Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 18
Dàt is wel het meest beteekenende aller dingen, die met dit geheele vraagstuk in verband staan. Dàt is wel de voornaamste vraag, die zich aan elken onderzoeker dier aesthetiek zal voordoen, de voornaamste ook die ik zag, maar niettemin het laatst te berde bracht, omdat ik wilde, dat mijn voorafgaand betoog, mij in de oogen van, ik twijfel er niet aan, ieder aandachtigen en onbevooroordeelden lezer het recht zou geven, de vraag _of_ deze aesthetiek verderfelijk is als beantwoord te beschouwen en slechts de _mate_, waarin [p.191] zij het is, nog voor discussie vatbaar te achten. Die mate!... Ik denk hier aan Francesca di Rimini in den _Inferno_. De wervelstorm, die haar meevoert en omvangt, laat haar met den geliefde even vrij, als Dante nadert; zij spreken tot elkander, het is een zoet oogenblik van troost voor haar, één oogenblik van rust.... Ik denk daar nù aan, omdat het de historisch-materialistische aesthetici zijn, die de Kunst verhinderen het omstormde proletariaat te naderen als een _verademing-brengende troost._ Ik denk daar nù aan, omdat zij het volk niet de kunst doen zien, als een machtig wezen, in zijn diepste essentie staande buiten de bewogenheid der tijden en hun wisseling, dat voor elken geluk en rust en verademing behoevenden mensch zijn armen open spreidt, maar omdat zij, in dwaling bevangen, haar het volk doen zien, als zèlf een macht van den storm, die hen omslingerend jaagt. En zóó doende--en dat is het jammerlijkste--laten zij het proletariaat het veredelende van den strijd alleen, het schokkend genot van de overwinning, het opvoedend leed van de nederlaag, maar ontnemen het de veredeling door de rust, de sereene en klare, die diepe bevrediging, welke _zuiver_ kunstgenot schenkt.--Het was dan ook geen kunstmaniak, geen verslaafde l'art-pour-l'art-lettré, die hier sprak; niet iemand, die buiten het leven staat, of wien de nooden en behoeften van het proletariaat vreemd zouden zijn, maar juist iemand, die door leven, werkkring en denken hen zeker even diep en innig kent als de door hem bestredenen; maar juist iemand, die vooral ter wille van het proletariaat, de kunst wil doen zijn, 't geen zij van _nature_ is, in _dezen_ tijd, gelijk in _alle_ tijden.
Zoude dan voor mij: "de kunst de zin van het leven zijn," "de wereld een ding om afgebeeld te worden"?! Neen, neen, zóó is het niet. Maar elke mensch, die niet geheel van _algemeen_ inzicht is ontbloot, het leven en zijn broeders liefheeft en hen dienen wil, bepaalt zich er toe hen te dienen op die wijze als _met zijn aanleg het natuurlijkst strookt_. Dan _dient hij hen ook 't best_. De kunstenaar dus: door zonder bewuste bijoogmerken kunst te maken, en, indien hij tevens criticus is, door [p.192] kunstwerken in hun _essentie_ te doen begrijpen, niets meer. Het wijze exclusivisme van het l'art pour l'art beteekent dan ook _niet_: de kunst te dienen als ware zij het hoogste in het heelal en het einddoel van menschelijk streven, maar haar zoo te beoefenen als ieder scheppend werker zijn vak beoefenen moet: met volle toewijding aan, met volle concentratie zijner vermogens, terwijl hij werkt en schept, op het werk alleen; zijn aandacht zùiver houdend, opdat hij eens der wereld zijne schepping moge geven, bijna zóó schoon als hij haar van de Natuur ontving. Zóó verricht hij zijn werk het best en zóó dient hij _dus_ 't leven het best. Het is dan ook niet een pueriele opvatting van het leven, gelijk die aan de de-kunst-om-de-kunst-aanhangers caricaturiseerend-vervalschend wordt toegeschreven, maar het is juist het zien van 't leven als een oneindigheid, het is de deemoed tegenover het wijd-overkoepelende leven, dat hen leert zich te bepalen bij hun werk, klein of groot, waarvoor zij voelen geboren te zijn, en als een zijde worm, een kleine spin te zijn, die zijn draadje spant, zijn kleine webje weeft, nièts meer, dàt is genoeg ... en daarbij, zoo hun ook dat veroorloofd wordt, diep-tevreden, die als voltooiende gedachte te denken, die heerlijke zekerheid te voelen al hunne strevingen kronen: niet ik, zwakkeling, maar een Ander, zal eens, liefdevol, ook met mìjn web Menschheid's wonden stelpen, de Meesterwever ook mìjn draad in Menschheid's bruidskleed weven.... Wat zouden zij meer kunnen wenschen dan dat geluk?...
* * * * *
Keeren wij nu nog èven na deze korte toelichting van het schijnbaar enge, maar inderdaad zeer ruime principe der m.i. meest inzichtsvolle, burgerlijke literaire aesthetiek, tot de diametraal daaraan tegenovergestelde, ons eigenlijk onderwerp, terug. Vestigen wij nog kortelijk op een andere, ontwijfelbaar ook gewichtige, zijde van het vraagstuk de aandacht. De waardeloosheid en de schadelijkheid der marxistisch-aesthetische begrippen voor de literaire critiek werd uitvoerig in dit opstel aan het werk der meest beteekenende aanhangers dier [p.193] begrippen, in ons land, aangetoond. Mij dunkt, dat men, na dàt gezien te hebben, het recht heeft te vragen: wàt zullen de mindere goden wel produceeren, als zij volgens deze methode gaan werken? En dat zullen zij! Want juist voor dezulken, die uit zich-zelf nièts over kunst kunnen voelen of denken, opent zij de welkome gelegenheid, om meters druks te vervaardigen over het _bijkomstige_ in een kunstwerk, _het eenige waar zij bij kunnen_, en dat niets ter zake doet! En daar ligt een tweede, een waarlijk niet te onderschatten gevaar van het stelsel. Dat gevaar, men begrijpe mij wel, ligt dus volstrekt niet daarin, dat deze critici de bas étage, deze phrasen-kooplui uit de literaire voddenkelders tendentieus zouden worden! Och neen, werden zij 't maar! Tendentieus zijn in den zin, waarin ik 't thans bedoel, gepossedeerd zijn door 't een of ander naar een hoog ideaal gericht streven, dat is toch après tout iets van een _voornamen_ geest.... En zij en een voorname geest!... Dàt zou 'n áárdige vooruitgang voor hen zijn, komaan! Ik heb eens hun, al zeg ik 't zelf, welgelijkend portret geteekend. Daardoor, gelukkig! behoef ik het thans niet meer te doen. Ik heb toen _aangetoond_ wat zij zijn en niet zijn. Maar wel beschouwd wàs voorheen iets dergelijks overbodig. Tot nu toe werd toch eigenlijk niemand hun dupe. Ten slotte voelde ook het botste publiek de phrase, het idiote volmaakt-niet-begrijpen in hun geschrijf. Want tusschen den waren, den kunstenaar-criticus, den eenige, die literaire critiek mag beoefenen, omdat alleen hij 't is, die _intuïtief_ een kunstwerk doorvoelen kan, en deze phraseurs was er een tè enorm verschil. Maar zoodra deze kunstenaar-critici zelf gaan doen alsof het literair-critisch doorvoelen toch eigenlijk meer een wetenschap dan een kunst is en minstens evenzeer een aanleerbare vaardigheid als een gave, dan ... ja, dan zullen er zooveel voddenkelders, zooveel broodwinningnerinkjes, zooveel muffe en duffe winkelhuizen vol walmende petroleumlampen en kleverige rollen drop en vliegenpapier voor de smoezelige ruiten verrijzen, een klit van voetklemmende en gordelende parasieten, rondom--o heiligschennis!--de kerken en [p.194] paleizen der literatuur, dat de latere dichters, de latere schoonheidsbegeerigen zich niet zullen kùnnen neerzetten aan hun voet, om zich vredig en niet-gestoord weg te denken in 't leed, in de vreugde, in de gedachten en het scheppingsgenot van wie hen schiepen, tenzij dan dat er een opsta onder hen, die mokerend heel dien achterstegen-bouw weer tot puin verbrijzelt.
Aug.--Sept. 1913.
* * * * *
VERTALINGEN BEHOOREND BIJ "HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITTERAIRE KRITIEK" [p.195]
Blz. 101 _Mestra_:
Dochter van den koning Erisychtheion. Men zie de _Metamorphosen_ van Ovidius Naso.
Blz. 123 _There are_:
Er zijn veel dichters, die nimmer hebben geschreven.
Blz. 137 _Then from_:
"Toen uit de spelonken van mijn droeve jeugd ik sprong," enz.
Blz. 148 _C'est le pardon_:
Het is de vergiffenis om der wille van de glorie.
Blz. 149 _Je me suis montré_:
Ik heb mijzelf getoond, gelijk ik werkelijk was, verachtelijk en laag, wanneer ik zoo ben geweest; goed, grootmoedig, indien ik aldus was. Ik heb mijn innerlijk ontsluierd, zóó als gij zelf het hebt gezien, Eeuwig Wezen. Vergader rondom mij de ontelbare menigte mijner medemenschen; dat zij luisteren naar mijne bekentenissen, zuchten over mijne laagheden, blozen over mijn ellende. Dat elk hunner op zijn beurt en in dezelfde oprechtheid zijn hart uitstorte aan den voet van uw troon, en dat dáárna één enkele het wage te zeggen: _Ik was beter dan deze_.
Blz. 149 _à tout prendre_:
Alles bij elkaar genomen, ben ik een uiterst goed mensch.
Blz. 156 _L'Année suivante_:
Het volgend jaar, 1750, toen ik heelemaal niet meer aan mijn verhandeling dacht, vernam ik, dat zij te Dyon bekroond was. _Deze tijding deed al de denkbeelden, die mij bij het schrijven hadden vervuld, opnieuw ontwaken en bezielde hen met nieuwe kracht...._
Blz. 156 _Tandis que je philosophois_:
Terwijl ik aldus philosopheerde over de plichten van den mensch, dwong een gebeurtenis mij beter na te denken over mijne eigene. Thérèse werd voor de derde maal zwanger. Te oprecht tegenover mij-zelf en innerlijk te fier om mijne principes [p.196] in mijn daden te verloochenen, zette ik mij er ernstig toe, over het lot mijner kinderen na te denken.
Blz. 157 _D'ailleurs les principes élévés_:
Bovendien moesten mij wel de hooge principes, die ik mij had eigen gemaakt, boven dergelijke laagheden verheven doen zijn, en het is dan ook zeker, dat ik dat sedert dien gewoonlijk wel geweest ben. Maar dit vond toch niet zoozeer zijn oorzaak daarin dat ik de verleiding zou hebben overwonnen, maar veeleer in het feit, dat ik de oorzaak der verleiding vermeed en ik zou zeer bevreesd zijn evenzoo te stelen als in mijn kindschheid, zoo ik weer aan dezelfde begeerten onderworpen werd. _Het bewijs daarvan had ik ten huize van den heer de Mably_.
Blz. 159 _Il faut que_:
Mij moet wel trots de meest eerbare opvoeding een sterke neiging tot ontaarden eigen zijn geweest, want dat voltrok zich heel snel en zonder eenigen innerlijken weerstand te ontmoeten, en nimmer verviel eenig vroegrijp Cesar zoo snel tot een Laridon.
Blz. 159 _délire inconcevable_ = onbegrijpelijke razernij.
Blz. 159 _délire_ = razernij, delirium.
Blz. 160 _De tout ce que_:
Van alles wat ik tot hiertoe gezegd heb is er in alle plaatsen, waar ik geleefd heb, eenig spoor achtergebleven.
Blz. 161 _Je ne regarde_:
De ellende en verlatenheid beschouw ik zelfs niet als de grootste gevaren waaraan ik haar heb blootgesteld. Wie weet hoever op haren leeftijd, de moedeloosheid der belasterde onschuld iemand brengen kan?
Blz. 161 _Qui sait_: = wie weet.
Blz. 161 _Moi qui ne fit_:
Ik, die nooit iemand kwaad deed....
Blz. 163 _cette horreur du mal_:
... deze afschuw van het kwaad in elken vorm, deze onmacht om iemand te haten of te schaden en zelfs om dat te willen; deze verteedering, die levendige en zachte bewogenheid, die ik bij den aanblik van alles, wat deugdzaam, grootmoedig en beminnelijk is, gevoel--kan dat alles in een en dezelfde ziel bestaan naast de verdorvenheid, die zonder eenig gewetensbezwaar de lieflijkste der plichten met voeten treedt? Neen, ik voel het en spreek het luide uit: dat is niet mogelijk. Nooit heeft Jean Jacques één oogenblik van zijn leven een man zonder gevoel, zonder erbarmen, een ontaard vader kunnen zijn. Zeer zeker heb ik mij kunnen vergissen, maar mij verstokken niet. Zoo ik mijne redenen zeide, ik zei te veel. _Daar zij mij immers hebben kunnen verleiden zouden zij dat ook vele anderen kunnen doen; ik wil de jongeren, die mij eens zouden kunnen lezen, er [p.197] niet aan blootstellen, het slachtoffer van dezelfde dwaling te worden_.
Blz. 164 _petites bonnes gens_ = goede luidjes.
Blz. 164 _grand hommes de nos jours_ = groote mannen onzer dagen.
Blz. 164 _les raisons déterminantes_ = de beslissende redenen.
Blz. 164 _Out of season_ = misplaatst.
Blz. 165 _jeunes gens_ = jonge lieden.
Blz. _16$ Enfants-Trouvés_ = Vondelingenhuis.
Blz. 167 _Si jamais rêve d'un homme eveillé_:
Zoo ooit de droom van iemand in wakenden toestand een prophetisch visioen geleek, dan was het wel deze.
Blz. 167 _et ce qui m'a frappé_:
En wat mij het meest in de herinnering aan deze mijmering heeft getroffen, was, dat toen zij zich verwezenlijkt had, ik mij van precies dezelfde voorwerpen omringd vond als die ik mij destijds had verbeeld.
Blz. 167 ... _la peur de l'enfer:_
... de vrees voor de hel maakte mij nog dikwijls opgewonden. Ik vroeg mij af: In welken staat ben ik? Zoo ik op dit oogenblik-zelf stierf, zou ik verdoemd worden? Ik zei tot mij zelf: Ik zal dit steentje tegen dien boom daar vlak tegenover mij werpen, zoo ik hem raak, is dat een teeken van heil, mis ik hem, dan beduidt het verdoeming. Aldus sprekend werp ik mijn steentje _met bevende hand en terwijl mijn hart vreeselijk klopte.... Sedert dien heb ik niet meer aan mijn zaligheid getwijfeld_.
Blz. 168 _Fontaine de Hiéron_: een instrumentje om goocheltoeren mee te doen.
Blz. 170 _Lapidation_: steeniging.
Blz. 170 _Dans ces temps-la:_
In diezelfde tijden, waarin Rousseau Europa met klachten over zijn kwalen bezig hield, _heb ik hem nooit ongesteld gezien_; hij stapte voort, maakte luchtsprongen, bereikte vóór de anderen de bergtoppen en at met zeer goeden eetlust.
Blz. 171 _Il partit donc_:
Hij vertrok dan en verliet dengeen, wiens hart hij had gewonnen.
Blz. 171 _Lascia le donne e studia matematica_ = Laat de vrouwen maar met rust en bepaal je ertoe wiskunde te studeeren.
Blz. 176 _La manière dont elle s'est conduite_:
De wijze, waarop zij zich na zijn dood heeft gedragen, zou voldoende zijn elken twijfel op te heffen, indien wij ons niet reeds volkomen zeker voelden door het eensgezinde getuigenis van allen, die Rousseau op verschillende tijdperken zijns levens hebben bezocht. Het staat dan vast, dat zoowel te Motiers als te Wootton en overal, waar zij haar meester heeft gevolgd, ze, tot in zijn laatste oogenblikken, haar best heeft gedaan, argwaan [p.198] en wantrouwen in hem te verwekken en te voeden en dat zij met het doel, met niemand zijn vertrouwen te moeten deelen en hem aldus beter te kunnen beheerschen, allen verdacht bij hem maakte, die in zijn nabijheid kwamen en erin slaagden, hem te behagen. Wat moet deze vrouw, die, toen zij zich te Motiers verveelde, niets verzuimde te doen wat er Rousseau het verblijf onverdragelijk kon maken, wel niet gedaan hebben in de eenzaamheid van Wootton, waar haar niets zoozeer na aan het hart moet hebben gelegen dan hem in de noodzakelijkheid te brengen, het te verlaten. Men kan dan ook verzekerd zijn, dat zij, om meer schijn van waarheid aan haar lasterlijke en valsche ingevingen te verleenen, de zegels van de aan haar meester gerichte brieven verbrak, die, dupe van dezen streek, er duizend gevolgtrekkingen uit afleidde, de eene nog vreemder dan de andere, over wier zonderlingheid zich echter niemand, die dit alles in aanmerking neemt, langer verwonderen kan.
Blz. 177 _Hume, Mercier_:
Hume, Mercier, d'Escherny, Dusaulx, allen, die over Rousseau hebben geschreven, zijn 't op dit punt eens.
Blz. 179 _Je n'avois cherché d'abord:_
Aanvankelijk had ik niets meer beoogd dan mij een _amusement_ te verschaffen. Ik _merkte_ echter, dat ik meer had gedaan en mij een gezellin had gegeven. Een weinig omgang met dit uitmuntende meisje, een weinig nadenken over mijn toestand, deden mij gevoelen dat ik, _slechts denkend aan mijn vermaak_, mijn geluk had gevonden.
Blz. 179 _Autrefois j'avois fait_:
Vroeger had ik van haar uitdrukkingen een woordenboek samengesteld, om Mevrouw de Luxembourg te amuseeren, en hare kluchtige vergissingen zijn dan ook beroemd geworden in de kringen, waarin ik heb geleefd.
Blz. 180 _Enfin nous nous expliquâmes_:
Eindelijk vond er een verklaring tusschen ons plaats: schreiend bekende zij mij een enkelen misstap, vrucht van hare onwetendheid en de sluwheid van een verleider, tegen het einde harer kindsheid gebeurd. Zoodra ik haar begreep, slaakte ik een vreugdekreet. Maagdelijkheid! riep ik uit, wie zou die dan in Parijs, bij een twintigjarig meisje nog denken te vinden!
Blz. 181 "_Une faute_":
"Een vergrijp," zegt Petitain, "dat zij hem grootmoediglijk heeft vergeven."
Blz. 182 _Je m'y déterminai gaillardement_:
Luchtig-weg nam ik het besluit, en zonder het minste gewetensbezwaar; het eenige, dat ik had te overwinnen, was dat van Thérèse, die ik al de moeite van de wereld had, dit eenige middel, om haar eer te redden (sic!) te doen aanvaarden. [p.199] Het volgend jaar dezelfde zwarigheid en dezelfde uitweg, slechts vergaten wij ditmaal een naamcijfer aan de kleertjes te hechten. (Met behulp van zulk een naamcijfer kon men dan later, als een kind door de ouders werd opgeëischt, dit onder de menigte der in de vondelingenhuizen verpleegden terugvinden, v.C.) Overigens niet meer nagedachten mijnerzijds _noch goedkeuring_ van den kant der moeder: _kermend gehoorzaamde zij._
Blz. 186 _Refroidissement dans Thérèse_ = Verkoeling in Thérèse.
Blz. 186 "_une cerbère odieuse_" = een afschuwelijke Cerberus.
Blz. 188 _Ingrat_: ondankbaar.
* * * * *
II DIDACTISCH [p.203]
* * * * *
VOORWOORD
Het woord _didactisch_, vóór dit gedeelte van den bundel geplaatst, moge veel van aard en bedoeling der navolgende opstellen benevens de uitvoerigheid der daarin voorkomende analysen en de lengte der citaten verklaren--zekere eigenaardigheden van stijl en inhoud: de gemeenzame toon en de, feitelijk buiten het gebied der literatuurcritiek liggende, min of meer moraliseerende uitweidingen, eischen, dunkt mij, willen zij niet ontstemmend op een algemeen lezerspubliek werken, nog korte toelichting. Deze opstellen, op een enkele uitzondering na, werden geschreven voor en verschenen in _Het Jonge Leven_, het onder redactie van den heer Henri Polak staande _ontwikkelingsblad_ van den A.N.D.B. Houdt de lezer dit in het oog, dan zal hij zich nu ongetwijfeld zoowel de aanwezigheid der bovengenoemde lichtelijk moraliseerende gedeelten kunnen verklaren--immers tot mijn lezerspubliek behoorden ook _zeer jonge lieden_, wien mijn gevoel mij drong het eene, dat zij al evenzeer van noode hebben als het andere, niet te onthouden, terwijl ik hun dat andere gaf--als den, hier en daar heerschenden, gemeenzamen toon, dien ik mij zeker niet zou hebben veroorloofd tegen een algemeen publiek aan te slaan, gesteld al, dat ik daartoe neiging zou hebben gevoeld, 't geen niet waarschijnlijk is. Hoe geheel anders echter lag hier het geval! Zelden heb ik bij het schrijven dezer opstellen het gevoel gemist, voor een _vriendenkring_ te schrijven, en allerminst toen ik de zekerheid kreeg, dat de _ouderen vooral_ [p.204] mijne artikelen met genegenheid en aandacht lazen, een omstandigheid die mij bevestigde in de overtuiging, dat zij ook buiten de grenzen van den A.N.D.B. een invloed konden uitoefenen, die het doorvoelen en begrijpen van literatuur in ons land, ten goede komen kan. En moge menigeen glimlachen bij de gedachte, dat deze "vriendenkring" van lezers zeker wel niet onder de twintigduizend menschen tellen zal, niet hij die de eensgezindheid in den A.N.D.B. kent, de georganiseerde verwerkelijking van het zoo moeilijk te verwezenlijken "Een voor allen en allen voor een", de onderlinge trouw en het ver boven materieel winstbejag uitgaande gevoel van saamhoorigheid; niet hij, die wel eens een "Bondsvergadering" heeft bijgewoond, waar al die duizenden wel elkaar schenen te kennen, en als vrienden zoo gemoedelijk-intiem, voor de opening der bijeenkomst in rustig vertrouwen met elkander praatten; waar bij alle soms hooggestegen verschil van meening, nooit de kalm-zekere genegenheid van de blijmoedige gelaten verdween, nooit ook de joviale toon van hartige volksboertigheid werd gemist, als wisten al die menschen wel, dat die ruzietjes best en waarachtig wel als kleurige verzetjes op den effen en diepen stroom hunner eensgezindheid mochten drijven en wat rook en roet uitpuffen ook, wel ja--wat hinderde dat die breede en klare rivier! Hoe vaak heb ik daar blijde van de naar het podium in den lichtglans omhooggeheven gezichten gelezen die wellicht soms nauwelijks bewust maar enorm sterk werkende zekerheid, hier schouder aan schouder met vrienden en niets dan vrienden te staan, hier veilig te staan in éénheid en door noest werken veroverde macht, hier heerlijk de menschen-waarde van zich-zelf en zijn lotgenooten te voelen, herwonnen op broodnijd, plat en bruut individualisme en concurrentie-haat.--Welnu, dit alles bedenkend, zal, vertrouw ik, de lezer zich door het gemeenzame in den toon der hier navolgende opstellen niet gekwetst voelen niet alleen, maar ook, begrijpend, hoe het voortsproot bij den schrijver niet uit een zich hooger voelen, doch uit een diepe en innige genegenheid, 't billijken, dat hij uit piëteit voor eigen gevoel--de [p.205] eerste plicht eens schrijvers!--het liet zoo het was.
Is hiermede mijn inlichtend woord tot den lezer van dit deel van den bundel geëindigd, de overtuiging, dat "wie aan den weg timmert veel ... bekijks heeft" legt mij de verplichting op, hier nadrukkelijk het volgende te verklaren: zoo dit mijn werk een blijvend nut zal blijken te hebben gebracht; zoo er harten door zijn opengebloeid in liefde tot het schoone, geesten erdoor gebracht zijn tot het begrijpen en doorvoelen van kunst, dan prijze men hen vooral, die de gelegenheid ertoe schiepen: het Bestuur van den A.N.D.B. en in de allereerste plaats zijn voorzitter, den Redacteur van _Het Jonge Leven_, mijn waarden en geëerden vriend Polak, die door de ruime en hooge opvatting van zijn taak, het rijke genot, voor mij aan mijn arbeid verbonden, zéér heeft verhoogd en dus niet weinig tot het welslagen zal hebben bijgedragen; doch zoo het mocht blijken te hebben gefaald, dan prijze men hen niet minder, maar _lake uitsluitend mij_, die in volkomen onafhankelijkheid schrijvend wat ik wilde, een van de kostbaarste gelegenheden, zij het met de beste bedoelingen, zou hebben misbruikt.
Maart 1914. DE SCHRIJVER
* * * * *
HOE LITERAIRE KUNST GELEZEN EN GENOTEN MOET WORDEN[1] [p.206]