Overbetuwsche novellen

Part 10

Chapter 104,105 wordsPublic domain

„Um mien te plukken, doar loeren ze op,” spreekt Sander haastig: „’k Zeg ou veur de honderdste keer da’k ’r niks af wil heuren. Franske ien huus nemen! ’k Zou de schulden van Homan wel mèt hoar de deur inhoalen. Sprêk moar niemeer; wij kenne die parlafoeven. Dat ze zouwe betoald wêzen of worden deur zien erste vrouws voader! ’k Heur d’r wel anders af sprêken. Sander is goed moar niet gek. A’j ien’t vuur goat bi’j ’t schot te wachten; en denk ie da’k veur ’en dern die mien alles verplicht is, die geen cent meer van rechtswêge toekumt—da’k mien veur hoar zou uutklêjen en moeder op heur ouwen dag ien ’t gebrek joagen! De minsen zouen mien roazend nuumen, ze zouen....”

„Roazend!” valt Kobus met zachte stem den spreker in de rede: „Roazend! nee boer Bikkers, wil ie weten hoe de minsen oe nuumen....? ze nuumen oe onminselik; ze nuumen oe:.... ’en kniep, ’en gierigoard! en doarum....”

Een naar gelach van Sander stuit Kobus’ rede. Da’s veur ’t erst, veur ’t erst van zien lêven dat hum zóó iets gezeid wordt! Woorden zonder samenhang vloeien hem van de lippen. Terwijl de rondborstige knaap wordt gehoond en gescholden, steekt Sander terzelfder tijd de wanluidende loftrompet op zich zelven.... Hij knieperig! Hij gierig! Misschien was hij de eenigste ien’t darp, die betoalde en verhoalde noar ’t beheurde; die noar vermogen ien de karkbuul gaf zonder ’t oan de klok te hangen; de eenige, die ’en zusterskiend um Gods wil had grootgebrocht; die.... die Goddank geen schuld miek as anderen!.... ’En kniep! ’en gierigoard!—En Sander, ofschoon geenszins tegen den jongen veerman opgewassen, ving weer aan met Kobus te schelden; diens beschuldiging had hem „duuvels” gemaakt, en—zijn dikke marktknuppel gaf hem een moed, dien hij anders gemist had.

Maar neen, tot slaan kwam het niet; en wellicht dat een diep verholen vreeze hem weerhield: of Kobus hum loater betrekken mocht.

Een stoot tegen ’t klaphek, en Sander trad er den boomgaard door binnen. Een smak van ’t klaphek, en—’t scheelde weinig of Kobus had het tegen zijn beenen gehad.

En de knaap trad terug; hij sloeg zich voor ’t voorhoofd en beschuldigde.... zich zelven. Met zachtheid en liefde had hij Bikkers misschien kunnen winnen; helaas! die onberaden ijver had den man verbitterd, want: eigen zonde duut zeer; as ’en ander z’oe toeschrieft.

Helaas! alle hoop op hulp voor Franske was vervlogen! Toen Kobus in den voormiddag—wetende dat Sander naar stad was—de oude vrouw Bikkers had willen spreken, om haar krachtig aan te sporen haar recht te doen gelden; toen had hij vergeefs getracht de huis- en ook de schuurdeur te openen; toen had hij vruchteloos geklopt, want, na ’t voorval met moeder en ’t vinden van het bot bij den hond, sloot Sander, as ie uutgong, de dêldeur van binnen en de veurdeur van buuten: en, of Grade en ’t kleine Mieke ’t kloppen al heurden, opendoen kosten ze toch niet.

Moeder Grade! oude ziel! wij vinden u na acht dagen weder. Goede hemel! zit gij daar nog bij de vuurplaat, terwijl de u toegemeten brandstof reeds meer dan een uur geleden tot asch is vergaan! Zit gij daar nog te kleumen, terwijl uw gelaat bij ’t grauwe schemerlicht bezien—een afmatting vertoont, die ons met deernis vervult! Moeder Grade, hebt gij zóóveel geleden dat uw oogen als weggezonken en uw lippen als verstijfd zijn....? Stil! daar is beweging aan de huisdeur; daar komt hij.... Sander uw zoon, Sander, die juist een week geleden u bewusteloos in den leuningstoel vond; die hevig ontstelde bij ’t zien van dat schromelijk bloedverlies uit die rauw gescheurde wond aan uw hand;—’t is Sander, die.... Maar neen, gij wilt geen kwaad van hem hooren; ’t is uw kind, ’t is uw zoon, en—daar treedt hij binnen; nóg kookt hem ’t bloed, maar, ’t is te donker om den toorn dien Kobus verwekte op Sanders aangezicht te lezen. Of hij zich geweld doet? althans zijn stem verraadt geen toorn, want vriendelijk zegt hij: „G’n oavend moeder. Hoe geet et?”

Er komt geen antwoord.

„Slupt moeder?” vraagt Bikkers aan het tienjarige Mieke, die der oude tot hulp was gegeven.

„Hê? ’k Weet niet,” antwoordt het kind: „’k was eiges ien sloap; vrouw Grade het arg geschráúwd van middag; ze lustte niks; ’k mocht alles opêten, moar ’k greinde toch dat Grade zoo schrauwde; ze verlangde da’j thuus kwiem.”

„Zoo!” zegt Sander, en—op zijn moeder toegetreden, legt hij zijn hand op haar schouder en vraagt: „Hei’j en bietje gesloapen moeder: ’t geet bêter niewoar?”

Grade slaat de matte oogleden op; met een pijnlijken zucht zegt ze: „Och Sander!” en terwijl ze de rechterhand roert, die dik is omwonden en stijf in een doek hangt, steent ze en kermt ze: „Och Heere, zoo’n pien!”

Zoo’n pien! Sander had toch gehoopt dat ’et bêter zou wêzen. Wat had ie ’r veul oan gedoan! Van ’t erste oogenblik met woater en êk gewassen; ielken dag wel ’en keer of twee. Giesteren—op road van Hannes de schêper—had ie heur hand nog ien koeimest geleid. „Och, is’t zoo arg....? ge most moar noar bed toe; as ie leit dan het ie rust en genêst ie ook gauwer.—Wat stop ie doar onder oe schort, Mieke!?”

„Niks; mien henjes zin zoo koud.”

„Loa’k zien?”

„Kiek moar.”

„Dat wegsmuuspelen daar hou’k niet van. Trek nou moar op huus oan, en mergen bijtieds weerumkommen heur!”

Mieke sloat haar doeksken om; tikt de oude vrouw zachtjes op den schouder; zegt: „Bêterschap Grade;”—de zwakke knikt met het hoofd, en—weg is Mieke.

Reeds verkondigt de dorps-torenklok het eerste half uur na middernacht, en nog heeft Sander Bikkers zich niet ter rust begeven. ’t Is koud in de keukenkamer; de kleine lamp staat op de tafel te branden; Sander zit er bij; zijn houding en gelaat teekenen angst en vrees. Hij luistert.... luistert gestadig, somwijlen met ingehouden adem. ’t Is meer dan een uur geleden dat Waks zijn akelig jankend geblaf deed hooren; een huilen is er op gevolgd, maar.... eensklaps is het weer stil geworden.

Een krachtig bonzen op de deeldeur heeft echter weinige oogenblikken later den boer van De Kniehorst schier doen verstijven van schrik. Het bonzen heeft zich herhaald. Zich vermannende is Sander naar zijn kelderkamertje gegaan; heeft zich overtuigd dat de dubbele grendel op het vensterluik zat; is met den marktknuppel teruggekeerd, en heeft de deur van zijn kamer van buiten op het nachtslot gedraaid. Bevend is hij bij de bedstee der moeder blijven staan. Bij de bedstee der moeder!!—Maar hemel! een siddering greep hem aan, want—het akelig geklop op de voordeur heeft zich herhaald;.... nog eens;.... alweder! Met het klamme angstzweet op het gelaat, heeft Sander zich aan den stijl der bedstee vastgeklemd. Het kreunen der moeder vernam hij niet.... alleen dat kloppen, dat kloppen; ook op het venster; en die stem daar buiten: „Doe open, doe open!”—Dat heeft geduurd.... hoe lang....? hij weet het niet; maar eindelijk, Goddank! is ’t stil geworden. Of het dronken volk is geweest, of een landlooper om een slaapstee....? hij weet het evenmin. Goddank! ’t is voorbij, en Sander zit daar nog altijd vol vreeze, en luistert. ’t Was straks daar buiten, nu is ’t hier binnen. ’t Gekerm van moeder is sterker geworden, somwijlen proat ze ien heur eiges zoo vremd, zoo roar, en, as’t dan weer stil is, dan heurt ie den wurm ien den balk weer knetsen, hard! harder!! wel tienmoal zoo hard as bij dag.

De smartkreten der oude vrouw worden vreeselijk om aan te hooren. Wij vernemen ze niet, maar Sander hoort ze; hij mag, hij moet ze hooren; zijn duivel heeft die moeder in ’t lijden gebracht; ja! heeft hem reeds een gansche week weerhouden om geneeskundige hulp in te roepen voor een verscheurde moederhand, voor de hand, die hem als zuigeling heeft gedrukt aan vollen boezem; die zijn hoofd heeft gesteund toen hij den doop der liefde ontving; die zijn eerste wankelende schreden heeft gestierd, en den bijbel hem heeft toegereikt. Zie, nu siddert hij, want die moeder ziet hem aan, en haar oogen schitteren van koortsgloed:

„Goa weg, Mieke, goa weg!” zegt de oude op gejaagden en pijnlijken toon: „Kiek, doar steet ze veur ’t roam.... ’t erme Franske.... wit as ’en doek! Bij grootmoeder wil ze wêzen....”

„Moeder! um Gods wil, wát is ’t....?” roept Sander.

„Och ze schreit.... Kom hier Franske, erme kiend! Och, ze kan d’r niet in.... de deur is op slot. Ha! deur ’t roam! Moar de knip zit te vast.... Heere! Heere!” en de vrouwe kermt weder en wendt zich om op haar leger.

Sander slaat een gejaagden blik in ’t rond, als zoekt hij hulp bij die grauwe wanden; en straks met de hand aan zijn voorhoofd spreekt hij angstig: „Moeder, ge roast; Franske is er niet. IK bin ’t, Sander.... zie....”

Maar Grade ziet hem niet.

„Sander.... wie sprêkt van Sander?” zegt ze zachter: „Stil, Sander brengt zalf mee uut stad.”

Zie hem daar staan; een lijkkleur bedekt zijn gelaat.

„Dan zal ’t bêter worden.... dan hewwe geen dokter van noode.... Koest Wakske.... koest!.... Loat los!.... Doar kumt ie.... Koest! Sander is zuunig; veur d’ouwen dag wil ie zurgen.—Hond!” gilt ze angstig: „loat los, loat los! eer ik starf!”

Met strakken blik en den mond halfgeopend staart Sander op die ijlende moeder, en—knaagt de worm nu nog aan zijn ziel? Hoopt hij nog dat het beter zal worden, zonder artsenij en zonder geneesheer?

Hoor, een nog pijnlijker kreet dan te voren, klinkt er door de kamer; weder opent de oude haar oogen; de lijdende hand met doeken omwonden heft ze als wijzende omhoog, en haar stem trilt zacht krijtend: „Stil Waks! gierigen hond!.... biet Sander niet.... dóár.... dóár za’k ’em weerzien!”

Sanders hart bonst met hoorbare slagen; de lippen perst hij krampachtig opéén; met zijn kille hand bedekt hij haar gloeiende voorhoofd. God, as ze starven goeng!

„Nee moeder, nee! niet starven!” roept hij met bevende stem: „O God, wil heur spoaren!—Stil moeder, bedoar, joa, ik vlieg noar den dokter, en hoal ’em moar hier!”

Gode zij dank! de vijand is overwonnen. De zucht naar ’t blinkend metaal was verwisseld in een zucht tot den Hooge, om behoud voor zijn moeder. Daar drukt hij een zoen op haar voorhoofd; daar grijpt hij zijn hoed, en snelt voort—voort, ter deure uit.

De dood, dien hij daar binnen, nabij de sponde der moeder heeft ontwaard, ’t is als roept die hem na: „Vort! Vort! eer ’et te loat is!”

En—in het gezelschap van dien geweldige laat hij de moeder alleen; alleen! geheel alleen!?

Ach! heb nu deernis met den strijder; zijn triumf moet hij vieren; nog vermoeid van den kamp jaagt hij nu slechts naar den lauwer.... hulpe, redding voor zijn moeder.

Zie zijn vaart!—Aan het sluiten zijner woning heeft hij niet eens gedacht; ’t is donker daar buiten; hij merkt het niet; zijn pad is hem bekend; maar, ’t is een verre tocht! In ’t naaste dorp—een half uur verwijderd—woont de dokter. Daar snelt hij den boomgaard door; rukt het klaphek open—’t klaphek, waar straks het harde woord was gesproken, waarvan de echo uit den mond der moeder hem in de ziel heeft getroffen.—Al is het duister, zijn tred mist den smallen slootvlonder niet. Daar heeft hij den binnen-kleiweg, en straks ook de eerste hoeve bereikt.—Moeder leit zoo alleen!.... Zal ie doar kloppen....? Moar ze sloapen; ’t zal zoo ophouen; en ’t klinkt doar alweer: „Vort! vort! eer ’et te loat is!”

Nu eens stootende tegen een aardkluit, dán misstappende in het klitse kleispoor, snelt hij voort. De knootwilgen, die zich zwart tegen den grauwen nachthemel afteekenen, schijnen hem als booze wezens voorbij te jagen, én terug naar de plaats waar zijn moeder ligt te sterven, en—hoor ze schaterend roepen: „Vort! vort! eer ’et te loat is!”

Zie, ter rechterzijde ligt het Molenstuk! ’t Pad door dat weiland en achter het Wilderveld om, is ’en heel eind richter; een sloot zonder dam of vlonder scheidt het weiland van den kleiweg. De waterglimp is zichtbaar. Een sterken aanloop moet hij wagen; de sprong wordt gedaan, en———’t plast en ploest aan de overzijde. Daar is geen hand om te helpen. Ten halven lijve boven ’t water klemt Sander zich vast aan biezen en kluiten, maar.... de zoden en kluiten van ’t weiland des woekers, zij steunen hem niet; zij breken af.—„Moeder!—God!” Daar verzamelt hij al zijn krachten; met de vingers als haken in de aarde geklemd, rukt hij zich los uit de modder die zijn voeten weerhield. Daar staat hij op den akker, maar—trillend en bevende. Loopen kan hij niet; zijn schoenen sjoepen, en hangen hem als lood aan de voeten. Haastig trekt hij ze uit; laat ze achter, en ijlt dan hijgende verder: ’t Wilderveld om; de rastering over; een spijker kwetst hem aan ’t been: „Vort! vort! eer ’et te loat is!”’

Terwijl het zweet hem langs de slapen stroomt, snelt hij nu op het ingeslagen kerkpad voort. Goddank! hij nadert het dorp.—Nog duizend!——Nog honderd schreden! en hij heeft het bereikt. Ginds ligt de woning waar hij moet wezen.—Hij is er.—De luidende schel klinkt door de huizing. Sander hijgt naar zijn adem. Vijf seconden verloopen. Weder rukt hij aan den schelknop.... alleen het ijzerdraad tjingelt; gebroken!—Hij klopt en bonst met geweld op de deur, en roept wat hij kan: „Doe open, doe open!”

Men opent niet. Sander, gij klopt en gij roept tevergeefs; men hoort u niet of wil u niet hooren!—Kente dat!?

Doch hoor, weer dreunen zijn slagen, en roept hij als buiten zich zelven: „Doe open, doe open! Um Gods wil, ze starft!”

Een bovenraam wordt opgeschoven, en een stem klinkt naar beneden:

„Wat lêven! wat mo’j?”

„Den dokter!”

„Die ’s uut noar ’en kroamvrouw.”

En Sander vol angst: „Das nietes! Ik mot ’em!”

De stem: „Ik zeg ’t oe; genacht soam!”

„Woar is ie....?”

„En uur wied van hier, bij Mienders ien’t Vlot.”

’t Raam wordt dichtgeschoven. Daar staat hij en schreeuwt; maar de deerne heeft slaap, en ook, wat zou ’t baten?

„O God! wát gedoan!? Noar ’t Vlot of noar moeder....?”

Zie—ginder bij de herberg flikkert het licht eener lantaarn. ’t Paard voor de sjees van een ossenkooper, wordt er gevoerd aan den bak. Daar klinkt het hijgend uit Bikkers’ mond: Wi’j joagen noar ’t Vlot?—Beschonken gelach.—Geld, Geld! wordt geboden.—Minuten verloopen.

Druipnat bezweet zit Sander naast den koopman; het moede paard loopt droomend; onvast is de hand die het bestiert. Het voertuig slingert. Zulk rijden in deze oogenblikken is de pijnbank! Sander rukt de zweep uit de hand van den voerman. Maar, of hij het moede dier al sloat, het baat zoo weinig: „Te loat! te loat! en moeder starft.... alleen!”

Geen rust heeft hij meer: „D’r uut!” En—daar slingert het voertuig zonder den rustelooze voort; hij snelt het vooruit—op ongeschoeide voeten!—Vort! noar ’t Vlot!

Zie.... het gehucht is nabij. Dat licht in die hoeve! Goddank!! joa, hier is de man die mot helpen.——Niet kunnen!? „Ik smêk en ik bid oe!” Moar „nee, ’t is onmeuglik!”

De morgen grauwt. Daar waggelt, snakkende naar den adem, de boer van De Kniehorst zijn erf weder binnen. „Te loat! te loat!” klinkt nog altijd de stem van ’t geweten, en—’t hoofd en het hart ze bonzen het mede. Met geweldig hijgen betreedt hij den drempel, en gaat.... naar binnen:

„Stil!” fluistert een zachte en liefelijke stem: „z’is kalmer en sloapt!” En hij, „Hoe,—wat,—ze lêft! Niet te loat! God gedankt!.... Moeder! Moeder!”

Een verschrikkelijken nacht heeft Sander doorwaakt. Ziet gij ’t wel, hoe hier en daar zijn zwarte haren zijn wit geworden? ’t Is het beeld van zijn ziel.

En—daar zit hij bij de bedstee der moeder wier moordenaar hij thans had kunnen zijn!

En wie was het, die in de ure van ’t gevaar ter hulpe was gezonden? ’t Is Franske, het kind dat hij heeft verstooten; Franske, die slechts uit vreeze voor Sanders kwaad—aldra door Homans schijndeugd verblind—den braven maar zuinigen Kobus van gierigheid heeft verdacht en ontrouw is geworden. O, dat arme onnoozele Franske, wat heeft ze geleden! Ja, nadat ze door lijden den schoonen middelweg mocht vinden, is ze nog door hèm, die haar op het dwaalspoor bracht—verjaagd geworden. Van grootmoeders ongeval heeft ze hooren spreken, en is bij Sanders afwezigheid gedurig naar De Kniehorst gesneld, maar heeft er de oude vrouw slechts door het venster kunnen toeknikken, omdat de gesloten deuren en vensters—die Mieke niet in staat was te openen—haar den toegang beletteden. In den laten avond van het kleine meisje vernemende dat de oude vrouw zoo erg was en geschráuwd had, is zij in het donker naar de hoeve gesneld, waar Waks heur komst met blijde jankkreten had begroet, doch op haar bevel is koest geworden. Ze moest er binnen wezen, en heeft er geklopt en geroepen—wij hoorden het, tot Sanders vreeze—maar tevergeefs. In haar woning teruggekeerd heeft ze geen rust kunnen vinden, en bij ’t eerste uchtendkrieken is zij opnieuw naar de Kniehorst gesneld, om er..... de deur geopend, en de oude dierbare grootmoeder, tot haar hevige ontsteltenis, in een heete koorts te vinden. De lijdende hand heeft ze terstond bezien, en—gedachtig aan de behandeling eener wond, die Kobus in vroegere jaren door een gavel bekwam—heeft ze de wond zooveel ze kon gezuiverd, en warme pappen gelegd, die, Gode zij dank! ontspanning bezorgden.

Ja, Sander Bikkers, ’t is Franske-nicht, die de eerste weldadige hulp mocht verleenen.

Vraag het aan den man, die uw smeeken in den nacht niet mocht verhooren en eerst den volgenden middag verscheen; vraag het den kundigen dorpsdokter, en van hem zult gij de vreemde klanken: febris, inflammatoris en trismus; maar ook de verstaanbare woorden: ontsteking, ruggemerg, hoofd en dood vernemen, en de goedkeurende woorden, tot Grades kleindochter er bij:

„Braaf vrouwtje, uw hulp redde hier veel!”

Ja, Sander Bikkers weet het wel..... maar zie..... Moeder Grade heeft rustig geslapen en wordt wakker; haar vervallen gelaat plooit zich tot een vriendelijk dankbaren lach: „Franske!” lispt ze met een zwakke stem.

Franske wischt zich een traan uit de oogen. En Sander.... Sander rijst op; grijpt Franskes hand; buigt zich over die oude heen, en zegt op diepgevoeligen toon:

„O, moeder! mien moeder!”

’t Is vijf jaren geleden dat het dak van ’t huis De Kniehorst is vernieuwd geworden en de balk, waarin ’t zoo knetste, werd uitgebroken. Van een oud huis kan geen nieuw komen, of ’t moet eerst gesloopt worden. De Kniehorst behield dan ook haar zelfde voorkomen; maar treedt gij nader en ziet ge nauwlettend, dan ontwaart gij toch ingemetselde vakken, en groen en rood op luiken en deuren....

En nu—’t heldere Juni-zunneke blonkert op ’t rietendak van De Kniehorst.

En binnen de keukenkamer—doar ruukt ’t noar koffie en varse mik. Ze hebben ’r pas „gedronken”.

Ien ’en leuningstoel, zoo mekkelik as ’t wezen kan, zit grootmoeder Grade, wel wat krumpkes ienéén, maar heurend en ziend en vuulend.... méér as ze zeggen kan.

Sander haar zoon, die sedert dien nacht haar trouwe verzorger bleef, zit bij de tafel, en, hoor hem lezen op bevenden toon:

„Loof Hem, die u, al wat gij hebt misdreven, Hoeveel het zij, genadig wil vergeven, Uw krankheen kent en liefderijk geneest: Die van ’t verdarf uw leven wil verschoonen, Met goedheid en bermhertigheen u kronen, Die in den nood uw redder is geweest.

Moar, wat is ’t dat doar ruurt op de dêl?

Grade kiekt op; en Sander kiekt op; en—de deur geet open. „Heere bezwieme! doar hei’j ze! Ielk met ’en jungske op den erm. Kindere minsen! doar hei’j ze! Franske en Kobus!” En—doar kust ’et ien de keukenkamer dat ’et klapt, en grootmoeder Grade mot de jungskes bekieken, de jungskes van Kobus en Franske; en Grade mot Franske óók bezien of ze niks is veranderd, went, siends dat Kobus veerman te R. wier, en ’t liefke meenam, is den tweeling er bijgekommen, begriep ie; moar nee, niks geen zier is ze veranderd; z’is krek nog ’et eigenst gebleven, en heur dan: ’t kust weer en ’t klawettert da’j lachen mot, en greinen, allebei tegeliek.

Joa, Franske het geen rust of duur meer gehad; ze most en ze zou naar De Kniehorst, went, ieder joar kos voor grootmoeder ’t letste wezen. Grootmoeder most en zou ze pakken, en Overgrootmoeder most en zou heur mölkes zien, heur kleine Grade en kleinen Sander: jungskes as böllekes en knollekes, ’en tweeling van drie verreljoar. „Kiek! Gradeske lacht al; heur Sanderke krêjt al! Grootmoeder, kiek, nou hei’j dan alles bijeen!”

„God is goed! God is goed!” nokt de oude vrouw: „zooveul zegen ha’k niet verdiend. Ien Sander he’k ’en zeun vol liefde, van joar tot joar meer as meer; en nou—hier, jungskes van mien Franske, mien kleinkiend! Och minse, minse! ’en oud mins is kiends; ik.... nee.... ik kan ’t greine niet loaten....”

Tranen van vreugde en tranen van dank vloeien er langs de kaken dier oude vrouw. En Sander, verrukt door het woord dat de moeder daar sprak, vat haar hand en drukt die met vuur: misschien wel te hard. Maar ach! hij dacht er niet aan; de hand met het breede litteeken, die hij vatte, zij was hem méér dan een steun in zijn jonkheid geworden. Grade heeft het erkend dat haar liefde te zwak is geweest om den zoon op zijn dwaalspoor te wijzen, doch, in haar eenvoud heeft zij ’t mede betuigd: „Geweld greep mien hand, ’t was Gods bestiering, en toen—toen wees ik Sander zien doolpad.”

Daarom, ja daarom drukt hij die hand met zoo’n vuur, en méér nog: wanneer sinds dien vreeselijken nacht de oude vijand gelonkt of gevleid had, dan schoorde een enkele blik op die dierbare hand den strijder met kracht, en dankte hij God, dat nog die bevende hand hem steunde op ’t betere pad en hem vast deed verwinnen.

En Waks? Hij blaft niet van vreugde nu Franske d’r weer is?—Stil, Waks is gestorven, maar niet van gebrek.

En de koekoek slaat één,—doar had ie zoolang op gestoan!—en ze zitten aan tafel.

„Tast toe! tast toe!” roept Sander: „Verzoadigd mo’j wêzen!” En zie—de kleintjes lusten ook al riestebrij met sukker, en Sanderke krêjt: „ta ta”, en Gradeske wiest hoe groot dat ie wordt, en Franske—noast trouwen Kobus, ze denkt oan ’en glans die verging: moar, vier eugskes lachen heur toe; vier sterrekes vol gloed, en—God liet ze blinken.

BRUUR JOAPIK.

As’t op dit oogenblik niet zoo onmundig rêgende dan zou’j kunne zien dat de Riendiek op ’en vieftig pas afstand ’en grooten drêj moakt. Nou zie’j d’r niks van, went de weind zwiept oe de rêgen zoo geweldig ien’t oangezicht, da’j wark hebt de oogen open, en ’t heufd recht veuruut te houen.

Hier, rechts, beneden oan den afweg, leit ’en boerenhoeve, woar ie—as’t bêter weer was—den hoed veur zoudt afnemen; mins, mins, zoo’n hofstêj! en die ’em toekumt heit Reindert Wils, en de hofstêj eiges heit ’t Hoogeland.

’En ummezien gelêje is ’en jong vrouwke de huusdeur van ’t Hoogeland uutgekommen. De gruune perrepluu wou ze opsteken, moar, um de weind het z’em weer dicht gekniept; de bovenrok over ’t heufd.... zóó is ze, bijkant egoal ien ’en draf, den afweg op- en den diek óver geloopen, tot bij de plek woar de Riendiek zoo’n drêj moakt. Toen, toen het ze de klink van ’t hekke gelicht, waar De Lagekamp op te lêzen steet; ’t hekke is achter heur dicht gevallen; weer ’en afweg, nóu noar umlêg. De achterdeur van de hofstêj sting open. Ien ’en zwonk is ze de dêl over en noar ’t veurhuus gegoan, en ien’t einde zonder gerucht of gekräk, zuutjes, heel zuutjes de keukenkoamer iengetroojen.

A’j’t gezien hadt dan zou’j gezeid hebben dat ’et ’en vlocht was gewêst. En wóarum dat ’et jonge wiefke zoo deur den plasrêgen liep?—Woarum? Luuster:

Binnen de keukenkoamer van de hofstêj ’t Hoogeland, doar leit en kienje, ’en mollig oarig kienje ien’t mande-wiegske: doar leit ’en dernje, woar Reinderts frisse Riekske, nou drie moand gelêje, moeder van wier; woar ze zoo blied mee is as ’en driejoarig dernje met ’en stooters pupke, en zoo gruts.... as ’en moeder dat op ’en kienje kan wêzen. En ’t kienje ien dat wiegske het ’en slukske gehad, ’en lekker slukske; geen koeimelk, nee, van eiges, van eiges! en ’t kienje is weer goan sloapen.