Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 16
Het geval Le Maître kan ten dééle worden verklaard uit chronisch angstgevoel voor de menschen, dat niet anders [p.170] was dan _de vrees, zijn eigen lagere persoonlijkheid, wier betrekkelijke geringheid hij-zelf zoo wel kende, door de menschen te laten doorzien_; chronische angst ook voor geestelijke degenstooten, die hij te traag-denkend was, om bij tijds te kunnen pareeren. En op sommige oogenblikken, oogenblikken gelijk er toen een was, _werd die menschenvrees acuut._ Toen hij die menigte daar zag, zich verdringend om hem en dien bezwijmden man, de vreemdheid van de gelaten, van de huizen, van àlles, hem, den hulpelooze en verwarde, koud-ondervragend aanstuurschend, moet hem die onredelijke angst adem-benemend in de keel gekropt hebbend, verwilderend in zijn denken gestegen zijn! Als bij een kind, dat verdwaald om moeder huilt, flitst dan, in die felle benauwing de reddingsvolle gedachte aan het zoo lieve en zachte tehuis bij "Maman" in hem op. Het wenken van de veiligheid, van het voor harde vreemden afgesloten intieme, is dan tè groot, tè verlokkend: hij _snelt_ weg. _Ten deele_, zei ik, is die daad uit dit alles te verklaren, want _zonder het zedelijk-defecte in hem, zou, in dit geval, de menschenvrees het plichtsgevoel niet hebben kunnen overwinnen_.--
Wat nu de hysterische behoefte betreft, de aandacht op zich te vestigen: deze heeft niet alleen aanleiding gegeven tot allerlei onschuldige pueriliteiten, zooals hoogstwaarschijnlijk het dragen van Armenische kleeding, e.d., die nog met een weinig goeden wil kunnen worden geacht, uit ijdelheid voort te komen, maar ook tot ernstiger dingen, als het vragen om hulp, zonder die noodig te hebben--van uit Ermenonville--; het klagen over zijn kwaal, ook in een tijd, dat hij bergtoeren ondernam en niemand van zijn omgeving iets van ziekte of ongemak bij hem kon bespeuren;[54] het bekoesteren van het martelaarschap, zijn, volgens geloofwaardigen, sterk-overdrijven van de "lapidation" te [p.171] Motiers,[55] benevens, voor een goed deel tot die handelingen welke Dusaulx vlijmend-juist kenschetst met de woorden: "Il partit donc, _quittant celui dont il avoit fait la conquête_.--
Alles samenvattend kan men zeggen, dat Rousseau's leven vooral tragisch is geweest door de worsteling van zijn betrekkelijk-geringe lagere persoonlijkheid met zijn geweldige Hoogere, zijn edel Genie. Een gering mensch, die telkens als hij iets doet of denkt wat tot die geringe natuur behoort, plotseling de diepe, treurige oogen van een Christus op zich voelt gevestigd, die hem overal begeleidt. Maar meest openbaarde het zich niet zoo in zìjn bewustzijn, hij voelde vaak slechts als een terughoudenden ruk, maar wist niet wie daar rukte; een verkillende tot bezinning brengende greep, en hij wist niet wie daar greep. Zoo heeft hij ook nooit de _grond_oorzaak van zijn zonderling gedrag bij de schoone Zulietta in Venetië doorvoeld. _Deze was die grondoorzaak_. Midden in een hartstocht-opwelling viel soms een ijzige kilte op hem neer... hij bezon zich en dacht dan koel, plotseling een ander mensch, aan allerlei dingen.... En hoe kwam dat nu toch in hem.... waarom moest hij nu zoo vreemd-koel denken?... zoo mijmerde hij dan, al het andere dáárvoor vergeten... maar hij wist het niet, en een vreemde schaamte kwam in hem, die toch nauwelijks schaamte was, en hoe hij ook wroette, hij kende niet, hij vond niet de oorzaak van dat alles.... Dan ontwaakte hij, zag iemand, die hem uitlachte, en werd dan eerst recht beschaamd en verward.--"Lascia le donne e studia matematica," voegt Zulietta hem verachtelijk toe. Ja, ja, zoo kon zich zelfs deze op dit punt zoo zeer ervaringrijke jonge dame vergissen! Want ik geloof, dat van nature Rousseau wel voor niets minder dan "matematica" en voor niets meer dan "le donne" geschikt was!
Zeker, zijn gevoel van niet te passen in die koud-vernuftige, gevatte, geestige kringen der encyclopaedisten, der plutocraten en van den adel; zijn bewustzijn van daar niet tegen op te kunnen en een ongelukkig figuur te slaan; van [p.172] behept te zijn met den echten esprit de l'escalier, dat alles noopte hem de maatschappij te vlieden. Maar toch, het dient gezegd: wat hem verbitterde was niet alleen gekrenkte eigenliefde, maar ook _beleedigd rechtsgevoel_. Het was _onrecht_, zoo moet hij 't gevoeld hebben, dat hij, het _genie_, "balourdises" zei: niet alleen niet wist te schitteren in de salons, maar zelfs niet één woord bijna zeggen kon, of hij ontdekte later, een domheid te hebben gezegd; het was _onrecht_, dat die anderen, zijn minderen, aldus over hem heerschen konden, in stede van hij over hen. Arme Jean-Jacques! Hij geleek een koningszoon, die door een boozen toovenaar veroordeeld is, in de gestalte eens geringen door het leven te gaan. Slechts op die oogenblikken, zoo heeft de wreede gezegd, als het onbaatzuchtig genie van een waarachtig en goddelijk heerscher in u komt en ge dàt zult moeten uiten, hetzij in spreken of in schrijven, dàn zal het u gegeven zijn, uw verheven vorstelijkheid te doen schitteren; maar te anderen tijde.... waar de luister uwer princelijkheid u-zelf den omgang met medemenschen tot een rijke en zoete vreugde zou maken, dan zult ge een geringe zijn....--Maar o, lezer, was die booze toovenaar wel een toovenaar en boos? Was hij niet de alwijze Noodwendigheid, wier werken immer zijn te prijzen? Want indien de mènsch Rousseau, de ijdele en sensueele, ook de lagere geneugten zijner vorstelijkheid had kunnen genieten, zou hij dan daarin niet zijn ondergegaan? Of zoo hij al een groot kunstenaar ware gebleven, zou hij wel _Rousseau_, de Leeraar der groote revolutie, het zwaard, de ploeg en de zaadkorf der armen en verdrukten, het lichtbaken der volgende geslachten geworden zijn?....
En nu: wàt heeft de verfraaiïngstendenzen ten opzichte der Rousseau-figuur in Mevr. Holst veroorzaakt? Wel, dunkt mij, niets is duidelijker: het pogen _de synthese tusschen hoogere en lagere persoonlijkheid langs den historisch-materialistischen weg te bereiken_. Indien men het kunstwerk in zijn geheel, maatschappelijk- en psychisch-geologisch, om 't nog eens weer zoo te noemen, uit de productieverhoudingen [p.173] en de lagere persoonlijkheid wil verklaren en daarbij tevens aanneemt, dat er in die lagere persoonlijkheid niets aan maatschappij- of natuur-invloed aanwezig is, dat niet zijn uiting vindt in de schepping der Hoogere, 't geen Mevr. Holst, de marxistische aestheticus, inderdaad meent; indien men wat wij den aanleg, het talent, het genie noemen, in zijn volle kracht en schoonheid der menschelijke, lagere persoonlijkheid acht te _ontstijgen_, en daarbij tevens aanneemt, dat er niets in die lagere persoonlijkheid aan neigingen, krachten en zwakheden aanwezig is, dat niet de een of andere wijziging in de _scheppings_beweging-zelf van het talent of genie te weeg brengt, 't geen Mevr. Holst inderdaad meent; indien men dan ziet, dat er in het werk van dat talent of genie, meeningen worden voorgestaan, theorieën verkondigd, die in de menschelijke keuringssfeer "goed" of "zedelijk" en dat wel in den hoogsten graad heeten, terwijl er daarentegen geen enkele theorie of meening in wordt verkondigd, welke in die sfeer "slecht" of "onzedelijk" wordt genoemd--dan wordt men er immers onweerstaanbaar en onbewust toe gebracht, de "onzedelijke" en de "niet goede" dingen der lagere persoonlijkheid niet, of zoo _microscopisch_-klein te zien, dat het dáárdoor verklaarbaar wordt, dat zij geen merkbaren invloed gehad hebben; dan wordt men er dus immers onbewust toe gebracht de lagere persoonlijkheid te _verfraaien_! In hoeveel vrijere positie komt men daarentegen ten opzichte van het kunstwerk en de lagere persoonlijkheid des kunstenaars te staan, indien men aanneemt zooals ik, dat door haar algemeene ontvankelijkheid voor bevruchting, de lagere persoonlijkheid eens kunstenaars het Scheppend Vermogen aantrekt, zooals aarde zaad, en de bloem den bestuivenden vlinder, maar met dien verstande en met die beperking, dat zij slechts die scheppende krachten kan aantrekken, wier aequivalenten in menschelijk-onvolmaakten staat, maar in voldoend-sterke mate, zij-zelf in zich heeft. Zoo was Rousseau's lagere persoonlijkheid grootmoedig en medelijdend; zoo was zij erotisch; zoo blaakte zij van een ontembare vrijheidsbegeerte en kon den geringsten dwang niet [p.174] dulden. En deze eigenschappen waren sterk genoeg in hem ontwikkeld, om de aequivalente krachten der Scheppende Natuur tot zich te roepen. En zoo verschenen deze dan ook, in-zichzelf-volmaakt, puur en eeuwig, in zijn werk. Zoo werd hij dus een edel revolutionnair denker en een erotisch-bewogen kunstenaar.--Waar nu, vraagt ge, is dan bijv. de geringheid van zijn zedelijke wilskracht gebleven? Maar, natuurlijk waar zij blijven moest: in zijn lagere persoonlijkheid; omdat zij iets louter negatiefs was: een _tekort_ aan zedelijke kracht, een zwakheid, die haar positieven vorm: "misdadigheid" niet kon zijn en dus niet krachtig genoeg was, om haar scheppend aequivalent tot zich te roepen. Ware dat wel het geval geweest, dan zou Rousseau inderdaad _kunstwerken_ hebben geschreven, gelijk zoo menig kunstenaar heeft gedaan, welke in de menschelijke ethische keuringssfeer onzedelijk of misdadig zouden zijn geheeten. Nù kon die zwakte van zijn zedelijk willen, uitsluitend eigenschap van de lagere persoonlijkheid blijvende, slechts kunstbedèrvend werken. Zij moèst dat niet doen, zij kòn het doen en hééft het gedaan, zooals wij bij de behandeling van Confessions-fragmenten hebben bemerkt. Voor Mevr. Holst echter, die in Rousseau's _Scheppend Vermogen_, evenmin als wie ook, iets van dat zedelijk-defecte zag of kon zien, bestond het dus, op grond van haar leerstellingen, ook in zijn _geheele_ persoonlijkheid slechts in niet noemenswaardige mate. Aldus neem ik aan, is nu voldoende aangetoond en ontleed, hoe nadeelig een invloed de marxistische aesthetiek op Mevr. Holst's psychologisch-biographische Rousseau-beschouwingen heeft geoefend en op welke wijze dit is gebeurd. Maar één twijfel, die te dien opzichte nog in mijn lezers kan bestaan, dien ik weg te nemen.
Een feit is het, dat, zooals ik vroeger elders heb aangetoond,[56] Mevr. Holst wel in zeer hooge, wellicht de hoogste mate die kracht van liefdevolle overgave aan te beelden figuren bezit, welke een groot menschenschepper mòet bezitten, [p.175] maar dat iets anders, dat dezen even onontbeerlijk is, haar ontbreekt: het aangeboren bewustzijn van den heerscher, _dak_ zich zelf ongerept, in die overgave, bewaart. Zoowel de _heerscher_ als de _minnaar_ moeten _beiden_ in den grooten menschenschepper leven: de eerste mòet blijven keuren, overwegen en rechtvaardig beschikken, hoe hartstochtelijk ook des laatsten liefde zij. De lezer nu, die aan dit alles denkt, zou dus niet zonder schijn van recht kunnen vragen: moet veel van wat hier aan de historisch-materialistische aesthetiek werd verweten, eigenlijk niet worden toegeschreven aan het feit dier liefdevolle, _maar onbeheerschte_ overgave; aan het feit, in één woord, dat Mevr. Holst een groote lyricus, maar volstrekt geen epicus, geen menschenschepper is? Maar indien hij slechts even let op het enorm verschil in eigenlijke mensch-beeldende kracht, zooals eenerzijds bijv.: de romanschrijver, die naar het òndoorlichte leven beeldt, van noode heeft, en anderzijds de psychologische biograaf, die kunstwerken, d.i. het doorlichte leven, en ander reeds bewerkt materiaal slechts opnieuw bewerkt, dan zal hij-zelf niet aarzelen die vraag ontkennend te beantwoorden.
* * * * *
Beschouwen wij nu Mevr. Holst's Thérèse Le Vasseur. En ik durf bij voorbaat beweren, dat, zóóals hier den lezer het verderfelijke der marxistische aesthetiek zal blijken, het hem bezwaarlijk elders blijken kan. Hebben wij gezien hoe deze aesthetiek onze schrijfster er toe bracht den _mensch_ Rousseau te flatteeren, thans zullen wij zien hoe dit tot _noodzakelijk_ gevolg had, dat ook Thérèse Le Vasseur geflatteerd werd en wel in een nog zooveel sterker mate dan Rousseau-zelf, dat ik geen oogenblik aarzelen mag, de psychologisch-biographische beelding dier figuur volslagen onjuist en pueriel-goedgeloovig te noemen.
Waarom of het eerste 't laatste tot _noodzakelijk_ gevolg had? vraagt ge. Och, gelieve maar even naar mij te luisteren: Mevr. Holst werd door haar proletarisch-voelen--waarvan ik de diepte en uitingsschoonheid in 't tweede hoofdstuk dezer studie zoozeer bewonderd heb--er onweerstaanbaar [p.176] toe gedreven Thérèse te verdedigen.[57] Haar intuïtie zei haar zeer te recht, dat die verdediging met vrucht te voeren is. Maar wat haar intuïtie haar niet zei--_omdat deze te dien opzichte verzwakt was door haar onbewuster tendenz, Rousseau te flatteeren_--is: dat die verdediging van Thérèse alleen te voeren is _ten koste van Rousseau_. Om haar nu desalniettemin toch door te zetten _werd het noodig ook Thérèse veel edeler voor te stellen dan zij was_.--Toetsen we dit alles nu aan Mevr. Holst's boek, de historische feiten en de gevolgtrekkingen, die daaruit redelijkerwijze kunnen worden afgeleid.
Voor Mevr. Holst is Thérèse de nederig-dienende zorgzaamheid in Rousseau's leven geweest, heeft zij de materieele basis gevormd, waarop bijv. de "schoone, zacht-gelaten levens-philosophie in zijn laatste geschrift" heeft kunnen bestaan. Er is hierin veel waars. Jawel, maar luister nu eens even naar wat onze schrijfster verder zegt:
Dit (dat Rousseau haar volkomen bleef vertrouwen en niet in het "complot" betrokken zag. v.C.) kon natuurlijk alleen zoo zijn doordat Thérèse niet inging tegen zijn waan, maar met hem meepraatte; de biografen maken haar daarvan een verwijt, zij beschuldigen haar van Rousseau in zijn valsche voorstellingen gestijfd te hebben. Maar hoe zou zijn leven geweest zijn, zoo zij onophoudelijk tegen die voorstellingen ware ingegaan?[58]
De verfraaiing van Thérèse en de ontzenuwing van de beweringen der biographen is hier mogelijk geworden door het niet-vermelden van de veel zwaardere beschuldigingen, die tegen haar zijn ingebracht. Zulke als deze:
... La maniere dont elle s'est conduite après sa mort suffiroit pour mettre la chose hors de doute, si déjà la preuve n'en étoit bien acquise par _le témoignage unanime de tous ceux qui ont frequenté Rousseau à toutes les époques de sa vie_. Or il est constant qu'à Motiers, à Wootton et partout où elle a suivi son maître, jusqu'à ses derniers moments, elle a fait naître et entretenu en [p.177] lui l'ombrage et la méfiance prompte à lui rendre suspects tous ceux qui l'approchoient et qui parvenoient à lui plaire, pour posséder seule sa confiance et le dominer avec plus d'empire. Si cette femme, s'ennuyant à Motiers, ne négligea rien pour en rendre le séjour insupportable à Rousseau, que ne dut elle pas faire dans la solitude de Wootton où elle devoit n'avoir rien plus à coeur que de le mettre dans la nécessité d'en sortir! Or tout assure que, pour donner plus d'appui à ses suggestions calomnieuses et perfides, elle brisoit les cachets des lettres adressées à son maître, qui, dupe de cette manoeuvre, en tiroit mille inductions, mille consequences plus étranges les unes que les autres, mais dont il n'y a plus dès lors droit de s'étonner.[59]
"Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, tous ceux qui ont écrit sur Rousseau, sont d'accord sur ce point," zegt dezelfde schrijver.--Hier blijken dus doodgewone _misdaden_, uit eigenbelang bedreven. Dat is niet meer: het niet-bestrijden van den waan, om van den waanzinnige het eenige schepsel niet te vervreemden, dat hij nog vertrouwt; dat is: het perfide _hevig-versterken_ van den waan, om maar niet langer op die vervelende landgoederen en kasteelen te moeten leven. Dat Thérèse daar telkens vandaan wilde, erkent ook Mevr. Holst:
Het is vermakelijk om te lezen hoe de meeste biografen er Thérèse een ontzettende grief van maken, dat zij het wonen op die eenzame kasteelen--eerst in Engeland, later in Frankrijk--met een zenuwzieken man en een bediendenstoet om zich heen waartegen zij zich niet opgewassen voelde--alleronaangenaamst vond en hunkerde om er vandaan te komen. Zij was toch ook een mensch, zou ik meenen, met eigen neigingen en gewoonten! Dit leven ging tegen alles in haar in.[60]
Zeker, dit alles zij grif toegegeven. Maar lang niet vermakelijk te lezen is, door _welke middelen zij dat doel_ poogde te bereiken. _Daarop_ komt het aan ter doorgronding van Thérèse's persoonlijkheid!
"Dat zij kort voor het eind van zijn leven, als oude vrouw al, een gril zou gehad hebben voor een stalknecht moge min smakelijk zijn...."[61] Neen maar, zou ik tot Mevr.
[p.178] Holst weer willen zeggen. Wat gaat ons nu de al of niet-smakelijkheid daarvan aan! We zijn toch geen aan ethiek verslaafde en moraliseerende preekers en rechters! Wij willen _een mensch leeren kennen_, dat is ons _eenig verlangen._ En bovendien--dat vertelt Mevr. Holst er weer niet bij: Zij heeft niet alleen kort voor het eind van Rousseau's leven een gril voor dien Ierschen stalknecht van den Markies de Girardin gehad, maar _zij heeft nog een geruimen tijd na Rousseau's dood met hem geleefd en een zeer aanzienlijk bedrag met hem er doorgejaagd_!
_Wat is er nu in deze vrouw_, "die nederige goede vriendin," "dat eenvoudige plebejerskind," dat "liefhebbende hart," _omgegaan, dat zij zich zoo kon vergooien onmiddellijk na den dood van den man dien zij had "liefgehad," dien zij "verzorgd" had_, enz. enz.? _Dat_ wenschen wij te weten, _dat_ opgehelderd te zien, daarvoor luisteren wij gaarne naar een scheppend psycholoog! Dat het niet "smakelijk" was--nu ja, dat weten we waarachtig allemaal wel! _Heeft mevr. Holst niet gevoeld, dat hier de tragedie van een geheel leven te doorvoelen viel?_ Neen, klaarblijkelijk heeft zij er _niets_ van gevoeld; de scheppend-psychologische biograaf zweeg hier in haar; de proletarisch-voelende socialiste, die het kind uit het volk had te verdedigen en dat niet op de juiste wijze kon doen, omdat Rousseau zelf er dan bekaaid af zou komen, èn daarmee _de historisch-materialistisch-opgebouwde synthese tusschen zijn hoogere en lagere persoonlijkheid in den hoek zou liggen_, beheerschte hier de scheppende kunstenares en achtte alles genoegzaam verklaard door die mantel-der-liefde-achtige woordjes!
Zelfs reeds het _ontstaan_ hunner verhouding wordt dan ook reeds--wat Rousseau betreft--door onze schrijfster verfraaid voorgesteld:
Geen lust was het die hem dreef, en ook geen hartstocht, maar voornamelijk behoefte aan innigheid.[62]
Dat is nu precies, inplaats van de waarheid in de armen [p.179] te loopen, haar rakelings voorbijschuiven. Immers, Rousseau-zelf zegt:
Je n'avois cherché d'abord qu'à me donner un _amusement_. Je _vis_ que j'avois plus fait et que je m'étois donné _une compagne. Un peu d'habitude_ avec cette excellente fille, un peu de réflexion sur ma situation, me firent sentir _qu'en ne songeant qu'à mes plaisirs_, j'avois beaucoup fait pour mon bonheur.[63]
Gij voelt nu wel al lezer, dat beteekenisvolle verschil in nuance tusschen Mevr. Holst's en zijn woorden: neen, zeker, geen lust was 't die hem dreef, maar evenmin eenige hoogere geestelijke behoefte aan innigheid. Dat hij ook die bij haar bevredigen kon, ontdekte hij immers pas later! Wat hem dreef was doodeenvoudig de prozaïsche, primair-natuurlijke behoefte aan sexueelen omgang. Nog al bang in dit opzicht uitgevallen--men herinnert zich uit de _Confessions_ zijn angst na zijn visite met Vitali bij de Padoana?--was hij heel blij--och ja, het is heel-laag-bij-den-grond, plat zoo ge wilt, maar het _is_ zoo--dat hij háár gevonden had! _Jubelkreten_ slaakt hij als hem blijkt, dat Thérèse's aanvankelijke aarzeling zich hem te geven, niet voortkomt uit dat door hem zoo gevreesde!
En dan: weet Mevr. Holst wel, dat als zij aan Rousseau's vrienden verwijt, dat hun "klassegevoel en intellectueele hoogmoed" niets dan "een onbeschaafde waschvrouw" etc. in Thérèse zagen, zij met dat verwijt aan het verkeerde adres is? Helaas, het _kon_ alweer niet tot haar doordringen, dat zij hiermede bij _Rousseau-zelf_ moest zijn.
Autrefois j'avois fait un dictionnaire de ses phrases _pour amuser Madame de Luxembourg_, et _ses quiproquo sont devenus célèbres dans les sociétés où j'ai vécu_.[64]
Arme Jean-Jacques! Zelf vertelt hij, dat hij altijd, bij de conversatie in de kringen zijner geleerde en adellijke vrienden met den mond vol tanden zat. Hij voelde dan ten leste eigen zwijgen zoo pijnlijk worden, dat hij er maar wat uitflapte, [p.180] om maar iets te zeggen, wat dan achteraf een "balourdise" bleek. Máár, heer-in-den-hemel! daar valt hem Thérèse met al haar onbewuste grappighedens in. Welk een mijn, welk een onuitputtelijke rijkdom aan stof. Nu niet langer op je stoel zitten draaien in 'n benauwing van verlegenheid, nu geen stommiteiten meer vertellen, om maar wàt te zeggen, nu ook eens geestig zijn, ook eens de vrienden laten lachen--ten koste van de vrouw, "wier engelhartig hart hij roemt." O, Mevrouw, het is te begrijpen: zeker, _alles is te begrijpen._ Maar welk een gebrek aan fijngevoeligheid--der _lagere_ persoonlijkheid!--welk een grove ijdeltuiterij. Welk een gebrek aan eerbied ook voor--zich zelf! _Tenzij hij wist_--let wel!--dat die vrienden ook wel begrepen, dat zij voor hem _een vrouw slechts in den lageren zin_ was, maar wat blijft er dan van de "innigheid" en al dat fraais over? En wanneer Rousseau-zelf aldus Thérèse tot een "onbeschaafde waschvrouw" stempelt, kan men dan wel anderen kwalijk nemen, dat zij niets anders dan zulk een waschvrouw in haar zagen? Gaan wij er nu toe over, zelf Thérèse te beschouwen en toonen wij aan, dat op àndere gronden dan die van Mevr. Holst--_gronden, die echter voor le-meilleur-des-hommes-Rousseau geen standplaats bieden_!--haar verdediging met vrucht te voeren valt.
* * * * *
Thérèse dan blijkt klaar een onbedorven, goed en gewetensvol meisje te zijn geweest, met iets zelfs van uitzonderlijke en aangeboren reinheid in zich, want men moet niet vergeten, dat van wat wij, in een anderen tijd levend, als iets min of meer van-zelf-sprekends beschouwen, juist het _tegendeel_ als het van-zelf-sprekende zou ik bijna zeggen, in het Parijs harer dagen werd beschouwd. Haar aarzeling, zich hem te geven, sproot uit iets anders dan het door hem gevreesde voort. Laat Rousseau-zelf u verhalen wat het was, en merk dan tevens uit zijn verwondering, _hoe uitzonderlijk in dien tijd haar scrupules waren_.
Enfin nous nous expliquâmes: elle me fit en pleurant l'aveu d'une faute unique au sortir de l'enfance, fruit de son ignorance [p.181] et de l'adresse d'un séducteur. Sitôt que je la compris, je fis un cri de joie: Pucelage! m'écriai je: c'est bien à Paris, c'est bien à vingt ans qu'on en cherche![65]