Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 12
En, juist Mevrouw, antwoorden wij gelaten, zeer juist, daar begint het pas. Want niet _het_ leven eindigt daar, maar slechts 't leven, dat gij in uwe marxistische reageerbuizen, uw historisch-materialistische weegschalen en microscopen kunt oplossen, wegen en bespiedend ontleden. _Het_ leven kunnen wij niet ontleden, wij kunnen zijn wezen slechts synthetisch zien, met onze ziel, en daarna kunnen wij verhalen van hoe het bewoog, hoe het schitterde, hoe het scheen terug te wijken, wegdonkerde en verdween, en dàt verhaal kan een analyse zijn, maar het is er dan ook slechts eene van de bewegingen, de handelingen, niet van het wezen. O, Mevrouw, ook al hadde Mozes alle de boomen van het doornbosch omgehouwen, waarin de Godheid, hem verschijnend, brandde en elk takje doorsneden en onderzocht, hij had de [p.125] goddelijke essentie daardoor niet kunnen vinden, integendeel: verder dan ooit ware hij daarvan verwijderd geweest, omdat _zijn aandacht zich dan in 't bijkomstige en betrekkelijk onbelangrijke zou hebben verloren_. Hij deed beter: hij knielde neer in een vrees en liefde, die ook een zaligheid en een verrukking was; hij zag, zàg en dronk zich vol de ziel, en uit die rijke ziel kon hij zijn volk toen veel leeren en verhalen. En dat was voldoende.... Gij spreekt van het "buitenmaatschappelijke en ondoorgrondelijke".... Welnu, juist, daar ligt de grens, waar dat leven begint....
Wijs mij één critiek, een eindelóósheid van historische en biographische bijzonderheden overhoop halend, die heller, neen even hel, u het Scheppend Vermogen eens kunstenaars laat verschijnen, dan deze _uitsluitend-literaire_ van Van Deyssel u den Gorter der sensitivistische verzen vertoont.... Gij kunt het niet!
En wat is dan ook natuurlijker dan dit! Gij zoudt toch niet willen beweren, dat de zonnegloed op gindschen bergtop vulkanisch uit den aard-afgrond komt opgestegen?! Welnu, wat dringt ge mij het historisch materialisme dan op, deze _geologie_ der maatschappij, ter verklaring van het hemellicht op hare toppen!... Zou dáárom de historisch-materialistische literatuur-critiek de "hoogere" zijn, omdat zij zooveel overhoop haalt? O, ik begrijp, dat zij door haar "gedocumenteerdheid" en gewichtigheid op naïeve en jonge geesten dien indruk maakt! Maar _is_ zij het daarom? Slechts hij, dunkt me, kan hierop een bevestigend antwoord geven, die door den rijkdom en de veelheid harer middelen overbluft, niet ziet, dat zij trots al die middelen, ja daardoor, haar dòel mist.--Er _is_ één middel: de aangeboren gave van den scheppend-critischen kunstenaar. Die bestaat dáárin: iemand te zijn, wiens psychische inhoud en wiens uiting op hun beurt het doornbosch zijn, waarin brandend het Scheppend Vermogen verschijnt, zoodat ook dáár iets onvergankelijks staat en de ziel van den aanschouwer zich zelf ziet verlicht, en niet slechts gewaar wordt, dat haar wetens- en gevoels_inhoud_ is uitgebreid, maar in waarheid, zij 't voor nog zoo gering een [p.126] deel, haar _potentie_ om te voelen en te weten; dat niet slechts het bezit van haar wezen zich heeft vergroot, maar haar wezen-zelf openbladiger is ontloken. Door een kunst-critiek, die dit is en dit veroorzaakt, voelt de lezer dus niet vooral wàt en hòe het "behandelde" werk is, maar hij voelt in de alleréérste plaats wat en hoe het geluk is, dat het hem kan geven: hij voelt iets gelijk_soortigs_ aan dat geluk.
Welnu, zegt ge hier allicht, ik voel wel iets voor uwe beweringen, maar zie, indien ge nu zoudt doen wat ge beloofd hebt; als ge mij nu kondt laten zien, dat Gorter-zelf zijn meening afdoende heeft bestreden: dat de critische _kunstenaar_ in hem klaarblijkelijk zelf het historisch-materialistisch hulpmiddel overbodig en te ontberen acht, dan--ja dan zou het wellicht iets meer dan een ervoor-voelen worden.--Welnu, ik verlang niets liever, ziehier:
Niet minder dwaalt Kautsky als hij in zijn gedenkschrift over Marx zegt dat de Duitsche kunst van Goethe en Schiller de Engelsche overtrof. Zulk een oordeel bewijst hoe weinig groote poëzie wordt verstaan. De groep Wordsworth, Coleridge, Keats, Shelley overtreft de groep Lessing, Schiller, Goethe en,--daar in de poëzie de daad geldt, niet de aanleg--Shelley staat als een toren boven Goethe. Dat zegt niet alleen de _zekerheid van een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald_, maar het _verstand dat van Marx geleerd heeft waardoor poëzie groot wordt_[28].
Gij ziet natuurlijk duidelijk, dat Gorter hier "het verstand dat van Marx geleerd heeft" best had kunnen thuislaten, indien hij dat, zonder vader Historisch-Materialisme in diens zoontje te beleedigen, maar had kunnen doen. Want dat verstand, dat van Marx geleerd heeft, is--Gorter zal wel de laatste zijn om het te ontkennen--in zulk een verreweg grooter mate van geschooldheid en kracht in den grooten internationalen theoreticus der sociaal-democratie Kautsky aanwezig dan bij hem, dat hij daaraan onmogelijk recht en [p.127] moed had kunnen ontleenen, om zich autoritair tegenover dien te stellen. Dat zou dan ook niet in hem opgekomen zijn. Maar er was iets anders: zijn groote Onbewustheid, de sterke kunstenaar, die in hem leeft, drong hem den weg naar de waarheid op. Hij voelde dat er iets ver boven "dat van Marx geleerd hebbende verstand" bestaat, dat wel in hem, maar niet in Kautsky is, en dat _dit_ hier, in _kwesties van kunst den doorslag had te geven_. En in weerwil van zichzelf roept hij 't dan trotsch en triomfantelijk uit--en hoor de heerlijke aandoening beven in zijn woord:--"dat zegt de zekerheid van een hart, dat tegenover poëzie nooit heeft gedwaald."--O, dus dat is het, waardoor men in deze zaken, de kern, de waarheid, het wezen ziet.[29] O, Gorter en gij lezer, zijn wij het allen nu niet eens? En zouden wij hem niet evenzeer hièrvoor danken, als voor al het heerlijk werk van het Onbewuste, waarmede hij zoo ontelbare dagen van ons leven heeft doorzond, hij zoowel als zijn groote medestrijdster en medekunstenares, wie wij niet minder dankbaar mogen zijn, al is zij niet zoo Muziek als hij, niet zoo groot-naïef als hij, niet zoo "adamisch" dichter, in één woord: niet zoo geniaal als hij; want in één prachtige eigenschap althans zijn zij even machtig. Laat mij even zeggen, wat ik bedoel en daarvan denk. Het is mij zoo wèl, van hun groot kunstenaarsschap, ook in de door mij bestreden verhandelingen, te mogen [p.128] spreken, nadat ik zoo straf hunne meeningen daarin verwerpen moest.
Geloof is _geprosterneerd_ denk-voelen, maar dat denkvoelen uit zijn knielhouding weer verrezen, is het _gesublimeerde_ boven al zijn broeders. Oòk over zijn wit verteerd gelaat, zijn emotief vermagerd en ingetrokken gelaat, maar in zijn groote als roerlooze vijvers dóórklaarde oogen het diepst, ligt de onwankelbare zelfgerustheid, de ondeerbare in-zich-zelf-vrede, zóó als over het gelaat en in de oogen van een mensch, die diep-verdroomd en in zijn God verloren, gebeden heeft en daarna opwaakte, om zijn dagtaak te hernemen. Aldus ook knielde het denk-voelen dezer beide dichters voor de Socialistische Idee, het verdroomde zich erin, het verloor zich erin.... O, lezer, het is niet de God, aan wien men zich overgaf, die den vrede en de zelfgerustheid schenkt, het is de _overgave_.... Het is het zich-verdroomen, het zich-zelfvergeten in Iets ... een Idee, een God, een Mensch... Toen het opstond was het gesublimeerd; over zijn gelaat en in elk zijner woorden en over zijn gebarende handen en over alles, àlles, lag dàt. Het dwaalde, maar hoe had dat zijn schoonheid, zijn noblesse kunnen deren! Het was immers de zelfgeruste, de in zich-zelf volmaakt-vredige en volgroeide _subjectieve_ waarheid. Toch uitte zich die op zeer ongelijke wijs, gelijk trouwens vanzelf spreekt, bij beide dichters. Slechts de zelfgerustheid, verkregen door de overgave aan dezelfde idee, diè eigenschap hadden zij gemeen. Overigens ... Mevrouw Holst's scheppingen zijn een woud gelijk, dat, zèker, zon vangt op zijn dichte looverkronen, maar de gronden schaduwig maakt. Gij loopt in halflicht; luister, daar floot een verre vogel ... een eenzaam geluid.... Ge hoort nog even na en weer staat ge stil en ziet schuw ter zijde en houdt uw adem in.... Vluchtte daar geen bevallig wezentje, even gezien? kort ritselde het geblaarte... En weer is alles geluidloos.... Het is hier alles zoo stil, zoo roerloos ... het is in ten-hemel-streving verstijfd.... Het is één donkere in zich gekeerde ernst.... Gij zijt hier de eenige, die weet te [p.129] kunnen lachen en de oogen tintelend bewegen.... Wat ge op de gronden ziet en op den roerloozen voet der stammen, het zijn de fluweelzachte, effen mossen der zonlóóze vruchtbaarheid....
Anders Gorter's levenswerk.
Een lupine-veld, klaterend-geel, 't is zonnig, zonnig neerwaarts van den stralend-blauwen hemel naar het gele veld, opwaarts van het veld naar den hemel ... het klaterende veld juicht u de zon in het gelaat. O, welk een zomer, welk een hoogzomer, wat levenskracht om ende om, waar ge ziet, waar uw stralende oogen zien.... Zwermen van tierelierders en fluiters wieken uit het gele omhoog.... En meer nog, meer.... Hoevelen zitten daar wel verscholen in die bezonde bloemen....
Gorter is een ééngewordenheid van fel zonlicht en muziek. Zijn licht schalt, zijn geluid straalt.
Mevr. Holst's stem is die der vaste, maar stroef-, maar moeilijk-verworven zekerheden. Er zijn geen groote verheffingen, geen dalingen in, er is één effen hoogheid, maar vaak komt er toch ook iets héél innigs beven in die stem.... Zij kan dan de zachtheid van haar vrouw-zijn niet weerhouden.... Ingetogen slaat die hare sluiers even terug. Een streeling van de hand, een innige blik....
Mevr. Holst: een vrome Zuster aan de sponde van het proletariaat, haar worstelingen zijn gestild ... zij kent het leed èn de uitkomst; zij is kalm omdat zij zèker is....--
Gorter: een veldheer van den nieuwen kruistocht; hij haast, jacht voort, midden zijn glorieuse woordenstoeten. Ook hem lokt de rijke stad op de heuvelen, de ochtendstad in de dagende verte. Hij gunt zich geen respijt, hoor de hijging van de borsten zijner paarden, de klettering van den razenden galop. De vaandels stroomen in dien stormgang als amazonenhaar in het gouden licht. Hij gunt den vijand geen rust en geen herstel. Hij drijft hem voor zich uit, om hem ten doode toe te kneuzen en te pletten tusschen de heilige stad en zijn aanstormende cohorten. De lippen zijn opeengeklemd van energie-drift, de adem stokt, het is een ademloos [p.130] leven van voortijlende haast, en èven voor het bereiken, straalt al dat leven nog eens hooger op in de vast-starende, in de prooi-fixeerende oogen.... Dan is er de botsing, eindelijk, de omarming van den haat, de ontslaking al dier ingetoomde kracht in een uitstroomenden klankendonder, een verscheuren met wapens en met tanden....
O, die geweldige, aangehouden polemische kracht van den grooten Gorter. Ik heb op manlijken leeftijd van zijn ónpersoonlijken, zijn prachtigen haat genoten als nauwelijks in mijn jeugd van zijn liefde en zijn Mei....
Maar laat ons nu hier eindigen, doch niet dan na ons te hebben voorgenomen, in het volgende óók naar de volledige opheldering te streven van _hoe_ dit zijn kan, 't geen wij ook zooeven hebben gezien: dat men een werk hevig bestrijden én tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan.
* * * * *
NOTEN:
[1] Voor de eerste maal gepubliceerd in _De Gids_, 1913--'14.
[2] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[3] Den burgerlijken kunstenaar.
[4] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[5] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 500.
[6] Waarom dit zoo is wordt later in dit opstel verklaard.
[7] Of de schrijver met het beelden dier anti-socialistische gezindheden en personen een pro-socialistische "tendenz" had, doet _thans_ natuurlijk niet ter zake. En trouwens bij Querido is behalve in "Levensgang" ook van zulk een tendenz geen sprake.
[8] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 505.
[9] Dit alles wil natuurlijk volstrekt niet zeggen, dat kunst geen zedelijken invloed op den aanschouwer uitoefent! Integendeel: _alle_ kunst, ook de "onzedelijke," heeft, indien zij _als kunst_ wordt genoten, een hoog-zedelijken invloed. Zij kweekt altruïsme: _De verrukte aanschouwer heeft de vermogens van den door hem bewonderden kunstenaar lief, en vergeet_, zij 't voor korten tijd, _zich-zelf voor hem en zijn werk_.
[10] Ik citeer uit De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 16. Het is daar overgenomen uit Nieuwe Litt. Gesch. III blz. 44.
[11] De Nieuwe Tijd, 1909, blz. 17--18.
[12] Ibid. blz. 18.
[13] Ibid. blz. 22.
[14] Ibid. blz. 31.
[15] De Nieuwe Tijd, 1909. blz. 27.
[16] Algem. Hbl., 9 januari 1913.--De schrijver voegt er nog, m. i. zeer terecht, aan toe: "Het is een gevolg van propagandistischen ijver."--
[17] Deze cursiveering is van mij.
[18] De Nieuwe Tijd, 1909.
[19] Cursiveering van mij.
[20] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 492.
[21] ibid.
[22] ibid.
[23] Onder die rubriek valt zeker: Henri Hartog's _prachtig_ "Sjofelen"; veel uitmuntend werk van Coenen; ongetwijfeld veel werk van Van Deyssel en, last not least, menig stuk van Van Looy!
[24] Schetsen en Critische Opstellen, blz. 161--163.
[25] L. van Deyssel, derde bundel Verzamelde Opstellen, blz. 61 e.v. (Over Gorter's Sensitivistische Verzen). De puntjes wijzen aan, waar ik hier niet ter zake doende gedeelten uit den tekst heb gelicht. Cursiveering van mij.
[26] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 408, e.v.
[27] De Nieuwe Tijd, 1906, blz. 13.
[28] De Nieuwe Tijd, 1908, blz. 369, e.v.--Cursiveering van mij.
[29] Er is overigens, in dat tusschenzinnetje "_daar In de poëzie de daad geldt, niet de aanleg_," nog een van die typische denk-fouten welke door het marxistisch-aesthetisch denken vooral veroorzaakt worden, de meening namelijk, dat de kunstdaad nog iets anders zou kunnen weerspiegelen dan de aanleg, dat de daad bijv. kleiner zou kunnen zijn--zeg bijv.: door neerdrukkende omstandigheden--dan de aanleg, die immers niets anders is dan de potentie van den _kunstenaars_geest. Gorter verwart hier weer de stof, waarin de daad zichtbaar is geworden met de daad-zelf, d.i. de beweging van den kunstenaarsgeest. Wat hij de daad noemt, is in waarheid het _product_ van de daad. Dit product weerspiegelt de daad èn de worsteling van de daad met de stof èn met de haar weerstrevende omstandigheden, maar die daarin dus névens al het andere zichtbaar geworden daad-zelf, in haar bewegen: hoe zij _worstelt, overwint of succombeert_, is alleen en uitsluitend de zuivere spiegel van de grootte, de macht of de zwakheid van den aanleg. Men kan dus niet zeggen, "dat in de poëzie de daad geldt, niet de aanleg," alsof uit beiden iets verschillends zou kunnen blijken!
* * * * *
HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.131]
II.
Mevr. Holst's Rousseau. (_Literair_-critisch beschouwd).
De _literaire_ critiek toetst _nimmer_ eens schrijvers _subjectieve waarheid_, gelijk die haar in een werk blijkt te bestaan, aan _eenige andere waarheid haar van elders bekend_, om daarna, al naar het resultaat dier toetsing, het werk goed of slecht te noemen. Neen, zij toetst--hetzij verstandelijk en meer koel-analytisch, hetzij emotioneel-omvattend en meer synthetisch--het _te beoordeelen werk_ aan die _subjectieve waarheid_, en onderzoekt _hoe_ deze zich daarin uit. Want zich uiten in een werk, dàt doet zij altijd. Het is alleen de vraag op welke wijze. Uit zij zich, ònbestreden, ònweerstreefd door het lager bewustzijn des schrijvers, èn voortgestuwd en bestraald door zijn Scheppend Vermogen, dan is het werk kunst. Uit zij zich daarentegen bestreden en weerstreefd door het lager bewustzijn, dat iets anders dan haar voor de subjectieve waarheid wilde doen doorgaan, dan is dat werk niet alleen geen kunst, maar 't is ook een vervalsching. Maar evenzeer geen kunst is zulk werk, of dat gedeelte van een werk, waarin het lager bewustzijn, volkomen te goeder trouw, en juist om de subjectieve waarheid, naar het meent beter te verwoorden, die uiting verminkt en veronecht. Doch zoo eenvoudig als dit alles nu in theorie er uit ziet en zoo simpel [p.132] 't zich zeggen laat in 't algemeene, zoo eenvoudig is 't niet in de praktijk en in zijn toepassing op 't bijzondere. Want er zijn wel ontelbare werken, die geheel en volstrekt niet-kunst zijn, doch er is niet een wellicht, gelijk wij reeds vroeger gezien hebben, dat volmaakt kunst is. En er is ten slotte wel slechts één oorzaak waaròm een werk geen of slechts gedeeltelijk kunst is: zijn niet of slechts gedeeltelijk voortgebracht zijn door het "Onbewuste," d.i. de Scheppende Natuurkracht, maar de redenen die deze dit hebben belet, kunnen vele en zeer uiteenloopende zijn. Laat mij u slechts nog een drietal van de allervoornaamste noemen:
Het _van nature_ psychisch onvatbaar zijn voor de inwerking van dàt Scheppend Vermogen, noodig om diè zekere subjectieve waarheid in kunst te herscheppen. (Bijvoorbeeld: een lyricus, die van eene in hem levende voorstelling, tot wier ver-beelding het episch Scheppend Vermogen wordt vereischt, kunst maken wil).
Het _verstelseld_ of _verdogmatiseerd_ zijn van het lager bewustzijn, zonder dat de voorstellingen enz. aan dat dogma of stelsel verbonden, geëigend zijn, door het in die persoonlijkheid werkend Scheppend Vermogen te worden ver-beeld.
Een _te_ critische gesteldheid van het lager bewustzijn, waardoor de door- en uitvloeiing der inspiratie te zeer bemoeilijkt, soms volkomen en voortdurend verhinderd wordt.--
Zoo verschijnt ons de taak der literaire critiek als een zeer verwikkelde en uitgebreide. Zoodra zij met een kunstwerk te doen heeft, vervalt die taak in twee groote deelen: kenbaar te maken aard en beweging van 't kunst-_scheppende_ Hooger Bewustzijn èn aard en beweging van het ingegrepen-hebbend kunst_bedervende_ lager bewustzijn. Wel beschouwd is dus de literaire critiek een bij uitstek mensch-beeldende kunst. Immers óók de synthetische aanvoeling van het Scheppend Vermogen, benevens zijne bewegingen, synthetisch of analytisch doorvoeld, kunnen meestal niet anders dan vermenschelijkt worden ver-beeld. Is het te beoordeelen werk-zelf van critischen aard, dan verandert dit niets aan de zaak--in theorie! In de praktijk blijkt dat wel anders: instede [p.133] van het werk uitsluitend aan des schrijvers subjectieve waarheid te toetsen, toetst menig criticus die waarheid weer aan een andere--ten slotte zijn eigen, óók louter subjectieve, want meestal _niet_ te _bewijzen_--waarheid. De literaire recensent, die zich hieraan schuldig maakt en aldus van den m.i. juisten weg afwijkt, doet te veel en maakt daardoor zijn arbeid minder betrouwbaar en minder waard. Want hij loopt alle kans, als de waarheid van den door hem beoordeelde en de zijne niet overeenkomen, dat ontstemming en toorn over het z.i. onjuiste oordeel, hem ook de zuiver-aesthetische waarde van het werk te laag zullen doen aanslaan. Ik zelf, die dit alles hier hekel, zou er nochtans niet voor kunnen instaan, niet in dezelfde fout te vervallen, indien er geen afdoend middel bestond, zich daartoe de gelegenheid te benemen. Want het is niet te ontkennen, dat een kunstwerk van _critischen_ aard daar veel meer aanleiding toe geeft dan een ander: van en betreffende de _bijzondere_ menschelijkheid eener in bijv. een roman geheelde figuur, heeft de criticus allicht geen vast-omlijnde apriorische voorstelling of oordeel, hij toetst daarom zonder vooringenomenheid het beeld-in-'t-boek aan des kunstenaars subjectieve visie, en zoo hem dan het een 't ander blijkt te dekken, d.i. zoo hem de _noodwendigheid_ in de _beelding_ blijkt, noemt hij 't beeld goed en kunst. Maar van den aard en de waarde van een werk dat, of eener historische figuur, die in een kunstwerk van critischen aard wordt voorgesteld, hebben de meeste beoordeelaars wel degelijk eene apriorische opvatting, voor welke zij vaak niet kunnen nalaten te strijden. En dikwijls liggen hieraan de nobelste sentimenten ten grondslag, zooals de groote liefde voor een figuur, die zij onjuist beoordeeld achten, maar waar die sentimenten toch in _die_ sfeer misplaatst zijn, veroorzaken zij somtijds zeer ignobele gevolgen. Het is daarom wenschelijk, dat een kunstcriticus indachtig aan het feit, dat hij een--meest zeer impulsief--mensch is, zich-zelf de gelegenheid beneme, zich al te klein-menschelijk te gedragen. En hieraan is het mede toe te schrijven, dat ik, nu ik ook Mevr. Holst's _Rousseau_ in deze studie zal behandelen, mijn taak in twee scherp-gescheiden deelen zal splitsen. Ten [p.134] eerste: in dit hoofdstuk het toetsen van haar werk aan de in haar geest aanwezige beelden, het beoordeelen van haar essai dus als literair kunstwerk--den lezer zal het nu ongetwijfeld duidelijk zijn, _waarom_ men "een werk hevig bestrijden en tegelijkertijd warm bewonderen, groot vinden en liefhebben kan"--; ten tweede: het toetsen van _haar_ waarheid omtrent Rousseau aan _mijne_ en de mij van elders bekende en te bewijzen waarheid, het beoordeelen van haar essai dus als biographischen, critischen en psychologischen arbeid, in het vólgend hoofdstuk. Zoodoende zal, hoop ik, de bestrijder-in-mij der marxistisch-aesthetische theorie en der daaruit voortvloeiende meeningen, den literairen criticus niet interrompeeren, wanneer deze nu zal pogen zijne groote bewondering en luttele bedenkingen zuiver uit te spreken, en anderzijds de literaire criticus, tevreden, dat hij die bewondering heeft kunnen uiten, zijn tweelingbroer, den bestrijder, niet remmend beïnvloeden. Zeker, het had kunnen gebeuren, dat de literaire criticus tevens die bestrijder had moeten zijn, in het geval namelijk, dat _door den socialistisch-aesthetischen invloed_ wèrk en sùbjectieve waarheid elkaar niet zouden hebben gedekt. Dat is hier echter niet, althans niet bewijsbaar, het geval. _Onweerlegbaar aan te toonen_, dat er eenige waarheid aanwezig was in de schrijfster, welke het Hooger Bewustzijn niet kon uiten, ten gevolge van dien invloed of eene der reeds vroeger genoemde oorzaken, is m.i. niet mogelijk.
* * * * *
Dit werk dan, allereerst voortreffelijk en van een zoete bekoring door het statig ruischen van den diepen psychischen ondertoon der schrijfster, die alle fijnere modulaties in de hoogste mate natuurlijk en ongedwongen uit zich laat opwellen--dit boek opent met een zeer eenvoudige en nog schetsmatige uiteenzetting van den kerkelijken, economischen en politieken toestand der stad Genève ten tijde dat Rousseau daar werd geboren. Maar in die uiteenzetting leeft al iets van de omglorieïng der dingen door den dichtergeest, en reeds op het einde dier weinige bladzijden bloeit die diepe [p.135] aandoening open, welke zich van dan af, nacht of dag der kunstenaarsziel mogen over het werk heerschen, niet meer sluiten zal: Een avondplein in Genève. Bij het uitschietend en weer krimpend tooverlicht van rood-gouden flambouwen, hebben de burgerwachten van het vrij en democratisch gemeenebest hun gemeenschappelijk avondmaal genoten. Een rijke vreugd rijst hoog in de harten, de vreugd van als broeders samen te zijn; vrouwen en kinderen komen hun deel van het feestgeluk halen en mengen zich onder de groepen. ... Er wordt een reidans gedanst en liederen gezongen ... O, de beschrijving van dit tafereel is in haar soberte zóó voortreffelijk; de psychische onderstroom voert zoo zonder inspanning die visioenen voor mijn oogen.... Maar deze deinzen nu, er is een open ruimte, en zie nu, zie ...er komen woorden als voorzichtige en zegenende handen, hun aanraking sterk èn teer van liefde, ze toonen mij een kind, niets dan een kind, een "bruinoogig, sierlijk knaapje".... Maar een ontroerd vrouwegelaat zie ik boven zijn hoofd, oogen, die mij glanzend, trotsch-gelukkig en suggestief aanzien, en ik versta plots in vollen omvang, wat dit gelaat mij zegt: hoeveel dit kind voor de menschheid zal beteekenen. Mijn hart zwelt den kleinen uitverkorene tegemoet. Het is Jean-Jacques Rousseau.--