Over literatuur Critisch en didactisch
Chapter 20
_Multatuli_ heeft in onze kringen, lang vóór de stichting van onzen Bond, een geweldige rol gespeeld. En dit sproot nu juist niet voort uit de bijzondere beschaving in die kringen, uit ontvankelijkheid voor het subtiel-schoone en fijn-geestige--och och heere neen, ook hier heeft de Bond bijna àlles te doen [p.219] gehad....--maar uit twee geheel andere oorzaken. De eerste was, dat men in _Multatuli's_ werk zag een vrijbrief voor, een rechtvaardiging van 'n soort gêne-looze en zich op zich-zelf beroemende bandeloosheid; de tweede echter, van edele natuur: dat die onontwikkelde, maar daardoor wellicht des te frisscher menschen voelden, dat er iets nieuws, schoons, machtigs en van-kracht-heerlijks in hen openbrak, door hem. Wilt ge weten wàt dat was?... 't Was hun revolutionnair gevoel! Dat, vrienden, is misschien het mooiste in een mensch. Het is 't opstandsgevoel tegen rechtsverdraaiïng en leelijkheid in het leven. Dat wrokt en brandt in zoo'n jongen mensch. Toch brandt het maar met 'n heel klein vlammetje dikwijls, maar het leven vraagt daar niet naar, gooit elken dag weer nieuwe brandstof op, die door dat kleine vlammetje _niet_ verteerd wordt.... Dat geeft een teveel, dat geeft een drukking.... Zoo nu en dan schiet het vlammetje weer wat hooger op, maar er zijn nog dompers: "fatsoen," traditie en verkapitalistischt, vermaatschappelijkt, verwrongen kerkgeloof, en zoo waar, zoo'n jongmensch gebruikt die dompers zelf! Dat heeft men hem zoo geleerd. Tot daar plotseling zoo'n kerel, zoo'n reus bij hem binnenkomt, en die vraagt hèm niet of hij 't goed vindt en ook niet aan "de menschen die zooveel ouder en wijzer zijn dan hij," maar die slaat kort en goed voor zijn oogen al z'n dompers stuk. En daar schiet zijn vlam omhoog en gaat ze heerlijk branden.... En hij begrijpt dat die man een weldoener van hem is ... o God, wat heeft z'n jong hart hem dan lief ... hij zou hem om den hals wel willen vliegen.... Welnu, zulk een man was _Multatuli_, en daarom hadden die verachte diamantslijpers hem zoo lief en dwéépten met hem en omarmden hem.... Och neen, ze begrépen hem niet, wat je _begrijpen_ noemt, geen denken aan; wat kunnen hun zijn fijnheden, de rapheid zijner wendingen, het overdonderende zijner strijdhaftige geestigheid geweest zijn; máár zij begrepen, zij voelden, dat dit de stem was van hun eigen, gesmoorden haat; het ziende oog van hun hulploos, onbestemd en blind verlangen; de sterke hand, die hun tastende zwakke handen greep; zij zagen eindelijk eens [p.220] het ongekende wonder van een héérlijk mensch, die máling had aan de machtigen, aan de rijken; het wonder van een mensch, door wien een god had mogen spreken, en die nochtans niet anders dan der àrmen en verdrùkten mond wou zijn! Wat schatten van liefde en dankbaarheid heeft hun ziel zich door hem verworven. Hoe hebben zij toen, in hun donker leven, door hèm de hèilige geestdrift gekend. En wie weet, of niet hij 't was, die voor 't eerst dat mooi-menschelijke in hen wekte, welks prachtige opvaart hun eenheid in den Bond verrijzen deed....
Maar met dat al: dwepers kunnen geen maat houden. En daarvoor wil ik u behoeden. En trouwens, wat hun 't noodigste was, is het nog daarom u niet. Gij behoeft niet meer gewekt te worden. Gij zijt wakker, daar ben ik zeker van. En die brandstof in u, die voedt geen persoonlijk-revolutionnair, geen klein-flikkerend vlammetje meer, maar hij helpt mede-voeden dat zekere en klare licht, dat socialisme heet. Daarom: gij zult en moet _Multatuli_ kalmer genieten, gij zult onderscheiden leeren. En o, vóóral, gij moogt niet in de fout vervallen, waarin zij vervielen:
... Een ieder mensch, een _mensch_, die met een Groote verkeert, voelt vroeg of laat den drang, dien te gelijken. Die drang kan hem heilzaam, maar ook onheilbrengend zijn. Heilzaam is zij hem, wanneer hij denkt: Die groote mensch, dien ik zoo liefheb, is toch een mensch, hij moet dus gebreken hebben. Laat ik oppassen dat ik niet, door mijn overgroote liefde verblind, die gebreken overneem. Want die fouten, welke in 't geheel van zijn ontzaglijke persoonlijkheid zoo gering lijken, zouden mij, kleìne, verpletteren. Laat mij groeien en genieten van zijn voortreffelijkheden. Maar laat mij ook hierin wijs zijn: laat mij hem niet _nabootsen_ in zijn deugden, want naäpen, dat is het werk van apen; de plicht en het verlangen van menschen is: blijde te zijn met, te genieten van het goede; hun wijsheid: te weten dat dáárdoor hun wezen van zelf groeit en _natuurlijk_ en _geleidelijk_ beter wordt. Wat voor _uw_ wezen van _zijn_ voortreffelijkheid geschikt is, dat eigent het zich van zelf toe, mits gij u maar zoover opwerkt, dat ge [p.221] die voortreffelijkheid kunt begrijpen en beminnen. Maar nabootsen, _vooral niet_! Een mensch, die van de zon geniet, moet daarom niet voor zon willen gaan spelen, noch zich verbeelden, dat hij stralen schiet.... Om u nu reeds in dit inleidend stuk het onderscheiden van Multatuli's deugden en gebreken makkelijker te maken, zeg ik dit: zijn deugden waren: een sterk ontwikkeld bewustzijn van eigen hooge waarde; een machtig revolutionnair sentiment; een onbegrensde menschenliefde: een heftig begeeren naar waarheid (welke hij echter nog minder vaak kon bereiken dan hij anders had gekund, wijl hij gehinderd werd, ten eerste: door de bitterheid van zijn geest, ontstaan door het ondervonden onrecht; ten tweede: door zijn groote menschelijke en kunstenaars-ijdelheid, waardoor hij niet nalaten kon te "poseeren"); een in-staat-zijn zich op te offeren en een onwrikbaar vasthouden aan wat hij goed en recht achtte.
Zijn deugden, als kunstenaar, waren: een ontzaglijk doorvoelings-en uitbeeldings-vermogen (dat echter geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit); een vlijmscherp taal-begrip; een buitengewoon geestig vernuft (dat m.i. slechts overtroffen wordt, maar dan ook ver, door den grooten _Heine_, van wien hij trouwens veel geleerd heeft); een rijke fantasie.
Zijn gebreken, ik heb er reeds eenige genoemd, waren meest de keerzijden van zijn deugden: een anarchistische neerhalingswoede (keerzijde van zijn revolutionnair sentiment); een soms zeer lichtzinnig oordeelen over alles, wat hij maar gemoette (keerzijde van zijn uiterst-vlug-denken-kunnen); een soms enorme zelfoverschatting en minachtend neerzien op de allergrootsten (keerzijden van zijn hooggestemde zelfachting); een uittartende en pralerige opzichtigheid (keerzijde van zijn heldenmoed).--Gij moet dus, ik herhaal 't, zeer critisch tegenover hem staan, u voor kinderachtige naäperij, waartoe deze suggestieve persoonlijkheid iemand makkelijk verleidt, zorgvuldig bewaren en bovenal _dit_ goed begrijpen: dat de ontkennende, de _negatieve_ houding van zijn geest, die _hem_ schoon stond, wijl hij _groot_ was, en [p.222] _leefde in een tijd, die dat noodig had en 't als 't ware zelf deed geboren worden_, u leelijk zou staan, niet alleen wijl gij _niet groot_ zijt, maar omdat gij in een tijd leeft, die óók en bovenal een _positieve_, een _bevestigende_ geesteshouding noodig heeft: _het innig geloof in de waarachtigheid van het socialisme._ Vroeg _zijn_ tijd een ongebreideld, een naar eigen begeerte kampend mensch, _deze_ vraagt _gehoorzame soldaten_ voor het groote leger, dat strijdt in alle landen voor menschenrècht en menschengelùk, soldaten nièt gedrild tot tucht, maar uit eigen weten en eigen vrije keus de tucht verkiezend boven tuchtelóósheid. Houdt ge u aan dit alles, wat ik u heb gezegd, dan kunt ge zonder vrees dat oostersch-vreemde en prachtig land, dat _Multatuli's_ werk is, bereizen en moedig de hellingen van dien trotschen berg beklimmen, waarop bosschen vol van sappige vruchten staan. Wat mij betreft, ik zal het nu bij deze, naar mij dunkt niet ongemotiveerde, waarschuwing en uiteenzetting laten, en in de volgende artikelen de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, haar zooveel mogelijk los makend uit de _Ideeën_ waarvan ze een deel is, zuiver letterkundig behandelen, gelijk ik dat met Hildebrand's _Familie Kegge_ heb gedaan.[7]
* * * * *
OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.223]
II
In de _Geschiedenis van Woutertje Pieterse_, zooals die nu, helaas onvoleindigd, voor ons ligt, hebben wij in de allereerste plaats te zien een poging tot weergave der geleidelijk voortschrijdende geestelijke ontwikkeling van een geniaal kind--Woutertje-zelf--; in de tweede plaats een schets van: het Hollandsche volksleven:--_Femke_ en haar moeder, _Gerrit Sloos, Klaas Verlaan_, de joodsche familie _Roebens,_ de illuminatie-avond, enz.--; de klein-burgers:--de _Pietersen_, juffrouw _Laps_, e.d.--; de "deftige" burgerij:--de _Kopperlith's_: typen van het dwaze, opgeblazen parvenudom, met zijn sleep van kruiperige loonslaven, en de _Holsma's_: ietwat geïdealiseerde beelding eener verstandige, liefderijke, boven alle vooroordeelen hóógstaande doktersfamilie--; de geestelijken, vertegenwoordigd door de kluchtige, verachtelijke figuur van den _huisdominee_, en de heerlijk-gebeelde, kinderlijk-reine persoonlijkheid van _pastoor Jansen_; "allerhoogste" personages, zooals de groote _Napoléon_, op wien wij even in den schouwburg een vluchtig kijkje krijgen, de _Paltsgravin_, prinses _Erica_, enz.; in de derde plaats.... Maar nee, ik ga zóó niet verder, die zin werd veel te lang, te vermoeiend door zijn lengte, zelfs als jullie op al die "plaatsen" even waart gaan zitten, wat nog zoo gek niet zou zijn geweest, want, laat me je verzekeren, je hebt vandaar heerlijke inkijkjes en prachtige vergezichten....
[p.224] Wat ik verder wou zeggen, kwam in 't kort hierop neer, dat het geheele werk één worsteling van het hooge met het gemeene, één _Multatuliaansch_-heftig-beukende, maatschappelijke meubelen, ruiten, hééle heilige huisjes stuk-rinkinkende pràchtige worsteling is.
Men zou, wellicht interesseert jullie deze mededeeling, ons boek kunnen indeelen bij: _romantisch realisme_.... Maar hoe! ik zei: "_wellicht_ interesseert 't jullie" ... het _moet_ je interesseeren, want het geldt hier niet, je 'n paar geleerde woorden naar 't hoofd te smijten, of je 'n kruieniersachtig suiker-rijst-boonen-indeelingsgewoontetje in te stampen, maar het gaat erom, je de begrippen, de zeer veel verheldering veroorzakende begrippen, waarvan die termen namen zijn, bij te brengen, èn om de te behandelen stof, de letterkunde dus, door verdeeling meer overzichtelijk en begrijpelijk te maken.
Wat ìs _Romantiek_?
Nou, om 't 'ns erg kort en populair te zeggen: een kunstbeelding van, zeer wel bestaanbare, _uitzonderings_figuren, levend in zelden voorkomende omstandigheden; daardoor heel vaak verschijnend als een "overdrijving" van de _algemeene_ werkelijkheid, want die _uitzonderings_figuren maken, door hun levenswaarheid, op den gemiddelden lezer den indruk van vertegenwoordigers der _algemeene_ werkelijkheid te zijn.[8]
De romantiek nu, in dit romantisch-realistische werk, uit zich niet slechts in het feit der beelding van sommige personen van het tweede plan--prinses _Erica_ bijvoorbeeld--, ook niet alleen in het doen plaats hebben van gebeurtenissen, die, wanneer we ons het totaal-beeld voor oogen brengen, dat de werkelijkheid ons van den loop der dingen voorhoudt, een sterken bijsmaak van onwaarschijnlijkheid krijgen, maar [p.225] die romantiek uit zich al dadelijk heel principieel in den opzet en op het hoofdplan van het werk: _het beschrijven der zielsgeschiedenis van een geniaal mensch_. En nu ga ik verder en zeg dit: omdat een geniaal mensch zelf "een stuk romantiek" is, door de Natuur, te midden van Háár dag-dagelijksch "realisme" neergezet, botst hij daarmee, verstoort hij er in zekeren zin de harmonie van (zeer zeker: om tot een hoogere harmonie te geraken, en: de botsing is een heilzame, maar dat verandert voor 't oogenblik aan 't onaangename van de zaak niets. Multatuli-zelf is hier een uitstekend voorbeeld van) en zóó, en daarom verstoort de _afbeelding_ van een geniaal mensch in een werk als dit--voor driekwart een afbeelding der _algemeene_ werkelijkheid--de harmonie van dat werk. We voelen een onaangenaam aandoende ongelijksoortigheid en zelfs tegenstrijdigheid der deelen. (Multatuli heeft dat, geloof _ik_, zelf gevoeld, vandaar dat het klaarblijkelijk zijn plan was, zijn _Woutertje_, langzamerhand, naar den kant der romantische prinses Erica uittedringen. Ik voor mij ben er zeker van, dat, had hij het werk voleindigd, dit, _uit aan de Wouterfiguur ontsprongen noodzaak_, al meer en meer verromantiseerd zou zijn geworden. En verder ben ik van oordeel, dat het dit bewustzijn, met wat er verder aan vast zit, bij _Multatuli_-zelf, is geweest, dat hem den lust benomen heeft verder aan zijn verhaal te werken, en niet "ergernis over de _Van Vloten's_" enz.--Stel je voor, omdat de kleine menschjes je aftakelen, heb je geen lust meer aan de levende schoonheid in je ziel, die je-zelf zoo heerlijk weet! Terwijl toch juist het natuurlijk beloop is, dat die schoonheid je over alles troost en heenhelpt! Neen, geloove wie 't kan, ìk kan 't niet. _De zaak is mijns inziens, dat hij geen vreugde meer aan die schoonheid zelf had_--_om bovengenoemde redenen_.)
* * * * *
Ik zeide u daar straks dat je van al die "plaatsen" zulke aardige inkijkjes en vergezichten zoudt kunnen hebben. Nu eerst een inkijkje. Zie toe: daar wriemelen, maken zich belachelijk, worden gegeeseld door hun eigen bespottelijkheid, [p.226] de Pietersen, de Lapsen, de Stoffels en hoe al dat tuig verder heeten mag, vlak onder je neus.... Maar hé, wat is dat? Je wijkt terug ... je denkt, daar zal wel 'n luchtje aan zitten. En je hebt gelijk, je denkt er nog te licht over: er is geen luchtje, er is een stànk aan. Maar, o wonder! hier hebt ge van dien stank geen last; let maar op: wat ge voelt, dat is genòt, blìjdschap; je trekt geen vies gezicht, maar je schatert. Wat is de oorzaak van dat wonder? Ah, éven wachten. Zie eerst, lach eerst en allicht vindt ge dan zelf die oorzaak. -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --[9]
Ziezoo, klaar voor dezen keer. En nu maar aannemend, dat er wel enkelen uwer zullen zijn, die nog maar altijd niet weten, waarom zij niet gewalgd hebben bij het zien van al dat gedoe der Lapsen en Pietersen en integendeel hebben genoten, precies gelijk ik trouwens, die toch geen clown, gezwegen dan van een _Laps_ of 'n _Pieterse_, kan of kon zien, zonder 'n weerzin en 'n schaamte te gevoelen over zulk een vernedering van het _mensch-zijn_,--dat nu maar aannemend, geef ik u daarvan de volgende verklaring: dat wat gij bewonderd, waarvan je genoten hebt, is de _weergave_, de _afbeelding_ van het leven, _niet_ dat leven-zelf. Het doet er niet toe _wat_ afgebeeld wordt, maar steeds _hoe_ het afgebeeld wordt. Nòg eens: lees mijn artikel in den catalogus.[10]
Zooals ik reeds zei: dit nu was een _inkijkje_, in het volgende hoofdstuk zet ik u op een plaats vanwaar ge een _vergezicht_ hebt.--
* * * * *
OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.227]
III.
In het vorig hoofdstuk beloofde ik, u op een plaats te zetten, van waar ge een vergezicht hebben zoudt. Welnu, ik hoop, dat ge na lezing van dit stuk zult moeten erkennen, dat ik mijn belofte gehouden heb. Want, jongere en oudere vrienden, zult ge het geen vergezicht noemen als ik hier voor u laat oprijzen dat mooie verleden van uw kindsheid, nu al min of meer ver verwijderd? Dat verleden, welks wellicht slechts vage herinneringen u nog doen glimlachen, als ge kinderen spelen ziet....
O, natuurlijk, ge zult in het beeld, dat ik u zal toonen, niet uwe _feitelijke_ jeugd herkennen, met háár voorvalletjes, gevoelens, begeerten en schuchtere droomerijen, want gesteld dat gij tot diegenen behoort, die zich op later leeftijd dit alles duidelijk en klaar kunnen te binnen brengen, wat den meesten onzer waarlijk niet gegeven is, dàn zéker zoudt ge spoedig door vergelijking tot de erkentenis komen, dat kinderen evenzeer van elkaar verschillen als volwassenen.
Toch, de jonkheid van ons allen heeft iets gemeen: door de jaren-gangen van ons later leven loopend, hooren we uit de verte blijde stemmen soms, zien we een plotse sprankeling van licht glànzen uit de feestzaal onzer jeugd, waarheen we nooit meer zullen keeren. 't Is dan of haar deur zich éven opende en snel weer sloot, uitlatend-en-afsnijdend klanken van feestgeroes, een helle straling van veel luchters. Maar duurde [p.228] dat kort, één oogenblik, het duurde toch lang genoeg om ons als de geur, het innigste onzer jonge jaren nog eenmaal te doen kennen; hoe benaderen we dan opnieuw hun blijdschap en verdrieten. We staan even stil en mijmeren in ons-zelf. Een glimlach ontstrakt zachtkens ons gezicht.... Dan gaan we weer verder door de soms donkere gangen van ons later leven.... Het is ook die glimlach, waarvan ik u sprak, die ouderen hebben als ze kinderen spelen of stilletjes droomen zien. Dan ging die feestzaal, begrijpt ge, even open, het geluk der jonkheid heeft hun hart geraakt.... Maar rijker, maar voller wordt ons dat heerlijke geschonken, als een groot kunstenaar, zich verplaatsend in het kinderlijk denken en voelen, dit voor ons beeldt. Ja, dan is het waarlijk, of 't ons vergund werd te keeren op onze schreden, de wijde hal onzer jonge jaren nog eenmaal binnen te gaan, onze oogen vol te laten stralen van haar licht, de handjes der speelgenooten in de onze te houden en zelf weer de heilige kinderen te zijn, in wier nabijheid al het leven op zijn reinst en bevalligst en feestelijkst moet verschijnen. Ook dat nu heeft Multatuli voor ons gedaan. Het beeld, dat ik u wilde toonen, is een brok droomleven van zijn _Woutertje_. Toch--het schijnt mijn ietwat onaangenaam lot te zijn, nooit iets onverdeeld te kunnen prijzen!--moet ik u waarschuwen, dat dit schoone niet zoo volmaakt is geworden als we 't van 't genie van zijn schepper ongetwijfeld hadden mogen verwachten. De schrijver heeft zich namelijk weer eens niet genoegzaam kunnen bedwingen, zich niet, door zijn gebrek aan objectiviteit, kunnen onthouden, brokjes van zìjn wijsheid, zìjn wijsgeerig denken in het prachtig-gegeven droomleven van zijn _Woutertje_ te mengen. Ik zal u, ouder gewoonte, zoowel op de heerlijke schoonheid als de fouten opmerkzaam maken. En ge moet u nu maar, eens voor al, voornemen niet boos op mij te zijn, omdat ik, door dit laatste te doen, zoo'n beetje uw genot bederf. Want het is juist mijn doel, u er aan te wennen, geen genot en zeker geen kunstgenot te willen, dan wat de keur van uw allerzuiverst gevoel en rede kan doorstaan. Ook de hoogste verrukking, die kunstgenot geeft, heeft niets gemeen met een roes [p.229] en met een vertroebeling en verduistering der geestelijke, naar waarheid zoekende krachten in ons, maar zij maakt in wisselwerking die krachten integendeel sterker, edeler en meer doordringend.
* * * * *
Ziehier het bedoelde stuk:
Na _Glorioso_ namelijk, (_Glorioso_ is de naam van den roover-roman, dien Wouter "gehuurd" heeft voor het geld, dat hem het verkwanselen van zijn "Nieuwe Testament met Gezangen" opbracht, v.C.) en de onmogelijkheid om dat boek waardig te vervangen, (_Multatuli_ geeft hier natuurlijk _Woutertje's_ meening weer. Dat hij dit doet zonder er eenige schertsende of spottende aanmerking van zich-zelf aan te verbinden is voortreffelijk. Er ontstaat hierdoor, èn blijft ongerept, een zekere fijne humor. v.C.) was-i in de namiddagen die hij vrij had, onwillekeurig weergekeerd naar de plek waar-i kennis had gemaakt met de boekerige roman-wereld, en hoe grof ook de kleuren waren van 't eerste beeld uit die wereld dat zich aan hem voordeed, ja, misschien juist òm de grofheid van die kleuren, hij voelde zich daardoor zóó aangetrokken, dat-i zich-zelf geheel veranderd voorkwam, en niet meer begreep hoe hij ooit z'n genot had kunnen zoeken in die taartjes op den hoek.
Een vreemd verschiet had zich voor hem ontsloten. Hij droomde van dingen waaraan-i geen naam kon geven, maar die hem bitter ontevreden maakten met z'n werkelijken toestand. Hij wilde graag alles doen wat voorgeschreven is om in den hemel te komen, maar 't bidden zou zooveel beter gaan, meende hij, in 'n grot met kaarsen. En wat het eeren van zijn moeder betrof, waarop deze altijd zoo aandrong ... waarom had ze geen sleep, zooals die gravin? Hij had z'n bijbel niet moeten verkoopen ... dat is waar ... ook zou-i 't nooit weerdoen, dit had-i vast beloofd ... maar dan behoorde hij toch ook 'n kistje te hebben met dukaten, en 'n veer op z'n muts, zooals in 't boek stond. (Merkt ge hier al niet, hoe uitstekend de romantische neiging in den kindergeest, en vooral zooals zij moet bestaan in dien van het nobele _Woutertje_, is weergegeven? v.C.)
Ook verveelde hem zijn broer Stoffel, en zijn zusters, en juffrouw Laps, en huisdominee, en alles.
* * * * *
Dit verveeld worden door zijn familie en zijn omgeving ontstaat _schijnbaar_ wel bij Woutertje naar aanleiding van [p.230] iets zeer kinderlijks, maar de diepere en ware oorzaak is zijn veel hooger en edeler beaanlegd zijn dan zijne omgeving, waardoor hij daarin niet op zijn plaats is. Het is een dezelfde botsing--in kinderlijke verhoudingen--als waarvan ik in het vorig hoofdstuk sprak: tusschen het hoogere en lagere, het bijzondere en het alledaagsche.
En hij begreep niet, waarom de heele familie niet naar Italië ging, om daar 'n behoorlijke rooverij optezetten. Maar Pennewip (de schoolmeester, v.C.) hoefde niet mee, dacht-i, en Slachterskeesje (een medescholier v.C.) ook niet.
't Zou hem benieuwen wat er gebeuren zou met zijn vers....
Alle Woensdagen namelijk leverden de leerlingen die 't minst ondeugend waren geweest, en daarom waard gekeurd werden meetedingen naar den lauwer der eer, een gedicht op 'n onderwerp dat de meester had opgegeven. Wouter had ditmaal "_de deugd_" tot z'n deel gekregen, niet zonder toespeling op z'n vroegtijdige verdorvenheid, en den wenk dat die dichtoefening mocht dienstbaar wezen aan z'n zedelijke verbetering. Maar Wouter had al zoo dikwijls op de deugd gerijmd, en hij vond dit onderwerp zoo droog, zoo uitgeput, zoo vervelend, dat-i de vrijheid had genomen iets anders te behandelen, en wel wat hem 't naast aan 't hart lag, de rooverij.
Dit gedicht en alles wat daardoor veroorzaakt wordt: de boosheid van meester Pennewip, de ontzetting van Woutertje's familie, het optreden van den dronken "huisdominee,"--dit betrekkelijk kleine deel van het boek zou het al tot iets prachtig-geestigs maken. Je giert van het lachen onder 't lezen, en tegelijkertijd ben je verrukt over de levenswaarheid--op 'n paar stukjes na--der weergave!
Hij-zelf was, als alle schrijvers--en menschen--zeer ingenomen met z'n werk. Hij hield zich overtuigd dat de meester dit ook wezen zou, en hem om den wille der voortreffelijke uitvoering de afwijking van de deugd vergeven zou. Het vers zou zeker naar den Burgemeester gezonden worden, die er kennis van geven zou aan den Paus, waarna deze Wouter tot zich zou roepen, en hem aanstellen als hoofdroover.
Hoe moet de schrijver niet doorgedrongen zijn geweest in het denk-voelen van zijn Woutertje, om zoo schitterend dit echt-kinderlijke, wild-fantastische luchtkasteelen-bouwen te hebben kunnen weergeven. Wellicht is dat laten denken aan [p.231] den _Paus_ door dit _protestantsche_ jongetje, dat _rilt_ als hij _Pater Jansen_ over _Jezuiten_ hoort spreken, een fout. Wellicht echter zou men kunnen zeggen, dat "Paus" voor het kind Woutertje niets meer dan een woord is waaraan zich een vage, romantische voorstelling verbindt. Maar dit laatste is, gezien de platte en bekrompen "godsdienstige" omgeving van Woutertje, nièt waarschijnlijk.