Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 21

Chapter 213,480 wordsPublic domain

Zoo droomde hij, en wierp hij strootjes in het water. (Hij staat bij 'n slootje. In de nabijheid zijn twee houtzaagmolens.--Het stukje wat nu volgt is allervoortreffelijkst. Er wordt nu niet langer _van_ Wouter _verhaald_, maar zijn denken en handelen worden, in hun natuurlijk verband, _gebeeld_. Ik geloof niet, dat ik grooter bewondering voor iets kan gevoelen, dan voor dit onovertrefbaar zich-ingeleefd-hebben in den kindergeest! Lees maar eens verder! v.C.) Ze dreven langzaam voort, en verdwenen tusschen de groen-bemoste balken. Onwillekeurig begon Wouter's verbeelding verband te scheppen tusschen de richting der strootjes en zijn indrukken. Daar ging de gravin met haar sleep, maar ze haakte aan den kant en bleef steken in de modder. De kuische Amalia had geen beter lot, en raakte verward in 't kroos. Nu Wouter-zelf: (Wouter-zelf meegevoerd door zijn droomen, vereenzelvigt zich dus ook met een strootje! Verrukkelijk van geniaal doorvoelen door den schrijver, niet waar? v.C.) hij naderde Amalia's kroos, en juist toen-i hoopte haar te redden uit haar gevangenschap, of die te deelen zoo 't behoort, werd-i opgeslokt door 'n eend. Die daaraan zeer verkeerd deed. Want het was Wouter's laatste strootje, en in 't geklapper van den molen hoorde hij duidelijk Amalia's verwijtend geklaag:

Warre, warre, warre, wou, Waar is warre, warre, wou.... Wouter die me redden zou?

Dit maakte hem verdrietig, en hij kon zich niet weerhouden een steen te werpen naar de eend die door z'n gulzigheid oorzaak was van Amalia's twijfel aan zijn riddereer. (Al maar door is de kinder-fantasie uitstekend volgehouden! v.C.) De eend koos de beste partij, en vertrok, na Wouter te hebben uitgescholden zoo goed hij kon. Maar de molens schenen zich niet te storen aan de gebeurtenissen van den middag en klapperden dapper voort. Wouter hoorde in hun gekraak en gezaag allerlei liedjes, en vergat weldra Amalia en den Paus, om te luisteren naar de vertellingen die ze hem deden. Om den lezer niet te brengen in de verkeerde meening dat er iets bijzonders was [p.232] in de molens, haast ik mij te zeggen dat ze knarden en knersden juist als andere houtzaagmolens, en dat alles wat Wouter meende te hooren en te verstaan, niets anders was dan de weerklank der aandoeningen in zijn eigen gemoed.

't Gebeurt meermalen dat we gelooven iets gewaar te worden van buiten, wat voortkomt uit ons-zelf, en even dikwijls meenen wij zelf iets te hebben uitgedacht, dat eigenlijk afkomstig is van 'n ander.

Dit is 'n soort buikspraak die dikwijls aanleiding geeft tot ongenoegen en vijandschap.

Dat beeld van de buikspraak is aardig, maar ook niet meer dan dat. Het is nml. vrij onjuist. Men kan, een buikspreker hoorend, meenen dat een ander dan hij gesproken heeft, maar nimmer dat men-zelf heeft gesproken, noch, indien men het zelf heeft gedaan, meenen dat 'n ander, al of niet buikspreker, het deed! Multatuli heeft hier misschien aan het zoogenaamde "maagbrommen" gedacht, een nerveus verschijnsel naar ik meen. Hierbij is 't wel mogelijk, dat men, zelf de geluidvoortbrenger zijnde, meent dat een ander het is, en omgekeerd. In elk geval zou het beter geweest zijn, indièn hij dááraan gedacht èn het gezegd had, al ware het 'n tikje "onaesthetisch" geweest.

Wie 't snelste draait? Wel ... me dunkt ... neen ... gelijk beginnen.... Zóó! Neen, de _Arend_ was vóór! Nogeens ... nu! Och, weer verkeerd!

Hoe voortreffelijk Multatuli het denken, _den toon_ van het _innerlijk-spreken_ kon beluisteren en weergeven!

Wie nu 't eerst boven is ... neen dat gaat niet ... nog eens ... van die wolk af. _Morgenstond_, pas op ... (_Arend_ en _Morgenstond_ zijn de namen van de houtzaagmolens, v.C.) mis weer! Ik kan er geen oog op houden ... wat 'n gedraai!

Zoo, ben je moe? 'k Wil 't wel gelooven!

Als ik eens op zoo'n wiek zat ... ik zou me goed vasthouden ... wat zou de molenaar gek kijken!

Waarom heet je _Morgenstond_? Heb je wat in den mond? En.... _Arend_ kun je vliegen? Wil je mij meenemen? _Ik_ zou wel willen ... wat 'n ruimte daarboven ... en geen school!

Hoe is toch de eerste school begonnen? Wat was er 't eerst ... 'n school of 'n meester?

Maar die eerste meester moest toch op school geweest zijn ... [p.233] en die eerste school moest toch 'n meester gehad hebben....

Of zou de eerste meester vanzelf....

Vanzelf? Neen, dat kan niet.

Met dat stukje over die "school" en dien "meester" begint onze schrijver eruit te raken. Hij begint zijn houvast op Woutertje te verliezen en zet daarom z'n eigen denken in de plaats van dat van Woutertje! Het is zijn eigen wijsgeerig peinzen over het _Begin_ van het _Heelal_. Ik ontken niet, dat Woutertje 't _kan_ gedacht hebben. Hij is 'n geniaal, 'n buitengewoon kind. Maar in verband met 't _zeer slechte_, wat nu bijna onmiddellijk volgt, waarin _niets_ van _Woutertje_ en _alles_ van _Multatuli_ is, vermoed ik dat deze hier al begon subjectief te worden.

Kenje draaien vanzelf? Door den wind? kunje omkeeren, andersom-draaien vanzelf? Doe 't eens, _Arend_ ... toe krijg den _Morgenstond_ ... gauw, gauw ... pak 'm beet ... mooi!

Nu weer alléén, laat los ... los ... goed zoo.

Nu weer samen ... _karre, karre, kra, kra_ ... steek uit je armen ... neem me mee ... wil je niet? Goed, _Arend_! Zet je hoed op ... wat fladderen die linten ... hoe heetje? Warre, warre, warre, wou ... ik kan 't niet helpen ... 't was die eend. Zeg, hoe heetje? (En nu komt dat zeer slechte, waarvan ik zooeven sprak en waarop ik ook in den aanvang van mijn artikel doelde, v.C.): _Fanne, Fanne, fan fan_ ... heetje _Fan_? en jij, _Morgenstond_, hoe is je naam? _Sine, sine, sine, si_ ... wat is dat voor 'n naam, _si_? Nu tegelijk, komaan ... samen ... zingt 'n liedje samen:

_Fanne, fanne, fan, fan_.... _Sine, sine, si, si_.... _Fanne, sine, fanne, sine,_ _Fanne sine.... Fan ... cy...._

_Fancy_ ... wat meen je daarmee? Heetje _Fancy_? En ... wat is dat ... heb je vleugels?

Ja, "_d'Morgenstond_" en "_den Arend_" waren ineengesmolten, hadden vleugels, en heetten _Fancy. Fancy_ nam Wouter op en voerde hem mee.

De fantasie-figuur _Fancy_--het woord zelf beteekent verbeelding--speelt een hoofdrol in Multatuli's werk. Soms is zij hem personificatie[11] van het _Al_, het _Zijnde_; soms de [p.234] _Muze_: degeen, die hem zijn werken influistert, hem inspireert; een ander maal: de _Causaliteit._[12] In hun diepste beteekenis dekken trouwens deze begrippen elkander, naar zijn meening. En de personificatie van déze hooge, wijsgeerige begrippen, _dragend den naam, die zij uitsluitend in zijn, Multatuli's, denken draagt_, laat hij nu verschijnen in het denken van _het kind Woutertje_!! Teugelloozer uit den-band-springen is wel niet mogelijk, ergerlijker knoeien met psychologie wel niet denkbaar. En ziet ge 't nu zelf dat ik gelijk had, met in mijn _inleidend_ Multatuli-artikel te spreken van: "zijn ontzaglijk doorvoelings- en uitbeeldings-vermogen, dat echter geschaad wordt door een groot gebrek aan objectiviteit"? Want, hoe kon ik u zóó van dat vermogen doen genieten, indien het niet ontzaglijk ware, en daarentegen tevens in de gelegenheid zijn, op zùlke grove fouten te wijzen, als ik gedaan heb, zoo het niet geschaad werd door een groot gebrek aan objectiviteit?!

Maar nu nog een ernstig woord, voor we voor ditmaal scheiden: de meeste lezers hebben een weerzinwekkend hebbelijkheidje: ze onthouden wat er voor leelijks over 'n schrijver door zijn bespreker is gezegd, maar wat deze heeft geprezen, dàt vergeten zij! _Past daarvoor op! dat is iets zeer leelijks, iets zeer gemeens_. Dat vindt z'n oorzaak in _leedvermaak_, [p.235] in de, vaak onbewuste, _afgunst van het kleine op het groote_, in het blij-zijn _omdat het groote toch ook smetten van kleinheid_ heeft.... Ik doe u de fouten in schrijvers zien, _uitsluitend_, om u _onderscheiden_ te leeren, en tot dat onderscheiden behoort óók: het begrijpen, dat onze _middelmatigheid_ gemakkelijk _kleine_ foutjes hebben kan, maar dat waar _groote_ gaven zijn, meestal uiteraard óók groote gebreken zijn. Dit begrijpen zal ons ingetogenheid leeren en ons van belachelijke waanwijsheid of leedvermaak verre doen zijn.--

* * * * *

OVER MULTATULI EN ZIJN GESCHIEDENIS VAN WOUTERTJE PIETERSE [p.236]

IV.

De maatschappij waarin wij leven, die anarchistische dooreenstrengeling van ongebreidelde, niet-geleide of slecht geleide krachten--een kluwen zóó verward en zóó langzaam zich ontwarrend, dat we wel zeker weten, dat niet meer bij òns leven de Tijd een schoon weefsel ervan spinnen zal--die maatschappij van de mededinging, van de afgunst, van den haat maakt ons allen, in haar levenden, tot slechter menschen, dan we tengevolge van onzen natuurlijken aanleg, te midden eener betere samenleving, zouden zijn geweest. Want zij is 't, die de edelste neigingen ver doet terugkrimpen in 't meest verborgene van 't hart, om daar een kwijnend bestaan te leiden, ja, dikwijls, te sterven, wijl er voor hen in 't wijd-open, gemeenschappelijk menschen-leven geen voedingsbodem, geen ontwikkelingsruimte is. En zij is 't alweer, die de onedele driften oproept, hen laat treden en werken in der edele plaats, hun dier naam, gewaad en aanzien geeft--zoodat de waanzinnige angst-wreedheid van, het doodelijk gevaar tegemoet gejaagde, soldaten, na zich de trekken te hebben kalm-gehuicheld en zich de handen te hebben gewasschen van 't bij 't "neerleggen" vergoten bloed, den naam en de eer van den heldenmoed uit de handen van vrome regeerders ontvangt; zoodat de sluwheid, noodig, om in de hijgende jacht naar winst, anderen te doen vallen en hen dan voorbij te rennen, als wijsheid en schoone behendigheid wordt [p.237] geprezen; het huwen-om-geld liefde wordt genoemd en als zoodanig zalvend door geestelijken wordt be-zegend; de zucht tot uitbuiting van vreemde landen en volken zich kan vermommen als brengster van wetenschap en klaarder godsbegrip....

En geen andere dan zij is 't dus, die ons gemoed, onze ziel aan een veronachtzaamd huis gelijk maakt, waaruit de meesters zijn vertrokken en waarin het brooddronken knechtenpak het bezit dier meesters in liederlijke moedwilligheid vervuilt en verbrast, zich op hun plaatsen zet en hun manieren grijnzend nabootst. Zoo komt het, dat wij aan het bestaan van een volkòmen eerlijk, volkomen deugdzaam mensch nauwelijks meer gelooven. Ja, wij _wenden voor_ aan zulk een nog zekerlijk te gelooven, doen zelfs soms, om onze eigen onschuldige braafheid maar te toonen, alsof we zoo iemand iets heel gewoons en "normaals" vinden, doch óók die veinzerij is--een van dat knechtenpak: zij is de lage naäapster van den sinds lang vertrokken meester: het geloof in elkaars goedheid, dat menschen hebben, die niet door de maatschappij tot elkanders roofzuchtige vijanden zijn gemaakt. En zoo gebeurt het, dat, ontmoeten wij een uitmuntend mensch in 't léven, we ons onmiddellijk afvragen: "Zou die man nou wel ècht zoo zijn; heeft-ie met al die goedheid niet de achterbaksche bedoeling zijn eigenbelang te dienen?" En allicht is onze conclusie: "nee die is mij te braaf, die is mij te fijn!" En ontmoeten we zulk een figuur, de beelding van zoo'n edel mensch, in een boèk, o dàn is 't heelemaal mis, dan áárzelen we zelfs niet, dan veroordeelen we, bijna immer, dadelijk. "Wat zoetig," meenen we, "wat overdreven braaf, hoe opgesierd, 'n echte boek-held." Ja, dit spreekt van zelf: wij zijn te zeer aan het onedele gewend, we zijn te zeer gewoon het onedele 't masker van 't edele te zien dragen, dan dat wij nu zouden kunnen gelooven dat edele in waarheid voor ons te zien. Toch, waar er echte, waar er gróóte kunst is, daar worden we gedwòngen te gelooven, want deze maakt haar beelding als ware 't doorzichtig, wij zien niet langer met ònze oogen, wij zien niet langer alleen het uitwendige van een [p.238] figuur noch behoeven ons dus met onze gissingen en twijfelingen te behelpen, máár wij zien met de oogen van dien grooten kunstenaar, wij zien het uiterlijk-en-innerlijk als één klare, geheimloos openliggende _waarheid_, en gissing noch twijfel kùnnen meer in ons opkomen. Zulk een kunstenaar nu was onze Multatuli, toen hij de _Pastoor-Jansen_-figuur schiep, en aan zulke groote en echte kunst had hij toen het overgelukkige voorrecht, het aanzijn te geven. Het kost mij moeite, mijne bewondering voor deze voortreffelijke schepping, en mijn diepe liefde voor haar schepper, niet zoo te uiten als ik ze gevoel. Maar dit moet nu eenmaal achterwege blijven, want hoofddoel blijft toch, die bewondering en liefde op _u_ te doen overgaan, en dat lijkt mij vooralsnog alleen te bereiken door kalme beschouwing en ontleding.

Welnu dan: _waardoor_ is de auteur erin geslaagd, de in hèm levende en klaar-opene visie van dien nobelen mensch ook òns zoo overtuigend-waar voor oogen te stellen, voor ons zoo "doorzichtig" te maken? Heeft de schrijver dit bereikt door, in groote mate en zeer nauwkeurig, sommige middelen der realistische persoonsbeelding aan te wenden, d.w.z. heeft hij deze figuur zekere telkens terugkeerende gebaren, kleine eigenaardigheden en haar alleen eigen spreekwijzen--die alle dan natuurlijk in logisch verband staande met haar innerlijk--verleend, zoodat wij daardoor _verleid_ worden, óók den haar eigen buitengewonen adeldom van ziel als waar aan te nemen, ofschoon wij _dien_ eigenlijk _onwaarschijnlijk_ achten? Neen, dit is niet zoo, de trekjes van deze soort zijn nauwelijks aanwezig, bovendien, wij erkennen _juist dien adeldom_ als echt. Of zou 't dan wellicht komen, doordat wij de kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_, die _kinderlijkheid_ in een _volwassen_ mensch, als een _gebrek_ beschouwen en dit _gebrek_ dezen mensch genoegzaam _on_volmaakt in onze oogen maakt, om ons zijn--volmaaktheid aannemelijk te maken? Neen, ook dit kan de oorzaak niet zijn, want een _gebrek_, en dan nog wel een geestelijk gebrek, kan nimmer zulk een _hart-veroverenden, behoorlijken_ indruk wekken als deze [p.239] kinderlijkheid van _Pastoor Jansen_ doet.[13] Máár de oorzaak is, dat de kinderlijkheid van dien mensch hem als met een glans van aandoenlijke en nederige heiligheid omgeeft, die ons stil maakt, zoodra we in zijn nabijheid komen, ons zacht doet treden, wijl we voelen op, door hem, geheiligden grond te staan en ons in die klare stemming van begrijpen-door-liefde brengt, die alles doorzichtig en hel-doorlicht maakt. _Die kinderlijkheid is 't, die al zijn woorden, al zijn daden, die dragers van zijn noblesse, als een phosphoresceerende, hen belichtende vloeistof drenkt_. Maar niet alleen aldus zien wij haar, doch--wel verre van haar als een gebrek te beschouwen!--zien we 'r integendeel ook als een heerlijke gave, dezen mensch verleend, om zijn blanke reinheid onbezoedeld door het leven te brengen, en zoo--terwijl zij ons de op zich-zelf schoone schrijn blijkt, die het juweel zijner goedheid behoedt--denken wij, aldoor dieper overtuigd wordend: hoe waardevol moet deze laatste zijn, dat de Natuur het noodig vond haar zoo sterk-beveiligend te omhullen! En ofschoon wellicht buiten het kader dezer beschouwingen vallend, wil ik niet nalaten, hier nog aan toe te voegen, dat uit die gedachte onmiddellijk bij mij deze voortkwam: hoe blijkt ook hier weer de wijsheid, dat alles vereenende, dat alles aan elkaar dienstbaar makende, dat met één middel véél bereikende der Natuur, want door die kinderlijkheid de prachtige ziel van dezen mensch _sluitend_ voor het _kwade, opent_ zij haar tevens voor het _goede_. (Immers, door die kinderlijkheid hebben wij haar volledig begrepen, daardoor zijn wij van haar waar- en echt-zijn overtuigd geworden, dáárdoor zijn we dus in staat gesteld, van haar te genieten en te [p.240] leeren. En dit is het goede. En zoo heeft dus de Natuur twéé groote doelen met één middel bereikt....)[14]

En nu ga ik een stuk tekst afdrukken, dat, met mijn tusschengevoegde ontledingen, u veel van het zooeven gezegde ongetwijfeld duidelijker maken zal.

_Pastoor Jansen_ en _Wouter_ zijn op weg naar Haarlem. _Pastoor Jansen_ is aan 't woord:

"Maar ik zou je wat van die _kyrie_ (een katholiek gebed. v.C.) zeggen. Als Koens hem zingt.... O! (_Koens_ is pastoor van dezelfde kerk als _Jansen_ en woont naast deze. v.C.) In z'n kamer, meen ik, want in de kerk doet-i 't niet graag. Stijn (_Jansen's_ huishoudster, v.C.) heeft ervan gehuild, want het is heel gehoorig bij ons, we kunnen elkaar best hooren zuchten ... maar ik zucht nooit. Waarom zou ik zuchten?

Hierin ligt al, zoowel het maar naïef-weg babbelen, als de blijmoedigheid van 'n kind.

Nu, Stijn huilde, en ik kreeg kippevel. En weet je wat ik erbij dacht? Ik dacht: God, God, wat ben ik 'n prul bij pastoor Koens!"

"Hé, m'nheer!"

"'t Is de waarheid! Maar ik van mijn kant ben weer veel sterker van bouw en spieren. Dat is ook iets, niet waar? Godbewaarme voor ondankbaarheid. Als m'n vader me op z'n smederij gedaan had, zou ik net zoo sterk geworden zijn als m'n broer, maar de theologie maakt 'n mensch 'n beetje lebberig, vind je niet?

Prachtig! Iemand als Jansen houdt er geen bijzondere deftige of edel-klinkende termen op na, als hij over God of godsdienst spreekt: zijn reinheid maakt hem, onbewust, als 't ware met God gemeenzaam en vertrouwd.

En toch ... verbeeldje, ik heb thuis 'n _Vulgata_ (de door de katholieke kerk aangenomen latijnsche bijbelvertaling, v.C.) Daar staat wat in! Ze is in kwarto, zóó dik, en dat in 't vierkant, en in leer gebonden ... 'n heele vracht! En er zijn sloten aan, ook. Stijn schuurt ze alle weken blank. (Merk nu die onschuldige [p.241] en naïef geuite trots van het groote, lieve kind, omdat ie zoo sterk is! v.C.) Welnu, ik pak een van die koperen lippen met m'n pink, en Stijn zegt _Paters_ (het _Pater Noster_ = 't _Onze Vader._ v. C.) op, en ik houd m'n _Vulgata_--altijd met die ééne pink, moet je denken--tot quotidianum (= dagelijksch, voorkomend in den zin: "geef ons heden ons dagelijksch brood." v.C.) van de derde. En Stijn is niet eens heel vlug met 'r _Paters_. Als ik ze zelf zei, bracht ik 't zeker tot _remitte_ (voorkomend in den zin: "en vergeef ons onze schulden," v.C.) van de vierde, of misschien wel tot _amen_. Maar ik moet je 'r bijzeggen, dat wij katholieken geen kracht, macht en heerlijkheid hebben. (Het Katholieke _Onze Vader_ eindigt met: "Maar verlos ons van den booze." Het protestantsche heeft nog dezen zin erbij: "Want U is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid, amen." _Jansen_ zou dus een sterker krachttoer doen als-ie de _Vulgata_ aan z'n pink liet hangen gedurende 4 protestantsche Pater Nosters dan nu hij 't doet gedurende 4, kortere, katholieke! v.C.) Dat scheelt altijd 'n beetje. En ... er is niets apocriefs in de _Vulgata_ (De z.g. apocriefe boeken: toevoegingen van later datum aan het Oude, zoowel als het Nieuwe Testament, die niet hetzelfde gezag als deze hebben en er niet mee op een lijn worden gesteld. De Vulgata is dus minder _zwaar_ dan een protestantsch bijbel-boek waarin die apocriefen wel zijn af gedrukt. De goeie man vertelt dat allemaal, om zich niet "grooter voor te doen dan hij is"! v.C.) Met een protestantschen bijbel zou ik 't wel laten, dat vat je wel." Neen, Wouter vatte het niet! of althans hij begreep niet _alles_. Maar de conclusie nam-i goedig aan. Hij hield zich overtuigd dat pater Jansen bijzonder sterk in z'n pink was, en zou voor die overtuiging in den dood gegaan zijn.

"Ja, 't is 'n heel ding niet waar? En dàt kan nu pastoor Koens weer niet. Zoo zieje dat God altijd ieder 't zijne geeft. _Maar ik heb Stijn verboden 't hem te zeggen. Hij mocht eens verdrietig worden omdat-i 't me niet na kan doen_, en dit hoeft niet, want _zulke dingen komen toch in ons vak maar zelden te pas_.

Uit het _eerste_, door mij gecursiveerde, deel van dezen zin blijkt u _Jansen's_ goedheid, maar het wekt tevens de hinderlijke gedachte bij u op: hij zelf vertelt het, hij pronkt ermee, en daardoor gaat ge twijfelen aan het echt-zijn dier goedheid I Maar het _tweede_ is van zulk een bekoorlijke naïefheid--vooral dat "vak"!--dat ge inziet, dat hij 't niet vertelt om ermee te pralen, maar uit louter onbewuste, kinderlijke openhartigheid! _Gij hebt hier dus voor u een sterk bewijs voor de [p.242] waarheid van wat ik hierboven zei: die kinderlijkheid drenkt en belicht zijn zedelijke schoonheid, en door de eerste erkent ge de laatste als echt_.

Maar eens toch heb ik er echt schik van gehad ... niet van die _Vulgata_, meen ik, maar dat God me zoo sterk gemaakt heeft. Hij doet niets voor niemendal, houd je dáár maar aan vast! Verbeeldje, ik was op 't Simmenarie, en daar woonde-n'n boer in de buurt, 'n rijke boer. Hij heette Koremans, maar hij was heel rijk, en hij had veel arbeiders in z'n dienst, meiden en knechts, allemaal boerenmenschen, dat begrijp je wel. Een van de meiden heette Trineken, en ik dacht dat Koremans goed en gul was, maar och, ik heb er geen pleizier in, je dat te vertellen. (Jelui zult later wel merken waarom, v.C.) Waartoe dient het? Liever vertel ik je-n'n ander stukje, iets van hèm, van pastoor Koens. Dàt moet je hooren!" 't Speet Wouter dat-i niets van Trineke te weten kwam. Met allen eerbied voor de gaven van pastoor Koens, gaf-i de voorkeur aan 'n boeremeisje. Hij was in de jaren que tout ce qui porte jupon intéresse; (= dat alles wat 'n japon draagt, belang inboezemt, v.C.) en in z'n verbeelding vertaalde hij elk onbekend vrouwspersoon in "Femke" of ... iets als Femke, (het meisje, waarop hij "verliefd" is. v.C.) Maar hij begreep toch dat-i den goeden Jansen niet dwingen mocht in de keus van z'n onderwerpen, en hij luisterde zoo aandachtig mogelijk.... (Wij doen dit _niet_, om --ruimte te winnen, en luisteren pas weer, als Wouter aandringt de geschiedenis van Trineke te hooren. v.C.)

"Maar, m'nheer, wat was er met die Trineke?"

"Och, ik heb me verpraat. Ik had den man z'n naam niet moeten noemen, want het past me niet, iemand zwart te maken na z'n dood."

"Wat had-i gedaan met die Trineke?"

Uit dat _gedaan_, blijkt dat het romantische Woutertje op zijn minst aan 'n half dozijn onteeringen of iets dergelijks denkt!