ’t jonge paar.”
Zoo zingen de drie boerinnetjes in ’et ronde: en Janneke zingt wel niet mee, maar ze vlecht des te harder, en—Koendert uut den Oanval—Koendert begiet de slingers die al gereed liggen, en, als hij ’t gedaan heeft, dan plakt ie Kaatje—één van de drie—een kus in den hals dat ze d’r puur van verschrikt.
„Toemoar!” roept Reindert die het aanziet: „’t Wordt tied da’j óók scheep goat.”
„Over ’en moand!” lacht Koendert: en Kaatje lacht mee: „As ikke geen nee zeg.”
„Ho ho! dat duut ze niet!” En ’t klinkt weer in ’t ronde:
„Bluumkes moar, Bij mekoar; Rood en gruun voor ’t jonge poar.”
„Ja, dat het morgen Zondag is dat weet ieder, maar ieder weet evenzeer dat morgen Joapik en Hanske voor de prekstoel ’en poar zulle worden. Veur de burgemeister woaren ze’t giesteren al, moar—dát zeit nog niks.
„Mergen! En Joapik, al goeng ie naar bed, hie kan moar niet sloapen. Gunder op de stoel bij ’t roam, doar liggen—heel krek ien de plooien—broek, vest en jas, spiksplinternei, te glommen ien ’t moanlicht. Op ’t kastje daar steet de neie zieden hoed, met ’en rooje neusdoek d’r over. En dan—’t harlozie ’r naast, ’t zulver harlozie.—Ielk tikske al noader, hê jennig! al noader.—Moar dat tikken zeit nog méér, went Riekske bewoarde ’t harlozie, en voader beschreef ien de kast van ’t harlozie: „Gekregen as bruugom veur Joapik.” Dus trouw’ mocht et wêzen! Dank voader, dank God!”
Mergen, joa mergen wordt Hanske gelukkig. Ze vuult ’t; moar toch,.... ’t Is de letste oavend van ’en vroolikke jonkheid; de letste.—En ze kan nog niet sloapen; ze weet wel: doargunder ien’t schuur, doar vlechten ze slinger van gruun en van blommen; moar ’t leven zal altied geen bruudsslinger wêzen. Doar zal wat anders toe dienen.—En zie, dóár leit ’et; joa doar leit ’et boven op ’t gruun moesdelien waar ze mergen mee trouw’ geet. Doar leit ie, den biebel met zulveren klampen; den biebel, deur Riekske bewoard, en deur voader Huibert op ’t erste blad van den biebel beschreven: „Van moeder, veur Joapiks beminde.” Dus trouw’ mocht et wêzen!—Godsdienst en liefde! Liefde de slinger deur ’t lêven, veur hier en veur eeuwig.
Zie, daar knielt ze—’t oarige dernje—daar knielt ze bij den stoel neder waarop haar trouwkleed gereed ligt; haar gevouwen handen rusten op het boek waarvan de grondtoon „Liefde” is. En terwijl ze daar bidt vol geloof en vol hope, zingt het daarginder bij ’t vlechten der slingers:
„Zooveul bluumkes bij mekoar, Zooveul heil veur ’t jonge poar.”
Sinds twee joar steet ’r ook op ’t dak van De Lagekamp ’en uiversnest. Erst is de vogel gekommen; ’t najoar gevlogen; ’s leintes weerumgekommen, en toen—toen het ie wat meegebrocht. En wat dan?
Kom moar is mee. Achter ien de keukenkoamer, buuten de scheut van de deur, doar steet wat oarigs. Ge ziet ’t al. Sloa ’t kleid moar is open:
Och heere minsen! wa’n aardig klein snuutje. Is dat nou ’en jungske van Hanske?
En Hanske—nou geen dernje meer, moar ’en wiefke, nog knap, moar zoo rond as ’en tunneke—Hanske steet ’r achter en roept: „Joa, eiges van mien; van Joapik en ikke.”
En hij—woar ’t jongske óók van is—hij kan ’t niet loaten is êfkes te kommen. Over ’t schouwer van Hanske kiekt Joapik de wieg in, en gronnekend lacht ie:
„Hê hê, woar is voader?”