Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 17
Bovendien blijkt die kuische aard uit hare houding, als dienstmeisje in het hotel, onder de schunnige moppen der abbés, tegen wie Rousseau haar in bescherming neemt. Zóó was Thérèse Le Vasseur, rein te midden van een al groeiende zedenverdorvenheid, toen zij zich Rousseau gaf. Laat ons nu zien: Zij, het gevoelige dienstmeisje, met die sentimenten in zich, wèlke moet zij wel in den geliefde-zelf, dien zij zoo ver boven zich stelde, aanwezig hebben gemeend?! Zij, de bijna-analphabete--die niet wist, dat talent of genie soms niets met noblesse hebben te maken--welk een wereld van àl-soortige verhevenheid moet zij niet in Rousseau geloofd hebben te bestaan, in dien man, die haar nog bovendien tegen de gemeenheden der anderen verdedigd had! Als haar nu langzamerhand het tegendeel blijkt, is het dan niet onafwendbaar, dat zij niet alleen het geloof in hem, maar op de wijze aller onontwikkelden, die het bijzondere zoo gaarne veralgemeenen, ook het geloof in de _waarde van deugd-zelf_ verliest? En dat zij dóórsláát, dóórhólt naar den anderen kant?
Onderzoeken wij dus nu door wèlke feiten haar dat tegendeel kan zijn gebleken--voor zoover dan die feiten te onzer beschikking staan: er zijn natuurlijk nog tallooze kleinigheden, voor ons verloren, die ertoe hebben medegewerkt haar de waarheid duidelijk te maken.
Daar is dan ten eerste het geval met "la papesse Jeanne," de maîtresse van Kluppfel. "Une faute," zegt Petitain, "qu'elle l'a généreusement pardonnée." Jawel, vergéven, maar kon ze 't ook vergéten? Liet het geen wrange nasmaak van beleedigde vrouwelijkheid in haar gemoed? Deed het bovendien niet de gedachte bij haar ontkiemen, dat de berisper van destijds al niet beter dan de berispten was, en dat zij met haar scrupules eigenlijk een onnoozel halsje, een onwetend mallootje was geweest?
[p.182] Maar dàn... en hoe zinkt alles, wat zij hem, wat hij haar aan kwaads moge gedaan hebben in het niet bij die vreeselijke daad vijf maal betaald: het haar ontnemen van haar kinderen _tegen haar zin_.
Je m'y déterminai gaillardement sans le moindre scrupule; et le seul que j'eus à vaincre fut celui de Thérèse, à qui _j'eus toutes les peines du monde_ de faire adopter cet unique moyen de sauver son honneur. (Sic!) L'année suivante, même inconvénient et même expédient, au chiffre près qui fut négligé. Pas plus de réflexion de ma part, _pas plus d'approbation_ de celle de la mère: _elle obéit en gémissant._[66]
Peilt nu, gij allen, die ooit een kind zaagt geboren worden en die ontzettende vertwijfelende worsteling met de smart hebt gezien; die dan bij de eerste geluidjes van het kleine schepsel, op het pijn-verwrongen gezicht der moeder, die plotselinge ontslaking, een glimlach als een licht zaagt schijnen; gij die dan de àlle-smàrt-vergételheid, de als overmoedige en jeugd-dronken vreugde, den zaligen trots zaagt stralen, tot die weer ebde, heel zacht, ter zoete zelf-inkeer, het zich-zelf tot rustig-zijn dwingen, om zóó groot heil niet te verbeuren; gij, die ooit beluisterd hebt die eerste moeder-woordjes, als kleine bloemen ontrankend de màchtig-sterke, de van zelfbedwang èn popelend verlangen bévend-vàste liefde; ontbloeiend de diepste diepten van de ziel en het hart, als òpen, rèikende kelken, naar het kindje toe--peilt gij, wétenden, de ontzettende en nooit te heelen wonde, het afgrondige leed van de moeder, die na zóó kort dien hemel te hebben genoten, met den vloek der kinderloosheid, _menschelijk-moedwillig_ wordt belast; peilt gij den haat, den wrok, het gevoel van verlatenheid, de wanhoop aan alle deugd, de verstarring tot egoïsme, die in die vrouw zullen gaan leven, leven hun bestaan van monsters, waar engelen hadden kunnen zijn.... En hèbt ge dit alles doorvoeld.... Och... ja.... Zàl ik u dan nog wel vragen of Thérèse Le Vasseur aan haar misdrijven, welke ze ook mogen geweest zijn, in waarheid schuldig staat, dan wel de man, die haar dàt aandeed?... Maar gij wendt u af, [p.183] ge ziet naar uw eigen kinderen, uw blikken gaan zegenend naar hen uit... en ik versta u: zonder mijn vraag te wachten en zonder te antwoorden, hèbt ge haar beantwoord....
* * * * *
Want ook dit weten wij, nietwaar: één deugd voor alle moet door ons geleerd worden, het is zij, die alle bevat. Die haar in volkomenheid zou bezitten--maar geen mènsch kan dat--kan intreden tot alles wat waardevol is; de sleutel tot het hooger denkvoelen, de ingang tot de waarheid en het onschokbare geluk is zij: het altruïsme, in haar hoogsten vorm, voor ons onbereikbaar: de volkomen ik-vergetelheid. Maar de Natuur, de Al wijze, die geen haast kent, die van graad tot graad en van trede tot trede de wezens laat opwaarts klimmen, heeft drie groote Liefden in hun zielen opgericht, _drie onderrichters van het altruïsme_, die achtereenvolgens in hun bewustzijn verschijnen, met het wonder hunner gestalte en van hun stem. De eerste is nog geen straffe Leerares. Zij onderricht het altruïsme spelenderwijze. Hoe zou zij ook anders: even, slechts éven na het eerst ontwaken van het bewustzijn, verschijnt ook zij, een engeltje even klein en speelgenoot van het kindje, groeit zij daarmee op. Zij is de kinderliefde, de egoïstische, die veel vraagt en weinig schenken kan. Maar al opgroeiend komen er toch tijden, dat het kind zelfs zijn hartebloed voor zijn ouders zou willen geven.... En zie nu, zie: dat kleine speelgenootje heeft dan toch niet slechts met het kindje gespééld, het heeft, met hem opgroeiend en slechts weinige zijner egoïstische en levenshongerige nukken weerstrevend, klaarblijkelijk óók hem onderricht--in altruïsme.--Dan komt er een tijd.... Zij verlaat haar speelgenoot niet, maar treedt achteruit: de tweede groote Liefde verschijnt, een strenger Leerares: de liefde tusschen man en vrouw; veel egoïsme weerstreeft zij, veel opofferingen vraagt zij, veel ontzegging van de genoegens en verlangens van het ik; maar veel egoïsme duldt zij nog--de Alwijze gebood haar, niet tè streng in het onderricht te zijn. Ook is haar sfeer zuiver noch doorzichtig, vooral niet in den man. De driftige zinnen dringen om haar heen, hun [p.184] hoog opgeheven flambouwen werpen smokerige en roode gloeden, trekken misvormende schijnsels over haar Venusgelaat. Ja, soms zijn haar de zinnen voortrennende paarden: dàn leidster en meegevoerde, stralend in de overwinningen, de slapen omkranst, vaart zij, een grond-opwervelende storm, een lichtende davering voorbij.--Maar ten leste verschijnt der Drie hoogst tronende: uittreding van de Ziel der wereld op dier gelaat is zij, éénig beeld van de oneindigheid, want ook de grenzen van haar wezen zijn nimmer gevonden; ouders kennen haar zeeën van gevoel, doch hun diepte of breedte zijn niet te kennen; ouders zien haar hemel, hun kinderen zijn de gesternten daaraan, maar zijn hoogte is niet te weten.... Egoïsme wordt in haar niet gekend, het is een onverstaanbaar woord uit andere tijden, uit andere landen. Zij leeraart niet, zij _is_ het altruïsme, zij is ook niet straf, niet streng, zij kàn het niet zijn: de opofferingen, die zij verlangt, worden niet als opofferingen gevoeld; de afstand, dien zij eischt van zooveel begeerten van het ik, worden een rìjker-worden bevonden! Voor het eerst dan van zijn leven wellicht, voelt een mensch het altruïsme nìet een bedwinging zijner begeerten, voor het eerst niet als een moeilijk te verkrijgen en lastig te volgen deugd, voor het eerst niet als een sfeer, waarin hij slechts bezwaarlijk leven kan. Integendeel: zijn begeerten _zijn_ altruïstisch, zònder die deugd _kan_ hij nu niet leven en in háár sfeer beweegt hij zich nu opperst gelukkig, natuurlijk en vrij als in den staat, die zijn meest ongerepte natuurlijkheid het best past. Gelukkig de man en de vrouw, die dit hebben gekend, voor zij sterven, zij hebben niet tevergeefs geleefd. Rijker aan eigen waarde keeren zij terug van waar zij werden gezonden. _Want kinderen leeren den ouders oneindig meer, dan ouders den kinderen_. Jonkheid ontlokt Ouderdom zijn schoonste gevoelens. Zij u de zon het stralend symbool daarvan, wier glanzende jeugd der oude en verkillende aarde alle de schoone gestalten der bloemen, dieren en menschen ontlokt....--
* * * * *
Langs den weg van ons gevoel zijn wij van ons uitgangspunt [p.185] heengetrokken. En deze, die geen dwaalweg was, heeft ons, naar onzen wensch, daarheen teruggebracht. Zeg mij nu: van deze groote leering-in-altruïsme, van het onderricht in die deugd, welke alle deugden omsluit, van dit opperst geluk, deze blijde natuur werd Thérèse Le Vasseur menschelijk-moedwillig beroofd. Heeft men nu nog van noode, ten einde haar verdediging te voeren, hare ondeugden te bedekken, of is er eenige reden voor ons deze waarheden te verzwijgen, om de blaam, waarmede zij den man treffen, die haar dat aandeed?...
* * * * *
Ik zie haar gaan door de dagen, alléén in haar onwetendheid, alléén met haar wrok, alléén met het schrijnende bewustzijn van haar gemis, naast den man, dien zij daarvan de oorzaak weet en die, verzonken, dàn in de droomen van zijn genie of van zijn eerzucht, dàn in die zijner liefde of zijner angst, vaak zelfs haar bestaan niet schijnt op te merken. Alléén weet zij zich, een eenzame huissloof, al het nederige werk doende; achter haar rug uitgelachen--hoe zal haar dit hebben gestoken!--door haar man, die grapjes op haar onwetendheid maakt, bij wiens voorname vrienden zij zelden komt, aan wiens tafel zij zelfs niet zit, wanneer hij een dier vrienden te gast heeft; in haar gezicht uitgelachen door de bedienden van Rousseau's gastheeren, die in haar een dienstmeid zagen en niets meer. Hoe vaak zal zij aan haar kinderen hebben gedacht, die haar steun hadden kunnen zijn, vleesch van haar vleesch, bloed van haar bloed; met wie zij had kunnen praten, die haar hadden begrepen en met haar zouden hebben meegeleefd in haar kleinheid en onwetendheid, wellicht; die, zéker, haar een vertroosting zouden zijn geweest voor veel. Hoe moet zij soms dien man hebben gehaat, toch zorgvuldig met haar boersche sluwheid, haar onovertrefbare slimheid van niet veel meer dan analphabete, wier verstandskracht door niets anders wordt verbruikt, haar voelen verbergend--en tòch daarin niet slagend bij _Rousseau's vrienden_! die zagen juist, Mevr. Holst!--in de eerste jaren daartoe gedwongen door, en onder leiding van haar megera van 'n moeder, in wier [p.186] karakter schraapzucht, valschheid en lust tot intrigeeren al het andere overheerschten; in de latere jaren, met veel behendigheid, uit eigen inzicht en zònder hulp alles doende, goed of slecht, wat verhinderen kon, dat Rousseau aan haar invloed ontsnapt; alles doende wat hem sterker aan haar binden kan. Waarom? Zie haar op het eind van haar leven, aan de deur van de _Comédie Française_ de hand ophouden voor een aalmoes, en ge weet het! Eénmaal gedurende de lange jaren van haar leven met hem, schijnt haar beleedigde vrouwelijkheid haar te sterk te zijn geworden. Rousseau spreekt namelijk van een "refroidissement dans Thérèse" en wijt deze aan de abstinentie waartoe hij zich verplicht voelde, zoowel met het oog op zijn wankelende gezondheid, als om niet in een herhaling van zijn vijfvoudig herhaald misdrijf te moeten vervallen. Dat was echter hoogstwaarschijnlijk de ware oorzaak niet. Die moet gezocht worden in zijn verhouding tot Mad. d'Houdetot: onder Thérèse's oogen hadden de maneschijn-wandelingen plaats gevonden, onder haar oogen was de geheele geschiedenis afgespeeld. Welke vrouw zou zich hier niet beleedigd hebben gevoeld, ten eerste, door het _feit-zelf_, maar dan, en wellicht vooral, door de minachting jegens haar, die uit de omstandigheid sprak, dat haar man niet de minste moeite deed, iets ervan voor haar te verbergen[67]. Zoo heeft zij, in hardnekkig zelfbedwang, zich vast aan hem gehecht, hem nimmer loslatend, hem overal volgend, hem met haar invloed omwikkelend als met een web, gehaat daarom en in haar drijfveeren door allen doorzien, die haar dan ook "_une cerbère odieuse_" noemden, door Rousseau alleen niet doorzien. Zij heeft met hem de jaren doorgebracht, wrokkend zonder twijfel, hatend zonder twijfel, toch soms ook weer, dunkt mij, neigend naar een zachte verteedering en liefde voor hem, bij het zien zijner ongelukken en hulpeloosheid. Maar dan kwam altijd weer die stekende gedachte aan haar verloren kinderen, die haar kracht moet hebben [p.187] gegeven te doen wat zij deed; die, dra na het ontluiken weer, al de zachtere gevoelens deed verwelken; die haar moet hebben ingefluisterd, dat zij het recht had, tegenover hem, die haar den natuurlijken steun van haar ouden dag had ontroofd, door èlk middel en trots alles te zorgen, dat het levensonderhoud, dat haar van hem, bij zijn leven en na zijn dood, kon geworden, haar niet ontging. Zoo hebben in dit hart--ik herhaal het: àl zijn vrienden hebben het gezien!--monsters gewoond, omdat--'t geen zijn vrienden en ook Mevr. Holst nièt hebben gezien--Rousseau de engelen had verdreven. Zoo heeft zij stil gewacht.... Dan sterft hij... de dwang is uit, al haar weggedrongen instinkten sprìngen nu op.... Nu, op haar ouden dag gaat zij zich uitleven.... Na het leven met dien man, dien zij niet meer liefhad; na het leven met hem, dien zij de wereld een Groote hoort noemen, maar die tegenover haar met dat al zijn simpelste plichten met voeten getreden had, wil zij nu een van haar soort, die dan wel niet die verhevenheid heeft, waarvan zij toch niets begrijpt, maar die haar, in zijn gewone menschelijkheid, wel niet zoo behandelen zal als hij heeft gedaan. De schuchterheid, de kuischheid, die ze in haar jeugd, gelijk we zagen, bezat, het geloof in de deugd, och kom, dat is nu alles gekheid voor haar geworden.... Ze heeft veel gezien en veel ondervonden.... Niet voor niets heeft zij de _handelingen_ van Rousseau jegens haar gezien, niet voor niets de groote wereld jaren lang bespied.... Ingetogenheid is goed voor zulke domme mallootjes uit het volk, als zij in haar jeugd er een was!... Genieten moet je, genieten, zooals allen om je heen! En met haar stalknecht jaagt ze er dan in een paar jaar een burgermanskapitaal doorheen, als vroolijke erfgenamen, die, in juichende brooddronkenheid, het geld van een gehaten of hun onverschillig geweest zijnden erflater verkwisten.... Neen, die Thérèse Le Vasseur's leven _kent, doorvoelt_, behoeft te harer verdediging haar figuur niet te verfraaien. Hare slechtheden waren geboet vóór zij ze beging, door de oorzaak, waaruit ze ontstonden. Arme vrouw, misleid door onwetendheid en door haar mishandelde instincten; [p.188] moeder, die hare kinderen niet heeft gekend, en zij had ze zoo gaarne gekoesterd; die nu, op hare beurt, hun steun missen moet: op tachtigjarigen leeftijd bedelt zij op straat haar dagelijksch brood!...
* * * * *
Met het leven van twee vrouwen is dat van den mensch Rousseau langdurig vervlochten geweest. Het onderzoek van zijn gedrag zoowel jegens de eene als de andere, wijst op oneindig meer leelijks dan schoons in zijn karakter. Zijn uit alles blijkend neerzien op Thérèse verhinderde hem te begrijpen, wat hij háár had aangedaan. Wat Madame de Warens aangaat, jegens haar noemde hij zich-zelf "ingrat," al heeft hij ook daar allerlei schoonschijnende redenen bij de hand, om die zelfveroordeeling haar scherpte te ontnemen. Behaagden hem dan ook in Thérèse slechts de frisch-open zinnelijkheid, de gezonde kracht en de eenvoudige huiselijkheid van het volkskind, aan Madame de Warens verbonden hem een diep-gewortelde psychische overeenkomst èn een diep-geworteld --verschil. De overeenkomst bestond daarin, dat zij beiden uiterst impulsive menschen waren, wezens van _gevoel_ vóóral. Het verschil: bij Rousseau ging dat gevoel _denken_ vooraf. Het moeizaam-schrijdend volk zijner denkbegrippen trok nimmer op, vóór hen de lichtende wolk van een droom den weg wees. Beter is het wellicht te zeggen, dat Rousseau's denken zùlk een arbeider geleek, die immer ter verkwikking zijn weg neemt langs een dichtbegroeid land, wanneer hij zich in den vroegen ochtend naar de strenge en harde fabriek begeeft, om daar den loop der onverbiddelijk in elkaar grijpende raderen te bewaken, en die in het vrije middaguur wéér ter verpoozing naar dat land gaat en zich vlijt in het hooge gras.... Want naar zijn eigen getuigenis werd zijn denken ook telkens onderbroken door divageerend gedroom.... Bij Madame de Warens echter ging het gevoel _handelen_ vooraf; elke droom, elke fantasie veroorzaakte bij haar een hàndelen, dat, gelijk het denken bij hem, telkens door opnieuw-fantaseeren werd onderbroken. De psychologische verklaring van: de rust, de volkomen tevredenheid, de afwezigheid van al [p.189] ongedurigs en gejaagds, die Rousseau in tegenwoordigheid van Mad. de Warens gevoelde, ligt dan ook mijns inziens nergens anders dan in die overeenkomst en dat verschil: wat hèm ontbrak, waarom hij vaak zich-zelf minachtte en welk gemis hij, wellicht onbewust, weet aan het predomineeren van zijn gevòel: _het snel-doortasten, de moed tot de daad_, dat zag hij bij haar _juist uit het gevoel_ ontkiemen! Zoo, tegelijkertijd, verzoende het hem met den _grondslag_ van zijn wezen èn voelde hij dit, in de tweeëenheid van hun beider bestaan, bevredigend en berustigend _aangevuld_.--
* * * * *
En wat nu zijn korte, maar voor de vrijmaking van zijn genie hoogst beteekenisvolle, verhouding tot Madame d'Houdetot betreft, dèze heeft Mevr. Holst, gelijk ik reeds vroeger zei, prachtig doorvoeld. Die verhouding bleef dan ook beiderzijds rein en edel, zoodat de uit Mevr. Holst's historisch-materialistische aesthetiek voorspruitende verfraaiïngstendenzen hier tot het vertroebelen harer visie geen aanleiding hadden.--
* * * * *
NOTEN:
[34] Mevr. Holst, J.J. Rousseau. Blz. 158, 159, 160.--Cursiveering van mij.
[35] _Les Confessions_, blz. 1. Cursiveering van Rousseau.
[36] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 33. Cursiveering, ook in de beide voorafgaande citaten van mij.
[37] Hier kunt ge nu, lezer, mocht ge er lust toe gevoelen, als arbiter tusschen mijn literairen criticus en mij optreden! _Hij_ meende, dat Mevr. Holst de klaarblijkelijk juiste subjectieve waarheid _wel_ bezeten heeft, maar dat haar tendentieuse lagere persoonlijkheid die verminkt heeft tot 't dan onechte, dat wij nu kennen. _Ik_ neem liever aan, dat zij _niet_ in haar was. Veel doet 't er niet toe, wie gelijk heeft, want in _beide_ gevallen, zooals wij zullen zien, valt _op den invloed der historisch-materialistische aesthetiek de schuld._
[38]...maar die idealen waren innerlijk onwaar en voos, want de overwinning der burgerlijke klassen bracht niet vrijheid en gelijkheid, niet vrede en recht, zooals zij geloofden, maar meer ellende, dan de aarde ooit gekend had; riep niet in den mensch de aandriften van broederlijkheid wakker, maar van hebzucht en heerschzucht en nijd." Blz. 159.
[39] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
[40] Zie noot vorige pagina.
[41] Confessions. Cursiveering van mij.
[42] zie noot 2 vorige pagina.
[43] ibid.
[44] _Zie Seconde lettre à M. de Malesherbes_.
[45] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 23.
[46] Confessions.
[47] Hoe Rousseau inderdaad aan deze mogelijkheid gedacht heeft, moge de volgende uitlating bewijzen: De tout ce que j'ai dit jusqu'à présent, il en est resté quelque trace dans tous les lieux où j'ai vécu....--Einde Livre IV, Confessions. De voorvallen, waarvan hier sprake was en zijn zal, behooren dus alle tot die, die "een spoor hebben achtergelaten."--
[48] H. Roland Holst, J.J. Rousseau. Blz. 36.
[49] Confessions.--Cursiveering van mij.
[50] Er is nog een andere en zeer _beteekenisvolle_ zijde aan de zaak, welke echter pas belicht kan worden bij de behandeling der Le Vasseur-figuur.
[51] Confessions.
[52] Confessions. Cursiveering van mij.--
[53] Ik geloof, dat dit over 't algemeen het "wilde" leven van vele groote artisten verklaart. Men zie overigens mijn 3den "Brief over Literatuur."
[54] Dans ces temps-la même où Rousseau entretenoit l'Europe de ses souffrances, _je ne l'ai jamais vu incommodé_; il cheminoit, gambadoit, atteignoit avant les autres le sommet des montagnes, et mangeoit de fort bon appetit" (d'Escherny, geciteerd bij Petitain.)
[55] d'Escherny.
[56] Schetsen en Critische opstellen, blz. 149--150.
[57] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 87: "Het wordt tijd dat eindelijk eens andere oogen over u heenbuigen, oogen minder bevooroordeeld door _klassegevoel_," enz. enz.
[58] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 82.
[59] G. Petitain, Appendix aux Confessions.
[60] H. Roland Holst. J.J. Rousseau, blz. 252.--
[61] Ibid., blz. 83.--
[62] H. Roland Holst, J.J. Rousseau, blz. 83.
[63] Confessions. Cursiveering van mij.--
[64] Confessions. Cursiveering van mij.--
[65] Confessions.--
[66] Confessions.--
[67] Men zie eens wat Petitain, in een noot bij de Confessions, van de d'Houdetot-geschiedenis met betrekking tot Thérèse zegt. En deze schrijver is waarlijk geen vriend van Thérèse.--
* * * * *
HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK [p.190]
IV.
Conclusiën.
Enige overwegingen, verband houdend met den meer practischen kant van het leven onzer tijden, mogen dit opstel besluiten; overwegingen, die eensdeels de literaire onderrichter van het intelligent en talrijk in den Diamantbewerkersbond georganiseerd proletariaat, anderdeels de letterkundige criticus, het óók op ervaring steunend recht meent te hebben, hier zonder omwegen te uiten: Indien de marxistische aesthetiek verderfelijk is voor de kennis van de waarheid, zoowel betreffende den aard van het Scheppend Vermogen der kunstenaars als van hun werken, hòe verderfelijk zal zij dan wel niet zijn voor de opvoeding tot kunstgenieten van breede volkslagen, wier uitteraard blinde en strompelende oordeelskracht, het den bodem besnuffelende hondje dezer kunstleer cadeau krijgt, om haar te leiden!