Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 9

Chapter 93,282 wordsPublic domain

[12] Ik bedoel dit: (Balzac, Facino Cane,) "Chez moi, l'observation était déjà devenue intuïtive, elle pénétrait l'âme sans négliger le corps; ou plutöt elle saisissait si bien les détails extérieurs, qu'elle allait sur-le-champ au delà; _elle me donnait la faculté de vivre de la vie de l'individu sur laquelle elle s'exerçait, en me permettant de me substituer à lui comme le derviche des Mille et une Nuits prenait le corps et l'âme des personnes sur lesquelles il prononçait certaines paroles_." Interessant ter vergelijking met de wijze, waarop Querido zijn _Jordaan_-Studies maakte is het onmiddellijk aan het geciteerde voorafgaande stukje: "_Aussi mal vêtu que les ouvriers, indifférent au decorum, je ne les mettais point en garde contre moi; je pouvais me mêler à leurs groupes, les voir concluant leurs marchés et se querellant à l'heure où ils quittent le travail_."

[13] Alle cursiveeringen zijn van mij. v.C.

[14] Later herdrukt in mijn _Schetsen en Critische opstellen_.

[15] _De Boekzaal_, waarin deze "Brieven" voor het eerst werden gepubliceerd.

* * * * *

VERTALINGEN BIJ "BRIEVEN OVER LITERATUUR'[p.93]

Blz. 7 _Sogar_:

Zelfs echter onder het kleine aantal schrijvers, die werkelijk, ernstig en vooraf denken, bevinden zich slechts uiterst weinige, die over de _dingen-zelf_ denken: de overige denken uitsluitend over _boeken_: over datgene wat reeds door anderen is gezegd. Zij hebben namelijk, om te kunnen denken, de meer nabijë en sterkere opwekking van anderer gedachten noodig.... De eerstgenoemden daarentegen worden door de _dingen-zelf_ tot denken geprikkeld.... En onder dezen zijn alleen zij te vinden, die beklijven en onsterfelijk worden.

Blz. 17 _Vague Thoughts on art_: vage gedachten over kunst.

Blz. 17 _Art is_:

Kunst is de verbeeldingsvolle uitdrukking van menschelijke energie, welke ernaar streeft, door technische vertastbaring van gevoel en waarneming, het individu, doordat zij een onpersoonlijke ontroering in hem verwekt, in harmonie met het universeele te brengen.

Blz. 17 _Impersonal emotion_: onpersoonlijke ontroering.

Blz. 17 _If I stand_:

Indien ik, een voorwerp beschouwend, word ontroerd door den aanblik zijner kleur en van zijn vorm, zij 't in nog zoo geringe mate en voor nog zoo korten duur en daarbij vrij blijf van eenige bepaalde, feitelijke gedachte--in die mate en gedurende dien tijd heeft het mij aan mij-zelf ontrukt en zich-zelf daarvoor in de plaats gesteld; heeft het mij aan het universeele verbonden, door mij het individueele in mij te doen vergeten....

Blz. 19 _For religion_:

Voor godsdienst zijn alle menschen gelijk, op dezelfde wijze als alle munten gelijk zijn: hun aller waarde bestaat uitsluitend daarin, dat zij het beeld des Konings dragen.

Blz. 19 _He longed to go to school_:

Hij verlangde hevig naar school te gaan (een zonderlinge wensch), de universiteit te bezoeken, zich een naam te maken, [p.94] en hij verlangde niet slechts deze dingen, maar van het meerendeel hunner verwachtte hij stellig, dat zij ook zouden gebeuren. Hij beschouwde zich-zelf als een kind van goeden stand, aan het begin van een voorspoedig leven. Hij beschouwde zijn tehuis en familie als een heel goede springplank, van waar hij zich omhoog kon zwaaien naar de posities, die hij wenschte te bereiken. En bijna juist toen hij op 't punt stond te springen, _brak de heele stellage onder hem in elkaar en hij en al de zijnen verdwenen in een duistere diepte_.

Blz. 20 _Dickens went_:

Dickens ging in de Pickwick-club om te spotten, maar bleef er ten slotte om te bidden.

Blz. 20 _The modern Shocker_:

De moderne sensatieroman is, op zijn allerbest, _een tusschenspel in 't leven_, maar in die dagen, dat Dickens' werk in afleveringen verscheen, spraken de menschen erover _alsof het werkelijke leven een tusschenspel tusschen een aflevering van "Pickwick" en de volgende was_.

Blz. 20 ... _his Christmas sentiment_:

... zijn kerstmis-sentiment. Het heeft die zich verkneuterende, warm beveiligde knusheid, dat zich op z'n gemak voelen, _die afhankelijk zijn van het bewustzijn, dat buiten hun begrenzing slechts ongemak is_. Het heeft sympathie met den arme, in 't bijzonder met de buitensporigheid van den arme, met datgene wat men zijn tijdelijke weelde noemen kan. Het heeft het sentiment van den haard, dat is: _het zien van het open haardvuur als het roode hart van de kamer_. Dat open haardvuur is het heilige vuur van Engeland, _nog brandend gebleven te midden eener slaafsche beschaving van kachels_.

Blz. 21 _But considered poetically_:

Maar uit een poëtisch oogpunt beschouwd is de Londensche mist niet onverdienstelijk. In onze groote steden hebben wij de zuivere en gezonde duisternis van het land voor goed onmogelijk gemaakt. _Wij hebben Nacht vogelvrij verklaard, haar in onbewoonde streken te zwerven gezonden, en ten afweer harer weerkomst eeuwig brandende wachtvuren ontstoken_. Een nieuw heelal hebben wij geschapen, bij gevolg ook onze eigen zon en sterren. En dus ook, en welverdiend, was het ons opgelegd, onze eigen duisternis te moeten scheppen. Precies zoo als elke lamp een warme, menschelijke maan is, zoo is iedere fabrieks-dampige mist een rijke, menschelijke avondval. Ware het niet door dit mystiek gebeuren, wij zouden nimmer de duisternis zien, en hij die nooit duisternis zag, zag nooit de zon.

Blz. 21 _This life of grey studies_:

Dat leven van grijze studies en halve tonen, welks afwezigheid in Dickens ge zoozeer betreurt, is slechts het leven zooals het [p.95] wordt _gezien_. Dit leven van helden en misdadigers is het leven, zooals het wordt _geleefd_. Het leven dat een mensch het innigst kent, is juist het leven, dat hij het volst van wreede zekerheden en gevechten tusschen goed en kwaad ziet--_zijn eigen leven._ O, zeker, het leven waarmee wij niets hebben te maken kan ons makkelijk een psychologische comedie lijken, het leven van andere menschen: menschelijk studie-materiaal; maar een mensch zijn eigen leven, dat is altijd een melodrama.

Blz. 60 _Cette dernière allusion_:

Deze laatste toespeling op een weinig aesthetischen rabbijnschen ritus (het dragen der gebedsriemen, v.C.) waaraan door de traditie veel gewicht wordt gehecht, bedoelt den nadruk te leggen op het contrast tusschen de schoonheid der Grieksche cultuur en het gebrek aan smaak der rabbijnen.

Blz. 60 _Toutes ces belles choses_:

Al deze schoone zaken, welke door krachtlooze mannen, verdorven, vuige en aan het leven vijandige wezens ontroofd zijn aan Shadai-God-Rots (Shadai, een hebreeuwsch woord, beteekent Almachtige, v.C.)--deze ondoordringbare godheid van de woestijn, die de daden van Kanaän's veroveraars bestuurde--en die door hen in het leder der gebedsriemen werden vastgesnoerd.

Blz. 61 _Allusion à_:

Toespeling op een talmudische passage, welke dengeen, die stilstaat om "een mooien boom of een schoon veld" te beschouwen, verfoeilijk acht.

Blz. 61 _Fils de l'homme:_

Menschenzoon.... Sta op en ga naar de stad der slachting. Treed er de huizen binnen, om met uw oogen te zien en te tasten met uwe handen, het bloed gestold, het hersenmerg hard geworden op de hagen, de boomen, en het cement der muren.... Daarna zult gij de ruïnen gaan zien, de bressen overspringen, u een weg banen door doorboorde muren en verbrijzelde ovens, daar waar de doorbraak het wijdst, de gaten het grootst zijn. Zij gelijken de gapende openingen van vervuilde wonden, waarvoor geen enkel middel, geen genezing meer bestaat. Uwe voeten zullen er verzinken in de veeren en stooten tegen de scherven van verbrijzelde voorwerpen, tegen de overblijfselen van boeken en perkamenten, te loor geganen rijkdom, de vrucht van bovenmenschelijke inspanning en arbeid.

Maar houd u niet te lang bij die ruïnen op en vervolg uw weg.... En de geur der acacias zal u tegemoet komen, dringen in uwe neusgaten....

En als ware 't om U nog dieper te bedroeven, zal hun vreemde geur, der lente frischheid spreiden in uw hart, en gij zult het verdragen! En de zon zal U raken met myriaden gouden pijlen, [p.96] die op elke ruitscherf de zeven blijde kleuren van uw ongeluk zullen spiegelen....

Want Jehova riep de lente en de slachting tezelfder tijd. De zon straalde, de acacia ontlook en de beul sloeg neer....

Blz. 62 _Dans ce sanglot_:

In dezen oppersten wanhoopssnik van een denken, dat zich vastklemt aan het leven, schoon het begrip van het Einde het nimmer loslaat, komt een levende en sympathische gevoeligheid aan het licht, die door onze eeuw van tot het uiterste opgevoerd egoïsme en positivisme verdient te worden gekend.

Blz. 61 _La chose_: Het Iets.

Blz. 62 _Car une chose_:

Want Iets heeft zich in ons midden geopenbaard, maar niemand weet wat het beduidt.

Is het de Opgang of Ondergang eener zon? En zoo het een Ondergang is, is het er eene voor eeuwig?

Want de Chaos die ons omringt is onafzienbaar. Hij is vreeselijk deze chaos, een toevlucht wordt niet in hem gevonden.

En zoo wij al te midden der duisternissen wilden smeeken, ons overgeven aan het gebed, welk oor zou ons hooren?

Of zelfs zoo wij uitbraken in Godslasteringen, op welk hoofd zouden zij neerkomen?

Of indien wij tandenknarsend, in woede de vuist zouden heffen, welken nek zou zij treffen? De Chaos, de wind, zij zouden het alles meevoeren zonder een spoor achter te laten.

Er is nergens een rustpunt, nergens een steun, nergens een weg. De hemelen zwijgen.

Zij weten hoezeer misdadig zij jegens ons zijn; het helsche hunner misdaad kennen zij en in stilte dragen zij hun last.

Open dan uw mond, o Propheet van het Einde, en zoo ge iets te zeggen hebt spreek!

Ware uw woord zoo bitter als de dood, ware het dood-zelf, spreek, zeg het!

Waarom zouden wij den dood vreezen, daar reeds zijn engel onzen rug berijdt en het gebit klemt in onzen mond?

En terwijl de hymne der wedergeboorte op onze lippen zingt, in de hoogste extase der vreugd van te leven, snellen wij naar het graf.

Blz. 63 ... _C'est la vie réelle_:

... Het is het werkelijke leven, de krachtsinspanning, die de dichter den ontaarden zonen van het Ghetto predikt.

Zelf overvloeiend van levens- en arbeidslust, oefent hij daardoor een des te grooter invloed op de lezers, zijn eigen lotgenooten uit.

Hij is zich bewust van zijn rol als vernieuwer en herschepper. Hij is even mild, even gul als de natuur het voor hem-zelf is.

[p.97] Blz. 63 _débordant de joie de vivre_: overvloeiend van de blijdschap van te leven.

Blz. 63 _Mais non_:

Maar neen! Zij sterft niet, de poëzie! Zij sterft nimmer. Zelfs ten dage dat de mensch-worm er in zal slagen zijn heerschappij over de domeinen van den hemel en den afgrond uit te strekken, den donder en bliksem te temmen, en met zijn klaarheden de duisternissen van den poolnacht te verjagen, sterft zij niet.... Midden de omlijstingen van zuiver goud en uit de halssnoeren der rijmen zal opgaan de geestdrift van de dichterziel, màchtig, als het trots gegrom van de zee. Verwijlend bij de heugenis der daden, in verleden tijden door de vaderen volbracht, en in de onmetelijke gelukzaligheid der komende eeuwen, sterft zij niet, zal zij nimmer sterven!...

Blz. 65 _Lesen kann ich gar nicht_:

Lezen kan ik heelemaal niet en schrijven maar weinig. Sedert een jaar is een oog geheel dicht, het andere zeer zwak en 2/3 van het gelaat, de mond daarbij inbegrepen, is verlamd. Daarbij komt, dat ik levenslustig ben gebleven en heelemaal geen trek heb mij kalmpjes onder de voet te laten loopen. Integendeel, de teenen jeuken mij en God zij het zitvlak genadig, dat zij eerstdaags zullen schoppen.

Blz. 65 _Im Laufe des Gespraches_:

In den loop van het gesprek nam ik een fransche krant op en nadat ik vluchtig den inhoud had doorgezien, vroeg ik Heinrich zijn meening over de publieke personen in Frankrijk, "Och," zei bij, "daar moet ik je 't zelfde op antwoorden, als wat die oude Fransche wachtmeester zei, toen de leverancier Lewi zijn ossen afleverde. Dit vond plaats op het marktplein van een klein stadje, waar de Staf, voor wie de ossen werden voorbijgedreven, om geteld te worden, stond opgesteld. De heer von Lewi had de verplichting op zich genomen 300 ossen te leveren, maar had er nu slechts 100 tot zijn beschikking. Hij liet daarom de ossen stuk voor stuk voorbijdrijven, en richtte het zoo in, dat de gekeurde ossen door zijn knechten vlug de eene poort uit, stadje om en door de andere poort weer naar binnen werden gedreven, zoodat ten slotte door den Staf een bewijs van ontvangst van 300 ossen werd afgegeven. Maar een oude wachtmeester, die erbij stond, schudde verwonderd 't hoofd en merkte op: het kwam hem voor, dat het voortdurend dezelfde ossen waren geweest.--Ja, beste broer," besloot Heinrich, "ook mij wil het voorkomen, dat 't nog altijd dezelfde ossen zijn."

Blz. 66 _Bruder, du warst_:

Broer, je was verstandiger dan ik, je koos je het kleinste der kwaden.

[p.98] Blz. 68 ... _les lettres hébreux_:

.... de hebreeuwsche letterkundigen hielden ervan hun toevlucht te nemen in de romantische gevoeligheid, die hen voor een scherpe waarneming der werkelijkheid vrijwaarde.

Blz. 77 _Chez moi_:

Bij mij was het opmerken intuïtief geworden, het drong door tot in de ziel zonder het lichaam te verwaarloozen, of beter gezegd: het doorgrondde zoo goed de uiterlijke détails, dat het ook onmiddellijk hun keerzijde begreep; het gaf mij het vermogen om zelf het leven van het individu te leven, met wien het zich bezighield, door mij te veroorloven mij in zijn plaats te stellen, zooals de dervisch der Duizend en een Nacht lichaam en ziel aannam der personen over wie hij zijn tooverformulier uitsprak.

Blz. 77 _Aussi mal vêtu_:

Even slecht gekleed als de werklieden, en mij gedragend als zij, zorgde ik ervoor dat zij niet voor mij op hun hoede waren; ik kon mij mengen in hun groepen, hen hun handeltjes zien bedisselen en met elkaar twisten, als ze het werk verlieten.

* * * * *

HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [1] [p.99]

I.

Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische Aestetica. --H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland.

Voor zoo menige dichter-jeugd, gelijk voor elke menschheid in dien verbeelding-rijksten harer tijden, als de nog teere ziel, instinctief voor het harde licht bevreesd, naar schemer neigt, en al droomend, zich den niet-droom poogt bewust te maken, rijst het verleden als een geheimende nachtstad op. Beslagen van het blauwig zilver van de maan op spitsen en op daken, de muren opstanden van sneeuwig licht naast holle donkerten, staan op de leege, blind-begrensde, wijde pleinen en aan de eindelooze voortwindingen der holle straten, de monumenten en torens en paleizen. De menigten, die daar wemelden in 't zonlicht en hun roep en lach opschalden, juichten en werkten, vloekten en zongen, zijn ter rust gegaan.... De monumenten en torens en paleizen, die beklijvenden, zij zijn alleen gebleven....

O, dichters, hoe heeft het Verleden u vaak vleiende gelokt, nomaden-vorsten van een volk, bezitters van een schat van droomen, die meendet, dat 't daar goed wonen voor uw volk was. Ge zaagt het zóó ruim, oneindig, zoo standvastig [p.100] beklijvend en toch zonder eenige weerstreving. Het docht u een land, dat om een volk vroèg. Niets hinderde u daar. Gij kondt u vlijen aan den voet der eeuwige monumenten en u wegdenken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie die schiepen. Gij bevolktet de leege straten, de pleinen en paleizen met uwe droomen, deedt hen zitten op de tronen, gaaft hun den schepter in de teere handen; ook schonkt gij hun rijk-gekleede dienaren, een hof van pages, ridders en edelvrouwen. Gij maaktet het stijve goudbrocaat en weefdet de glanzende zijde. Gij schiept al het ontbrekende van uwe droomen en hèrschiept zelfs veel van het zijnde daarin. En alles werd één half maanlicht-blanke, half donkere sage, verrukkelijk zoet voor uwe oogen, die, nauwelijks uit 't onbewuste opengeloken, verblind zouden zijn geworden door 't volle licht. Maar, arme droomenvorsten, ge ondervindt 't altijd en altijd weer, de nacht duurt niet eeuwig, de opschrikkende schemer kort, en over het verleden blijft niet immer de sprokige maanglans gespreid! Als bij het groeiend licht de menigten der menschen en der levensfeiten ontwaken, drijven zij ruw uw droomen-volk uit. Dat is dan om te schreien. Al lijkt 't eerst een wrange clownerie, die een armen mensch even doet lachen, máár die hem dan ook later op zich-zelf doet vertoornen, omdat hij lachen kòn. Dan verraggen en verlompen de glanzende zijde en het stijve goudbrocaat, het goud en zilver der schepters en kronen wordt om niet geacht en de arme droomen sterven aan de hoeken aller straten, waarlijk van honger en dorst.--Het is dan op die kentering van uw leven, dat gij het heden haat èn vreest, gij vréést het als een scherpsnedig wapen, gij háát het als een ruwe en onberechtigde overheersching. Al naar uw aard verschrikt het u op andere wijs, want vele zijn zijne boden der verschrikking: vreest gij den een niet, zoo snelt ge toch vluchtend voor den ander uit. Och, droomers, eens zult ge leeren, dat ge niets van het heden kunt ontvluchten. Nù weet ge dit nog niet, en dan: uw oogen zijn juist sterk genoeg geworden, om zich te koesteren aan der toekomst bleeken ochtendgloor.

[p.101] Zoo wendt ge u tot haar. O, het schoon gelaat dier wereld, van wie nauw de nacht is afgegleden en die in den vroegen ochtend openglanst ... de velden dragen glinsterinkjes van dauw, de bloemen ademen naar hun geurige wijze, er is nog een lichte dampigheid, die haar trillende sluierflarden bij plekken over het zonvergulde waast, waar hoog in de verte de morgenstad op glooiende heuvels wacht.... Maar zaagt gij haar wel zoo?... Wellicht verscheen zij u wel als jonge vrouw, een half verloken belofte op het neerziend gelaat ... wellicht als Roem, Rijkdom ... wie dan gij-zelf zou het kunnen zeggen, hòe zij ù verscheen.... Want zonder tal zijn de gestalten, waarin zij zich verhult. De goden hebben haar de gaaf der gedaanteverwisseling verleend. Een andere Mestra, verschijnt zij vaak als tot dienst gewillige slavin, verkoopt zich telkens opnieuw en ontsnapt weer telkenmale.... Onnoozele, die het niet wist: met de vrucht van ùw werk, door haar verworven, zònder u te dienen, voedt zij haar onverzadelijken vader, den wreeden heerscher, dien gij wildet ontvluchten.... Later begrijpt ge, dat dit alles zoo moest zijn: hoe weinigen zouden werken voor het heden, zoo ze 't niet, in hun gedacht, voor het bezit der toekomst deden!... Dàn, als ge dit begrijpt, glimlacht ge om 't schoon bedrog; ge zijt nu ook ouder geworden, ge leert u schikken in wat onvermijdelijk is en uw oogen zien moedig en sterk in het volle daglicht. Gij vreest niet meer de kletterende rumoeren, de plompe voeten, den aanblik der zwoegende en strijdende gestalten van het heden. Gij voelt dat alles niet meer als een vreemde en wreede overheersching, maar bloed van uw bloed nu. Niet van het hooge en ijle in u gemaakt, gelijk uw droomen waren, maar aan het hart-diepe en innige in u verwant. Ge leert, o verrukking, van het "leelijke" de schoonheid zien. Maar ge leert meer: hoe het verleden, maar ook de toekomst en het heden slechts verschijnselen-van-de-oppervlakte zijn: drie meren, elkaars inhoud onophoudelijk wisselend door en in een diep verborgen bron. De vergankelijkheid, die ge meendet te zien, is slechts eene van verhouding en vertoeven-in-zekere-sfeer, niet van wezen. Nu [p.102] erkent gij eerst goed de dwaling uwer voorkeuren, gij voelt u nu rijk en gelukkig met het heden, en zijt gij al een waterdruppel in dàt meer, in dieper werkelijkheid weet ge u ook een in de andere twee èn de diepverborgen bron. Maar nauwelijks hebt gij u verheugd om uw ontdekking of het valt uwer vrijgekomen aandacht op, dat ook deze "groote gewoonte der natuur": de schijnbare vergankelijkheid der dingen, door een andere gewoonte wordt verstoord. Iets, merkt ge, is er, dat zelfs niet onderworpen schijnt te zijn aan die tijdelijkheid van vertoeven en verhouding, waarin gij-zelf bestaat: de groote kunstwerken, die altijd blijven in het heden; zij stroomen niet weg naar verledens meer, zij schijnen de eigenschap der _hedenmatigheid_--mogen wij zóó haar even noemen?--onvervreemdbaar te bezitten en immer te kunnen passen en leven in de wisselende verhoudingen van het _heden_; de eigenschap dus, die men, los van de sfeer der hier opgeroepen denk-beelden, die der eeuwige jeugd zou kunnen noemen. En zijt ge een kunstenaar, nù levend in het heden, dan wordt dit wellicht een van uw sterkste begeerten: te vinden, wàt dit _uitzonderlijk_ eeuwigzijn in hen veroorzaakt, wat het _essentieele_ in hen is.