Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 10
Voorzeker, ik moet den nadruk leggen op: "nù levend in het heden": niet immer was de aanleiding tot het bestaan van zulk begeeren zoo groot als thans, een feit reeds gemakkelijk te verklaren uit de omstandigheid, dat juist in onzen tijd het aesthetisch-critisch denken zich in de richting der hel bewust makende analyse beweegt, en wat zou het analytisch denken wel belangrijker kunnen lijken dan de vraag, wat de kern van haar onderwerp uitmaakt? Maar deze verklaring laat de meest actueel-belangrijke aanleiding toch in het duister. En willen sommigen, niet immer zonder goed recht, beweren, dat het door haar genoemde feit op machteloosheid tot scheppen en zekere decadentie wijst, de andere verklaring daarentegen zou niet kunnen gegeven worden, ontkiemde er niet allerwegen een nieuw en sterk leven; zij immers noemt als oorzaak: het opkomen eener [p.103] marxistisch-socialistische aesthetiek, die het probleem wàt het eeuwige en essentieele in kunst zij, tot een der heftigst omstreden en dan ook strategisch niet onbelangrijke punten maakte. Tot in onzen tijd scheen dan ook vrijwel de vraag in de rustigste rust te slapen en iedereen het erover eens te zijn, waarin het bestond. Men achtte het te zijn het "algemeen-menschelijke" van de figuren, in die altijd jong blijvende werken gebeeld. Dat "algemeen-menschelijke," zoo meende men, bleef immers ook voor de verst verwijderde geslachten meevoelbaar, zoodat daardoor die werken nooit kònden den indruk wekken van verouderd en leeg van schoonheid en zin te zijn. Nu kan men ongetwijfeld wel in den arbeid van alle groote kunstbeschouwers, de duidelijke blijken vinden, dat zij iets anders dan dat "algemeen-menschelijke" als het eeuwige en essentieele van kunst zagen, maar 't geen ook duidelijk blijkt is: dat dit zien een vermogen van het Onbewuste in hen bleef: een intuïtief aanvaarden van een gevoelde maar niet _door_voelde en evenmin _begrepen_ waarheid, een aandrift en een roepstem die zij volgden, handelend uit onbewuste en aangeboren zekerheid, gelijk duiven die onder den wijden, wegloozen hemel de richting vinden naar het veilig nest. Ware het anders, waren zij bij machte geweest uit te zeggen _waarom_ dat andere als het vereeuwigend bestanddeel van kunst moest worden aanvaard, dan, dunkt mij, zou toch wel ten minste een hunner dat gedaan hebben, toen het historisch-materialisme, het marxistisch systeem van onderzoek en verklaring der herkomst van de sociale, geestelijke zoowel als stoffelijke, verschijnselen, ook in ons land, belichaamd in Mevr. Holst's _Studies over Socialistische Aesthetica_ en Gorter's _Kritiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland_, zijn invloed begon uit te strekken tot de literaire aesthetiek en critiek. Immers Gorter vooral concentreerde een niet gering deel zijner aanvalsmacht juist tegen die algemeene-en-eeuwige-menschelijkheidstheorie. Hetgeen mij dan ook, zeer zeker van zijn standpunt, het meest logische lijkt. Het historisch-materialisme, dat de stelling tot basis heeft: "het bewustzijn der menschen is het niet dat hun zijn, maar, omgekeerd, [p.104] hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt," anders gezeid: "de materieele maatschappelijke veranderingen zijn de hefboom der geestelijke bewegingen," aanvaardt wel het bestaan van een physisch- en psychisch-functioneel zich altijd gelijk blijvende algemeene menschelijkheid--waarvan echter, zooals Gorter, ook m.i. terecht, zegt, _geen kunst te maken is_--maar het bestaan eener algemeene menschelijkheid, die eeuwig zou zijn en zich gelijk blijven in haar drijfveeren en hartstochten, kortom in alles, dat haar een waardevol onderwerp voor kunst doet zijn, kan het niet aanvaarden. Krachtens zijn grondstelling-zelf ziet het met en door de wisseling der productieverhoudingen ook den geheelen inhoud der menschelijke psyche zich wijzigen; elke tijd heeft dus zijn door de productieverhoudingen _gespecialiseerde_ menschelijkheid, waarvan _de kunst van dien tijd gemaakt wordt_, en van het bestaan eener algemeene en eeuwig levende menschelijkheid, die daartoe dienen kan, is dus geen sprake. Het eeuwige en essentieele der beklijvende werken van kunst is dan ook volgens Gorter, de eeuwig meevoelbaar blijvende _gespecialiseerde menschelijkheid_.--Ik mag den lezer niet in den waan laten, dat ik niet zie, hoe hij hier verbaasd-vragend zijn wenkbrauwen hóóg optrekt en met een haastig-gegrepen potlood een groot vraagteeken bij deze Gorteriaansche bewering plaatst, die inderdaad al op het eerste gezicht zwakheid verraadt. Maar hij vergunne mij te doen _alsof_ ik niets zie! Ik laat hem nu slechts de troepen-opstelling op het slagveld zien. De strategisch-zwakke punten mogen in den strijd aan het licht treden; dat is het zekerste, het vernuft van den toeschouwer kàn hier bedriegelijk werken. Mag ik hem dus ook de door mij ingenomen positie vertoonen? Ziehier: _Niet_ de "algemeene en eeuwige menschelijkheid," nog minder de "door de productieverhoudingen gespecialiseerde" is het eeuwige en essentieele in een kunstwerk, maar de ten eeuwigen dage zichtbaar en meevoelbaar blijvende _schoone beweging van het Scheppend Vermogen, dat dat werk voortbracht_.--Niet dus zijn de gedachten, de beelden, de hartstochten, de drijfveeren der in zulk een werk voorgestelde [p.105] wezens eeuwig, zij verouderen, hun stem dringt niet fel meer in onze ooren, wij beminnen niet als zij hebben bemind, wij haten niet als zij hebben gehaat; hoe ver staan zij van ons, van de stemmen en gezichten, van de begeerten en afkeeren van onzen tijd.... Maar wat fel midden-uit dat verouderende tot ons klinkt, wat wij als een ondoofbaar en eeuwig schoon zien stralen, dat is altijd nog het verrukkelijk bewegen der scheppende ziel, de _schoone daden_ der _kunst_-scheppende _Natuur_, die in alle tijden dezelfde is, in alle tijden voor menschen doorvoelbaar, in alle tijden aanbiddelijk.... Geen kunstenaar is of was er, wien de vergankelijke tijd niet doorstroomde--ja, hoe grooter hij is, des te opener staat hij voor dien tijd!--van diens vergankelijke beelden en neigingen maakt hij kunst, máár: het complex dier beelden en neigingen is dan ook in waarheid het lichaam niet, waarin zijn Scheppend Vermogen blijft leven. Hoe zou dat kunnen, daar het _vergankelijk_ is?
Neen, het ònvergankelijk lichaam, waarin dàt zich blijft openbaren is: de _taal_: dáárin schittert voor immer de waarachtige logiek zijner beweging, de uit zich-zelf blijkende _noodzakelijkheid_ daarvan, in één woord: geheel de ontroerende schoonheid van het scheppend _gebaar_, van de scheppende _daad_. Diè voelen alle nageslachten mee, diè is het welke zij liefhebben, àlle. In dat ijl-doorzichtige, toch pantserharde, toch niet te deren lichaam, blìjft zij, voor onze oogen zichtbaar, levend, als 't spelend vuur in diamant bewaard, zoo spelend en zoo glippend, zoo vrij en toch gevangen.... Wat ik dus beweer _is: dat niets anders dan de in een kunstwerk bereikte tweeéénheid van Scheppend Vermogen en taal, dat kunstwerk zijn "eeuwige jeugd" verleent_. En wat nu de werking dier tweeëenheid op het complex der verleden beelden en neigingen in betrekking tot de aanschouwers betreft: als dezen háár wonderen glans zien en den klank harer taalstem hooren, gelóóven zij, gelóóven zij, en volmaakt, in de _herleving van dat doode_, èn--hebben gelijk! Want: op het ontroerend gebieden, op het onweerstaanbaar lokken van diè stem, hebben zij het _iets van hùn_ [p.106] _eigen menschelijkheid, onbewust, geleend_, _hebben zij 't met hùn menschelijkheid weer bezield_.
Vastgesteld nu zijnde, dat deze de drie meeningen zijn, wier waarde of onwaarde in dit opstel aan het licht moet treden, gelieve de lezer wel te billijken, dat waar de bestrijding der eerste meening m.i. reeds afdoende door Gorter is geschied, ik die niet zelf voere maar de zijne citeere. Want overigens, al lijkt mij die meening wel onjuist, zij schijnt mij niet verderfelijk voor de literaire critiek als die der marxistische aesthetici. Bij deze is het dus voornamelijk, dat ik mijn aandacht wensch te bepalen. En waar het nu ook in de dingen van den geest waar is, dat men aan de vrucht den boom kan kennen en het ons al minstens evenzeer om de vrucht--de literaire critiek--als om den boom, waaraan zij groeit--de aesthetiek--te doen is, zij het mij vergund ook in de critische gedachten mijner tegenstanders de principieele denkfouten op te sporen en daarna hunne betrekking tot, of oorsprong uit de aesthetische overtuiging. Uitteraard is hier een eigenmachtig resumeeren door den bestrijder van den bestreden tekst van nul en geener waarde. Zoo ergens, dan schijnt hier wel _letterlijk_ citeeren plicht. En hieraan kan ik dus nu beginnen. Aldus dan Mevr. Holst:[2]
Voor den eersten[3] zijn alle menschen gelijk en is van alle menschen het levensverloop even aesthetisch belangrijk, even waard afgebeeld te worden in kunst. Er is voor hem niet meer grond, door den eenen mensch meer getroffen te worden dan door den anderen, als er grond is wezenlijk onderscheid te maken tusschen mensch en ding. Vandaar, vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme, de neiging tot het afbeelden van volslagen onbelangrijke, vaak in de nietigste kleinigheden uitgeplozen levenssneden van volslagen onbeduidende menschen--zij het geheel objectief of in een tint van medegevoel of ironie.
[p.107] Mògen wij wel aannemen, dat deze aesthetische overtuiging van den burgerlijken kunstenaar de oorzaak is van _de neiging tot_ het afbeelden van "volslagen onbelangrijke ... levenssneden"? Wijst dat tusschenzinnetje: "vooral bij den hedendaagschen nabloei van het naturalisme" niet op de m.i. ware oorzaak? Immers, kunstenaarsaanleg is zeer verscheiden: de een heeft de macht en den drang tot het scheppen van heroïsche wezens en omvangrijke, grootsche tooneelen, de ander slechts tot het uitpluizen van kleine levens-afsneden van volslagen onbelangrijke menschen. Der eersten aanleg is meestal machtig en groot, die der laatsten meestal zwak en klein. De oorzaak van het opkomen van het groote meerendeel der laatsten is dan ook: het gewekt zijn van hun kleine aanleg door voorafgaande grooten. Waren _die_ er niet geweest, misschien hadden _zij_ dan nooit geschreven; vandaar, dat hun werk bijna altijd bij een _nabloei_ hoort, nu van het naturalisme en in andere tijden van een ander isme. Altijd zijn die nabloeiers min of meer klein--zij behoeven niet geheel ontbloot van groote eigenschappen te zijn--hun werk is altijd min of meer het werk van uitpluizers, vergeleken bij de geweldige rotsklompenuithouwingen der voorafgaande grooten. De kleine uitpluizers van onzen tijd hebben dan ook niet als 't ware moed geschept, om hun werk te maken, uit, zijn daartoe niet gekomen door de door Mevr. Holst aangewezen aesthetische overtuiging van het burgerlijk kunstenaarschap, maar het is omgekeerd: omdat de burgerlijke kunstenaars inzagen, dat die kleine kunst toch ook _kunst_ is, kregen zij of werden zij versterkt in die aesthetische overtuiging. Zien wij verder:
Hoe meer de kunstenaar er in slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken--dat is een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort te brengen--des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker is in haar soort zijn kunst.[4]
De schrijfster vergeve mij: even zoovele woorden, even zoovele onjuistheden acht ik hier aanwezig. Een eigenschap [p.108] van kunst, ook van "kleine" kunst, is, dat zij ons door haar afbeelding van het "ònbeduidende," het beduidensvòlle laat zien. Hoè doet zij dat? Zij ont-dekt niet, zij doorlicht. Zij rukt het mom der onbeduidendheid niet weg, maar zij maakt het doorzichtig. Zoodat wij het zelfde ziende, wat wij in het dagelijksche leven om ons heen zien, toch niet het zelfde zien en inderdaad, en zonder begoocheling, iets oneindig schooners en veel meer beteekenends aanschouwen. Hoe meer de kunstenaar _daarin_ slaagt, zeg ik tegenover Mevr. Holst, des te voortreffelijker is zijn kunst. Maar indien hij daarin niet gehéél slaagt--hetgeen vrijwel zeker is--indien hij het hóógtepunt van voortreffelijkheid niet bereikt, dan nog--tweede onjuistheid:--kan zijn voorstelling toch geen "gevoel van wrevelige neerslachtigheid" voortbrengen. Want immers nog altijd uitgaande van de premisse, dat die voorstelling _kunst_ en dus voor haar verreweg grootste deel _wel_ geslaagd is, zal het gevoel van neerslachtigheid, dat het niet geslaagde, het òndoorlichte bij ons zal opwekken, onmiddellijk overheerscht en verdrongen worden door het geluk, dat 't wèl-doorlichte, 't geluk dat diep gevoelen en begrijpen geeft. En wij kunnen des te zekerder zijn, dat het laatste het eerste zal overheerschen en verdringen, omdat het naast zijn kracht van het schoonere en meer juiste te zijn, nog beschikt over die van het verrassend-nieuwe. En niets is onweerstaanbaarder dan dat.
De socialistische kunstenaar kent deze neiging niet, zij is onvereenigbaar met zijn aesthetische beginsel; niet alles van het menschenleven wil hij beelden, maar die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid van wil en gezindheid het helderst straalt.[5]
Helaas, socialistisch of niet, geen ènkel kunstenaar kan àlles van het leven beelden; óók de grootste is geen universeel-aanvoelend wezen, en is hij verstandig genoeg, om deze eenvoudige waarheid te vatten, dan wil hij 't dus ook niet, maar zal zich bepalen tot wat het in hem werkend scheppend [p.109] vermogen wèl doorvoelen en beelden kan. Nu kan het ongetwijfeld wel te eeniger tijd geschieden--gelijk het óók gebeuren kan, dat een burgerlijk kunstenaar zich bijv. uitsluitend tot het beelden van zeer edele figuren aangetrokken voelt--dat een socialistisch kunstenaar opstaat, die zóó is geaard, dat hij niet anders beelden wil (kan) dan "die momenten in het leven van die menschen, waarin een bepaalde schoonheid ... het helderst straalt." Dat zal dan echter niet op eenige, door zijn socialisme gesterkte, breedheid en heroïsme van zijn aanleg wijzen, gelijk Mevr. Holst meent, maar integendeel op de _enge beperktheid_ daarvan. En, gelukkig, is die kunstenaar er dan ook nìet. Tot heden is hij een niet verwerkelijkt droombeeld van Mevr. Holst! De beide groote socialistische menschenscheppers--van dezulken moeten wij immers hier toch vooral spreken--van ons land: Querido en Heijermans, lijken evenveel op zulk een kunstenaar, als her en der hun prooi bemachtigende, stoutmoedige trekvogels, op 'n schuchter en zwakpootig ooilammetje, dat aldoor op 't zelfde plaatsje blatend grasjes mummelt! Integendeel: het breede en heroïeke is juist in hen, dat zij zulk een rijke verscheidenheid van menschelijke gevoelens in hun werk tot leven brengen, en hun _beste_ werk bestaat zelfs _uitsluitend_[6] uit beeldingen van menschen, in wie niets van "die bepaalde schoonheid van wil en gezindheid" straalt, maar die zich zelfs vijandig tot die gezindheid en wil verhouden![7] Nemen wij nu nog een laatste citaat:
De opvatting "de schoonheid der voorstelling onafhankelijk van den zedelijken grondslag," in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, van haar zielvolle waardigheid--is hun (der burgerlijke kunstenaars, v.C.) aesthetisch beginsel en zij kunnen geen anderen lof begeeren of verwachten dan die hierin past. De hoogste bewondering hun gebracht, kan niet [p.110] anders dan de zuiverheid en schoonheid van de uitbeelding van het gevoel betreffen. Instemming met den wortel der voorstellingswijze, met het levensbegrip, ligt buiten de sfeer van het burgerlijk aesthetisch bewustzijn; onverschilligheid voor, afkeer van het levensbegrip van een kunstenaar kan in deze sfeer op de aesthetische waardeering van geen invloed, en moet den kunstenaar zelven onverschillig zijn. De lof hem gebracht voor de uitbeelding der aandoening moet hem ten volle bevredigen. Vanaf een ander plan, d.w.z. dat der weer gewonnen eenheid, de proletarisch-socialistische aesthetica, lijkt dit of een moeder ermee tevreden zou wezen, dat men in haar kind roemde zijn open voorhoofd, zijn lachenden mond, den stralenden blik van zijn klare oogen, en er bijvoegde dat die trekken de spiegel waren van een terugstootende ziel.[8]
Ik heb hierboven gezegd, dat kunst óók de doorlichter van het mom der dingen is. Ik zou hieraan nu verduidelijkend willen toevoegen, dat kunst het _zichtbaar worden der noodwendigheid in 't voorgesteld gebeuren_ ten gevolge heeft, en dat het blijken dier noodwendigheid de schóónheid van 't _voorgesteld gebeuren_ uitmaakt. Meenden wij van een zeker gebeuren, zoolang kunst dat niet had doorlicht, dat 't op een zedelijken grondslag rustte of die miste--zoodra kunst dat wel heeft doorlicht blijkt het te rusten op den grondslag der noodwendigheid, blijkt het dus te bestaan in een sfeer, die buiten-menschelijk-zedelijk is en dus geen menschelijk-zedelijken grondslag daar te kunnen hebben. Te zeggen dus, dat de schoonheid der voorstelling wèl afhankelijk is, in welken tijd ook, van den zedelijken grondslag, dàt is in waarheid een grove miskenning van het wezen der kunst, en dit niet alleen, maar het is ook het onmogelijke en ongerijmde beweren.[9] Doch hierbij blijft het niet. Mevr. Holst accentueert haar meening sterker, zij zegt: wie afkeer van de uitgebeelde aandoeningen heeft en desalniettemin de uitbeelding bewondert, [p.111] verkeert in de positie van iemand, die in de physionomie van een kind klaarblijkelijk alles aanwezig acht, wat tot de kenmerken eener schoone ziel behoort en er dan bijvoegt, dat die physionomie de spiegel eener terugstootende ziel is. Maar iemand, die dit zou beweren, zou immers toch niet alleen van het standpunt der socialistische aesthetiek, maar van af alle mogelijke standpunten ter wereld een zich-zelf-weersprekende ongerijmdheid zeggen! En welnu, ik ben verplicht te constateeren, dat onze schrijfster-zelf zich in een onbewaakt oogenblik in de positie van zulk een heeft bevonden. Immers zij zei: "Hoe meer de kunstenaar erin slaagt door zijn voorstelling het gevoel van de groote onbeduidendheid van het verbeelde leven te wekken ... des te waarachtiger, dat is des te voortreffelijker in haar soort is zijn kunst." Zulk werk is dus _kùnst_, is dus _voortreffelijk_, ook in háár oogen. Maar tegelijkertijd heeft zij een afkeer van het levensbegrip van den kunstenaar, die het schiep en van de onbeduidende of lage aandoeningen en neigingen die erin gebeeld zijn. En daar zij deze alle gelooft het zelfde in een kunstwerk te zijn als de ziel is in een kind, gelijkt zij-zelf dengenen die de trekken van een kind edel vinden en desalniettemin zeggen, dat zij een terugstootende ziel weerspiegelen! Ware zij toen tot bezinning gekomen! Hadde zij zich afgevraagd: hoe kan ik deze ongerijmdheid zeggen? Zou dan toch waarlijk dat kind wèl een edele ziel hebben? _Zou wellicht datgene, wat ìk voor de ziel van een kunstwerk houd, toch nìet de ziel zijn,_ Zouden wellicht niet het levensbegrip, niet de afgebeelde gevoelens, niet de "zedelijke grondslag" de ziel zijn, maar iets anders? Waarom zij niet tot zelfbezinning kwam, zullen wij nu nog niet onderzoeken. Blijve dit tot straks bewaard. Wenden wij ons nu allereerst tot Herman Gorter. En dan zullen we tot ons niet gering genoegen allengskens merken, dat ook hij den bestrijdingsarbeid heeft verlicht, door onbewust zich-zelf te bestrijden! Tot ons genoegen, zeg ik: niet alleen omdat hij zelf daardoor zoo sterk bevestigd heeft wat wij voor waarheid houden, maar wijl juist door die onbewuste zelfbestrijding deze prachtige [p.112] dichters- en denkersfiguur opnieuw zoo gróót blijkt. Want niet hij is 't grootst, die in dogmatische dwalingen bevangen, door zijn niet-verstelselde intuïtie zoo weinig wordt beschermd, dat hij van zijn ònlogisch uitgangspunt af den redeneeringsdraad zonder hem te breken of verwarren verder spinnen kan, maar hij is groot, die in zulk een voortdurend verband met die intuïtie leeft, dat zij hem, in weerwil van zijn lager verdogmatiseerd bewustzijn, telkens bij schokken den weg ter waarheid opdringt en hem, onbewust, de waarheid spreken laat. Citeeren wij nu allereerst die gedeelten uit Gorter's betoog, welke zijn bestrijding van Kloos behelzen. Dit zal, naar ik vertrouw, het tweeledig nut hebben, van aan te toonen, 1°. dat de algemeene-en-eeuwige-menschelijkheids-theorie niet wel houdbaar is; 2°. dat hoewel Kloos en de schrijver van dit opstel beiden de proletarisch-socialistische aesthetica bestrijden, de wijze waarop deze bestrijding zich voltrekt geheel verschillend is. Kloos dan, in het algemeen menschelijke het vereeuwigend bestanddeel ziende, heeft deze meening aldus geformuleerd en verdedigd:
De Grieksche Literatuur ... was zeer zeker literatuur van een bepaald volk, zooals iedere mogelijke literatuur dat steeds is. Maar dit is even zeker, dat in geen enkele andere literatuur, _het algemeen-menschelijke, dat van alle eeuwen is_, zóó voor den dag komt, als juist in de Grieksche, en dat door datzelfde algemeen-menschelijke, dat nergens zoo evident is als dáár, de Grieksche literatuur reeds 3000 jaar vereerders en bewonderaars onder alle andere volken heeft gevonden. Om bij de Antigone te blijven, Antigone is een vrouw, niet alleen van een speciaal volk van 2500 jaar geleden, maar een vrouw zooals men ze tegenwoordig ook nog heeft--_die handelt en zich uit, zooals een levende superieure vrouw in overeenkomende omstandigheden ook thans nog zal kunnen en moeten spreken en doen._[10]
Welnu, een klein citaat uit Gorters bestrijding zal, geloof ik, voldoende zijn, om de onhoudbaarheid der door Kloos verdedigde theorie aan te toonen:
[p.113] Het eeuwig menschelijke is een abstract begrip dat alleen in het verstand voorkomt.
Dit eeuwig menschelijke, als men het in zijn geheel nagaat, en het niet, zooals Kloos doet, slechts als frase gebruikt, blijkt allersimpelst, allerkaalst, allerdorst en zoo kunsteloos als de beginselen der rekenkunde te zijn, zoo kaal, simpel, dor en kunsteloos, dat er nooit een kunst van gemaakt zou kunnen worden....[11]
Wij zelve hebben boven gezegd, dat de drie groote onbewuste driften tot zelfbehoud, voortplanting en maatschappelijk zijn eeuwig-menschelijke driften zijn. Maar wie zou van deze dorre waarheid, van dit, juist door zijn _algemeene eeuwige_ menschelijkheid beweginglooze leven, van dezen "onsterfelijken dood" kunst kunnen maken?....[12]
In de telkens veranderende omstandigheden, in de andere verhoudingen, waarin de menschen in de geschiedenis tot elkaar komen, veranderen hun gedachten, woorden en daden. Die, door een groot dichter voorgesteld, doen ons ontroeren. Het is niet de platte algemeenheid, het algemeen menschelijke in zijn eeuwigheid, dat ons ontroert, maar het gewijzigde, het speciale, het bijzonder menschelijke.[13]
Er is dus in deze beschouwingen geenszins ontkend, dat er een eeuwig of algemeen menschelijks zou bestaan. Er is slechts beweerd en bewezen, dat het een abstractie is, op alles wat menschelijk is, toepasselijk, en dus, als kunstbeginsel, waardeloos en onbruikbaar.[14]