Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 8

Chapter 83,477 wordsPublic domain

Al de vrouwen verbabbelden nu wat met Teun van den Haarlemmerdijk, prettig beroerd door z'n volle stem en z'n zeemansgullen lach.--_Hij lei iets zonnigs open in hun hart, als zomervruchten in een ziekenkamer_. Het was altemaal open leven, frisch en frank.--

--Het is hier nog desellefde saaite ... verlachtte zwaar z'n stem weer; ... voor 'n bloote riksdaalder sou ik hier nie weer terug wille.... De wind komp hier dwars op je af ... je ruikt hier niks as bakolie ... en fan bove en van beneje hoor je niks as geroep en gekakel.... Dan lieferst an de Suidsei stijf....

Hij lachte en zijn oogen vonkten van de pret.

Annemie lachte mee en de andere wijven ook.--

Neel verknutterde zich in zijn warme, zangerige stem.--Nog 'n ander slag man dan haar suffe Stijn.--Maar Annemie voelde haar buurt bekeven.

--Alleminse ... wét bi jei grausig....

--Ja mins, as 'n roer goed is ken je teuge 'n raauw weertje ... ik ben d'r lieferst op de oceaan as hier onder de walm.... Nou beste siele ... ik licht me anker ... ajusies.... Annemie ... de vijf!...

En heeft men ook op het fraaie door mij gecursiveerde beeld gelet? Munt het niet uit door een prachtige waarachtigheid?--

Ongetwijfeld vormt de beelding van het moederschap van de diep-nobele _Neel Burk_, die de mogelijkheid van blind-worden trotseert, om haar kind te kunnen zoogen, en haar eindelijke, door een eigenaardige--met diep mystisch begrip [p.87] door den auteur doorvoelde--zekerheid in haar-zelf vóórzegde, triomf, een van de meest lichtende gedeelten van het boek, maar toch: grooter vreugde schonk mij het gemoeten van dat vrijwel nieuwe element in Querido's werk: het beelden van het kinderleven. En zoo er ooit sprake mocht zijn van een coup d'essai, die een coup de maître was, dan is het hier:

Siempie, die bij Mientje geslapen had, klom stiekem naar de spelenden over. Maar Daantje duwde hem heftig bij zijn blond kopje terug.--Zacht begonnen weer de stemmetjes òp te giebelen. Daantje krabbelde Koentje in zijn hals; Pietje sprong dwars over Sientje en Siempie pakte de beenen van Pietje, die in de lucht zwalkten, met de, er los bij bengelende kousen vol gaten. Weer probeerde Siempie in te klimmen.--

Nei!... hield hardnekkig Daantje vol ... jei, jei ... bin nie trônke ... jei nie ... jei kè nie ... swaaije....

--Mò je eirst slokkies kaupe ... doar ... wees Pietje met haar klein armpje langs Stijn heen, naar een hoek bij de tafel.

--Die heb nog nie aupe ... verdedigde zich Siempie, rillend van kilte in zijn onderbroekje.

--Kaup se den bei maan ... slokkies?... hoefeul?... gierde Pietje, doende alsof ze inschonk.

De zusjes en broertjes gilden en tierden weer als vóór Neels waarschuwenden snauw, die ze even zoo plotseling had stil gemaakt.--Jansie, éérst het bezonnen en bedillende kind-moedertje, had langzamerhand al haar waardigheid ingeschoten, lachte en stoeide nu zelf om 't hardst mee. Ze verdubbelde zelfs de rollen, morrelde er een heele comedie omheen.

--Nou mot jei.... Siempie ... schobber uytjouwe ... hitste ze naar Sien,... en jei ... leileke neitekles! roepe ... en den.... sèl ikke.... sie je.... sèl ikke je arrestere.... bei Swèrte Jèns haur ... ikke bin peliesies.... Enne ... enne ... jei bin auk peliesies ... haur!... stookte ze Siempie op.

Maar dan vooral dit (Pietje, het kleine dochtertje van Stijn en Neel, mist de jonge poesjes, die verdronken zijn):

Maar Pietje bleef heel angstig en huilde met zachte snikjes.

Werendig moedertje,... suste Neel,... de poessies binne femorrege gehoald, faàn!... mit sau'n hauge figelènte ... se wasse siek.... 0! sau siek! liefeling, en nou ... nou binne se ... in 't kètte-gèsthuys....

--Enne ... enne ... vroeg blond Pietje met goddelijke onschuld-oogjes er tegenin ... 'k hèp 't nie gehaurd?...

As jei sloap kè je ommers nie haure,... moedertje,... [p.88] se legge àllegoar in faàne mandjes ... maor nie oks! deigelik woar ... moedertje ... asse beiter binne ... mèg je se weir sien....

Pietje liet haar wit, versmoezeld boezelaartje van de huiloogjes zakken en snikte verstild in smart, nog maar kleintjes met enkele schouder-schokjes.--

--Enne poes ... dèn? vroeg ze weer met aarzelend stemmetje, zich omweven voelend van onbekende dingen, alle gebeurd in haar donkeren slaap.--

Neel keek Stijn aan, lachte verborgen naar een buurvrouw, die net inkwam om een half pond zout. Dadelijk greep Neel naar haar, om steun.

Niet tènte Truy?... binne de poesies femorrege nou niet afgehaold?

Achter Pietje draaiend, maakte ze naar buurvrouw een inlichtend grimas....

--Nou!.... zei die, óver-geloofwaardig haar, "nou" beklemtonend, zonder te weten, waarover 't eigenlijk ging.

--In 'n figelènte nie?...

--Sau mit raud fleweil!... pronkte buurvrouw erbij.

--En binne se niet naor 't kètte-gèsthuys gebracht?

--Sèlf meigereije!...

Pietje keek heel angstig-onderzoekend nu, achter 't toonbankje staand, de lichtblauwige oogen volgestroomd met goudglans van het gas, dàn naar buurvrouw, dàn naar moeder op.

Ja, ze geloofde nu alles plechtig. Poesies ... waren ziek, lagen in 't gasthuis. En werden teruggebracht als ze beterden.

--En toen ze nu, even in de winkelstilte, weer het klaag-miauwen van de gejaagd rondsnuffelende kat hoorde, in 't gangetje, holde ze op een drafje van de toonbank weg naar het dier en riep met troostend, fijn vlei-stemmetje:

--Stil poessie ... stil moar ... je kindertjes binne siek ... se komme t'rug asse beiter binne....

Neen, dit kan niet overtroffen worden, daar voel ik mij zoo zeker van als van het feit, dat wanneer geslacht na geslacht telkens en telkens weer dit onsterfelijke boek zal lezen, dit boek, dat zonder den geringsten opzettelijken tendenz van even groot sociaal als literair belang is, en een twijfel in zich mocht voelen opkomen aan de dan verdwenen werkelijkheid van die poel van ellende en verwording, waarin een groot deel van Amsterdams hardst-ploeterend volk aan het begin van de twintigste eeuw nog verzonken lag--dat dan zelfs één klein stukje als het zooeven door mij aangehaalde [p.89] voldoende zal zijn om elken twijfel te smoren: een klaar en zuiver gelaat gelijk, tot een duldenden, zekeren, wijzen glimlach bewogen, zal de diepe menschelijkheid van dit boek den twijfelaar aanzien, en deze, het hoofd buigend, zal, blijde en veilig in het geluk van dit visioen, zacht tot zichzelf zeggen, dat zulk een menschelijkheid niet anders dan wáárheid kan zijn....

[ELSE JERUSALEM: HET ROODE HUIS.]

Mag men ook het machtige boek van _Else Jerusalem_, Het Roode Huis, als een symptoom van het krachtig opgestane epische genie der Joden beschouwen? Wat mij betreft, aarzel ik geen oogenblik die vraag bevestigend te beantwoorden: het is bijna onmogelijk, dat de schrijfster, alles in aanmerking genomen, geen Jodin is! Ook in dit werk is het heerschersbewustzijn aanwezig, maar gedeeltelijk, niet zoo volkomen alles doorstralend als bij _Querido_. Deze bordeelroman, een aanklacht als nauwelijks een andere tegen onze samenleving en tevens zoo fel en scherp een beeld ervan, dat wij als plots met een schok van ontzetting doorvoelen, dat het gelaat harer misdadigheid, zooals wij, lichtgeloovigen, dat kenden, slechts een welgelukte grime is, die oneindig satanischer en meer verworden trekken moet verhullen--deze prachtig-zuiver geschreven, van alle pornografische effekten en lagere bedoelingen ver gehouden roman, kan ongetwijfeld, wat sociale belangrijkheid betreft, naast _De Jordaan_ worden gesteld. En ook wat _dramatisch_ inzicht betreft. Niet licht zal men de moeder vergeten, die in haar kind vrijwel niets anders ziet dan middel tot wraak op den vader, die haar en met haar, onwillens het kind verstooten heeft. Niet licht ook de duldende _Janka_--de nicht van den verleider, den "prins," den schatrijken heereboer--die met de verstooten moeder en het kind is weggevlucht en zich met hen in een bordeel heeft laten opnemen, niet alleen uit liefde tot de verstootene, maar ook uit een soort van duister gevoel dat zóó, door zelf met de in het verderf gestorten te lijden, de schuld van haar verwant, den verderver en verleider, door haar gedelgd en van het geslacht kan worden afgewenteld. [p.90] Maar wat de psychologie betreft--schoon nu en dan de hoogste voortreffelijkheid rakend, soms ook rhetorisch-oppervlakkig en vaag--en wat de dialoog aangaat--vaak veel te redevoeringachtig-opzettelijk--en vóóral de beschrijvingskunst--heel vaak _vieux jeu_--staat het ònder Querido's werk. Compositorisch is het echter weer uitmuntend. Dat het _heerschersbewustzijn_, zooals ik reeds opmerkte, niet overal in voldoend-sterke mate aanwezig is, zou men kunnen demonstreeren o.a. aan de figuur van _Madame Goldscheider_, de gewikste waardin, tegen wie nu en dan, zeer ten onrechte, door de schrijfster wordt opgezien, en die door haar merkbaar wordt _overschat_. Doch dat alles neemt niet weg, dat het werk als geheel straalt van een groote epische genialiteit, een onverschrokken eerlijkheid, een ontembare kracht en een psychisch geluk om eigen vast en zeker kunnen. Het is als een geweldige kerel, die, opduikend uit een moerassig water, handen en gelaat beslijkt, de kleeren gescheurd, maar de oogen stralend van triomf, met een bijna-verdronkene in de armen, den oever bespringt. Mevrouw _Barentz-Schönberg_, die het prachtige boek op de haar eigen uitmuntende wijze vertaalde, heeft daarmee een goed werk gedaan, niet alleen, omdat zij daardoor den der duitsche taal onkundige de lezing van een sterken kunstarbeid mogelijk heeft gemaakt; niet alleen, omdat zij ons weer eens heeft doen gevoelen, dat de modderige stroom onzer maatschappij zijne groenende en reddende oevers der toekomst heeft, maar vóóral, omdat ons met dit maatschappelijk beeld van elders een waarschuwing bereikt, welke allerminst onder de aanstaande heerschappij onzer gebenedijde "Zedelijkheids"-wetten overbodig heeten mag!--En om dit alles nu kan ik dan ook dit boek mijnen lezers niet sterk genoeg aanbevelen.

[L. SIMONS: STUDIES EN LEZINGEN.]

En wat is nu naast zoo machtige werken de beteekenis van een schrijver als de heer _Simons_? Wat ook mijne bedoeling en rechtvaardiging met en van de opname zijner figuur in dit opstel over _joodsche_ schrijvers?

[p.91] Wat betreft het antwoord op de eerste vraag, behoeft, dunkt mij, niemand lang in het duister te tasten. Zijn werk heeft, im grossen ganzen, de beteekenis, die de arbeid van elk niet geniaal, maar talentvol en scherpzinnig commentator naast dat van geniale menschenscheppers en critici heeft: geringer doch onmisbaar wijl nuttig, maar toch ook dit niet alleen: óók aandoening van schoonheid gevend! Doch dit slechts ervan te zeggen, zou zijn het onrecht doen. Want er zijn drie dingen, die het tot nog iets beters en meer bijzonders maken, dan werk van een talentvol en scherpzinnig commentator. Die zijn: ten eerste: de stijl van zijn opstel over den _Gijsbreght van Aemstel_. Het archaïsch karakter daarvan, volgens des schrijvers eigen verklaring, door hem aangenomen, om zijn opstel in het kader der in 1893 door de _Erven Bohn_ uitgegeven foliant te doen passen, was dus geheel _willekeurig_, uit _wenschelijkheid_, en niet uit _innerlijke noodzakelijkheid_ geboren. Met andere woorden: ware het daarbij gebleven, dan zou dit geheele opstel geen _kunst_ maar _kunstenmakerij_ zijn geworden. Maar het is daarbij _niet_ gebleven. Uitgegaan om een paar ezelinnen te zoeken, vond ook de heer Simons een, zij 't klein, koninkrijk. Het is n.l. duidelijk, dat, zoodra hij aan het schrijven was gegaan, het schrijven-in-dien-stijl, in den stijl des tijds van zijn groot onderwerp, wel degelijk een groeiende noodzakelijkheid, want een onvermoed en, eens gesmaakt, zelfs onontbeerlijk gelukgevend scheppen werd. _Het moet hem een zeker zoet genot van grooter eenheid met zijn verheven onderwerp hebben geschonken_. Hij moet ook iets als het _feestelijk_ gevoel gehad hebben--ik ga iets subtiels zeggen en het moet subtiel verstaan worden ook--_van een kind dat onder de oogen en den lieven glimlach van Vader, in het boek en met de pen van Vader schrijven mag_. Hij heeft namelijk de gewaarwording gehad, een liefhebbende, nederige en eerlijke _Vondel_-bewonderaar te zijn, schrijvend als onder de oogen en glimlach van _Vondel_, in de taal-nuance van _Vondel's_ tijd. En daarom is het geen kunstenmakerij, maar een kunstwerkje van gewilde maar toch òngewilde stijlnabootsing, het product eener noodzakelijkheid, wier bijkomstige en overigens onbelangrijke [p.92] eigenschap het was parallel te loopen met eens menschen wil.

Het tweede van den trits, waarvan ik sprak is dit: het werk is van een placide, bijna stugge, rimpellooze eerlijkheid. Het is alsof de schrijver, wijl hij niets te verbergen heeft, en als wilde hij je in de gelegenheid stellen, zijn gelaatstrekken zoo lang te doorvorschen als je-zelf het noodig vind, je klaar en vast aanziet en zijn blik niet neerslaat, vóór je de joue afwend; precies dus het tegenovergestelde van de glibberige, vèrvloèkte, slag-om-den-arm-houdende schrijfwijze van sommige andere critici. En, ten derde, is er het prachtig-bevoegde didactische van den geboren onschoolvossigen leeraar in.

Wat nu het antwoord op mijn tweede vraag betreft: inderdaad, zelfs uitgezonderd zijn origine, en zelfs afgezien van het feit, dat _die origine voor mij het beslissende moment is_, bestaat er een zeer gewichtige reden hem in een opstel over _joodsche_ schrijvers op te nemen, want in de geheelheid zijner figuur vertoont hij juist eene persoonlijkheid, eene vereeniging van eigenschappen, zooals die vroeger zeer frequent was in en tot groot sieraad van het joodsche volk strekte: die van koopman of werkman, tevens kunstenaar en geleerde, wiens geleerdheid en kunstzinnigheid hem niet verhinderden een practisch en scherpzichtig koopman of deugdelijk arbeider, en wiens koopman- of arbeider-zijn hem niet verhinderde, een ijverig geleerde of gevoelig kunstenaar te zijn. Een levende herinnering dus aan een glorierijk verleden, herrezen in een samenleving, welke toonde deze gelukkige vereeniging van eigenschappen dankbaarder te waardeeren dan die van eertijds. En met de onbescheiden-geuite voldoening over dit alles, zij--om het slot niet te doen uitmunten boven het geheel!--dit alleronbescheidenst, mijn eigen ras verheerlijkend opstel besloten, een besluit, dat, althans voorloopig, tevens, tot mijn leedwezen, het einde mijner medewerking aan dit Maandschrift[15] moet zijn.

Juni 1912.

* * * * *

NOTEN:

[1] 1 Febr. 1912.

[2] Ter nadere opheldering van dezen thans wellicht minder begrijpelijken zin diene, dat bij de eerste publicatie dezer "Brieven" paragraaf-teekens werden gebruikt.

[3] Cursiveering overal van mij.

[4] "Ik mag zoo niet fratsen in mijne brieven," zeg ik met Abraham Blankaart, anders schrapte ik zoowel deze, zij 't ook goedmoedige, spotternijen, als de aan hen verwante, aan het eind dezer critiek voorkomende beweringen. Thans laat ik ze maar staan. Een criticus--iemand, die anderen steeds bedilt!--lijkt mij trouwens wel het allerminst gerechtigd, bij een herdruk van zijn werk vroegere _foutieve meeningen_ te verdonkeremanen. Maar wel moge ook hier thans de rectificatie volgen, die ik drie maanden na het verschijnen van dezen "Brief," in hetzelfde maandschrift--_De Boekzaal_--deed afdrukken. Men zal daaruit zien, dat ik mijne gevolgtrekkingen uit _zeer onjuiste_ premissen had afgeleid:

"Rectificatie.--Zoo heb ik dan nu tot mijn genoegen de gelegenheid een misslag te herstellen, waarvan het inzien mij weer eens heeft doen voelen, dat de criticus, hij moge pogen zoo conscientieus te zijn als hem mogelijk is, hierin de onfortuinlijke lotgenoot van den schoolmeester is, dat hem het onweersproken-blijven door degenen, die hij op de vingers tikt en bedilt, op den duur wat autoritair maakt en zijn gewaande rechtvaardigheid, door een soort van loszinnigen overmoed, in het tegendeel doet verkeeren! Men zal zich herinneren, dat ik, in mijn derden _Brief_ het door mij geprezen werk _De Vreemde Heerschers_ besprekend, den heer en mevrouw Scharten-Antink meende te moeten verwijten, dat zij "fournisseurs de la cour" waren en dáárom moedwillig de ruwste zijden van het in hun werk uitgebeelde boerenleven zouden hebben verdoezeld, terwijl ik hen ook, na hun Parijsche en Italiaansche romans, geloofde te moeten rangschikken onder degenen, die den prikkel van het uitheemsche behoeven, om tot scheppen te kunnen komen. Welnu, kort daarna ontving ik een brief van den heer Scharten, waarin hij, sprekend op zóó objektieve wijze over de gebreken, die zijn eigen werk in zijn oog aankleven, als ik slechts zelden heb waargenomen en die hem tot eer verstrekt, tevens verklaarde van deze mijne beide beweringen gemakkelijk de onjuistheid te kunnen aantoonen. En ik betuig hier gaarne en openlijk, dat dit inderdaad op overtuigende wijze gebeurd is. Wat het vermeende verdoezelen van zekere ruwe levenszijden aangaat, werd mij door het helder voor oogen stellen van 't natuurlijke en ekonomische milieu, waarin de Italiaansche boeren _aan de meren_ leven--wel te onderscheiden van bijv. de Italianen uit Toscane en vooral de Napolitanen--benevens door de mededeeling van verschillende persoonlijke ervaringen van de auteurs onbetwijfelbaar aangetoond, dat _hier niets te verdoezelen viel_. Het leven dier boerenbevolking verschilt _inderdaad_ hemelsbreed van dat der door Zola en Querido beschreven boeren. En ofschoon men kan zeggen, dat het boek zóó geschreven had moeten zijn, dat het niet-verdoezelen _daaruit_ bleek, het is duidelijk dat dit niet-blijken evenzeer aan den recensent als aan den schrijver liggen kan, en men hierbij het gebied der subjektieve kritiek betreedt, welke een heel ander iets is dan het vermeend-feitelijke waarop ik mijn beschuldiging grondde, en welke alleen dan ook nimmer uitgangspunt van zulk een beschuldiging mag zijn. Terwijl wat mijn bewering betreft, als zou uit een soort van artistieke onmacht, het vaderlandsche te doorvoelen, het uitheemsche door deze auteurs worden _opgezocht_, mij ter weerlegging de redenen van hun buitenslands vertoeven werden medegedeeld, die mij bleken _niets_ met eenig literair streven te maken hebben, zoodat men inderdaad in deze schrijvers een nog meer volslagen uitzondering dan, maar toch van dezelfde soort als Van Oordt, heeft te zien, die immers ook door omstandigheden, welke grootendeels van niet-artistieken aard waren, er toe geleid werd, zijn onderwerpen wel niet in een vreemd land maar vroegeren tijd te zoeken.--Ten slotte: indien ik met zooveel genóegen mijne vergissing hier herstel en zelfs den heer Scharten gaarne voor zijne opmerkingen mijn dank betuig, dan is dit omdat die opmerkingen geuit werden op dien toon van waardeering en onvertroebelde erkenning, welke een persoonlijk ongekwetst-zijn en daarmee tevens een persoonlijk-hoogstaan van den opmerker aan den dag legt." Juni, 1912.

[5] 1912.

[6] Alle cursiveeringen zijn van mij, indien niet het tegendeel wordt aangegeven.

[7] Cursiveering van de schrijfster.

[8] Cursiveering van de schrijfster.

[9] Herdrukt in mijne _Schetsen en Critische Opstellen_, blz. 150.

[10] Deze meening heb ik in _Het Jonge Leven_ van September 1912 aldus nader gemotiveerd:

Het schijnt mij toe, dat de benaming _roman_ voor dit boek zeer ten onrechte is gekozen.

Men kan namelijk een boek als dit, waarin een sterke concentratie ontbreekt; waarin levensbrokken van tallooze menschen, die weinig of niets met het leven der meest vooraanstaande figuren hebben uit te staan, zoo fel en zoo uitvoerig worden uitgebeeld, dat zij qua uitbeelding bijna dezelfde belangrijkheid hebben bereikt als die der meest vooraanstaande figuren, moeilijk een roman heeten, tenzij men het òf als zoodanig ondeugdelijk gecomponeerd wilde noemen, òf bereid was af te zien van alle compositorische eischen, die men tot heden gewend was aan een roman te stellen. Met zulke compositorische eischen bedoel ik: dat er een _kern van handeling_ en een _kern van persoonlijkheid_ zij, maar dat er _buiten die kern_ slechts handeling en persoonlijkheden aanwezig zijn, voor zoover zij de _hoofd_handeling en de _hoofd_persoonlijkheid moeten _belichten_, en in onverbrekelijk boek-organisch verband daarmee. Daarvan is hier echter geen sprake. Wij zouden ongetwijfeld geen der in het boek optredende figuren hebben willen missen, want met _elk_ zulk een figuur, ook de schijnbaar vluchtig-aangegevene, ook de minst belangrijke, zouden wij tevens een _rijk doorvoelde menschbeelding_ gemist hebben, maar allerminst kan men zeggen, dat ieders aanwezigheid ter belichting der _meer op den voorgrond tredende_ figuren _noodzakelijk_ is. Doch er is nog een andere eisch aan een roman te stellen, die door dit werk _niet_ vervuld wordt, te weten, dat er een zekere feitelijke of psychologische of dramatische _toestand_ in heersche, die _aanvange_, zich _ontwikkele_ en zijn _ontknooping_ of _eindpunt_ bereike, maar óók en vóóral, dat dit _eindpunt_ tevens een punt van _samenvloeiing_ is. Met dit laatste bedoel ik dit: een _roman_ zij in den aanvang eene _verscheidenheid_, welke bij het einde tot een _eenheid_ blijkt vervloeid, niet alleen in hooger-geestelijken maar ook in bloot-compositorischen zin. Een roman zij als het samenstroomen van vele beken die zich vereenen tot een machtige rivier, waarop al verder varende, de reiziger, genietend van de gezichten op haar oevers, van haar zonweertinteling en watergeur, weet, dat aan het eind der reize hem geen gering genot nog wacht: _het uitrustende verpoozen in de fraaie stad_, welke _zij_ rijk en groot heeft gemaakt, die inderdaad de _rivier_stad is, waarin alles van háár spreekt, alles van háár leeft en die daarom wel de _meest geëigende plek_ mag heeten, om zich nog eens herinnerend voor den geest te halen, al wat haar wateren en haar oevers hebben geboden op den tocht.--En nu is dit werk wel een machtige stroom en zelden of nooit heeft verscheidenheid mij zulk een gevoel van eenheid-der-dingen geschonken als die van dit boek, doch deze is de hierboven geschetste eenheid van een romangeheel niet, zij is de door geen _enkele_ grens gehinderde eenheid van het boek met het omringende leven, juist dus het _tegenovergestelde_ van de eenheid eener roman, die immers _een tot geheel geworden_ deel van, _gesneden uit_ het omringende leven is!

[11] Het _essentiëele_, de respectieve waarden aanwijzend en belichtend onderscheid tusschen het niet geheel de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een geniaal mensch en het eveneens niet de objectieve werkelijkheid dekkend gevoel-van-eigenwaarde van een maniak, is niet zoozeer van quantitatieven aard, niet zoozeer een kwestie van meer of minder.--Mij lijkt het te liggen in het feit, dat zulk een maniak het beeld der hem omringende werkelijkheid in zijn geest moest _vernietigen_, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen _redden_, terwijl zulk een geniale mensch het beeld dier werkelijkheid in zijn geest niet het geringste geweld behoeft aan te doen, om zijn gevoel van eigenwaarde te kunnen laten bestaan. De verhouding van het gevoel van eigenwaarde tot de werkelijkheid is bij den _eerste: die van iemand die zijn mededinger doodt, omdat hij voelt, dal deze machtiger is_, bij den _tweede_ echter: _die van iemand, die in het sterke bewustzijn van eigen kracht, niet alleen den mededinger naast zich dulden, maar zelfs liefhebben kan!_