Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 15
Voor dit stukje mogen wij der schrijfster onverdeeld-dankbaar zijn. Er is hier--men lette op den door mij gecursiveerden zin--niets verfraaid, niets uitgewischt. Maar [p.159] hier _scheen dan ook zulk een fel licht uit de Confessions-zelf,_ dat de schrijfster door haar onbewuste verfraaiïngs- en uitwisschings-tendenzen niet _kon_ verhinderd worden te zien. Want de geniale zelfbeluisteraar, die waarheid sprak als zijn _artisticiteit_ hem ertoe drong, d.w.z.: die _moest_ uiten wat zijn _Scheppend Psychologisch Vermogen_ in hem zelf _ontraadseld_ had--die groote zelfbeluisteraar heeft, van dien zelfden tijd sprekend, het veel vlijmender gezegd:
Il faut que, _malgré l'éducation la plus honnête_, j'eusse _un grand penchant à dégénérer_, car cela se fit trés rapidement, _sans la moindre peine_, et jamais César si précoce ne devint pi promptement Laridon.[46]
En het is dan ook ongetwijfeld op deze uiting, dat Mevr. Holst zinspeelt, als zij zegt, dat hij zich in later dagen daarvan pijnlijk bewust werd.
Ik gewaagde daar van den "genialen zelfbeluisteraar, die waarheid sprak, als zijn _artisticiteit_ hem daartoe drong." Zeker, ik bedoelde: als dit niet het geval is, dan.... Want het blijkt wel duidelijk, dat hij betreffende die drijfveeren, die hij niet als _artist_ in zich-zelf _ontdekt_, maar die zoo zijn, dat hun aard voor zijn gewone menschelijkheid klaar open ligt, meestal de waarheid _niet_ zegt. Een treffend voorbeeld daarvan is alles wat hij beweert omtrent het te-vondeling-brengen zijner _drie laatste kinderen_.--Ook is er nog een groep daden, waarvan het twijfelachtig moet genoemd worden, of hun drijfveeren tot de laatstgenoemde soort behooren, of dat hij inderdaad de waarheid omtrent hen niet heeft gekend, omdat ook zijn artistiek-psychologisch vermogen erop is afgeketst. Van dezulken zegt hij dan soms, dat zij ontspringen uit zijn "délire inconcevable." Dat Mevr. Holst dit "délire" niet psychologisch doorlicht heeft, mag ongetwijfeld een ernstige leemte in haar werk worden geacht. Is zij ook daarvan instinktief en door haar verfraaiïngstendenzen geleid afgebleven? Ik waag het, die vraag bevestigend te beantwoorden. Want hebben wij nu [p.160] reeds gezien, dat die tendenzen in werking treden, zoodra er iets minderwaardigs in Rousseau valt te boekstaven en de Confessions-zelf hen niet krachteloos maakt, wij zullen allereerst bij het beschouwen der gebeurtenissen, voortspruitend uit, of in verband staande met het "délire," hun invloed op onze schrijfster als zoo sterk-beheerschend kunnen bewijzen, dat zij haar met een totaal gebrek aan psychologisch inzicht doen heenijlen in een paar onbeteekenende woorden over voorvallen, welke voor den objectieven psycholoog, die voortschrijdt, zonder de waarschuwende stompen van een hem bewakend en vervolgend dogma telkens in den rug te krijgen, van het hoogste belang zijn. Zoo geeft de ontzettende daad jegens het kamermeisje Marion, na den dood van Mad. de Vercelli--hij was toen ongeveer 19 jaar--Mevr. Holst slechts aanleiding te spreken van een "nietig voorval op zich-zelf." Wel, wel, als dat eens Voltaire, "die kleine, minne ziel, geel en uitgedroogd door afgunst", of Grimm, de "baron van het heilige Duitsche Rijk" gedaan hadde! Ge zegt: jawel, maar die zouden niet groot en edel genoeg zijn geweest om de daad te biechten. Maar ik antwoord: Rousseau evenmin, _indien hij niet in het schrijven der "Confessions" het vormen van een verpletterend wapen tegen het "Complot" zou hebben gezien_. Doch om de _Confessions_ tot dat wapen te maken mocht hij dan ook geen feit, dat hem in een ongunstig daglicht stelde, weglaten. Want kwam dan zoo'n feit later voor den dag, waar toch altijd kans op is,[47] dan ware de geheele _Confessions_ waarde- en krachteloos. Aan de drijfveeren mocht hier en daar een beetje gemorreld en gewrongen worden, de feiten moesten verhaald worden. Dáár was niets aan te verhelpen! Wat voor gevolgen overigens dit "nietige voorval" waarschijnlijk gehad heeft--en uiteraard _moest_ hebben--laat 't hem-zelf hier verhalen:
[p.161] Je ne regarde pas même la misère et l'abandon comme le plus grand danger auquel je l'aie exposée. Qui sait, à son âge, où le découragement de l'innocence avilie a pu la porter?
Voor Mevr. Holst bewijst deze daad slechts, hoe klein de "zedelijke kracht is in den jongeling;" voor mij: hoe zij 't ook is gebleven in den man. Want had deze in zijn geheele leven geen poging moeten doen, Marion terug te vinden, om zooveel mogelijk goed te maken, wat hij bedorven had?--"Qui sait?" _Hij_ had moeten weten. Goed! èven aangenomen, dat hij, gelijk hij beweert, inderdaad de kracht miste, de daad ooit aan een vriend, zelfs aan Mad. de Warens te biechten, dan nog had hij kunnen en moeten pogen háár te vinden. _Daar_voor had hij de kracht en de deugd moeten hebben. Hij had ze _niet_. Dáár ligt de zedelijke depravatie van den _man_. Indien Mevr. Holst zegt, dat uit zijn katholiek worden blijkt, "dat de zedelijke gloeden van het kind zijn ondergegaan in den knaap" en er dan aan toevoegt: "eens zullen zij weer opleven: het kind is vader van den man," dan is dat wel een mooie psychologische ... gemeenplaats, maar de toepasselijkheid op het geval-Rousseau--let wel: wat de daden en vooral de _gevoelens_ der _lagere_ persoonlijkheid betreft!--laat zich zoeken en het meest in de zaak Marion. Deze man, die zègt nauwelijks een dag zonder wroeging te zijn geweest, schrijft aan Mad. d'Epinay: "Moi qui ne fis jamais de mal à personne." Deze man, die zegt nooit de daad te hebben durven biechten, _leest_ in ter auditie van de Confessions bijeengekomen gezelschappen van soms 'n twintigtal personen, _het relaas dier daad voor_, 't geen nog heel wat anders is dan het neerleggen ervan in een werk, dat men niet voor zijn dood wenscht gepubliceerd, en zelfs nog heel wat meer kracht vereischt dan het biechten aan een vriend.--"Als hij haar biecht in de _Confessions_ schreeuwen zijn vijanden over de verdorvenheid van zijn aanleg, bazuinen zijn vrienden zijn waarheidsliefde uit," zegt Mevr. Holst. Welnu, zijn vijanden, beweer ik, al hadden zij ongelijk zijn vijanden te zijn, hadden _daarin_ gelijk, en zijn vrienden stonden klaarblijkelijk niet objectief-psychologisch voor de zaak, anders [p.162] hadden zij de oorzaak dier nuttelooze want te laat gekomen waarheidsliefde, in een man, die niet nobel genoeg was, om het kind, dat hij ongelukkig had gemaakt, te zoeken en te hulp te komen, anders begrepen dan zij deden. Dan hadden zij haar begrepen, gelijk ik haar begrijp.
En dan het geval met den ongelukkigen Le Maître. Dit verhaalt Mevr. Holst aldus:
"... maar toen de arme musicus in Lyon op straat door een aanval van vallende ziekte werd getroffen, krijgt opnieuw een van die plotselinge opwellingen, waartegen de jongeling niet geleerd heeft te strijden, macht over hem: hij holt weg, zonder zich verder om den zieken meester te bekommeren."[48]
Wat gaat ons nu in 's hemelsnaam hier aan of "de jongeling niet geleerd heeft daartegen te strijden"?! Wanneer ik een kind van 'n jaar of tien, zijn vleesch-en-aardappelen in plaats van met vork en mes, met zijn vingers zie bewerken, dan vraag ik misschien: "Hé, heeft Pietje nu nog niet geleerd, hoe men behoort te eten?" Ik vraag dat dan zóó, omdat 't er wel iets, maar toch slechts heel weinig voor den psychischen aanleg van dat kind op aan komt, dat het niet _uit zich-zelf_ meer beschaafde manieren heeft; maar wanneer ik omtrent een _twintig jarigen_ man verneem, dat hij zijn leeraar, die hem belangeloos heeft onderwezen, die hem altijd vriendelijk en welwillend bejegend heeft, te midden van vreemden als een vod op straat heeft laten liggen en wegliep, toen die man, in zeer penibele omstandigheden verkeerend, door hem naar een vreemde stad begeleid, een epileptischen aanval kreeg--dan zeg ik allicht: "Dat is òf 'n verdorven òf een krankzinnig mensch." Het is dan uw goed recht, o psycholoog, mij te antwoorden: "Neen, die man is geen van beide," _mits gij mij dan maar verklaart, hoe hij dat_ niet zijn kan en _dit_ toch doen. Maar vertel mij alsjeblieft niet, dat de reden is, dat hij niet geleerd heeft er tegen te strijden. Dat zou mij iedere gevangenispredikant allicht vertellen. _Het vreeselijke is dat het in hem zit_. Waarom is dat niet zoo vreeselijk, als het er wel uitziet--gelijk gij klaarblijkelijk [p.163] meent. _Daarvoor_ heb ik _u_ noodig, menschen-herscheppend psycholoog! Maar Mevr. Holst, _onze_ psycholoog, antwoordt _niet_.... "Een plotselinge opwelling." O ja, dank u, nu weet ik 't wel!
Doch een der meest teekenende omstandigheden vind ik, dat onze schrijfster bij het àl tè vluchtig behandelen van het feit, dat Rousseau zijn kinderen naar de Enfants-Trouvés liet brengen, niets zegt van de zeer onechte apologie in de Confessions. Hier ware een prachtige gelegenheid geweest, den mensch uit zijn werk zelfstandig op te bouwen; de waarheid aan het licht te brengen, die er tègen zijn wil uit blijkt, en hem dus niet na te beelden zooals hij zich-zelf gelieft voor te stellen, maar hem te beelden, zooals hij zich ondanks zich-zelf ten toon stelt, werk dus der inderdaad "hoogere" critiek!
"... cette horreur du mal en tout genre, cette impossibilité de haïr, de nuire (Nu, nu, dat hebben we toch wel anders gezien! v.C.) et même de le vouloir, cet attendrissement, cette vive et douce émotion que je sens à l'aspect de tout ce qui est vertueux, généreux, aimable: tout cela peut-il jamais s'accorder dans la même âme avec la dépravation qui fait fouler aux pieds sans scrupule le plus doux des devoirs? (Zeker, het _blijkt_ dat dit kan! Want bij het te vondeling brengen der twee _eerste_ kinderen was er immers _volgens zijn eigen getuigenis_, geen sprake van _eenige overweging_ noch van _eenige scrupule_! v.C.) Non, je le sens, et le dis hautement, cela n'est pas possible. Jamais un seul instant de sa vie Jean-Jacques n'a pu être un homme sans sentiment, sans entrailles, un père dénaturé. J'ai pu me tromper mais non m'endurcir. _Si je disois mes raisons, j'en dirois trop. Puisqu'elles ont pu me séduire, elles en séduiroient bien d'autres: je ne veux pas exposer les jeunes gens qui pourroient me lire à se laisser abuser par la même erreur_.[49]
Het is duidelijk dat dit een _uitvlucht_ is. Zoo het waar is, dat het bekend maken dier redenen jonge menschen had kunnen verleiden, omdat zij hem hebben kunnen verleiden, dan is het ook waar, dat 't bekend-maken der overwegingen, die hem later die redenen als dwalingen hebben doen beschouwen, evenmin zijn uitwerking op die jonge lieden zou [p.164] hebben gemist. Hij _moet_ toch hebben ingezien, dat het verzwijgen èn van de redenen èn van datgene, dat hen in zijn eigen oordeel tot dwalingen stempelde, de zaak voor de jongeren pas recht gevaarlijk maakte: nu blééf hun alleen _een slecht voorbeeld_ gegeven door een _groot man_. En overigens zal men mij wel willen toegeven, dat deze bezorgdheid al zeer vreemd aandoet in den mond van iemand die wel zeer gemoedelijk spreekt over zekere sexueele hebbelijkheid, waaraan hij verslaafd was, 't geen niet alleen heel wat prikkelender op jonge gemoederen kan werken dan dit, maar ook heel wat gevaarlijker is, omdat het zooveel makkelijker kan worden nagevolgd. Waar bleef toen wel die bezorgdheid? Men begrijpe mij wèl: _ik acht er de Confessions en hun schrijver des te hooger om, dat toen die "bezorgdheid" er niet was_. Zij is geheel out of season in een werk, dat nu eenmaal, zonder zich om de meer verwijderde en bijkomstige gevolgen te bekommeren, een _biecht_ wil zijn en _niets dan dat_.--Máár--_waarom dan alleen bij deze gelegenheid van dat standpunt afgeweken_? Dàt geeft te denken--wat ìk heb gedacht!--Het is dan ook waarlijk wel volkomen te begrijpen, dat er onder de lezers van den _Emile_ waren, die lezend wat hij daar omtrent de plichten van den vader leert--en _niet wetend, dat de Hoogere Persoonlijkheid wel verwant met, maar toch een geheel andere dan de lagere is_--minachtend hun schouders optrokken over 't geen zij voor _huichelarij_ moesten houden, en de sarcastische noot daar ter plaatse, waarin de "petites bonnes gens" Cato en Augustus worden vergeleken met de "grands hommes de nos jours," die te gewichtige zaken aan het hoofd hebben, om hun ouderplichten na te komen, kortweg een onbeschaamdheid noemden.--Wat nu de werkelijke reden moge geweest zijn, 't geen wij thans niet zullen onderzoeken--hij-zelf heeft 't later voorgesteld alsof "les raisons déterminantes" voortsproten uit vrees voor en afkeer van Thérèse's familie--zeker is, dat hij, die hier terwille der jonge lieden zoo bezorgd was, in de _Rêveries_ die bezorgdheid geheel heeft verloren en daar weer zegt, dat zijn verstand hem geen [p.165] enkel verwijt doet, en dat indien hij er weer toe genoopt ware hij er nog met vrij wat minder aarzeling toe zou overgaan als destijds! Arme jeunes gens! Nu ziet ge dus, dat 't zelfs _geen dwaling_ was.... Ik vrees dan ook, dat indien gij in het gelukkig bezit van een intrigante schoonmoeder en diefachtigen zwager waart, ge uw kinderen wel hals over kop, na het lezen diér passage, naar de zoo aangeprezen Enfants-Trouvés zult hebben gebracht![50]
* * * * *
Alvorens nu echter over te gaan tot het bespreken van het verband dat er tusschen de door mij thans aangetoonde verfraaiïngstendenzen in Mevr. Holst's psychologisch-biographische beschouwingen van de Rousseau-figuur, en den invloed van het marxistisch-aesthetisch systeem bestaat, zij het mij vergund ter aanvulling mijner voorafgaande, alle min of meer negatieve, opmerkingen, een zéér schetsmatig positief Rousseau-beeld te ontwerpen. Ik vertrouw dat daardoor de juistheid dier opmerkingen den lezer des te duidelijker blijken zal. Het aanbrengen van een paar trekjes slechts zal ik ook thans, ten einde niet in herhalingen te vervallen, moeten opschorten tot de bespreking van Thérèse Le Vasseur.
Ik geloof dan, dat de grondaard van Rousseau's persoonlijkheid een _lichtelijk-pathologisch_-erotische is geweest en dat daarin nagenoeg het geheele complex van eigenschappen valt op te merken, dat vaak bij _zulk_ een erotischen aard behoort, zooals: actief-mystische aanleg, bij Rousseau wel is waar slechts ééns, maar zeer duidelijk en sterk blijkend, èn neiging tot mystiek gelooven; een hysterische behoefte de aandacht op zich te vestigen en--zeer typisch daarvoor!--altijd te klagen over zijn gezondheid, _ook wanneer daar geen reden voor was_; een onder-normale capaciteit om zich kennis eigen te maken, verergerend tot volslagen onmacht, zoodra hij onder leiding van anderen studeeren moet; onontvankelijkheid voor door anderen hem opgelegde discipline; _snoep_-[p.166] en vooral _daardoor dief_achtig; vaak grootmoedig en vrijgevig, zooals de meeste niet alleen-sensueele maar ook geestelijk-erotische naturen--het lichamelijk-eruptive weerspiegelt zich namelijk vaak en gemakkelijk in hun geestelijkheid--; vaak berouwvol, doch het berouw weer wegredeneerend met hooggestemde uitweidingen over eigen deugdzaamheid en deugd in 't algemeen--_sommige_ erotische neigingen en de laatstgenoemde eigenaardigheden vindt men in _zeer verhevigde_, maar daardoor ook zeer verduidelijkende projectie in Van Oordt's Warhold--dikwijls dus een mooiprater, die zich... met _schrijven_ moest behelpen, omdat, alweer zeer typisch, hij een verward en moeizaam denker en zoo zwak van geheugen was, dat hij elke gedachte bijna onmiddellijk na haar geboorte vergat. Uit dezen aard, zooals bijna altijd, vergezeld van een zwakken ethischen wil--geen zwak ethisch bewustzijn!--en welke, omdat hij in een kunstenaar voorkwam, die als alle kunstenaars onwillekeurig en voortdurend zich-zelf zag en doorschouwde, noodwendig gepaard moest gaan en dan ook ging met beschaamdheid, timiditeit en min of meer groote vrees voor omgang met menschen; uit dezen _vrij geringen_ aard dus, die eigen geringheid kende, maar óók eigen genie: die beïnvloed werd door het Scheppend Vermogen en, ook in de handelingen van het lager bewustzijn telkens reageerde op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkte--daaruit is, dunkt mij, alles en alles in Rousseau te verklaren. Dàn blijft hij niet langer een "vat vol tegenstrijdigheid"! Laat mij nu even deze beweringen, voor zoover zij bewijs behoeven en door het hun voorafgaande niet reeds bewezen zijn, aan sommige levensfeiten en daden van Rousseau toetsen. Indachtig aan het feit, dat deze psychologisch-biographische beschouwingen middel en geen doel in dit opstel zijn, zal de lezer mij wel de telegram- en horoscoopstijl in dit gedeelte willen vergeven, terwijl hij ook wel in het oog gelieve te houden, dat ook ik natuurlijk elke daad het gevolg acht van de wisselwerking _aller_ neigingen en krachten der persoonlijkheid, die de psychisch-oorzakelijke [p.167] sfeer dier daad _kunnen_ beïnvloeden, en dat ik dus door het op den voorgrond brengen van enkele dier neigingen, die m.i. de hoofdoorzaak van een zekere daad vormden, den invloed der andere allerminst wensch te ontkennen.
Actief-mystische aanleg en neiging tot mystiek gelooven. Wat de eerste betreft: het visioen in Annecy. Hij zelf zegt daarvan: "Si jamais rêve d'un homme éveillé eut l'air _d'une vision prophétique_, ce fut assurément celui-la," en kenschetsend voor zijn luciditeit op dat oogenblik is 't geen hij er aan toevoegt: "et ce qui m'a frappé le plus dans le souvenir de cette rêverie, quand elle s'est réalisée, c'est d'avoir retrouvé _des objets tels exactement que je les avais imaginés._[51] (Het verhaal van dit visioen is dan ook van niet te overtreffen en als onstoffelijke en volmaakt-verpuurde taal-schoonheid). Wat de tweede betreft: men zie 't voorval van het steenen-werpen naar een boom om zekerheid te verkrijgen of hij, zoo hij dan mocht sterven, verdoemd of zalig-gesproken zou worden (hij is dan 24 jaar oud):
... la peur de l'enfer m'agitois encore souvent. Je me demandois: En quel état suis je? Si je mourois à l'instant même, serois je damné?... Je me dis: Je m'en vais jeter cette pierre contre l'arbre qui est vis à vis de moi, si je le touche, signe de salut; si je le manque, signe de damnation. Tout en disant ainsi, je jette ma pierre _d'une main tremblante et avec un horrible battement de coeur.... Depuis lors je n'ai douté de mon salut...._[52] Men lette ook op het willen-neerleggen van het manuscript der "Dialogues" op het altaar der Nôtre-Dame.--Deze neiging, één of ten nauwste samenhangend in hem, met die van _immer iets te verwachten van het wonderlijke, van het nu-nog-niet-te-begrijpen-onverwachte, dat straks komen en helpen zal_, is ten _deele_ oorzaak van zijn, in sommige gevallen, uiterst luchthartig gods water over gods akker laten loopen: Madame de Warens gaat zienderoogen financieel achteruit, hij--wel is waar onder het zelf-accompagnement van veel Warholdiaansche [p.168] schoone plannenmakerij, betuigingen en speeches--blijft meeëten, pleizierreisjes maken en helpt zoodoende nog een beetje sneller den boel naar den kelder. Hij verklaart dan ook, nooit ongerust te zijn geweest, wanneer hij doodarm was. Ook zijn hierdoor ten deele een paar uitingen van zijn "délire inconcevable" te verklaren; zoo bijv. het kattenmuziek-concert bij de Treytorens: hij wéét, dat hij nagenoeg niets bezit van de technische kennis, vereischt om muziek te componeeren; hij wéét, dat 't dus voor iemand als hij aan het krankzinnige grenst, zoo iets te ondernemen; jawel, alles goed en wel, máár--de wonderbaarlijke hulp op het beslissende oogenblik, wenkt hem in de vage verte... alles zal wel terecht komen....--En zoo ook: het verlaten der Gouvons, zonder eenig bestaansmiddel dan: de goocheltoertjes met een fontaine de Hiéron! Toch worden deze buitensporigheden, zooals ik reeds zei, slechts ten deele door bovengenoemde neiging verklaard. Zij komt immers in tallooze personen voor, zonder hen zoover te brengen. Om dat wel te kunnen is het dan ook noodig, dat zij enorm en op een geheel eigenaardige wijze wordt versterkt door een haar bijna gelijke, maar uit geheel andere bron ontspringende eigenschap, welke alleen in hen wordt gevonden, door wie het Scheppend Vermogen werkt, of die psychisch voorbestemd zijn, dat het door hen werken zal: artisten. Kunstenaars zijn namelijk zulke menschen, die in hùn bewustzijn _voortdurend gaven ontvangen van het hun-Onbewuste_; die voortdurend in hùn bewustzijn tooneelen beleven, beelden zien oplichten, welke zij niet hebben samengesteld of gevormd; in 't kort: die allerlei onverwachts in zich-zelf zien gebeuren. In zulke menschen leeft daardoor de neiging, ook in 't dagelijksche leven hunner _lagere_ persoonlijkheid, allerlei dingen van het niet-ik te verwachten, welke een gewoon mensch er nimmer van verwachten zou.[53] En deze neiging bezit hun lagere persoonlijkheid reeds _voor_ het Scheppend Vermogen zich in haar openbaart. Zonder [p.169] die neiging zou de gewenschte verhouding van den lageren mensch tot zijn hem beheerschend genie niet mogelijk zijn. Zij maakt den eerste geschikt voor het nederig-receptieve, en voor de zelfvergetelheid-in-aanvaarding van de gaven van het laatste! Zulk een mensch, zulk een kunstenaar nu was Rousseau. En in de aanwijzing dier samenwerking van _beide_ genoemde neigingen in hem, ziet de lezer dus niet slechts zulke uit zijn "délire" voortkomende daden als de hier beschouwde, verklaard, maar hij heeft daardoor tevens gelegenheid gehad, in een paar voorbeelden op te merken, het reageeren der lagere persoonlijkheid, in hare handelingen, op het feit, dat het Scheppend Vermogen door haar werkt of werken zal.--
Als ten dééle veroorzaakt door zijn moeizaam denken, of liever: door zijn nièt-kunnen-denken in sommige gevallen--alles wordt dan één chaotisch-warrelende zinneloosheid in zijn brein--blijkt ook het geval-Marion te moeten worden beschouwd: het vermiste lint wordt bij hem ontdekt; de schrik sláát zijn denkvermogen; het feit, dat hij 't haar ten geschenke wilde geven--dit heeft hij zelf verklaard--doet nog de reddende gedachte in hem opspringen, te zeggen, dat hij 't van haar gekregen heeft, maar dan is 't ook uit met denken in zijn verwilderd brein; dan treedt de chaos in: zelfs de angst voor de schande _bestaat_ dan _niet meer_ in hem: hij is als een locomotief, die geen bestuurder meer heeft en door alle wissels heen rijdt en alles reddeloos vermorzelt op zijn weg, hij is een menschelijke machine, die alleen herhalen, zinneloos herhàlen kan wat hij eens heeft gezegd. Maar let wel: _zonder het ethisch defect ware de primaire gedachten-associatie niet in hem ontstaan en, indien al ontstaan, onmiddellijk neergeslagen,_ gelijk hij ook, daarzonder, een uur later tot bezinning gekomen, naar den Comte de la Roque ware gegaan, om dien alles te bekennen, of zooals ik reeds vroeger zei, later gepoogd zou hebben te herstellen wat nog te herstellen viel.--