Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 19
Ik wil nu met u spreken over literatuur, haar wezen, haar verhouding tot eenige andere grootmachten van het geestelijk leven, het geluk en de veredeling, die zij geeft en hoe deze in u komen kunnen. Wat ik daardoor wellicht vermag, is: u haar te doen begrijpen met uw _verstand_. Het geluk en de veredeling, waarvan ik sprak, zult ge echter niet deelachtig worden voor gij haar zult begrepen hebben met uw _gevoel_. Is dat gebeurd--tegelijkertijd zijn zij in u. En gij zult een rijkdom, een troost, een toevlucht bezitten, wier weelde, wier innigheid, wier beveiliging aan niets geleken kan worden, dat ge vóór dien bezat. Maar ook het eerstgenoemd begrijpen is geen geringe winste, en zal voor sommigen uwer allicht het middel blijken te zijn, het laatstgenoemde te bereiken. Veel zal afhangen van uw aanleg, uw ernst, uw wil, uw al of niet inzien van de waarheid, dat op dat hooger levensplan, waarop wij allen toch wenschen, dat ge eens zult staan, dit begrijpen noodig is als bróód, als wèrk. De bibliotheek-statistiek van onzen Bond is niet bemoedigend. Ware die de steunstaf van mijn hoop, zij deed beter met niet op weg te tijgen; zinnelijkheid en lust tot grof romannetjes- geprikkel, verlangen naar verhit "geboeid"-zijn, deze, leert die statistiek, zitten bij de massa uwer voor, zijn haar raadgevers bij het boeken-kiezen. Maar mijn hoop [p.207] leunt op een anderen staf: de adeldom van uw strijd, de worsteling uwer klasse. Die strijd is ook de groote Drijver, die u drijft. Zelf edel, stoot hij u het edele van het leven tegemoet. Hij de hijgend zwoegende, bezweet en zwart, worstelt uw massa òp de hooge wegen, waar de blanke, lichte gedaanten staan: Wetenschap, Kunst, Vrijheid. Gij moogt weerstaan of niet, hij stóót u op. En telkens gaat zijn vorschersblik omhoog en zwaar ademend berekent hij den afstand, de terugwenteling stuitend op zijn reuzenborst; dan ziet hij weer naar ons, de medehoeders, mede-werkers, die in spanning wachten of zij mogen helpen.... Soms mogen wij dan, een enkel maal kunnen we.... Dit stuk wil zulk een hulp zijn.
* * * * *
Begin met dit goed te begrijpen: een voorwerp is altijd min of meer voor _eenige_ doeleinden geschikt. Al naar uw inzicht, oogenblikkelijke behoefte, of door noodzakelijkheid gedreven, zult ge 't voor een dier doeleinden gebruiken, maar afgezien van waarvoor gij 't gebruikt zal het _uit zijn eigen aard_ voor een of eenige van die verschillende doeleinden _het meest_ geschikt zijn. En luister nu goed: wendt ge 't aan, waartoe 't _het meest_ geschikt is, dan _ge_bruikt ge 't, wendt ge 't echter voor iets anders aan, dan _mis_bruikt ge 't. Ten overvloede, zoo ik meen, zal ik u dit met een concreet voorbeeld verduidelijken: een tafel, niet waar, kunt ge als tafel, maar ook als stoel, maar ook als brandhout gebruiken! Behoef ik U nu te zeggen, dat ge hem alleen als tafel gebruiken, als stoel of als brandhout slechts misbruiken kunt?! Zoo is 't op stoffelijk, maar zóó ook op geestelijk gebied. Nemen we nu ook een concreet voorbeeld op geestelijk gebied en kiezen we daartoe een roman, _welke tevens een literair kunstwerk is_, Zoo'n roman dan is een geschiedenis van zekere menschen. Die menschen, die natuurlijk ook spreken in dien roman, verkondigen meeningen; het blijkt u, dat ge 't eens zijt met die meeningen, of dat ge 't oneens zijt, ja, ze zelfs verfoeit! Verder: de toestand, waarin de menschen in dien roman verkeeren, schijnt u te pleiten vóór uwe overtuiging of levensbeschouwing, [p.208] of wel daartégen; of: er worden door die roman-menschen sexueele handelingen gepleegd, waarvan het meer of minder uitvoerig relaas ùwe zinnelijkheid prikkelt. Waartoe moet die roman, die dit alles doet, vertelt en bevat, _maar ook een kunstwerk is_, u nu dienen? Moet ge blij zijn, omdat die roman-menschen meeningen verkondigen, die met de uwe strooken, of treurig zijn om het tegendeel? Moet ge verheugd zijn, omdat de toestand, waarin die roman-menschen verkeeren, vóór uw levensbeschouwing pleit, of verdrietig en toornig, wijl hij ertegen schijnt te bewijzen? Moet ge door 't relaas der sexueele handelingen uwe zinnelijkheid làten prikkelen? _Of wel, moet ge dien roman als_ KUNSTWERK _op u laten inwerken_ en dus ervan hebben: dat hooge geestelijke genot, die veredeling, die vèr van kleine blijdschap, vèr van toorn, vèr van verdrietelijkheid, vèr van innerlijken strijd zijn: een zoete effenheid, toch niet zóó effen of zij rimpelt heuveltjes van glinsterende verrukking op, als een deinend water onder zonlicht?
Behoef ik U nog wel te zeggen, dat die roman, _die een kunstwerk is, het meest uit eigen aard_ geschikt is, om _als kunstwerk_ te worden genoten en dat ge hem dus _mis_bruikt en niet _ge_bruikt, zoo ge iets anders er mee doet! En hoedt u voor misbruik van geestelijken rijkdom! Ge kent wel het begin der schade, maar het verre einde niet: de algeheele verwarring van denkbeelden, het ongemerkt-langzaam maar zeker verergerend gebrek aan onderscheidingsvermogen, de verstomping en verblinding van het verstand en het gevoel door eenzijdige ontwikkeling. Misbruik is verspilling, en een opkomende en worstelende klasse heeft niets, geen splinter zelfs, te verspillen.
* * * * *
"Maar," vraagt ge nu, "hoe bereiken we dit, zulk een roman als kunstwerk te genieten. Wij erkennen, we voelen ons verheugd als het verhaal en de toestand der menschen in het verhaal vóór onze levensbeschouwing, vóór onze politieke inzichten, vóór de juistheid van ons geloof of ongeloof pleiten, [p.209] toornig en verdrietig vaak bij het tegenovergestelde. Ja, wij erkennen, dat er onder ons menigeen is, die leest, om zijn zinnelijkheid te prikkelen. Zeg gij ons nu hoe we dit alles vermijden kunnen en hoe we kunnen geraken tot dat hooge genot, dat gij bedoelt. Want als gij zegt, dat deze onze blijdschap en onze toorn, dit ons leed en ons verdriet niets met kunstgenot te maken hebben, ja, dat we dit laatste zelfs kunnen hebben van een kunstwerk, welks geheele inhoud lijnrecht tegen onze inzichten schijnt in te druischen, dan begrijpen wij zelfs niet wàt kunstgenot is."
Welnu, ik verlang niets liever dan u dit alles duidelijk uiteen te zetten. Juist met die bedoeling heb ik mij nu aan het werk gezet. En indien ge maar welwillend en met volle aandacht naar mij luisteren wilt, dan kàn ik 't ook. Want ik zeg niet quasi-bescheiden, dat ik 't méén te weten, maar ik zeg stellig en vast, omdat ik 't aldus vòèl, dat ik 't onwrikbaar zeker weet. Gij zult ook later inzien, dat de meening van velen voor wie gij hoogen eerbied hebt en die dien eerbied ten volle verdienen, met de mijne in strijd is. Maar daarom moogt ge nù niet aan mij twijfelen, doch daar ik uw raadsman ben, aannemen wat ik zeg, tot ge-zelf oordeelen kunt tusschen hen en mij. Bij eenigen uwer, begaafden, zullen mijn woorden als een voleindende verheldering zijn. Zij zullen plotseling veel in hun eigen voelen begrijpen, wat hun verstand tot nu toe niet verklaren kon. Dezen hebben met hun gevoel begrepen, vóór zij 't met hun intellect konden doen. Bij de anderen zal mijn betoog echter, gelijk reeds werd gezegd, slechts een begrijpen-met-het-verstand veroorzaken, vóór ook dezen zich-zelf tot een begrijpen-met-het-gevoel zullen gebracht hebben, zullen zij niet mogen oordeelen.
* * * * *
Zie eerst het onderscheid tusschen wetenschap en kunst: Wetenschap is: het onderzoekende, betoogende en bewijzende. Kunst is: het intuïtief-ontvangende en het in-schoonheid-en-blijdschap-herscheppende. _Vraag daarom aan de kunst geen [p.210] onderzoek, geen betoog en geen bewijs. Vraag haar schoonheid en afspiegeling van scheppingsvreugde alleen_.
Wetenschap is het keurende, schiftende, scheidende. Kunst echter is het alles-omvattende. _Verwonder u daarom niet, dat_ ALLES _wat bestaat in haar verheerlijking wordt opgenomen_. Wat bestaat in de stoffelijke en wat bestaat in haar eigen verbeeldingswereld. Zij herschept en verheerlijkt--want dit is één voor haar--zoowel het kleine leven der dieren. (_Maeterlinck_) als het supreme leven der onstoffelijke werelden (_Dante_). Zij herschept en verheerlijkt een rottend lijk (_Velasquez_) zoowel als het heerlijkst ontbloeien van jong leven (_Herman Gorter: Mei_, bijv. en ontelbare Anderen.) Zij herschept en verheerlijkt de diepste afgronden van het misdadige en zinnelijke denk-voelen (_Les Chants de Maldoror_) zoowel als het tegelijkertijd heerlijke en smartvolle zich verliezen in een ander, wat een zeer liefdevolle en hooggestegene bereikt heeft (_Epipsychidion_ van _Shelley_). Gij ziet, ik bewéér niet, dat zij dit alles doet, maar ik bewijs het u. Wat is haar dan "onderwerp," wat zijn haar "meeningen" en "overtuigingen"! En wat mogen zij u dan zijn, terwijl gij tot haar komt, gij, die haar wilt genieten! Zij herschept het alles in vreugde en die vreugde is om hare eigen scheppingskracht. _Die vreugde te hergenieten, dat is het kunstgenot_. Ik zal u ook van deze stelling, voor zoover dat kan, een verduidelijkend voorbeeld geven: In een vriendenkring, waartoe ik behoorde, las een voor uit Gorter's _Mei_--Balders afscheid van Mei. --De voorlezer was zoo door aandoening overmand, dat over zijn gelaat die eigenaardige huiveringen bleekten en om zijn lippen die glimlach van opperst en edel geluk was, welke aan de gelaatsuitdrukkingen van de Verklaarden der middeleeuwen, in religieuse extase, doen denken. Toen hij geëindigd had en vrijwel uitgeput en zwaar uitademend met gebogen hoofd voor zich staarde, de edele glimlach tot een trek van moeheid-door-geluk vervaagd, zei een der vrienden tot hem: "Jij had den glimlach van het genie van den maker op je gezicht." En zoo was 't ook: hij had 't opperst kunstgeluk gehad. Want, nog eens: Het opperst geluk, door kunst te [p.211] verkrijgen, is: _het hervoelen van de verrukking, die de schepper van het kunstwerk bij het scheppen had_.
* * * * *
Noodwendig moet nu echter, na dit alles te hebben gelezen, een twijfel in u ontstaan. "Kunst verheerlijkt dus wat zij herschept," zoo zult ge vragen, "kunst maakt dus mooier wat zij ziet, zij siert dus op, wat is dat anders dan de dingen leugenachtig voorstellen?! Trouwens, zij moet wel alles in een begoocheling zien, hoe kan zij anders, een rottend lijk afbeeldend, een schoon kunstwerk maken!"
Dien twijfel zal ik nu van u wegnemen: Het zien der kunst ont-dekt de hoogste door menschen te doorvoelen waarheid, maar ùw zien stelt u de dingen leugenachtig voor. Gij ziet ze oppervlakkig, kent ze niet in hun èchte, dièpe wezen, noch in hun samenhang met het andere; de kunst echter ziet ze in hun menschelijk-erkenbaar diepste wezen, kent ze bij intuïtie tot in dièn grond van hun aard èn in hun samenhang met het andere.[2] _En overal, waar die diepste aard van een ding gekend en allernauwkeurigst weergegeven wordt, is die_ WEERGAVE _en de_ DAAD _van het_ WEERGEVEN: _Schoonheid. En die schoonheid is de verheerlijking_.
Weer een voorbeeld: waarom zijt gij, die dit leest, zoo vaak gedachteloos en zonder iets te voelen door uchtend- of avondschemering gegaan en waarom zijt ge dan zoo verrukt en voelt zoo vreemde raadsels in háár èn in u-zèlf, als een kunstenaar ze heeft herschapen? Omdat die kunstenaar haar diepste essentie heeft doorvoeld en dat diepe wezen heeft afgebeeld. Heeft hij die avondschemering nu vermooid en opgesierd? Neen, neen, dan zoudt gij die beelding als een leugen voelen. Maar integendeel, gij voelt, dat u nu eerst de oogen opengaan, dat ge pas nù de wáárheid ziet. En ge bekent u-zelf, [p.212] dat hij haar heeft gegeven, zooals zij wèrkelijk was, gij echter slechts, om eens zoo te spreken, haar altijd aan 'r oppervlakte hadt gezien en dus niet, zooals zij wèrkelijk was.
* * * * *
"Maar," zoo zult ge nu vragen, "als dit alles zoo is, waarom komt het dan zoo dikwijls voor, dat één kunstenaar zich, bijvoorbeeld, uitsluitend aangetrokken voelt tot het afbeelden van bloemen, 'n ander tot het afbeelden van menschen, een derde weer zich alleen tot dieren bepaalt. Hun moest toch alles even lief zijn, daar zij van alles, het eigen, diepe wezen eens ontdekt, een kunstwerk scheppen kunnen? Maar dit niet alleen: als deze kunstenaar zich dus al afwendt van het eene en die van 't andere, hoe kunnen wij, niet-kunstenaars, dan in alles de schoonheid zien en de blijdschap erom voelen?!" En ziehier mijn antwoord: de gewoon-menschelijke neigingen van den kunstenaar, de graad van ontwikkeling zijner psychische gaven zullen bepalen, dat voor het verborgen, eigen, diepe wezen van het eene ding zijn oogen geopend, voor dat van een ander ding zijn oogen gesloten zullen zijn, dit laatste zal hij dus niet in kunst kunnen herscheppen. Met u is het echter anders gesteld: van u wordt niet geëischt, dat gij de omhulde diepte van de dingen in de natuur _ont_hullen zult. Van u wordt slechts geëischt, dat gij dat diepe wezen zien zult _zooals het, reeds door den kunstenaar onthuld, in een kunstwerk voor u staat_.
Indien een kunstenaar niet tot het kernwezen van bijv. menschen kan doordringen, dan beteekent dit, dat de uiterlijke verschijningsvorm van die menschen iets in zich heeft, wat hèm dat belet. Indien gij echter een _kunst_afbeelding van menschen voor u krijgt, dan kan er in den uiterlijken verschijningsvorm van die menschen niets zijn, dat U dit belet, om de eenvoudige reden, dat--er geen alleen-uiterlijke verschijningsvorm meer is en de innerlijke met volle openbaring van kernwezen daarvoor in de plaats is getreden!
[p.213] Zoo meen ik u dus, voor zoover het mij in dit korte bestek mogelijk was, te hebben aangetoond: het wezen van kunst; de aanwezigheid van scheppingsvreugde bij het scheppen van een kunstwerk; dat het hoogste kunstgenot het hervoelen van die scheppingsvreugde en het beschouwen van de scheppingsdaad in haar bewegingen is; dat men daartoe komt door de hooge waarheid van een kunstwerk in te zien; dat de heerlijkheid en schoonheid van iets in kunst gebeeld, bestaan uit de allernauwkeurigste, innigst-ware weergave van het meest eigene, diepe van dat iets. Hiermede heb ik de hoofdzaken gerecapituleerd. Maar nog niet heb ik u duidelijk genoeg gezegd, hoe ge u zelf opvoeden en op-leiden kunt tot dat zóó-zien van een kunstwerk, tot dat zóó-hervoelen der scheppingsvreugde. En dit zal ik nu doen.
* * * * *
Er is zeer veel overeenkomst tusschen een kunstenaar en den waarlijk genietenden beschouwer van een kunstwerk: de kunstenaar beschouwt, doorgrondt, herschept en voelt vreugde en evenzeer de waarlijk-genietende beschouwer, ziet, doorgrondt, erkent ten slotte als waar en voelt vreugde. Waar de wegen dus zoo parallel loopen en ten slotte zelfs eindigen in hetzelfde punt, zal het ongetwijfeld groot nut hebben, zoo we nauwkeurig en van nabij den weg van den kunstenaar bezien. Ten eerste dus: hoe geraakt een kunstenaar ertoe den diepsten aard van een wezen te zien? Door op dien tijd zich-zelf af te sluiten voor het weten der begrippen, waarin de wetenschap: ethica, politieke economie, enz. enz. haar waardebepaling van dat wezen heeft neergelegd. Hij moet dieper zien dan de ethica, de politieke economie, enz. enz., hij moet de opperste, innigste, onvervreemdbaar-eigen waarde van dat wezen zien, en de waarde-bepalingen van de ethica, de politieke economie, enz. enz. kunnen hem slechts misleiden en verblinden. Hoe zou zich die misleiding en verblinding, in hem, uiten? Hij zou zich afkeerig of bewonderend, toornig of welwillend voelen. Dus niet onpartijdig en objectief. [p.214] En hij moet wèl objectief zijn.[3] Ten tweede: wat gebeurt er nu in hem, terwijl hij door objectief aanschouwen den waarlijk-eigen aard van een wezen of ding erkend heeft? De drang ontstaat in hem, om alles wat hij gezien heeft, te herscheppen. Terwijl hij dit doet en, al doend, voelt te zullen slagen, is er een zeer hooge en groote vreugde in hem, èn om de schoonheid van zijn erkennen èn om die zijner macht, dat wat hij erkend heeft te herscheppen. _Het zijn deze: de schoonheid van des kunstenaars erkennings- en herscheppingsvermogen, en zijn vreugde daarover, die de eigenlijke schoonheid van de bovengenoemde "allernauwkeurigste, innigst-ware weergave" zijn en dus levens, nu ten diepsten grond gepeild, de eenige waarachtige schoonheid van een kunstwerk uitmaken._[4]
Doet een kunstenaar dit willekeurig: zich-zelf sluiten voor al wat niet is het doorvoelen van den eigen, diepsten aard van een wezen of ding? Neen, dit is hem aangeboren, hij moèt dit doen. Het is hem aangeboren alles te vergeten voor dit eene, terwijl hij aanschouwt en herschept. Een opperst concentratievermogen van het denk-voelen wordt hier vereischt. Zoo ergens, dan is hier het woord waar: "Niemand kan twee heeren dienen." Geen mensch kan schrijven om den roem, geen om het geld, geen om te hervormen en tegelijkertijd een kunstwerk scheppen. Alleen, wanneer hij op het objectief aanschouwen van den diepsten, eigen aard van een wezen of ding zijn geheele denk-voelen concentreert, kan hij 't. En omdat dit concentratievermogen zoo uiterst sterk moet zijn, kan niemand het door den wil verwerven, maar het moet van zelf aanwezig zijn en integendeel den wil beheerschen. Dan is men kunstenaar.
_L'art pour l'art--De kunst om de kunst, d.w.z., dat de kunst uitsluitend om haar-zelfs wille en zonder eenige bijgedachte of eenig bijoogmerk gediend moet worden, is daarom een volmaakt juiste stelling_.
* * * * *
[p.215] Hoe moet gij nu, leerend uit het bovenstaande, handelen, om de schoonheid van een kunstwerk te zien en de vreugde van zijn maker te hervoelen?
Gij moet, gelijk hij, u-zelf sluiten voor alle die begrippen, waarvoor hij zich sluit.
Waarom kunt gij dit _willekeurig_, terwijl hij dat toch niet kan? Omdat er een ontzaglijk groot verschil is tusschen de benoodigde sterkte van uw concentratievermogen en die van het zijne. Het zijne moet sterk genoeg zijn, om door de misleidende omhulling, tot de kern van het te herscheppen wezen of ding door te dringen. Voor het uwe biedt die kern, door hèm onthuld, open en bloot zich aan. Het uwe volstaat dus met van slechts zoo zwakken aard te zijn, dat het zich door ieder normaal mensch willekeurig door oefening laat verwerven.
Wat moet gij dus, nu in bijzonderheden herhaald, _laten_?
Gij moet, bij het zien van een kunstwerk, _nalaten_ eraan te denken, wat de zedeleer van den inhoud der voorstelling zegt, wat uw politieke opvatting ervan zegt, wat uw economische ervan zegt. Gij moet u _niet_ laten beïnvloeden door het feitelijke der voorstelling: niet toornig gestemd, niet welwillend gestemd en niet zinnelijk worden.
En wat moet gij dan _wel_ doen?
Gij moet u zoo volkomen mogelijk overgeven aan het denk-voelen, dat niet dralen zal bij u op te komen, indien gij het bovenstaande slechts laat. Wat is dit denk-voelen, in woorden uitgedrukt? Ongeveer dit: "Hoe heerlijk waar en echt is deze voorstelling, hoe schitterend mooi en juist heeft de kunstenaar dit gezien en weergegeven." Dan zult gij de hooge vreugde hervoelen, die ook hij gevoeld heeft. En gij zult die vreugde voelen om het vermogen van een ander! Want in u-zelf zult gij juichen: Hoe blij ben ik en hoe in-gelukkig dat er zulk een mensch, die dàt kan, bestaat, en hoe houd ik van dien mensch....
Wat is meer altruïstisch, wat veredelender dan dit....
Dàn zijt ge in wáárheid kunst-genieter.
* * * * *
[p.216] "Maar," zoo zult ge nu vragen, "als die stelling: "De kunst om de kunst" juist is. Als wij door een kunstwerk bijvoorbeeld niet langer het ongeluk van het proletarisch bestaan des te vlijmender mogen voelen, niet langer ons laten aanvuren in onzen mooien strijd, doen wij dan wel goed ons aan kunstgenot over te geven? Wij voelen als eersten plicht onzen strijd te strijden, en alles wat ons daar niet in helpen kan moeten wij laten."
En zeker, antwoord ik, met dit laatste hebt gij gelijk. Maar de zaak is, waaraan gij niet denkt, dat juist het genieten van kunstgenot u helpen zal in uw strijd. Telkens als gij zoo zult genoten hebben, zult gij een beter mensch zijn geworden, al weet en voelt gij dat zelf niet dadelijk; een beter mensch is een sterker mensch en hoe sterker hij is, hoe meer hij vermag.
_Omdat uw strijd edel en goed is, helpt gij hem onwillekeurig strijden, telkens wanneer ge iets goeds doet, wanneer gij zelf edeler wordt_.
_Als gij u rein houdt in woord en in daad, strijdt gij uw strijd! Als gij u goed voedt, als gij uw maatschappelijk inzicht scherpt, als gij eerlijk tegen vriend en vijand zijt, strijdt gij uw strijd. En als gij kunstgenot voelt, rein en diep en onvermengd, dan niet minder strijdt gij uw strijd_![5]
30 Augustus 1909.
* * * * *
OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE. [p.217]
I.
Na 't Hollandsch laagland met z'n gevaarlooze wegen, z'n kabbelende rivieren, zijn gecultiveerde bosschen, z'n heldre dorpen met kerk en torentje, z'n langzaam op-schemerenden ochtend en neerschemerenden avond; na de Hollandsche wei met de haasteloos-mummelende koetjes; na de Hollandsche binnenkamers met hun stoffage van begouwenaarde burgerheeren en, meest 'n weinig houterig, vrijende jongelingen en jonge dochters, na al dit gemoedelijke, zich-zelf gelijk blijvende en veilige--plots nu een tropisch bergland, met ravijnen en neerdonderende stroomen, met oerwouden, waar leeuw en tijger brullen, en gij, zoo ge u er waagt, de beet en omkronkeling van slangen zult hebben te vreezen; een land met rook-bepluimde vulkanen, wier inwendig vuur de wijngaarden en olijfbosschen op de hellingen eerst koesterend doet zwellen van olie en wijn, om dan, vroeg of laat den krater uitgebarsten, zijn eigen teelt te vernielen in één brandende giftuitstrooming, door één slag; met dorpen, des nachts vol zwoelheid van doffe geuren en zwaarmoedige deunen, waar, daags, een wijsgeer u als bedelaar nadert, en wien ge voor een Grande hieldt, een bedelaar blijkt; waar de liefde geen braaf-burgerlijke vrijage, maar hartstocht en heet begeeren is; een land waar nauwelijks afkeer zijn kan, of zij groeit tot haat. Een Indisch land, waar de ochtend bruusk [p.218] den nacht afwerpt, als een mensch zijn kleed, en de dag niet langzaam heengaat, maar zich snel het masker van den nacht voorbindt, als had hij zich verlaat en schoot het hem plòts te binnen, dat hij den wezens de rust moet gunnen, die onder de stralen van zijn gelaat niet mogelijk is.... Een land, waar alles grillig, uitbundig en snelwisselend is....
In minder woorden: na het talentvolle, het geniale; na het afgepaste en zeer wel vermoedbare, het uitbruischend onberekenbare.... Ziedaar: na _Hildebrand: Multatuli_![6]
* * * * *
Ik erken het volmondig: een geweldenaar als _Multatuli_, met zóó vrouwelijke zachtheid als zijn gemoed bezat; een hater mèt zóóveel liefde; een beeldstormer met dat ééne verlangen: plaats vrij te maken voor zijn reuzenbouw van rechtvaardigheid en menschenmin en schoonheid; zulk een met zóó groote fouten en ontzaglijke deugden, is voor de jeugd vol gevaars. Want zijn deugden trekken haar maar aan voor korten tijd: zóó deugdzaam te zijn is wel een tikje moeielijk! Maar zijn gebreken, wellicht, in zekeren zin, niet minder grootsch en schoon van sterke menschelijkheid, die zijn makkelijker en genoeglijker na te bootsen! Zoo denken ten minste de mannen en vrouwen in den dop. _En dìt is het gevaar._ Men moet het echter onder de oogen zien, men kan 't niet mijden, tenzij men een bedeesd en braaf moederskindje is, dat aan huiskamers en warme kachels, benevens beekjes, wolkjes en molentjes dicht bij honk, zat genoeg heeft en nooit naar bergen en bergstroomen, olijfbosschen en wijngaarden verlangt.