Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 13

Chapter 133,576 wordsPublic domain

En dan volgen de zes-en-dertig schoone bladzijden over zijn jeugd, één zoete, innige melodie, maar--als door een fluit een nachtegaal nagefloten. Voor wien de nachtegaal-zelf te voren heeft gehoord!... Want het beeld van Rousseau's jeugd, zooals het in _Les Confessions_, dat stylistisch wonderwerk van subtiele zelfbeluistering, tot ons is gekomen, is niet louter een brok autobiographie, dat _elk_ later dichter, die de voor de verwerking dier stof geschikte vermogens bezit, zou kunnen benuttigen, om er zijn eigen schoonen droom uit te _scheppen_, maar het is _zelf een subliem gedicht_, dat den lezer, en zeer zeker den bewerker, niet alleen materiaal aanbiedt, maar hem ook noodwendig beheerscht, door de artistiek-geniale doorlichting en verheerlijking van dat materiaal, zoodat tenzij die bewerker een Rousseau verre [p.136] overtreffend genie bezitte, dat dezelfde stof nòg heller doorlichten, nòg schoener en ànders gezien in kunst zou kunnen beelden--vrijwel ondenkbaar in dit geval--hij zich niet slechts niet zal kunnen vrijmaken van die overheersching, maar zich zelfs wel wachten zal voor eenige poging daartoe, wel overtuigd als hij zijn zal, daardoor te zullen komen tot het maken van werk, dat èn slechts quasi-zelfstandig èn sterk minderwaardig zou zijn aan het oorspronkelijk gedicht.... Een gedicht, waarin al de weemoed herfst van een oud gebroken man, die zijn zoete jeugd herdenkt; waarin menschengestalten, sinds lang in den dood verdwenen, herrijzen, van verre staande met de aureool zijner liefde om de slapen, en waar veel flonkerende kostbaarheden al geborgen staan in herinnerings-schrijn, om straks--o toch luttele vergaarde schatten van dit aardsche leven!--te worden meegevoerd naar dat eeuwig leven, waarnaar hij smacht.--Want wèl ter dege behoort men, om naar àlle zijden rechtvaardig te zijn, de _relatieve_ waarde der dingen niet uit 't oog te verliezen. "Wanneer zij Rousseau's jeugd herdenkt, wordt dit verhaal een gedicht onder hare handen," las ik in _De Ploeg!_[30] Wel waarlijk, dat staat er, alsof Mevr. Holst uit een of andere oude, bestoven en droge kroniek--zooals bijv. Shakespeare voor zijn drama's!--de stof had opgediept en daaromheen, daaruit _haar_ schoonen droom, _haar_ gedicht had geschapen, terwijl de waarheid is: dat zij wel hier en daar ook eigen doorvoeling heeft gegeven, maar overigens en grootendeels een van de schoonste en innigste gedichten der wereld, slechts "van verre volgend" en het _zeer verzwakkend_, heeft _na_gedicht en dit--een tweede oorzaak dier verzwakking naast het verschil in genialiteit tusschen haar en Rousseau--door de compositorische eischen van eigen werk gedwongen, hevig besnoeid heeft, waardoor dan ook helaas oneindig veel van het in 't oorspronkelijke poëem aanwezige schoone, bevallige en beteekenisvolle is verdwenen, zonder dat opmerkelijke, nieuwe, door haar geschapen aesthetische waarden, [p.137] in dit gedeelte eenige noemenswaardige vergoeding bieden voor dat gemis. Neen, de groote _oorspronkelijk_-scheppende kracht straalt dan ook eerst op in het werk, als zij, bevrijd uit den ban van dat zoet-schoone en vermaarde jeugdverhaal in de _Confessions_, haar oogst niet meer hoeft te maaien onder den drukkenden zonnegang van Rousseau's wereldgenie! Dàn huivert door het boek een medelijden met de armen en verdrukten, de hopeloos verloren geganen in de niet terug te roepen tijden, een medelijden, dat zijn tranen bedwingt, om fel te kunnen strijden. Dan proeft ge de verrukking van deze hooge vrouw, zelf eene van het geslacht te zijn, waarvan Rousseau een van de vorsten was; dan voelt ge haar genot, zich één met hem in het hooge willen te weten; zijn schildknaap, zijn verheerlijker, zijn zwaarddrager te zijn. Waar zijn oogenlicht op valt, dat is geheiligd voor haar, de felle wreekster en verdedigster ook van Thérèse Levasseur. Prachtig-innige bladzijden hebben wij dier verdediging te danken, een stroom van gevoel breekt hier uit dit nobel hart, die elke ruimte van der woorden bedding vult, en schuimend elke hindernis verbreekt, tot, eindelijk, vrij weer stroomend, zijn toorn valt en hij voortkabbelend van de oevers bloemen gaart en zonnevonkjes vangt op zijn ontschuimde vlakte; een omvlijende beek van liefde nu, een bloemenwater van geur en licht omwademd, komt hij aangewiegd tot aan de voeten van dat kleine menschje, ootmoedig aan de voeten dier "trouwe, lieve vrouw" en vlijt er alles neer, àl bloemen voor dat "eenvoudige plebejerskind," de "veelgesmade, veelgelasterde Thérèse Levasseur".... En stroomt dan vonkelend en ruischend weer voorbij....

Dàn openbaart zich ook haar beeldend en metaphorisch vermogen in zijn volle kracht. Vermocht ik in het jeugdverhaal slechts ééne werkelijk-beeldende uitdrukking te vinden, die nog klaarblijkelijk een reminiscentie is[31] en slechts één vergelijking, 'n rhetorische, en nog wel eene van zeer geringe soort, welke [p.138] geheel uit het kader van haar werk valt en volstrekt vreemd is aan de hooge sfeer van haar stijl,[32] later verandert dit alles, ziet zij in dat Parijs, "_dat koortste van goudkoorts als een delverskamp_," het Parijsche volk lijden: "ver van de schittering, het genotgezwelg en de verdorvenheid, laag en onzichtbaar als in een andere wereld, _als in de verborgen stookruimte van een modern reuzenschip_"; ziet zij: de gedachten zich uit Rousseau's Onbewustheid losmaken en stijgen "tot 't bewuste, _met zware wiekslagen, zooals woudduiven opvliegen uit 't diepste van 't woud_." Merk hoe verrukkelijk deze beelden zijn omdat zij, zoowel wat ik wensch te noemen: de _hoofdzakelijke_ als _additioneele_ schoonheid aan goede metaphoren eigen, bezitten, en rhetorisch noch reminiscenties zijn. Immers de _hoofdzakelijke_ schoonheid van een "beeld," bestaat daarin, dat het de verborgen eenheidsessentie van twee verschillende of zelfs schijnbaar tegenstrijdige begrippen, zaken of wezens aantoont. En hoe duidelijker en overtuigender ons die eenheid wordt aangetoond, hoe grooter onze verrukking is. Deze heeft dan een tweeledige oorzaak: een algemeen-menschelijke èn een artistieke. De eerste is: dat het doorvoelen, zij het slechts tot op zekere diepte, van de eenheid van dat wat men tot dan verschillend of tegenstrijdig heeft geloofd, het hoogste geluk is, dat een mensch, die op dien naam aanspraak maken mag, gebeuren kan. Want het hart van zulk een mensch haakt en verlangt naar eenheid, hij voelt het veroveren van het bewustzijn, dat alles en allen in diepste wezen één zijn als zijn hoogste levenstaak, en telkens als hij dus--om 't zoo eens te zeggen:--een stukje van dit bewustzijn heeft veroverd, voelt hij ook bevrediging en geluk. De tweede is: dat wij de beweging van het Scheppend Vermogen bewonderen, toen het dit een-zijn van het verschillende of tegenstrijdige uitbeeldde. Het zal den lezer uit deze beschouwing duidelijk zijn, dat het dus van het hoogste gewicht voor die zoo rijk [p.139] genot schenkende eigenschappen van een "beeld" is, dat het _niet rhetorisch en geen reminiscentie is_. Kent immers de lezer het reeds van vroeger, of voelt hij in de verwoording, dat het niet oorspronkelijk is, dan kan, in 't eerste geval, zijn bewustzijn van de eenheid der dingen nù niet meer dáárdoor verrijkt worden, en, in beide gevallen, kan hij dááraan het Scheppend Vermogen in dien auteur niet bewonderen. Hij weet immers of voelt dat deze zich dit "beeld" slechts bewust of onbewust herinnerd en 't niet geschapen heeft. Het is dus juist omdat de hierboven aangehaalde beelden, in tegenstelling met de ter voorafgaande bladzijden, in de noten, geciteerde, niet rhetorisch en geen reminiscenties zijn, dat zij mij in hun zoo prachtig aantoonen der verborgen "eenheidsessentie," dat rijke en tweeledige genot konden schenken,--een waarheid, die helaas nog niet algemeen door de literaire critiek wordt aanvaard.--En wat nu de _additioneele_ schoonheid betreft: deze bestaat in het passen van het "beeld" in de stemmingssfeer van het geheel, waarvan het een deel is. Dat is natuurlijk gewenscht voor elk deel van een kunstschepping, maar voor een vergelijking of metaphoor is het _meer_ gewenscht dan voor welk ander deel ook, omdat als zij de eenheid van het geheel verbreekt, ze iets doet, wat met _haar innigste wezen_ in strijd is. Haar wezen is immers: het eenheid-aantoonen, en nu--verbreekt zij een eenheid! Zij neemt dus dan op de eene wijze en tegelijkertijd terug wat zij op een andere gaf.--En zie nu eens, in hoe sterke mate deze beelden van Mevr. Holst ook die additioneele schoonheid bezitten. De beide eerste, die iets van het _maatschappelijk_ leven beelden: Parijs en het Parijsche volk, zijn beide aan de maatschappij-sfeer ontleend: een gouddelverskamp, een stookruimte; het derde daarentegen, dat de werking der Scheppende Natuurkracht in Rousseau beeldt, aan het natuurleven.

En hoe prachtig is ook dit, als onze schrijfster het _Contrat Social_ bespreekt: "De vlam der vrijheidsliefde stijgt op, vurige tongen sissen, zij lekken aan de grauwe steenen der woorden, zij slingeren zich tusschen hen." Even te voren [p.140] zegt zij: "Men voelt den gloed wel, maar de vlam brandt achter een muur," 't geen ons hier de gelegenheid biedt te zien, hoe het beeld zich volkomen natuurlijk ontwikkeld heeft uit het gevoel, waaruit de geheele context werd geboren.

En dàn is het ook, dat zij, zooals ik eens van haar schreef, bij menigten "subtiele fijnheden in het door-raadselde levensgebeuren en in de verhouding tusschen de uiterlijke en innerlijke menschen ontdekt." Wilt ge een voorbeeld van het eerste zoowel als het laatste? Gun u-zelf dan het genot van haar diepe en meesterlijk neergeschreven inzicht te leeren kennen in de zedenverdorvenheid van het Parijs der XVIIIde eeuw, en vergun mij even dit kleine stukje voor u te citeeren:

Het is op die grens dat elk veel-begeerend hart, voelend hoe de gave der jeugd het gaat ontvallen, treurt dat het deze niet beter heeft gebruikt. Wie het heil zocht in de liefde voor schoone lichamen en in de bevrediging van den hartstocht, voelt de herinnering wrang in zijn mond en spijt om alles wat hij dit ééne ter wille verzuimde, doet zijn hart samentrekken; hij treurt: hem is alsof hij de kostbare wateren der jeugd verspilde. Wie andere sterren volgend als Venus' zilveren ster, uit eerzucht daden deed, of door liefde voor een stralende Idee gedreven, voor een droom van menschelijk heil, ook hij voelt spijt en treurt, dat hij wat nu 't allerzoetste lijkt, minnen en bemind worden, versmaadde; ook hem is het of hij de kroon des levens heeft gemist.

Hoe trilt hier toch in de diepte hetzelfde sentiment, dat eens een Ander, in hòngerige oververzadigdheid, zijn smartelijk "IJdelheid der ijdelheden" als een weeroep over menschheid kreunen deed, zóó, dat zij het in dertig eeuwen niet vergat....--Maar is dit stukje fijn-doorvoelde psychologie niet even diep en innig:

Misschien ligt het geheim van de verhouding der beide mannen, van Voltaire's hartstochtelijke verguizing en Rousseau's grootmoedige waardeering, in de omstandigheid dat de vergode grijsaard toch altoos het onaangenaam gevoel had weg te dringen van "die man is grooter dan ik, in hem en zijn werk ligt iets diepers en teederders, dat mij vreemd is"--terwijl Rousseau daarentegen Voltaire wèl zijn roem en invloed benijdde, maar in zijn diepste wezen een gevoel van artistieke [p.141] meerderheid omdroeg, dat het hem mogelijk maakte over zijn vijand zacht en billijk te oordeelen. Een dergelijk gevoel heeft, naar ik meen, ook de verhouding tusschen Byron en Shelley beheerscht.

Wie anders dan òf een heel groot, "objectief-indringend menschenschepper, die Mevr. Holst--ik heb het indertijd aangetoond--_niet_ is, òf een wel anders begaafd, maar in zijn sfeer toch ook heel groot en edel kunstenaar, die zelf in het bewustzijn van zijn zielsrijkdom zijn tegenstrevers en miskenners kan vergeven, gelijk deze groote lyrische dichteres er eene is--wie anders dan een dièr twee had dit vermogen te schrijven....

Hoe diep heeft zij dan ook àlles doorvoeld, wat Rousseau's persoonlijkheid en de hare _gemeen_ hebben, hoezeer is zij erin geslaagd, ook _de leiddraad aanvaardend van Rousseau's zelfbeluisteringen in de Confessions en de Rêveries_, een beeld te scheppen dat _nagenoeg_ harmonieus is in _zichzelven_. Luistert ge slechts even naar het volgende kleine stukje, dan hoort ge bij beurten: Henriëtte Roland Holst, herkennend Rousseau in en beeldend hem uit háár innerlijkheid, èn Rousseau-zelf in de zelfbeluistering en beelding der _Confessions_:

Haar volgend (de roepstem der opkomende klassen, v.C.) moest hij strijden tegen een stuk van zich-zelven, tegen zijn zwakheid, en somtijds tegen het overstelpend begeeren van zijn hart.

Hier beeldde Mevr. Holst Rousseau uit zich-zelf: de schrijfster van _De Vrouw in het Woud_, vóór zij "de Vrouw in het Woud" werd, maar reeds alles in zich had, dat 't haar zou doen worden. En ziehier voornamelijk weergave van de zelfbeluistering in de Confessions en de Rêveries:

Hij moest strijden tegen zijn gemakzucht, zijn schuchterheid, zijn liefde voor de zachte glooiingen des levens, tegen zijn contemplatieve neigingen, zijn droomerigheid, zijn afkeer van stelselmatig denken. Hij overwon dit alles. Hij, de tuchtelooze, legde zich de tucht op van onverpoosde inspanning, van omwerken en nog eens omwerken en nog eens wat hij schreef, tot de meest klare en doordachte uitdrukking van gevoel en gedachte die hij kon vinden, bereikt was; hij de bandelooze, [p.142] lag zijn liefste genieting, het drijven op droomen, aan band. .

Zooals het volgende weer zuiver datgene is wat beiden gemeen hebben:

Hij was dikwijls zwak in willen, maar hij was sterk als een reus in alles wat zijn werk betrof. Twee krachten waren in hem die zijn zwakheid overwonnen: de gloed van geestdrift voor zijn idealen,--met een anderen naam: de liefde tot de menschheid,--èn het artistiek geweten, de nauwgezetheid van den kunstenaar.

Het schoonste en duidelijkste voorbeeld echter van dit Rousseau-hervinden in zichzelf, heeft Mevr. Holst wel gegeven in dit stukje, dat ik hoe bevreesd ook mij te zeer aan citeeren te bezondigen, den lezer niet mag onthouden:

Gelijk den droomers en dichters van dezen tijd soms plotseling, uit de opeenhooping van vele indrukken, door de jaren vergaard, het Gezicht opengaat op het wezen der klassenmaatschappij en zij de afschuwelijkheid van de uitbuiting en de ellende van druk en slaafschheid beseffen; gelijk dan in hen opgloeit haat tegen de verdrukkers en liefde voor de verdrukten, dat zij beven van hitte en kou, liefde en haat in eenen,--zoo was hij. En gelijk voor die dichters en droomers dan het lichtverschiet openwaait van een ander leven dan van willekeur der grooten en verdrukking der kleinen en strijd van allen tegen allen, een leven van vrede en broederlijke liefde en zachte aanhankelijkheid; en zij de armen uitstrekken daarheen en 't heerlijk visioen aanroepen, dat 't blijve, sidderend van verlangen--zoo deed hij.

Evenmin zou ik echter de schoonheid van dit werk voldoende recht hebben gedaan, indien ik verzuimde u opmerkzaam te maken op het prachtig begrijpen, doorvoelen en uitbeelden van sommige invloeden, die het Scheppend Vermogen op de lagere persoonlijkheid van Rousseau gehad heeft. Ziehier, een kort stukje:

Had 't werken der verbeelding zijn menschelijk liefdesbegeeren slechts schijnbaar gestild, in waarheid opgezweept? En moest hij daardoor noodlottig in liefde ontbranden voor de eerste de beste bekoorlijke vrouw, die 't lot naar zijn kluis voerde? Of was 't anders; leefde, voor hem zelf onbewust, in zijn binnenste op dat oogenblik de behoefte van den kunstenaar, door 't lichamelijk ervaren der liefde-begeerte en verrukking [p.143] en liefde-smart die hij uitbeeldde zijn verbeeldingen op te voeren tot de hoogste intensiteit? Of kwam wellicht de eene drang bij de andere?

En dan met nog heller intuïtief doorvoelen van de verhouding van Scheppend Vermogen tot de lagere persoonlijkheid:

Zwaar was dat afscheid der jeugd, sloopend voor zijn lichaam en zijn zenuwstelsel. Toen zonk de vlam in een, in hem bleef niets dan wat asch van herinnering.

Maar _buiten hem groeide_,[33] schepsel van vuur en tranen, het wonderbare boek, geschreven in een taal vol teederheid en gloed als 't zingen van de gaal is in milde lentenachten: de "Nouvelle Héloïse." In de vlammen van dat boek zou de ziel der vrouw van dien tijd zich reinigen, in zijn wateren onderduiken om wedergeboren te worden: dichter's smart maakt duizenden blij van bevende zaligheid.

Hoe zuiver en diep-gegrift is met één trek in die paar door mij gecursiveerde woorden, het werken der Onbewustheid aangegeven. Hoe wordt door dat ééne beeld van de gaal den lezer fel de psychische oorzaak der Nouvelle Héloïse duidelijk: zooals de gaal zingt uit liefdesdrang zóó schreef Rousseau dit boek. Maar bijzonder dankbaar ben ik der schrijfster voor die erkenning, dat "dichter's smart duizenden blij maakt van bevende zaligheid." Want deze uitspraak wint nog aan beteekenis, wanneer zij bijv. lyrische poëzie betreft, waarin een dichter zijn smart-zelf heeft afgebeeld. En dus blijkt Mevr. Holst _hier_ wel duidelijk en diep te doorvoelen, dat de _kunstuitbeelding_ van een sentiment zelfs precies het _tegenovergestelde_ sentiment in den beschouwer der uitbeelding kan wakker roepen, en _anders_ dan het in 't leven _buiten de kunst_ gebeurt; dáár zou smart wel aanleiding tot genot kunnen geven, maar tot _wreedheidsgenot_, hier wekt het iets goddelijks in den genietenden mensch: een blijdschap van "_bevende zaligheid_"! A bon entendeur demi-mot suffit. En overigens--de literaire criticus mag zich toch wel even zoover vergeten, dat hij hier naar het werk van zijn tweelingbroer _verwijst_--zie het eerste hoofdstuk [p.144] dezer studie: daar staan de hééle woorden! Maar zoo gij meent, dat hij dìt zelfs niet had mogen doen--welnu: het is een goed gebruik iemand dergelijke kleinigheden bij het afscheid-nemen te vergeven, en de literaire-criticus-in-deze-studie néémt hier afscheid. Eérlijk gezegd: ik meen te weten, dat hij daar blij om is. En geen wonder: gewend altijd zelfstandig te werken, ziet hij hier zijn arbeid als een bijkomstig onderdeel van een andersoortig geheel beschouwd, werkte hij hier onder toezicht en onder zekeren druk. Zoo ben ik er, bijvoorbeeld, zeker van, dat het niet zijn meening weergaf, toen ik zei, dat niet _hij_ hier den schadelijken socialistisch-aesthetischen invloed kon aantoonen en bestrijden, omdat het geval, waarin hij dat had kunnen doen, nml.: dat door dien invloed "subjectieve waarheid en werk elkaar niet dekken," hier niet aanwezig was. Hij meende dat wel degelijk hier en daar te kunnen aantoonen. Hij geloofde zeker, dat de zeer tendentieuse lagere persoonlijkheid der schrijfster op eenige plaatsen, onwillens natuurlijk, de uiting der subjectieve waarheid door het Hooger Bewustzijn verminkt had. En hij geloofde al evenzeer demonstreerbaar, dat er subjectieve waarheid in het werk was, die het niet verder dan het _lager_ bewustzijn heeft gebracht, òndoorlichte subjectieve waarheid dus, en van een soort, die niet kòn doorlicht, verpuurd, vernoodwendigd worden door het lyrisch scheppend vermogen, terwijl de waarlijk epische kracht, daartoe benoodigd, niet of in niet voldoende mate in deze schrijfster aanwezig is. En als ik hem zei dat wat haar ontbrak toch kon aangevuld worden door de zelfbeluistering, de biecht van Rousseau, dan fluisterde hij ironisch: "Ook door zijn zelfbedrog, ook door zijn pose?" En ik glimlachte, maar wat zijne eerste bewering betreft leken mij zijn bewijzen niet afdoende, en wat het in de tweede genoemde aangaat, daarvan zijn noodwendigerwijze, gelijk later zal worden aangetoond, de gevolgen in dit werk zoo nietig, vergeleken bij die van den marxistisch-aesthetischen invloed, dat het geenerlei nut heeft hen te bespreken. En zoo legde ik hem het zwijgen op, een weinig onrechtvaardig [p.145] wellicht, gelijk geen enkel machthebber, die voor de juiste verhoudingen in een groot geheel verantwoordelijk is, altijd jegens den bewerker van een onderdeel kan vermijden te zijn. Maar daarom: wees gij lezer arbiter tusschen hem en mij! Gij zult in het volgend hoofdstuk ruimschoots stof tot vorming van uw oordeel vinden.

NOTEN:

[30] "Een studie over Rousseau" door Dirk Coster, _De Ploeg_ Febr. 1913.

[31] "Hij eenvoudige burgerknaap, _zoo gesprongen uit het zwarte hol van zijn leertijd_." Zie Shelley's prachtig: "Then from the caverns of my dreary youth I sprang" etc.

[32] "Een goede fee had aan zijn wieg gestaan.... Het was de fee: verbeelding." Kan het flauwer, onpersoonlijker en slapper?

[33] Cursiveering van mij.

* * * * *

HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.146]

III.

Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen.)

Geen mijner lezers, die mij tot hiertoe gevolgd zijn en mijne leidende aesthetische gedachte nu kennen, zal het verwonderen, dat ik het niet eens kan zijn met hen, die zeggen, "dat wij uit eerbied voor den grooten geest den mensch moeten vergeten." Mij immers, wien de scheppende natuurkracht, die de aarden uit den chaos en de wezens uit de aarden omhoog drijft, de zelfde is, die de kunstwerken en de voortbrengselen van het hooge denken uit gene kleine werelden, die wij menschen zijn, doet geboren worden--mij lijkt die bewering even onjuist, als wanneer mij iemand zou zeggen, dat ik uit eerbied voor de natuur, de aard en gesteldheid van een kwalijk-riekend moeras niet zou mogen onderzoeken, dat zij zelf nochtans voortbracht en waarin zij zelf een rijke flora en fauna leven doet. Deze eerbied, zij hier entre parenthèse gezegd, schijnt mij dan ook bedenkelijk veel op een beleedigen te gelijken. Het is dan wel, of wij arme, kleine menschjes ons verbeelden, sommige daden en voortbrengselen der natuur "met den mantel der liefde te moeten bedekken"! De lezer ziet dus duidelijk, dat in iemand van _mijne_ overtuiging die eerbied volstrekt geen eerbied, maar een belachelijke en verdwaasde hoogmoed [p.147] zou zijn. Maar overigens is er nog een andere reden, waarom _ik_ dat argument verwerpen moet. En ik kan slechts ernstig hopen, dat het bekend maken dier reden geen aanleiding tot misverstand tusschen den lezer en mij zal te weeg brengen. Uiten mòet ik haar. _Ik ken den eerbied niet en evenmin de keerzijde van dat begrip: de moraliseerende geringschatting of verachting_.

Ik ken _slechts de liefde en den instinctmatigen afkeer._ Eerbied beteekent immer een min of meer op een afstand blijven--een _eerbiedigen_ afstand, zegt het spraakgebruik!--van, en een niet-indringen in het geëerbiedigde. Liefde beteekent: een naderen tot en een indringen in het geliefde. Waarom zouden wij op een afstand blijven van datgene, dat de Natuur ons toestond te naderen, toen zij ons de vermogens daartoe verleende? Zouden wij het beter willen weten dan Zij? Laat ons gerust zijn, waarvoor wij "eerbied" moeten hebben, dat _kunnen_ wij niet naderen, want Zij heeft den weg daarheen voor onze voeten opengebroken, toen Zij ons de vermogens onthield, gelijk Zij over andere wegen, die naar het lage leiden, waarvoor wij nog te onrijp en te zwak zijn om er het hooge in te herkennen, de versperring van onzen _afkeer_ sloeg.