Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 14

Chapter 143,426 wordsPublic domain

Eerbied, zeg ik u, is iets overtolligs; liefde, indringende liefde vraagt de wereld van ons. Eerbied is ook een slechte begeleider der waarheid. Uitteraard heeft hij dikwijls geen andere keus dan zelfmoord of het vermoorden der waarheid. Hij is als die reiziger in de woestijn, die zijn metgezel doodde omdat er voor beiden niet genoeg water meer was. Niet alzoo de liefde: zij is als dat vlugvoetige, zachtoogige, trouwe wezen, snel doorijlend elke woestijn: ook haar kan geen enkele deren; levend van de zuivere lafenis in eigen lijf bewaard, voert zij, niets vragend, alles dragend, den mensch naar het Doel.

* * * * *

Men verwachte dus van mij, nu ik ter toetsing van Mevr. Holst's meeningen omtrent Rousseau en Thérèse Le Vasseur, veel, in dit hoofdstuk, van die beiden zal moeten spreken, [p.148] geen op een afstand blijvenden eerbied, maar liefde tot hun menschelijkheid, liefde tot de waarheid. Want daar ik er op zal moeten wijzen, dat zoowel in haar critische als psychologisch-biographische beschouwingen vele het essentieele rakende dwalingen--voornamelijk onder den historisch-materialistisch-aesthetischen invloed--binnengeslopen zijn, voel ik het als een plicht en deel van mijn taak, wat ik als de waarheid voel en vaak objectief zal kunnen aantoonen die te zijn, vreesloos daartegenover te stellen.

"C'est le pardon à cause de la gloire." O, het is schoon gezegd, de wereld applaudisseert. Maar beter deed die wereld met te begrijpen, dat wij, zèlf geringen, nu eenmaal nìets te vergeven, nìet te vonnissen, maar alleen _alles_, voor zoover we dat dan kunnen, te onderzoeken, te doorvoelen en te begrijpen hebben.--

Wenden we ons nu allereerst tot Mevr. Holst's meer _critische_ beschouwingen:

Dat de gevoelens en voorstellingen waarin zij (de Fransche revolutionnairen, v.C.) leefden, uitgingen boven den inhoud van hun leven, van hun werkelijken strijd, dat de schijn, de vorm, heroïscher was dan het wezen van dien strijd, openbaart zich in de uitingen der revolutionnaire periode. In haar gezwollen taal, haar somtijds als valsch aandoend pathos, haar smakelooze liefde voor het theatrale; en ook in haar overdreven, huilerige gevoeligheid, die niet anders is dan de keerzij der geforceerd-heroïsche spanning van het gevoel.

Dit noodlot der revolutionnairen van 1789--92, was ook het noodlot van Rousseau en andere burgerlijke dichters, wier inspiratie, als bijv. bij Byron en Schiller, gelijk de zijne ontsprong uit hun liefde voor de burgerlijke vrijheidsidealen, en wier werken den strijd der bourgeoisie tegen de absolutistisch-feudale orde vierden en verheerlijkten. Ook zij vervallen soms _in hol pathos, opgeschroefde gezwollenheid, soms in weeë laffe sentimentaliteit._ Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten, maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos_....

En Rousseau was een uiterst gevoelig kunstenaar, een van de gevoeligste misschien, die ooit heeft geleefd. Zoodoende zoog hij de schoone krachten, het revolutionnair idealisme en de huiselijke innigheid der burgerlijke klassen binnen, maar [p.149] _ook de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel in hun gevoel_. Ook deze gingen over in zijn klankgehalte en in zijn stijl. _Deze zijn schuld_ aan het theatrale, gezwollene, geforceerde, dat zijn werken ontsiert daar waar hij de moreele en sociale idealen der burgerlijke klassen in beeld brengt, _nooit_, wanneer hij het zijn persoonlijke ervaring doet.[34]

Om te beginnen: het is niet juist, dat wanneer Rousseau zijn persoonlijke ervaring in beeld brengt, het holle pathos, de opgeschroefde gezwollenheid afwezig zouden zijn. Integendeel, ik beweer: in het autobiographisch werk zijn ze er pas goed, in gezelschap nog wel van hun valsch opgedirkte en geblankette zuster: de _pose_. Gij, die de schoone paden der _Confessions_ gegaan zijt, hoevele malen hebt ge er dit ongure, kermisachtige drietal, in den kleurigen opschik hunner klatergouden todden, niet ontmoet? Maar behoef ik dat wel te vragen, sterker: zij openden u het hek van den tuin!

Je me suis montré tel que je fus; méprisable et vil quand je l'ai été; bon, généreux, sublime, quand je l'ai été: j'ai devoilé mon intérieur tel que tu l'as vu toi-même, Être éternel. Rassemble autour de moi l'innombrable foule de mes semblables; qu'ils écoutent mes confessions, qu'ils gémissent de mes indignités, qu'ils rougissent de mes misères. Que chacun d'eux découvre à son tour son coeur au pied de ton trône avec la même sincérité, et puis qu'un seul te dise s'il l'ose: _Je fus meilleur que cet homme-là._[35]

Deze toon, die toon van: "à tout prendre: je suis le meilleur des hommes," die telkens en telkens weer ons in de ooren klinken, het heele werk door, is niet die van de eerlijke zelfverheerlijking maar die van de in "_valsch pathos_" zich uitende "_geforceerde spanning van het gevoel_" van het zelfbedrog. En spreekt hij over het te-vondeling-leggen zijner kinderen, dan, zooals wij later zullen zien, klinken zijn redeneeringen als leeg vaatwerk met barsten, dan wordt 't alles bombast, dan dringen in al zijn uitingen "smakelooze liefde voor het theatrale" en "overdreven huilerige gevoeligheid." En daar heeft hij het toch wel over zijn "persoonlijke [p.150] ervaringen," zou ik zeggen! Mevr. Holst schijnt wel eens op weg te zijn geweest, om in deze de waarheid te zien. Blz. 203 zegt zij:

Het (zelfonderzoek, v.C.) was voor hem _de weg tot zijn apologie en zijn apotheose, tot zelfbehagen, zelfvereering en zelfvergoding_.

En blz. 204:

In de "Nouvelle Héloïse, het werk waarin hij zich het vrijst heeft laten gaan--_veel vrijer dan in de "Confessions,"_ waar _de achtergedachten van zelf-apologie en zelf-apotheose den stroom der herinnering in een bepaalde bedding stuurden_....

Indien iemand zooveel psychologisch en hooger-critisch inzicht toont te hebben, dat hij in een werk de neiging tot, en het feit van zelfvergoding, etc., benevens en vooral de "_achtergedachten_ van zelf-apotheose" aanvoelt, hoe is het dan mogelijk, is men geneigd te vragen, dat hij de nòg meer aan de oppervlakte liggende _pose_, het _valsch pathos_ en al de _opgeschroefd-geuite_ verzekeringen van eigen voortreffelijkheid niet aanvoelt?! Of hoe is 't dan bestaanbaar, dat een dergelijke inzichtsvolle niet inzie, dat de neiging tot zelf-apotheose al die eigenaardigheden ten gevolge _moet_ hebben? Hoe is 't mogelijk, dat iemand, die ter eenre plaats schrijft, dat:

Zijn weeke en toch moeizame natuur behoefde, om stroomend te worden, de liefde; zonder haar adem bleef de kracht in zijn binnenste bevrozen, alles kil en doodsch. De liefde voor vrouwen gelijk hij die meermalen gevoelde.... Slechts eenmaal in zijn leven schreef hij, gedragen alleen door het andere beginsel in hem: het moreele, de hartstocht voor deugd, voor gelijkheid en vrijheid. _Wat hij toen schreef werd hol en rhetorisch, van een gloed die niet verwarmde_.[36]

en dus de "ontsiering zijner stijl" wijt aan een hem eigen psychisch element, die op een andere plaats verklaart uit "de valsche elementen, het onwaarachtig bestanddeel" in het gevoel der burgerlijke klassen? Wat heeft hier haar blik beneveld, dat zij zich zulk een aantoonbaar-onjuiste subjectieve [p.151] waarheid vormde?[37] Wel lezer, sla één blik in mijn citaten op de vorige bladzijden en ge weet het: de idealen der burgerlijke klassen waren voos, de daardoor ontstane valsche elementen in hun gevoel zoog hij in, en die zijn schuld aan het theatrale, het valsch pathos en de opgeschroefde gezwollenheid.... Is dit niet het _historisch-materialisme_ pur sang? Vandaar, dat zìj al die leelijke eigenschappen, tegen alle helder als de dag blijkende feitelijkheid in, alleen in zijn _maatschappij_-beeldingen en _niet_ in zijn _autobiographische_ geschriften zag. _Haar perceptievermogen zat ingesponnen in de theorieën harer socialistische aesthetiek_!

Maar welk een in-zich-zelf-onjuiste bewering deden haar het historisch-materialisme eenerzijds en de eerbied voor Byron, Schiller, en Rousseau vooral, anderzijds neerschrijven, toen zij ter nadere verklaring van wat naar hare meening, het pathos enz. in hun stijl veroorzaakte, dit zinnetje er aan toevoegde, dat ik gemakshalve hier nog eens citeeren zal:

Hun _gevoel was oprecht_, evenals dat der revolutionnairen, _hun geestdrift was echt, zij geloofden van ganscher harte aan de idealen die zij verheerlijkten_, maar _die idealen waren innerlijk onwaar en voos_....

Vluchtte eerst het onafhankelijk critisch inzicht, hier vlood de logica: indien "hun gevoel oprecht was," indien "zij van ganscher harte in de waarheid hunner idealen geloofden," dan kon dier innerlijke voosheid _hun niets_ doen. _Die bestond dan eenvoudig niet voor hen_. Iemand kan slechts uiten wat op eenigerlei wijze in hem is. Een ideaal is echter nooit in een mensch, maar zijn zien daarvan, zijn voelen daarvoor. Het echte of onechte van het ideaal kan dus niet in zijn uiting leven. Dat kan alleen [p.152] het echte of onechte van zijn gevoel ervoor. Òf Mevr. Holst had moeten zeggen: Zij voelden hun idealen als echt, zij geloofden vast erin, maar hun genie was niet groot genoeg om ze te ver-beelden--maar dan had de historisch-materialiste geen gelegenheid gehad om de tekortkomingen hunner schrifturen uit de "voosheid" der idealen van de burgerlijke klassen te verklaren!--òf zij had moeten zeggen: zij voelden de voosheid van hun idealen wel, maar zij bedrogen zich-zelf, doch daarvan weerhield haar natuurlijk behalve haar diepe gevoel voor die Grooten, ook dat van de tastbare onjuistheid eener dergelijke bewering. Over deze stellingen ware echter verder te redeneeren geweest, over de eerste vooral, zooals daar dadelijk blijken zal. Maar nu eerst iets anders, dat wellicht in staat is, Mevr. Holst zelf van het onjuiste harer zienswijze te overtuigen: is zij bereid te aanvaarden wat wij, naar mij dunkt, niet onberechtigd zijn als de consequentie harer stelling te beschouwen? Heijermans is een groot menschenschepper, en zijn _Raphaël_--in _Ghetto_--ver-beeldt te midden van een klein- en plat-bùrgerlijke omgeving het socialistisch _ideaal_, maar desalniettemin is, zoo zeker als twee maal twee vier is, zijn Raphaël één bonk hol pathos, één bonk opgeschroefde gezwollenheid. Moeten wij dit dus, _in aanmerking nemend de voortreffelijkheid zijner overige productie_, zijner _werkelijkheids_beeldingen, wijten aan de voosheid van het socialistisch ideaal?

Querido is een groot menschenschepper en zijn _Heins_--in _Levensgang_--is een schepping, geïnspireerd door het proletarisch ideaal, maar desalniettemin leeft Heins op geen stukken na met de levenswaarheid van bijv. den ordinair-burgerlijken Bresser. Moeten wij dit dus wijten, gezien alweer de voortreffelijkheid der andere beeldingen, aan de voosheid van het proletarisch ideaal? Wat kàn Mevr. Holst hierop antwoorden? Ik vrees, niet veel anders dan dat ik, mijne gevolgtrekkingen makend, haar stelling heb omgekeerd, hetgeen echter, de zooeven genoemde voortreffelijkheid immers in aanmerking genomen, van geen werkelijk belang is.

[p.153] Maar niettemin kan òns, om het ware antwoord te vinden, een uiting onzer schrijfster uitmuntenden dienst bewijzen. Over Rousseau, Byron en Schiller sprekend zegt zij dit, in een noot:

Alleen Shelley is onder de burgerlijke dichters die de vrijheids-idealen verheerlijkten, geheel vrij van valsch gevoel.

Ongetwijfeld mag men Mevr. Holst hier vragen, hoe dat komt, dat Shelley wel vrij van valsch gevoel is en de anderen niet. Hoe ook de Engelsche bourgeoisie van Shelley's tijd moge verschild hebben van de Fransche van 1789, de voosheid, die immers veroorzaakt werd volgens Mevr. Holst, door hetgeen de lezer hieronder vindt aangehaald,[38] kan dan ook niet aan hare idealen ontbroken hebben en die moeten dan dus ook hun nadeeligen invloed op Shelley's geschriften hebben uitgeoefend! Waarom deden zij dat niet? Hield _hij_ er misschien een apart-burgerlijk-ideaaltje- voor-eigen-gebruik op na? Wacht maar niet op het antwoord, lezer. Mevr. Holst gééft hier geen antwoord op! Wij echter, wien een historisch- materialistische aesthetica niet hare dorre hand op den mond leggen, allicht wel: de kunstenaar die een werkelijkheid beeldt in kunst, doet als 't ware een fata morgana spiegelen boven en naar het beeld eener stad; de kunstenaar, die een ideaal beelden wil in kunst, wil een stad bouwen onder en naar een fata morgana. Het eerste kunnen _alle_ kunstenaars, genieën en talenten, groote en kleine; zij maken dan kunst, groote of kleine, naar hun aanleg. Het laatste kan maar één wellicht in duizend jaren, één begenadigde onder geslachten en geslachten van kunstenaars, één vorst onder zijn broeders, een profeet onder de wáár-zeggers! En als de laatsten dat voor hen onmogelijke tòch beproeven, dan vernevelt de ideëele fata morgana voor hun oogen, en zij zien niet meer, zij zìen niet meer, maar maken zich diets dat zij nog zien, [p.154] en hun bouwsel wordt een verwarde doolhof; hun gevoel wordt valsch gevoel, hun uiting valsche pathos en opgeschroefde gezwollenheid. Zéker ligt het dus niet aan de "voosheid" van hun ideaal, maar ook evenmin kan hen de oprechtheid van hun gevoel ervoor redden; het hangt er alleen van af--och, het is zoo eenvoudig, zoo zonder diepzinnigheid--_of zij een Shelley zijn al dan niet_. En nu zal het u ook duidelijk zijn, waarom niet alleen in de beelding van het burgerlijk ideaal maar ook wel degelijk in de zelf-beelding der _Confessions_, zooveel pathos en gezwollenheid zit. Niet alleen, dat, zooals wij reeds hebben gezegd, "achtergedachten van zelf-apotheose" in een schrijver _altijd_ zijn stijl onzuiver _moeten_ maken, maar er was ook nog een andere oorzaak daarvan, een zelfde in de _Confessions_ als in de beeldingen van het burgerlijk ideaal: de unique, de alleredelste, de le-meilleur-des-hommes-persoonlijkheid van Rousseau--de _lagere_ persoonlijkheid wel te verstaan!--_bestond niet._ De "schrijver der _Confessions_ moest hier dus wel geen stad maar een--_Rousseau scheppen_, onder en naar een luchtspiegeling, met natuurlijk hetzelfde gevolg, hier als daar! Och, als dat waar zou zijn: dat de voosheid van een ideaal de werken der daardoor geïnspireerden nadeelig beïnvloedt! Zou er dan wel één werk bestaan, dat daarvan vrijgebleven is? Want zijn _alle_ idealen niet voos in dien zin, dat zij in hun verwezenlijking, precies als het burgerlijk ideaal der groote Fransche revolutionnairen, niet geven wat zij beloofden en integendeel weer op hun beurt veroorzaken nieuwen strijd en nieuwe smart, maar ook nieuwe bevrediging en vreugde èn nieuwe--idealen!

Wij hebben dus nu als oorzaak van Mevr. Holst's onjuiste critische verklaringen het feit gevonden, dat zij, door verreweg te veel gewicht aan den invloed der maatschappijverhoudingen te hechten, geheel of gedeeltelijk de psychische oorzaak der door haar te beoordeelen verschijnselen uit het oog verliest. _Welnu, dit is een euvel onafscheidelijk aan de gewoonte van het historisch-materialistisch denken verbonden_ [p.155] _en voortvloeiend uit zijn aard_. Onderzoeken wij nu haar psychologisch-biographische inzichten omtrent Rousseau. En dan valt onmiddellijk op, dat:

1°. hare ontledingen volmaakt gaaf zijn, zoolang zij _niets minderwaardigs in hem_ te boekstaven hebben;

2°. dat zij echter _een sterk verfraaiende tendenz krijgen_, zoodra dat wel zoo is;

3°. dat wanneer zij, schijnbaar met deze bewering in strijd, ook in het laatstgenoemde geval zuiver zijn, dit veroorzaakt wordt doordat _de betreffende biecht in de Confessions zoo ondubbelzinnig is, dat alleen oneerlijkheid de oogen er voor zou kunnen sluiten_. Het bewijs van de juistheid mijner eerste bewering zal de lezer mij wel willen schenken. Ik, de _bestrijder_ van Mevr. Holst's analysen en der oorzaak van wat ik noem hun ondeugdelijkheid, heb er immers geen noemenswaardig belang bij te beweren, dat hare analysen onder zekere omstandigheden _wel_ zuiver zijn! Wat de beide laatste betreft, zij mij echter alvorens ik verder ga, het leveren van bewijs en het geven van voorbeelden toegestaan. Dus ad 2:

Zijn aard was niet uit één stuk gesmeed, maar tweeslachtig: trotsch zoowel als teeder zijn hart, zijn gemoed vrouwelijk en ontembaar, zijn neiging aldoor dobberend tusschen zwakheid en moed, deugd en meegesleept worden. Zoo lag hij levenslang in strijd met zich-zelven en moest zoowel het genot als wijsheid derven.[39]

Men kan hier het _streven_ naar objectiviteit zeer zeker waardeeren, maar, als men dit gedaan heeft, zich ook verplicht voelen op te merken dat van dat "dobberen tusschen deugd en meegesleept worden," als gevolg van een neiging en kracht in de lagere persoonlijkheid, niet veel te bespeuren valt: waar de verzoeking was, daar werd hij ook meegesleept, tenzij niet de deugd maar egoïstische ijdelheids- of utiliteitsredenen, of overwegingen voortvloeiend uit zijn latere waanvoorstellingen hem de overwinning op de verzoeking deden behalen. Men denke aan de walgelijke scène tusschen "la [p.156] papesse Jeanne," Grimm, Diderot en hem-zelf als gasten van baron Klupffel, maar vooral aan het naar de _Enfants-Trouvés_ brengen zijner _twee eerste kinderen_, zonder dat hij _één oogenblik "dobberde"_ tusschen wel en niet doen, zonder dat iets in hem zich daartegen verzette, _meegesleept_ als hij was--_dit alles naar zijn eigen getuigenis_--door de opvattingen en gesprekken zijner tafelgenooten elken dag. Als Mevr. Holst dan ook vervolgt:

In zijn jeugd liet hij zich geheel drijven op aandoeningen en indrukken en wat omstandigheden en omgeving van hem maakten, dat was hij.[40]

en dus de scheidingslijn tusschen het tijdperk van meegesleept-worden en dat van 't "dobberen tusschen" laat samenvallen met die tusschen jeugd en mannelijken leeftijd, dan weerspreken de zooeven genoemde feiten haar--hij was toen respectievelijk _37 en 38 jaar_--. Neen, de scheidingslijn tusschen de twee eerstgenoemde tijdperken blijkt duidelijk te trekken precies ten tijde, dat zijn _genie zich openbaart._ Dit feit te zien--waarmee ons trouwens Rousseau-zelf, gelijk men zoo dadelijk zal ontwaren, heeft bekend gemaakt--is van het hoogste gewicht voor de kennis zijner lagere persoonlijkheid, gelijk het ook boekdeelen spreekt _voor_ mijne bewering, dat het Scheppend Vermogen ook als een _heerscher, leeraar en opheffer_ in de lagere persoonlijkheid werkt! Waarom dit feit van zoo hoog gewicht is, laat mij het verklaren, na zijn bestaan-zelf te hebben bewezen: (Het _Discours_, waarvan Rousseau in het nu volgend citaat spreekt is _ook volgens Mevr. Holst_ het _eerste_ werk van zijn eigenlijk Genie.)

L'année suivante, 1750, comme je ne songeois plus à mon Discours, j'appris, qu'il avoit remporté le prix à Dyon. _Cette nouvelle réveilla toutes les idees qui me l'avoient dicté, les anima d'une nouvelle force_....[41]

En daarna:

Tandis que je philosophois sur les devoirs de l'homme, un [p.157] événement vint me faire mieux réfléchir sur les miens. Thérèse devint grosse pour la troisième fois. Trop sincère avec moi, _trop fier en dedans pour vouloir démentir mes principes par mes oeuvres_, je me mis _à examiner la destination de mes enfants_.[42]

Men weet dat hier het "dobberen tusschen" niet eindigde in een omslaan naar de zijde van het goede; het scherpte alleen maar zijn verstand in het vinden van plausible uitvluchten, zooals wij later zullen zien, maar, waar het thans op aankomt: Zie nu eens den weg, waarlangs hij ertoe kwam, te gaan _nadenken ten minste_ over het lot zijner drie laatste kinderen: Als een profetisch gezicht, een onverwachte, helle openstraling van het genie, komt de visie van zijn Discours op den weg naar Vincennes over hem--hij zelf heeft ons dat treffelijk verhaald[43]--en de herinnering aan de scheppende gedachten, die toen uit het "onbewuste" op hem neerdaalden, die is het, welke nu zijn lagere persoonlijkheid schaamtevol tot zich-zelf inkeeren doet. Hij is zich trouwens daarvan wel bewust geweest, evenals van het feit, dat er in zijn lagere persoonlijkheid qualitatief-potentieel niets veranderd was:

D'ailleurs _les principes élévés_ que je m'étais faits _devoient me rendre désormais bien supérieur à de telles bassesses_, et il est certain que depuis lors je l'ai d'ordinaire été: _mais c'est moins pour avoir appris à vaincre mes tentations que pour en avoir coupé la racine_--d.w.z.: zichzelf _de gelegenheid, om meegesleept_ te worden, te hebben _benomen_; zie maar verder:--et j'aurois grand'peur de voler comme dans mon enfance si j'étois sujet aux mêmes désirs. _J'eus la preuve de cela chez M. de Mably_.[44]

En zoo is het ook met de andere neigingen zijner lagere persoonlijkheid gebleven. Men kan het reageeren van deze op den invloed van het Scheppend Vermogen aldus kenschetsen: _Zijn lagere persoonlijkheid schaamde zich voortdurend voor het op haar neerblikkend gelaat van zijn verheven genie_. Al ontstond deze schaamte niet uit louter zijn eigen innerlijkheid rakende overwegingen, maar voor een groot [p.158] deel ook uit bepeinzing van wat de menschen wel zeggen zouden van iemand die zóó leeraarde en zùs deed.--En wat is nu de beteekenis van dit thans door mij en ongetwijfeld ook door de lezers, die al het voorafgaande goed in zich opgenomen hebben, bewezen geachte feit? Geen andere dunkt mij, dan dat de klaarblijkelijke meening van Mevr. Holst als zou er in den loop der jaren een qualitatief-potentieele ontwikkeling ten goede in Rousseau's lagere persoonlijkheid hebben plaats gegrepen, door _de feiten_ en de door _hem-zelf bekend gemaakte_ overwegingen gelogenstraft wordt, en dat er slechts een _zich aanpassen_ in daden, strevingen en woorden--de beide laatste vooral!--van de lagere aan de Hoogere valt te constateeren, zonder dat er in de _neigingen_ dus iets veranderde, waaruit weer blijkt, dat sommige dier neigingen geen "reminiscenties uit zijn lakeientijd" waren, zooals Mevr. Holst meent, maar saamgegroeid met, inhaerent aan zijn geheele wezenscomplex.

Thans ad 3:

Nu kwam hij in een omgeving, die _al de lagere aandriften en neigingen in hem naar boven haalde_ en al het zachte en edele verschrompelen deed. Zijn meester was ruw, lichtzinnig en hardvochtig, hij sloeg het kind, gaf het niet genoeg te eten, terroriseerde het op alle manieren. Al de ellende van het leerlingstelsel, dat is de ellende voor een kind van overgeleverd te zijn aan harde vreemden, van dag en nacht te verkeeren onder den druk van hun bevelen, hun snauwen, hun spot, hun liefdeloosheid, maakte hij door. Hij durfde zich nooit meer vrij uiten, hij leed altijd honger, hij voelde zich aldoor afschuwelijk bekneld. Als een knecht behandeld, als een slaaf verschopt, leerde hij de ondeugden van knechten en slaven. Hij werd lafhartig, wrokkig, diefachtig, verleugend. Zijn gemoed verhardde, zijn liefkoozend wezen sloot zich in verbitterde zwijgzaamheid, zijn levendige aard versufte. Eerst in later dagen werd hij zich pijnlijk-bewust hoe snel zijn karakter in korten tijd was vervallen.[45]