Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 7

Chapter 73,348 wordsPublic domain

Het is het _heerschersbewustzijn_ van den auteur, dat bestaansmogelijkheid scheppende oorzaak is--gelijk ik reeds aanduidde --van al het voortreffelijke in dezen arbeid en tevens zelf het voortreffelijkste kan worden genoemd, zóó als de aarde en het zonlicht het voortreffelijkste in een tuin van zelfs alleredelste bloemen zijn. Hoe langer ik dit werk, ook in verband met vroegeren arbeid van denzelfden auteur, overdenk, hoe duidelijker ik voel, dat hij vermoedelijk nog nooit iemand in zijn leven ontmoet heeft, of diep in z'n hart heeft hij zich psychisch diens meerdere geweten. Zijn subjectieve meerderheidsgevoel, dat hem tevens heerschersnatuur doet zijn, maakt zijn essentiëele grootheid uit. En het doet tot die grootheid weinig toe of af, of dat subjectieve gevoel al dan niet gehéél met een "objectieve" werkelijkheid overeenkomt.[11] Men zegge niet, dat het zich-meerdere-gevoelen door den auteur tegenover de "onontwikkelde" en "laag-staande" menschen van dit boek een zonderlinge grond is [p.76] voor de conclusie, dat hij zich meerdere van vrijwel iedereen zou gevoelen. Want: deze _verstandelijk_ onontwikkelden zijn dat _psychisch niet_, en _op dit laatste komt het aan_. Want wat het laagstaan dier menschen betreft: vraag, lezer, u zelf eens af, of gij u licht op dit oogenblik kunt voorstellen te leven een _psychisch_-frisschere en ook sterkere figuur dan _Neel Burk_; een _psychisch_-reinere, dan _Huib Kilometerboekje_--welk een prachtig mystisch-diep begrip van de waarde en de beteekenis der aangeboren, door het tijdelijk _persoons_-leven niet meer te deren zielseigenschappen toont hier de schrijver!--een _psychisch_ meer bijzondere en reinere dan de tooverkol en schijnbaar belachelijke Tante Antje met haar _aandoenlijke onbaatzuchtigheid_--en men heeft in het feit, dat de schrijver niets gedaan heeft om die uiterlijke belachelijkheid en abjectheid te verminderen, weer een prachtig bewijs van het passief blijven zijner lagere persoonlijkheid! --maar, vóór u zelf, lezer, deze vragen te stellen, zie toch nog eens duidelijk in, hoe weinig _psychische_ begaafdheid met _verstandelijke_ ontwikkeling en begaafdheid _behoeft_ te maken te hebben. Onderscheid goed den _uiterlijken_ glans van den _innerlijken_ glans. En overweeg eens, waardoor het mogelijk wordt, dat bijvoorbeeld een analfabetische daglooner, iets in zijn blik, zijn gelaat, zijn stem kan hebben, dat een zeer voornaam, zeer geleerd, zeer wijs en zelfs zeer goed mensch plots, in een oogenblik van hèl-lucide erkenning, zijn minderheid kan doen gevoelen. Zou dat niet zijn, omdat in zulk een oogenblik voor het oog van de ziel, alle tijdelijke, geestelijke zoowel als stoffelijke, uiterlijkheid is weggevallen en _ziel_ slechts _ziel_ ziet?

Indien men de aanwezigheid van het machtige heerschersbewustzijn in onzen auteur door ontleding van zijn werk wilde _bewijzen_, men zou dit reeds alleen door de analyse van de figuur _Stijn Burk_ afkunnen. Niet alleen, omdat het dan reeds voor ieder duidelijk zou worden, dat een dergelijke allerwonderlijkst gecompliceerde en in de diepte en hoogte zeer ver uitgegroeide persoonlijkheid niet te begrijpen is [p.77] zonder haar te beheerschen, maar vooral, omdat men zou inzien, dat met geen mogelijkheid zulk een mensch--allerteederste vader, schuchter man met sterk plichtsgevoel, vriend bij voorkeur van misdadigers en toch zelf niet bij machte ooit iets baatzuchtig-misdadigs te doen en daarmee weer schijnbaar contrasteerend: een dronkaard van duivelsch-kouden moordlust doorkild--zóó doorgrond, zóó in zijn componeerende elementen herleid en toch zoo intact, zoo fel-lévend kon gehouden worden als hij is, door observatie _van buiten af_, maar dat hiervoor onontbeerlijk was een _onderduiken_, beter wellicht een tijdelijk opgaan te noemen, van den auteursgeest in dien zijner figuur.[12] En dit nu, dit tijdelijk zich, zonder eigen bewustheid te verliezen, opgaan in het bewustzijn van een ander, is alleen den _heerscher_ ten opzichte van den _absoluut-beheerschte_ mogelijk, den veel grootere tegenover den kleinere--precies dus het tegenovergestelde van de analoge stoffelijke verhouding, waarbij slechts het kleinere het grootere kan binnengaan--nimmer echter den geringere ten opzichte van den machtiger. En, het zij hier terloops gezegd: ik geloof dat _de_ grond-oorzaak dier onmogelijkheid is de _psychische vrees voor het onbekende_, die, om zoo te zeggen, de acute vorm is van de chronische psychische schuchterheid van hen, die zich in den loop van hun leven vaak en van velen de mindere moeten voelen, en die het daarom bij al hun waarnemingen nooit verder dan tot _benaderen_ brengen, alles slechts van den _buitenkant_ angstvallig betasten en nooit iets durven _binnentreden_.

[p.78] Er is zelfs in dit werk een taalkundige eigenaardigheid aan te wijzen, die duidelijk belicht, dat dit "onderduiken" in het leven zijner figuren, bij wijle zoo sterk bij dezen schrijver was, dat hij zelfs eigen bewustheid tijdelijk verloor, d.w.z. zich dan niet duidelijk rekenschap van zijn artistieke handelingen kon geven. Ik bedoel met die eigenaardigheid het waarlijk overbluffend veelvuldig gebruik van het voorzetsel "ver" bij werkwoorden, ongetwijfeld een geniale vondst in zich-zelf, en als zoodanig ook vaak geniaal te pas, maar vaker grovelijk te onpas aangewend. Waarom dit echter, zooals ik zei, óók het opgaan van den auteur in het leven zijner figuren belicht, ziet men duidelijk op blz. 337, waar, onmiskenbaar, in de uitdrukking: "Sau f'rtrippele se 't op 't teneil nie...." die "ver"-spreek-wijze aan de taal der Jordaners zelf blijkt ontleend!

Maar is Querido's machtig heerschersbewustzijn ten opzichte zijner scheppingen, zoowel als de onontbeerlijkheid daarvan voor het welslagen als episch auteur, aan _Stijn Burk_ en al de andere prachtig _geslaagde_ figuren te demonstreeren, die onontbeerlijkheid alleen zou men ook vrijwel kunnen aantoonen, door de aandacht te vestigen op die ééne minder geslaagde in het geheele boek--ofschoon ook die zeer zeker een waarlijk-levend mensch is gebleven--jegens wien hem grootendeels het heerschersbewustzijn ontbroken heeft: _Karel Burk_, den begaafden _Don Juan_ van de _Jordaan_. Men merkt dit ontbreken aan het feit, dat, zoodra het Karel Burk geldt, _persoonlijke_ liefde, d.i. liefde jegens die figuur, in de plaats treedt van de onpersoonlijke _menschheids_liefde. Want waar dit _psychische_ heerschersbewustzijn is--het hoogste waarschijnlijk, dat een mensch bezitten kan, en dat men vooral niet moet verwarren met allerlei lagere verwante vormen, zooals heerschzucht, bazigheid, enz.!--daar is die _menschheids_liefde en omgekeerd, maar waar, daarentegen, genegenheid voor een _persoon_ optreedt, daar wordt het heerschersbewustzijn ten opzichte dier persoon gebroken. _De heerscher laat den schepter vallen, wijl hij zijn onderdaan omhelzen wil_.

[p.79] De reden, waarom dit juist bij deze figuur is gebeurd, ligt m.i. open en bloot. In _Karel Hurk_, den _buitengewoon-intuïtieven psychologischen doorgronder_; den _artistieken waaghals en bereiker_, die de moeielijkheden zoekt, om ze te overwinnen, in wiens, vooral om die halsbrekende moeilijkheden zoo zeer geliefde, en telkens prachtig-op-het-kantje-af, meesterlijk-gratieus uitgevoerde dans-bewegingen, zijn vermetele en rijk-begaafde ziel pas goed tot uiting komt; in _Karel Burk_, den muzikaal hevig gevoelige; de, kortom, _zéér artistieke heerschersfiguur_, ligt, op een veel lager plan, een flink brok van Querido's eigen kunstenaarsnatuur getransponeerd. En dit transponeeren moge bewust of onbewust geschied zijn, het feit was voldoende, om des schrijvers heerschersbewustzijn te verlammen, want Querido is een van de weinigen, wellicht de eenige, tegenover wien Querido--en dit spreekt m.i. van zelf--zich, in den boven aangegeven zin, geen heerscher voelt.

Men lette er ook op, dat in dit boek--en wat ik nu zeggen ga, bied ik niet aan als een _bewijs_ mijner bewering, maar slechts als een _ondersteuning_ ervan--vol van allerprachtigste dialoog, vol van uitstekende beheersching en te-pas-brenging van het Jordaansche taaleigen ook in de meditatie der figuren (in zijn enormen rijkdom aan volksuitdrukkingen en de meesterlijke aanwending daarvan overtreft het zelfs _Wolf_ en _Deken_, en dàt wil wat zeggen!) dat in dit boek, juist bij _Karel Burk_ een uit-den-toon-vallen plaats vindt:

Wat was 't toch 'n fijn gezicht, zóó van het glinsterende en vonkende water òver de dwarsbruggen de lucht in te _koekeloeren_, tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als een gloeiende, _trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel in het starre blauw_.

Uit het woord "koekeloeren" blijkt duidelijk, dat de bedoeling was de gewaarwordingen van _Burk_ in _Burksch_ dialect te geven en die dus niet in Queridoïaansche zegging om te zetten, maar uit het laatste door mij gecursiveerde zinsdeel blijkt even duidelijk, dat het Querido-brok in _Burk_, Querido, den schepper van _Burk_ hier de baas was!

[p.80] Ik zei straks, dat, compositorisch gesproken, er begin noch einde aan het boek is. Voor wie meenen mocht, dat ik dit een fout in het werk acht, zij onmiddellijk verklaard, dat ik dit integendeel, _hier_, een schitterende deugd vind. Een lastig probleem en een zeer groote moeilijkheid werden hierdoor volkomen opgelost en overwonnen. Bedoeld was m.i. namelijk _niet_ in de _allereerste_ plaats een beeld te geven van het leven van zekere _individuën_, van een leven dus, welks eng-begrensde duur zijn vast en duidelijk begrip in onzen geest heeft, máár, in de _allereerste_ plaats, van een brok _volks_leven, d.w.z.: een leven, welks begin en einde ver buiten onze _onmiddellijke perceptie_ liggen. Want is onze indruk van een _persoonlijk_ bestaan die van iets eindigs, onze _gevoels_indruk van het _maatschappelijk_, van het _massa_-leven is daarentegen die van iets _on_eindigs. Doch, een brok massa-leven, zóó meesterlijk, zóó boordevol vitaliteit te geven als in dit boek, is niet mogelijk, zonder de samenstellende deelen van dat leven: de individuën, alleruitstekendst te beelden, maar zoodra dit gebeurt--_en dit is de moeilijkheid, waarvan ik hierboven sprak_--dreigt de daardoor ontstaande indruk van het _begrensde_ en _eindige_, te verhinderen, dat zijn tegendeel: de gevoelsindruk van het _oneindige_--welke we immers van het _massa_-leven, _als geheel_, behooren te krijgen--bij ons ontstaat. Om de bovenstaande bedoeling dus te verwezenlijken; te zorgen dat de tegenstrijdige indrukken zóó worden te weeg gebracht, dat zij elkaar niet vernietigen en dus: ons het oneindige te laten voelen van een zeker levens_geheel_, naast de een _eindigheidsindruk_ verwekkende uitbeelding der _eindige deelen_, moest naar het hulpmiddel van een zekere wijze van componeeren worden gegrepen, ten eerste: het geven van een nagenoeg climaxloozen verhaalgang--_want stijging, daling en, in een woord, wisseling in een geheel, versterken den eindigheidsindruk_--en, ten tweede, het als 't ware doen voortloopen van het tafereel tot buiten het kader, waardoor we de gewaarwording krijgen, alsof de begrenzing is aangebracht, alleen ter tegemoetkoming aan òns niet oneindig ver dragend perceptievermogen, en _niet_ omdat het [p.81] gebeelde leven hierin werkelijk kon omraamd, en zoodat het ons is alsof ons wierd gezegd: zoo uwe oogen het toelaten, zie dàn verder, hoe eindeloos het leven blijft, blijft doorvloeien, ééuwig voort.--Door dit alles dus verkregen we een meesterstuk, welks felle uitbeelding van het eindige leven ons gevoel, dat wij hier ook het oneindige zagen, niet schaden kon.

Maar ook in ander opzicht blijkt het compositorisch-geniale van onzen auteur: in zijn aanwending van nevens elkander gestelde contrasten. Men lette eens op de impressie, welke de prachtig geschreven terugblik op het leven van _Neel Burk_ met haar eersten man, den zachten _Gronjee_ maakt, te midden van de beelding van haar leed-en-angst-bestaan, nu zij getrouwd is met den onberekenbaren _Stijn Bark_: of, en dat brengt mij meteen ertoe te spreken van de prachtige beschrijvingen in dit boek, men zie eens naar de neven-elkander-stelling van deze contrasteerende stad-en-land uitbeeldingen:

't Had rauw geklonken door de buurt, al om vier uur vroeg.

--Luilèk ... biddesèk, stoat om neige ure op ... neige of hèlleftien.... hep je de Luilèk nauit gesien?--Een donkere worp van doode ratten en katten, weken lang al vooruit in de polders als prooi beloerd, was dof néérgebonkt op ruiten en ramen van beluilakte buurtgenooten, die woedend met bedreigingen losschoten, zonder iets te durven doen.--Een paar dagen later hadden diezelfde kinderen zich de morsige handen koel afgespoeld in de buitensche slootjes en gezocht naar de rose-witte en hel-gele, stralende pinksterbloemen en de zalm-roode klaproos.--Met land- en grasgeurig doorzwoelde bouquetten, vol koekoek en gele lisch, met vetglanzende boteren paardebloemen, waren zij komen aanzwalken bij troepjes van Amstelveen, Ringdijk, Ouderkerk, Rietlanden en Watergraafsmeer. De morsige handjes hadden bij duizenden rondgestrooid àl wat de gouden zomer liet bloeien aan slootkanten, op wei en veld. _De kinderen hadden in driftigen lente-roes, de kleurige en riet-bepluimde oevertjes van Amsterdamsen buiten geplunderd, struiken en halmen vertrapt en afgerukt, voor bemachtiging van ooievaarsblom en waterranonkel. De handjes hadden wild gegraaid tusschen blonde sterre-bloempjes fijnstraal, en plompen, soms terugschrikkend voor een graspieper, ze langs 't gezicht fladderend, of weggelekt door een flonkervleugels-vertrillende [p.82] libel, die dronken om het vanielje-geurige zoet van witte orchideeën heen-kringde._[13]

Zoo hadden de kinderen geplukt, geplukt, en de verbrokkelde en geknauwde armoe-buurten van de Jordaan, voor eenige uren òpgetooid met 't geel-goud, purper en wit gebloemt van buiten.--_Uitgesleten, kist-donkere en lood-rechte slingertrapjes, waren oversmakt van stervende ruikertjes. Op vunzige stoepjes en in duister-verhulde kelders, waar altijd de goot borrelde of stonk, was bloemsap gedruppeld, rookten geuren nà van klaver en iris, waterbezie en bitterzoet_.--Even maar hadden de kinderen, rondslenterend in hun vacantie, in hun sjofele plunje meegedragen naar de gore stegen en walmende straten, lucht van oevergras en versch hooi, _dadelijk weer gedoofd door bak-stank van visch-stalletjes, die, in goedkoop oliedrenksel, scholletjes en botjes in steen-glazuren kommen voor de gulzige Pinkster-smakkers gereed hielden._--_Want dwars tusschen het zomerig zoeken der kinderen naar de blank-blauwe lucht van het wijde landschap, naar den koelenden watergeur, en 't loeren op 't geheimzinnig stekeltjes- en torren-gekrioel in de hemel-verspiegelende slootjes_,--_gierde het luidruchtig vertier der volwassenen. In potwagens, bonte Jan Pleziers, open bakken en hooge tent-karretjes, zwijmden dronken stelletjes van vier, zes, acht en twaalf soms, bijeengeperst in de gloeihitte, verzweet en opgewonden_.--_De keien hadden geschud van de ratelende en rollende vigelant-wielen. Tot 's avonds bonkerden ze door, als de roode zon al verwilderenden weerschijn op de zatte en afgestompte tronies vlamde_.

Vormen deze tegenstellingen niet een compositorisch schoon? En zijn de beschrijvingen-zelf niet van een verrukkelijke vorm-, geur- en atmosfeergeving? Maar toch, ware het niet geweest om daarmee mijne bewering betreffende de compositie te ondersteunen, ik zou verkeerd gedaan hebben met dit te citeeren, terwijl ik al dat andere minstens even mooie niet aanhalen kan: de prachtig-uitgebeelde dansen, de machtig-gegeven vechtpartijen, zooals die op de Aal-markt, in het magistrale eerste hoofdstuk, en het bijna-doodtrappen door _Stijn Burk_, in zijn dronkenschap en daardoor ontstanen koud-duivelschen moordlust, van zijn zwangere vrouw, met op het einde, als Stijn onder de macht der hem in bedwang houdende kerels in een algeheele ontreddering bewusteloos is neergezonken, dat _prachtig-bescheiden-nauwelijks-symbool [p.83] van Stijns eigen lijdensleven_, dat lijdensleven van hem die door zijn drinkhartstocht, welke hij toch zóó gaarne zou willen bedwingen, elken dag gekruisigd wordt:

Hij stortte als een bewustelooze ineen, met zijn gezicht op den grond, de armen wijd uit, _gelijk een menschelijk kruis_.

Of: heel die ruzie in de _Wijde Gang_ met die Danteske visie:

Traag, tegen de grauwe muren, _kroop de donkerende en grillige middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim_, 't heele Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering.

Met zijn ook Danteske beeldingen van gedrochtelijke verwringingsstanden van de kijvende buurvrouwen uit de bovenvensters. Of: de tocht op de Zuiderzee; de Hartjesdag; het zwoegen van de sjouwers aan de Wester-Suikerraffinaderij, en vooral niet te vergeten dat juweeltje, dat prachtige, dof-avondlijke idylletje van de kanaries langs Gijs' kroeggevel. Maar jawel, zoo zou ik wel kunnen doorgaan!...

Laat ons liever even de psychologie in het boek van nabij bekijken: In de analyse van Stijn Burk is waarlijk het onovertreffelijke gebeurd. Deze in zichzelf onwaarschijnlijk gecompliceerde mensch, is door de beelding tot een persoonlijkheid geworden, wier leven je niet alleen voelen en tasten _kan_, maar wier leven je voelen en tasten _moet_ en dat je obsedeert als een onwegduwbare, ontzettende _werkelijkheid_ van den allereersten rang; dat niets onberoerd in je laat; afgrijzen èn een wijd erbarmen, haat en liefde, alles, àlles in je òproept. Want men zie eens dezen woesteling, die bijna zijn zwangere vrouw doodtrapt, zijn kleine kindje naar bed brengen:

Reeds vroeg in den avond zat Sientje op zijn schoot, al zette hij haar telkens op 't stoofstoeltje wanneer er volk inkwam. Met kleine ronde slaapoogjes speelde ze, maar tuimelde telkens tegen de uitgelegde koffiela van den molen, in slaap.

--Mot Siennetje soà ... pies goan?

--Nei ... nei ... drensde ze, terwijl ze weer knikkebolde.

Langzaam ontkleedde Stijn 't kind, nadat hij Koentje ook naar bed had gedragen, met 'n verzoend bakkesje.--Hij was bang dat ze, verveelderig, tusschen slapen en waken zou gaan drenzen. Heel omzichtig moest hij te werk gaan.--Bij elk [p.84] kleedingstuk, dat hij loshaakte of uittrok, verzong z'n zware stem een mal zinnetje. (Ik sla hier een stukje over v.C.)--Nou ... 't jukkekie ... zong Stijn, omzichtig half-slapende Sientje uit haar rokje werkend ... en nou ... 't siemesetje.... Sau fraàfe de férkies ... de snoetjes!... rrr!... rr!... nou ... 't hàlshempie ... toktoktok ... hòat! sie!... wècht! stoute fliegie ... mô jèi bromme ... in 't auretje fèn liefe Siennie!... Nou ... 't boaije rokkie ... mit 't laàfie!... sss!... sss!... sòejessssse!!... sss ... sss!... hoal-àufer!... nou 't witte rokkekie ... soe ... je ... soe ... je hoal-àufer!... nou 't broekekie ... hoal-àufer!.... en Siennetje is 'n soete schèt!...

--Fèn sau'n mèskeroade hep ikke nie terug ... lachte Neel om Stijns kunstig zoethouden van Sien.--Bij Lien, Mien of Jansje griende ze altijd, in slaap-gestoorde kribbigheid. En nu had ze zich door Stijns zachte deuntjes-stem heelemaal laten omzingen. Zonder een knorretje was bleek Sientje knikkebollend op zijn arm ingeslapen en droeg hij haar de duffe achterkamer in. Muis-stil hipte Stijn in 't alkoofje terug en luisterde of ze drenzen ging zoodra ze vader niet meer tegen zich op voelde.

Men peile ook de diepte van deze analyse van Neel's zuster, de perverse Dien:

Dien was niet alleen jaloersch op haar man, maar werd gepijnd van afgunst op àlle voorspoedige en gelukkige dingen in 't leven van anderen. Dit had ze van moeder Scheendert, hèt stuk chagrijn vroeger van de buurt. Dien leek met gegiste moedermelk grootgebracht. Het twistzieke, humeurig omkantelende van haar wezen las ieder dadelijk van haar gezicht. En liegen, schel en roekeloos liegen kon ze met strakke koon-effenheid, als de wijzerplaat van een kaduuk weegtoestel. (_Welk een prachtig beeld is dit, en zoo voortreffelijk passend in den toon van het beschrijvingsgeheel! v.C._) Allerlei vurige en fantastische uitdenksels kon ze met zoo'n hartstochtelijke, bijna boosaardige driftigheid vertellen, dat zij ze zèlf gelooven ging en niet meer vermocht te leven zonder die schielijke leugenarij; voor haar waàrder dan de nijpendste werkelijkheid. Ze hield van 't liegen òm 't liegen. Het werd haar een fel, brandend genoegen te jokken. _Ze kreeg zoo'n angstige vreemdigheid over haar wezen als ze loog en later betrapt werd_. (Ik oversla een klein stukje, v.C.) Ze kòn nooit iets vertellen, zooals 't gebeurde. _En wanneer zelfs haar leugen werd aanvaard als 'n feit, morrelde ze dat den volgenden dag weer los, omdat 't dàn te waar geworden was_.

Zooals meermalen in het boek, doch veel minder dan in [p.85] des schrijvers vroegere werken, is er ook hier in het door mij overgeslagen gedeelte als een herhaling, een overtolligheid, maar het is en blijft voor mij de vraag, of die herhalingen en overtolligheden van een hooger plan dan het gewoon-zinsbouwkundige beschouwd, wel overtolligheden zijn. Men vergelijke hierover mijn artikel over de _Studies_ van dezen auteur, in _De Ploeg._[14] Maar bovendien: nimmer heb ik indringender analyse gelezen, vooral dat laatste door mij gecursiveerde....

Wil men een staaltje van wat ik zou willen noemen: plastische psychologiek? Ziehier dan iets over het Jordaansche volk (de verklaring hunner saamhoorigheid, van het niet dulden van vreemde invloeden in hun kringen):

Ze waren van één ras, eene klasse, _door eenzelfden levensgolf rondgezwabberd, naar vóór gestooten, naar achter gekanteld op één plek grond_.

Of betreffende de waarzeggende "_Tante Antje_":

Ze waren waarlijk bang voor die vreemde, strak-starende, _meer luisterende dan kijkende oogen_.

Of wenscht men een enkel bewijs voor mijne bewering, zoowel dat de dialoog in dit boek zoo voortreffelijk is als dat het zulk een rijkdom aan kernige volksuitdrukkingen bevat? Laat mij dan even dit citeeren:

--Vijf van de tien ... vroeg kort-krachtig 'n lichtmatroos, even de sabelbeenen uitgebogen.--

--As je blief Teun....

Vriendelijk hielp Neel nu en vroeg of hij weer honk had.

--Soo je siet moeder....

Zijn stem zong zwaar en vol in 't zonnige winkeltje.

Twee vrouwen loerden uit, bekeken den frisschen, kraakzindelijken matroos-eerste-klas.

Sèl ik stikke.... d'r hei je Teun fèn de Hoarlemmerdaik,... seg ouwe robbeklopper ... wèt bi jei grausig ... jei hep ereis auk wel ereis slinger gefreite!... je laikt me wel 'n kesse-me-jeu....

De matroos keek beduusd, zocht naar naam en wijf in zijn herinnering.

[p.86]--Nei,... dèt ken ik nie kroppe.... Wèt heb ik nou èn de hènd!... kè je Annemie niet meir.... Annemie uyt de Orènjestroat?... noù, diè kachel brent ... segge d'r seife stomme te g'laàk!... kaàk saàn is kaàke!... goa ik 'r àn?

Plots schoot bezinning bij den matroos terug.

--Nou hep ik je mins!...

--Hou fèst ... spotte een uitdraagster met 'r handen op 'r heupen, de armen als hengsels.

--Annemie van Arie-stront-an-'t-sweepie.... Nou hep ik je ... f'rdikt ... 'n goeie naam is beter as olie.... die drijft nie weg....

Met 'n gullen lach sprong hij bij en drukte zwaar haar handen.--

Neeltje lachte tegen den knappen matroos, die er zoo frisch uitlichtte met zijn blauwe jas, gouden knoopen en witten braniekraag.