Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 11

Chapter 113,462 wordsPublic domain

Gorter betoogt dus, dat het niet van de algemeene menschelijkheid, de onveranderlijke, is waarvan kunst gemaakt is en wordt, maar van de menschelijkheid, zooals zij door de maatschappijvormen (productieverhoudingen) gespecialiseerd is. Hij bewijst dat verder zoowel aan het door Kloos aangehaalde voorbeeld der Antigone als aan zeer vele andere kunstwerken. Hij betoogt, dat die aldus gespecialiseerde menschelijkheid van bijv. den tijd der Antigone bijna niets doet, niets weet, niets zegt, zooals ònze menschelijkheid zoude voelen, doen, zeggen. Dit betoog, dat hier natuurlijk niet in zijn geheel kan worden overgenomen, schijnt mij toe, gelijk ik [p.114] reeds zei, waarheid te bevatten. Het is dus niet de algemeene menschelijkheid, die ons in een kunstwerk kan ontroeren en verheugen. Maar tot hiertoe samengaande met Gorter, scheiden zich nu onze wegen. Want dat de _gespecialiseerde_ menschelijkheid, een iets geboren uit zoo vergankelijke dingen als de invloeden van tijd en plaats, vergankelijk wezen _moet_ en zij het dus niet zijn kan, die ons na duizenden jaren nog ontroert--ik heb het den lezer reeds vroeger waarschijnlijk gemaakt. Zou hij-zelf zich trouwens niet zijn opgetrokken wenkbrauwen en haastig gegrepen potlood nog herinneren?... En op de vraag, die nu onontkoombaar rijst: wàt dàn dat eeuwig geluk- en genot-gevende in kunst is, ook daarop kent de lezer mijn antwoord reeds.--Maar ook Gorter moest natuurlijk een antwoord geven en hij doet dit dan ook op een manier, die--des lezers heftiglijk neergeschreven vraagteeken meer dan rechtvaardigt! Het "gespecialiseerd menschelijke," dat uitteraard van onbetwijfelbaar vergankelijke natuur is, blijkt nu pour le besoin de la cause, van ...ja hoe zal ik 't zeggen ... welnu: van _min of meer_ ééuwige natuur te zijn:

De zaak, waarde lezer, is heel eenvoudig. Zij biedt ook u waarschijnlijk niet de minste moeite. De simpele waarheid is: alle menschelijke aandoeningen zijn eeuwig menschelijk. Niet in dien zin dat de menschelijke aandoeningen eeuwig dezelfde blijven, maar in dezen, dat er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het, sterker of zwakker, ook wel voelen.[15]

Dit stukje lezend voelde ik opnieuw de felle waarheid van Querido's Gorter-karakteristiek:--in een Handelsbladkroniek--dat hem in zijn _betoogend proza_ altijd een zoo bijzondere _schijnklaarheid_ eigen is[16]. Een sterke suggestie: "de zaak ... is _heel eenvoudig_," "biedt ook u waarschijnlijk _niet de minste moeite_," "de _simpele waarheid_ is," wil hier den lezer iets, de aanwezigheid nml. eener klaarheid, opdringen, dat er niet is. Want neen, zóó gaat dat niet! De bewering: dat er "niets is, [p.115] wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kàn het, _sterker of zwakker_, ook wel voelen"--overigens een zeer aanvechtbare stelling zooals wij zullen zien--zegt hier niets. Wat hier van Gorter's standpunt gezegd èn verklaard had moeten worden is: dat en waarom 'tgeen een ver en vreemd geslacht gevoeld en gedacht heeft, ons onder zekere omstandigheden--die van kunst--_enorm sterk, enorm fel_ ontroeren kan, feller en sterker dan vaak ònze werkelijkheid. Want het is niet zóó, dat wij tegen die oude werken zitten op te kijken en ons neusknijpertje recht zettend, om beter te zien, in ons-zelf mompelen: "Hé ja, daar kan ik ook toch wel in komen," maar het is zóó, dat wij machtig worden gegrepen, dat onze mond siddert, onze oogen glinsteren van de tranen, omdat daar iets voor ons leeft, zoo diep als een hemel en zóó lichtgedrenkt, zoo verrukkelijk, en trillende van jeùgdig schoon....--En als ik nu Gorter vraag: wat is dat, wat daar voor mij leeft met zoo fel, zoo diep en schoon een leven, als ik mij nauwelijks óóit iets menschelijks heb gedroomd? dan antwoordt hij mij, den in schemer gezetene, verblindend door klaarte: Hoè, weet ge dat niet?! Dat zijn die _half of heel vergane_ gevoelens van een lang verdwenen geslacht, die zoo goddelijk sterk voor u leven! Die gevoelens--herinnert ge 't u, dat ik 't u leerde?--zij werden gevormd, bepaald door een zoo geheel andere maatschappij dan de uwe, zij staan vér van u, zij zijn u vreemd. Welnu ... hokus pokus pas ... ziedaar, dáárom leven zij zoo fel voor u, daarom ontroeren zij u, hen ziende, nog meer soms dan die ùwer lévende maatschappij.--Intusschen: zelfs in gevallen, waar de invloed van oneindig-verschillende maatschappij-vormen en tijdsafstand _niet_ bestaat, is het niet waar, dat "er niets is, wat door een mensch gevoeld wordt, of een ander mensch kan het sterker of zwakker, ook wel voelen;" is het niet waar, dat dáárdoor een kunstwerk voor ons leeft en ons ontroert. Door hen, die van "Les Chants de Maldoror" _aesthetisch_ hebben genoten, is er niet één, die iets van sommige daarin geheelde gevoelens, sterk of zwak maar wèrkelijk voelen kan, want in iemand, bij wien dit wel het geval ware, zou onder het [p.116] lezen van dàt werk de bestiaal- en pervers-zinnelijke lust het aesthetisch genot onmiddellijk hebben opgeheven.

Ziehier dus een kunstwerk, waarvan het zelfs _gewenscht_ is, de erin gebeelde menschelijkheid niet te kunnen meevoelen, indien men er aesthetisch van genieten wil! Gelijk dan ook de ervaring leert, dat van sommige kunstwerken, in bijv. een revolutionnairen tijd ontstaan, en wier voorstellingen beeldingen waren van het revolutionnair voelen in dien tijd, wèl genoten werd door de menschen op de wijze van iemand wiens innigste meeningen en gevoelens door een ander worden goedgekeurd en toegejuicht, maar niet genoten werd datgene wat men _kunst_genot noemt. Dit laatste kon dan ook niet, juist omdat de menschen in dien tijd, de in dat werk gebeelde menschelijkheid _te sterk_ meevoelden! Eerst later kon men dan aesthetisch van zulk werk genieten.

"Keesje van Van Hulzen," zegt Kloos, "zal blijven leven, ook bij menschen die heelemaal niets meer weten van dezen tijd. Dat komt omdat hij het algemeen-menschelijke heeft vastgehouden." Een onwaarheid. Niet daarvan zal het afhangen of de latere geslachten "Keesje" zullen vasthouden. Het zal er integendeel van afhangen of dit speciaal-menschelijke, dit _kleinburgerlijke_ Keesje den lateren geslachten schoon genoeg zal lijken om vast te houden. En dat hangt weer af, behalve van _de artistieke kracht_[17] van den heer Van Hulzen, vooral van het speciaal-menschelijke dier lateren. Het kon wel eens gebeuren dat die lateren zoo vrij en zoo gelukkig waren, dat zij in het kleine Keesje niet zóó veel meer zagen, dat zij hem vasthouden wilden.

Dat schrijft Gorter op blz. 29, maar op blz. 27 vinden wij dit:[18]

Blijkbaar is valschheid, vuilheid etc. even eeuwig-menschelijk, en kunnen zij, als zij maar door een _groot kunstenaar_[19] worden beschreven, even eeuwig-mooi als reinheid en eerlijkheid zijn.

Hoe! en komt het er nu niet op aan of de lateren zoo oprecht en helder zijn, dat zij maar liever die valschheid [p.117] en vuilheid niet willen vasthouden? Komt het er nu alleen op aan, of die vuilheid en valschheid door een _groot kunstenaar_ worden beschreven? Maar, veroorloof mij: zou het óók in het geval van "Keesje" van Van Hulzen, instede van _"behalve"_ van des heeren van Hulzen's _artistieke kracht_, niet _uitsluitend_ daarvan afhangen of "Keesje" zal blijven leven, al dan niet? En zouden wij dan maar niet meteen concludeeren--o, onbescheiden vrager, die ik ben!--dat dit leven-blijven niet bedreigd wordt: noch door het vaak "onbeteekenende" en "onbeduidende" der levensgevalletjes, die een werk beschrijft, zooals Boccaccio's _Decamerone_; noch door het zonderlinge en vreemde, het gedeeltelijk ver buiten onzen tijd liggende der voorstellingen, zooals bij de _Sakuntala_; noch door het niet medevoelbaar Uebermensch-sadistische zooals bij _Les Chants de Maldoror_, maar dat dit leven-blijven uitsluitend en alleen afhangt van de _artistieke macht_, die het werk schiep, het _Scheppend Vermogen_, dat erin straalt, en of men _diens_ schoone bewegingen daarin zoo onvertroebeld en duidelijk ziet, dat men het "vast wil houden"? Het antwoord kan, dunkt mij, niet langer twijfelachtig zijn. En evenmin of 't wel juist was, toen ik zei, dat Gorter, gelukkig, soms zichzelf bestrijdt! Ik zal straks gelegenheid hebben u een andere volstrekt-afdoende zelfbestrijding van onzen schrijver te toonen, laat ons nu echter even een terugblik werpen en onderzoeken hoe Mevr. Holst en hij ertoe gekomen zijn, de door ons bestreden onjuistheden te zeggen. Wij dan hebben aangetoond of waarschijnlijk gemaakt, at de neiging tot het uitpluizen van "volslagen onbelangrijke levenssneden" gevolg is van den betrokken _kunstenaarsaanleg_; wij hebben waarschijnlijk gemaakt, dat deze kunstenaars juist als nabloei van het naturalisme verschenen, omdat zij daardoor gewekt zijn, daardoor pas tot schrijven zijn gekomen. Mevr. Holst niet aldus, zij wijt het bestaan dezer kleine kunst aan de scheiding van zedelijk en aesthetisch ideaal--terwijl wij hebben aangetoond, dat een kunstenaar _als zoodanig_, d.i. een _ziener en ontdekker der noodwendigheid_ niet door het eerste kàn worden beïnvloed--"want [p.118] zulk een ideaal geeft aan het leven _een zin"_[20] en "voor de burgerlijke kunstenaars, die dit misten"[21] wordt de wereld een ding om afgebeeld te worden, het leven "in de eerste plaats een ding om kunst van te maken."[22] En daar er dus voor hen geen zedelijk-sociale reden bestaat, om het een boven het ander van dat leven de voorkeur te geven, beelden zij ook het heel kleine en onbelangrijke en zelfs perverse af. En, ten slotte, wat heeft de scheiding tusschen zedelijk en aesthetisch ideaal bewerkstelligd? Antwoord: de kapitalistische _productiewijze_. Ziehier dus als oorzaak van deze haar aesthetische redeneering: de _historisch-materialistische_ gedachtegang.--Wij hebben aangetoond, dat kunst nimmer een gevoel van wrevelige neerslachtigheid voort kan brengen. Dat zij _immer_ daarentegen het gevoel van geluk, bewondering, opgeheven-worden voortbrengt. Mevr. Holst daarentegen beweert, dat hoe sterker zekere "burgerlijke" kunst een gevoel van wrevelige neerslachtigheid veroorzaakt, des te voortreffelijker is zij! Hoe komt zij tot een dergelijke bewering? Omdat onze schrijfster slechts de keus had tusschen twee dingen: òf te zeggen, dat dergelijke werken[23] als die zij bedoelt, _geen kunst_ zijn, 't geen zij vermoedelijk zelf een ongerijmdheid vindt, òf te zeggen, dat zij bij den lezer sentimenten produceeren niet alleen minderwaardig aan maar het tegenovergestelde van wat, volgens haar, de kunst alleen dier samenlevingen te weeg brengt, waarin zedelijk en aesthetisch ideaal wèl konden samengaan, waarin de kapitalistische productiewijze de scheiding dier beide niet had voltrokken. "Wrevelige neerslachtigheid" dus tegenover: geluk, bewondering, opgeheven worden.--Zoo gebood 't het _historisch-materialisme._--

Och, ik weet het, dit onderzoek naar de primaire oorzaak van de aesthetisch-critische meeningen onzer schrijfster mocht [p.119] eigenlijk overbodig heeten: weet niet ieder, die niet alleen de werken der dichteres maar ook der prozaïste Roland Holst gelezen heeft, dat zij niets schrijven kan of haar gedachtegang wordt door het historisch-materialisme bepaald en dus zeker, en in de allereerste plaats, haar socialistische aesthetiek? En wie trouwens zou zich daarover kunnen verwonderen? Het historisch-materialisme is nog betrekkelijk jong; als methode van verklaring der herkomst van den denk- en gevoels-inhoud is het in de handen dezer vurige socialiste een strijdbijl, waarvan zij van den ochtend tot den avond de snede beproeft. O erger--en verre zij 't van mij hiermede iets kwetsends te willen zeggen, ik wil slechts zonder schipperen de waarheid uiten zooals ik die zie--; zij als haar mederedacteur Gorter hanteeren de methode zoo er-op-verliefd, als een kind een zaag, die het pas gekregen heeft, die het niet één oogenblik uit de handen zou kunnen leggen: in de kostbaarste meubelen snijdt het krabben en krassen ... och de zaag is zoo mooi, hij is zóó scherp ... nu eens probeeren of je dit en dan weer of je dat ermee zagen kunt....--Maar wilt ge trots dit feit en niettegenstaande de historisch-materialistische premissen in de voorafgegane citaten uit Gorter open en bloot liggen, het toch ook bij hem, tenminste éénmaal, _aangetoond_ zien? Welnu dan: In zijn betoog, dat er 1° geen menschelijke aandoening in kunst gebeeld wordt of zij is door de productieverhoudingen gespecialiseerd--_waarin ik het volstrekt eens met hem ben_--en, 2°, dat die gespecialiseerde en door hem-zelf als half-verworden gekenschetste menschelijkheid de kern van kunst uitmaakt en onze bewondering, genot en opgeheven-worden veroorzaakt,--_'t geen ik een evidente ongerijmdheid acht_--slaat hij twee vliegen in een marxistischen klap. Want liet hij zijn laatstgenoemde stelling los, _dan liet hij daarmee de kunst uit de greep van het historisch-materialisme ontsnappen!_

Doch nu zij hiervan genoeg gezegd. Laat mij thans liever scherper omlijnen en als tastbaar maken, wat ik onder _Scheppend Vermogen_ versta en ook wat de oorzaak is, dat et nimmer geheel onvertroebeld in een kunstwerk kan verschijnen. [p.120] Want dit alles mag geen abstractie voor u blijven, lezer, gij moet het voelen en zien, als ik. Doch hier ontmoet ik een moeilijkheid op mijn weg: in vroeger werk heb ik reeds hierover geschreven, en ik geloof dat ik nu, mij-zelf herhalend, het eer slechter dan beter dan toen zou formuleeren. Zoo moge ik het dan, met terzijdestelling van een zekeren schroom, hier als citaat doen volgen:

"De kunst-scheppende Macht heeft geen _menschelijken_ wil of bewustzijn. Scheppend met het schitterendst vernuft, de diepste teederheid of heftigsten hartstocht van het gevoel, met de verrukkelijkste omvaming der intuïtie, verschijnt Zij den onbedachtzamen als menschelijk vernuft, gevoel of intuïtie, maar Zij is geen dezer, noch eene samensmelting van hen. Zij bevindt zich tezelfder plaatse als dit drietal: den menschelijken geest, máár--gelijk een meester onder zijne leerlingen. Haar bewustzijn, oneindig ver verheven boven het hunne, wordt door hen niet gekend. Uit de grondelooze diepten van haar Wezen doet zij de kleurrijke visioenen, de heerlijke vergelijkingen, de melodieuse rhythmen en de zoete saamklinkingen der harmonieën opwellen en deinen en blinken voor hun luisterende, voor hun ziende verlangen. Dit zijn Hare geschenken aan hen wier verheffing en geluk Zij beoogt. Van Haar leeren zij, aan Haar richten zij zich op. En moge het verstand haar vrijmoedigste, het gevoel haar schuchterste en aanhankelijkste en de intuïtie haar meest zielvolle en begenadigde leerling zijn, leerlingen zijn zij alle drie, en kunnen nimmer, wìjl zij 't zijn, zelfstandig werkend, zóó pure, zóó heil-verleenende wijsheid winnen, als die hun uit hare handen daalt. Want Zìj is de absoluut-volmaakte, de voortbrengster van vlekkelooze werken, de groote Vereenster, de Oneindige Liefde. Niet alleen in den menschelijken geest bevindt Zij zich, en kan als zoodanig de kunst en wijsheid voortbrengende Macht worden genoemd, maar in alles wat is, is Zij, en wij allen noemen Haar dan Natuur of God. In den aanvang, zoo ik met mijn armelijke woorden van haar werken mag spreken, doet Zij de atomen tot een wereld samensnellen, dan, wanneer zij verbonden zijn tot een aarde, [p.121] blijde tot 't baren van schoonheid bereid, drijft Zij uit haar de wezens omhoog. En is onder dezen de mensch verschenen dan doet Zij uit hem--die geestelijke aarde--de kunstgewrochten, de wijze gedachten en alle de geestelijke verheugingen opbloeien, 't Is dan of Zij, voor 't eerst, hem wil inwijden in 't geheim van haar scheppend vermogen: uit hem, mèt hem, baart Zij een nieuwe wereld, eene afschijning van gene, die Zij alleen schiep; een nieuwe aarde vol geurende bloemen en zingende vogels, vol wezens als dieren en menschen rijst in 't licht.... Zóó ontstond al de waarachtige wijsheid, de waarachtige kunst, àl dat onnoemelijk kostbare, dat de menschheid uit de handen der menschheid ontving.

"En echter, hiermede treedt haar scheppen eene nieuwe phase in: _de volkomenheid van haar werk verdwijnt_. Want hier ontmoet Zij voor 't eerst een bewustzijn, buiten het hare, oneindig ver onder het hare en toch genoegzaam ontwikkeld, niet alleen, om náár haar werk te grijpen, maar storend te kunnen ingrijpen. Dat bewustzijn, welks wanen Zij liefdevol duldt, opdat het eens tot hare goddelijkheid zal kunnen stijgen en die deelachtig worden, gelooft zelfs vaak haar arbeid de zijne en meenend die nog te verbeteren, verderft het hem. Dàt is de reden, waarom elk kunstwerk, ook van den voortreffelijksten kunstenaar, onvolmaakt is: hij is nimmer in die mate voortreffelijk kunstenaar, dat hij er in zou kunnen slagen, zijn _menschelijk_ bewustzijn te weerhouden, in te grijpen in het werk van het _Natuurlijk Bewustzijn, dat in en door hem schept_. En alles, wat zijn onvolmaakte geestelijke krachten kunnen vlechten door de schepping der Natuur heen, _moet_, dáárbij vergeleken, leelijk zijn, _omdat_ het uit ònvolmaakte krachten werd geboren, terwijl daarentegen het werk der Natuur schoon _moet_ zijn, _omdat_ het uit volmaaktheid het aanzijn kreeg."[24]

Maar wat nu de waarneming van de _bewegingen_ van het Scheppend Vermogen betreft, zoo fel, zoo duidelijk gezien, dat zij zich voor de oogen van den waarnemer verzinnelijkten [p.122] tot die van een mensch; van den mensch in wien het zich openbaarde; zóó gezien, dat ge niet langer kùnt denken, dat de mogelijkheid dier waarneming een cerebraal geconstrueerde abstractie van mij is; zóó, dat ge 't mee moèt voelen; dat ge zegt, met stralend-opziende oogen: ja nu doorvoel ik 't alles, nu zie ik 't--daarvan zou ik u tallooze voorbeelden uit 't werk van groot-visionnaire, zoowel als van scheppend-analytische critici kunnen toonen. Maar ik geloof, dat één voorbeeld, een schitterend, zal volstaan. Het is van den meester, voor wien, zoo hij weer wilde spreken, Scharten, zoo terecht, wel veertig anderen wilde doen zwijgen:

Drie uiterste belang-stellingen hebben zich in mij opgericht:

Ten eerste eene van algemeene en onvermengde emotie-oplettendheid, verbeeld-verlichamelijkt: het roerloos en angstig-heerlijk staren _naar de vreemde en hooge bewegingen, naar de sublime toeren van deze nieuwe ziel; hoe hij staat, dit wondermensch_, en het leven omhuivert hem met pijnlijk vervoerende vlagen....

... zacht lichtend, bevend leven, dat een grond wordt, een zachtjes en zoetjes kabbelende grond, een grond van zee _waar hij gaat hoog op, waar hij gaat ongedeerd, en de golven liggen sluik neer, als honden aan zijn voeten_....

... _hoe hij gáát, en zacht-breed bewegen, als bol hangende etherische goudene tapijten de luchten_....

... _hoe hij het leven bewoont als een koning_, zijn rood-gouden levenspaleis, waar alles wondert en hemelt....[25]

Zéker, zóó zijn de bewegingen van die ziel der ziel, van het _Scheppend Vermogen_, wellicht door geen tweede gezien; zóó zèlf doorgloeid van geluk heeft geen ander die goddelijke bewegingslijn geteekend ... dat ook de teekening werd een lijnen-spel van parelend licht. Maar toch ... wil ik u even den weg wijzen en u een werk noemen van den allerlaatsten tijd? Ook Querido's _Geschreven Portretten_, zij zijn er pràchtig van, van dat _niet_ vóóral zien van het _werk_, maar van het _Scheppend Bewustzijn en zijn bewegingen_, waardoor het werk is ontstaan.--Maar ge vraagt mij wellicht, of [p.123] dan ieder mensch zekerlijk in kiem reeds iets in zich heeft wat met dat Bewustzijn is verwant en hem in staat stelt het te begrijpen, lief te hebben?--Och, zou er dan wel één mensch zijn, die geen schepper is, hoe klein ook, al droomde hij in zijn hééle leven maar één schoonen droom van verlangen? _Kent gij één kind, dat geen schepper is_?--Wat betreft de ontvankelijkheid voor inspiratie is er dan ook tusschen kunstenaar en niet-kunstenaar geen essentieel verschil, slechts een gradueel. Alleen wat de uitingsmacht betreft is er een essentieel onderscheid. Maar dit kan den niet-kunstenaar toch niet verhinderen te genieten van het geuite, of óók van wat hij wel niet uiten kan, maar in hem leeft: zijn èigen droomen? _There are many poets who have never penned_, welk een diep woord was dat!--Ongetwijfeld zijn er eigenschappen, die zekere menschen kunnen beletten, het Scheppend Vermogen lief te hebben en ervan te genieten, zooals verstomping, te geringe of te eenzijdige ontwikkeling, maar nimmer kan door maatschappij-wisseling en veranderde productieverhoudingen deze hoogste Natuurkracht-zelf, gelijk zij zich manifesteerde in vroeger tijd, in een lateren onmedevoelbaar worden, omdat ook zij verouderen zou. _Zij_ is niet als de menschelijke drijfveeren en gevoelens. Zij is onveranderlijk. Niet om niets noemden de bijbelsche dichters zich profeten, van God bezielden. Zij waren het, zóóals nog elk waarachtig kunstenaar het is en zijn zal, immer. En ook zij waren als mensch, in hun lagere persoonlijkheid, vaak zwak en zondig, zóóals de kunstenaars van elken tijd, omdat zij àllen wel begenàdigd door het Scheppend Vermogen maar daarom nog die Vlekkelooze-zelf niet zijn! O zie toch, zie toch, hoe dit alles juist en licht en klaar is, en hoe véél, hoe 't bijna àlles verheldert.... Maar indien ge nu ziet, wat de eeuwige kern der kunst is, hoe zoudt ge er dan vrede mee kùnnen hebben, dat het historisch-materialisme zich mengt in de critiek dier kunst. Luister even, hoe Gorter, de uitmuntende kenner ervan, het kenschetst:

Het historisch materialisme is geen filosofie, het spreekt niet als het filosofisch Materialisme of Idealisme van het wezen [p.124] van geest en stof, het spreekt _over den inhoud van_ het denken en het toont aan, hoe het komt dat in een bepaalden tijd door bepaalde menschen zóó en zóó gedacht wordt, de inhoud van het denken zoo en zoo is en zoo en zoo verandert.[26]

Welnu, vraag ik u, de hoogere literaire critiek zal toch wel de kritiek op, de beschouwing van het _hoogste_, het _meest essentieele_ bestanddeel der kunst zijn. Háár taak zal het ongetwijfeld toch zijn aan te toonen, waar dàt in wáárheid en waar slechts in schijn aanwezig is. En over het wezen van dat hoogste, hebben wij gezien, verspreidt de kennis van de herkomst van den denk-_inhoud_ niet het minste licht, en ook de bewegingen van dat hoogste vertoont die kennis ons niet. Wat zou òns dan, die kunst-critiek niet met kunstgeschiedenis wenschen te verwarren, het historisch materialisme ter versterking der eerstgenoemde kunnen baten!

"Dus," hoor ik Mevr. Holst nu spottend vragen:

Daar bij dat andere, hoogere begint pas het werk van den hoogeren aestheticus...; daar waar het leven eindigt; achter, buiten, boven de eigenschappen en omstandigheden die, meenen wij, het _geheele_ menschelijk zijn uitmaken, buiten of boven welke _het niet bestaat_?[27]