Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 22

Chapter 223,500 wordsPublic domain

"Gedaan? Niets! Ik wil 't je wel vertellen, maar spreek er nooit over. Misschien leven z'n kleinkinderen nog, en hoe zou jij 't vinden als men kwaad sprak van je grootvader? Koremans was juist niet minder dan andere boeren, en daarom zou 't me leelijk staan z'n naam te bekladden, maar waar is waar! Hij was héél rijk, en goed voor de kerk, o best! In onze kapel--want we hadden 'n kapel in 't Simmenarie--hing 'n geelkoperen _Sebastiaan_ ('n heiligbeeld. v.C.) met z'n lijf vol pijlen, wel duizend pond zwaar ... nu, die was van hèm. En opschepperig [p.243] was-i als we hem bezochten, goedgeefs ... je hebt er geen begrip van! Aan brood of kaas of karnemelk was nooit gebrek, al kwamen we met z'n twintigen ... net 'n zoete-n-inval! En z'n dochters zetten rozijnen op brandewijn, en daar dronken wij simmenaristen van dat het 'n aard had. Maar dat kregen we alleen als er feest was, doopen of paschen of trouwen, of zoowat. En eens zou een van z'n dochters trouwen--'t was al de derde, want daar de mâskes veel meekregen, wou ieder ze hebben--en wij kwamen gelukwenschen en werden best onthaald, maar de bruid keek sip, (je zult later wel zien, waarom! v.C.) en we dronken brandewijn op rozijnen, en er was 'n pret van belang ... op de bruid na! Maar op eens ... och, jongeheer, ik had 't je eigenlijk niet moeten vertellen. Je belooft me toch zeker dat je er nooit over spreken zult?"

"Nooit, nooit, m'nheer, op m'n woord van eer!"

"Wàt? Nu, je belooft het, dat 's genoeg."

Dat "op m'n woord van eer" van Woutertje, die zich voortdurend een ridder of zoo iets droomt, is kostelijk. Maar nog kostelijker is Jansens verbaasde "Wat?" daarop, en allerbest dat hij in z'n eenvoud heelemaal niet begrijpt, dat Woutertje daar iets heel plechtigs mee bedoelt, integendeel, hij schijnt het iets minder dan een gewone, eenvoudige verzekering te achten, maar enfin, denkt hij, hoe gek ook, hij hééft 't beloofd, dat is genoeg!

Dat ik schik van de zaak gehad heb, is waar, en nòg! Want je zult hooren hoe sterk ik geweest ben, en toch was ik nog niet eens terdeeg uitgegroeid. Je begrijpt, 'n jongen in _theologie-tweede_ is anders nog niet veel mans. Nu, we aten en dronken, en er zou gedanst worden ook. Dit mocht eigenlijk niet, en als 't in 'n ander huis gebeurd was, zouden we zeker straf gekregen hebben, maar _Rector_ zag wat door de vingers als 't bij Koremans gebeurde, om dien _Sebastiaan_, weet-je, en ook omdat-i weleens in z'n wagen naar stad reed en roomkaas kreeg. Ik was dol op dansen ... in dien tijd. Nu zou 't niet meer staan! En ik zou dansen met de bruid, die ik graag lijden mocht ... vroeger.

Hier _schijnt_ onze groote kunstenaar "er even uit." Immers dat "vroeger" beteekent: nu ik priester ben, zou mij dat _niet_ geoorloofd zijn "haar graag te mogen lijden." Welnu als dit een soort liefde was, die hem als priester niet geoorloofd is, dan was het hem, den hoogreine, ook niet geoorloofd, terwijl hij zich van _die_ liefde _bewust_ was, met Lies te dansen. [p.244] Neen, hij was toen nog geen priester, máár: hij zou 't worden èn _zij was immers met een ander verloofd_. Jansen, mag, wil zijn figuur volmaakt gaaf blijven, niet geweten hebben dat zijn liefde een "zondige" was, en Multatuli laat het hem klaarblijkelijk wèl weten. Maar begrijpen we 't goed: _nu_ weet ie-'t, _toen_ wist hij 't _niet_. Men zie mijne ontleding van de geheele figuur aan 't eind van dit hoofdstuk.

En ze hield van mij ook wel, dat weet ik zeker.

Dit is schitterend. Jansen blijkt hier duidelijk de naïef-reine, tot wien het heelemaal niet is doorgedrongen zelfs op dit oogenblik, dat Liesje niet alleen "van hem hield" maar dat zij hem liefhad als een vrouw een man.

Juist toen we beginnen zouden, bemerkte ik, dat Trineke er niet was en ik vroeg: waar is Trineke? Want anders was ze-n-'r altijd bij, net als de andere knechts en meiden, maar nu was zij er niet. En dat zag ik, en ik vroeg er naar aan Lies, en ook aan Koremans zelf. Lies was de bruid, weet-je, die met me dansen zou, en wel 't allereerst, omdat ik 'n weddingschap van haar vrijer had gewonnen ... ook al over sterkte. "Trien is ziek," zei Koremans, "en ga nu je gang maar met Lies." "Is Trineke ziek," vroeg ik, "en waar is ze dan?" Want dàt wou ik weten. "En," zei ik, "ik ga nu me gang met Lies niet, voor ik weet waar Trineke is." ................................................................... "Nu moet ik je iets zeggen, jongeheer, dat me in de ziel leed doet...."

"Ik zal er heusch niet over spreken," beloofde Wouter, die meende dat-i 't geheim van 'n moord te bewaren kreeg en bang was dat Jansen 't verhaal afbreken zou.

"O, _dit_ mag je wel vertellen, 't kan soms nuttig wezen dat men 't weet. Ik wou je dan zeggen--maar 't spijt me toch--dat de boeren ... soms niet heel lief omgaan met hun volk. Die oude Trineke...."

"Hé?"

Wouter krijgt 'n slag op z'n hart, nu hij hoort, dat Trineke _oud_ was. Hij had van een of andere romantische geschiedenis van een jong, natuurlijk "beeldschoon" boerinnetje gedroomd. Prachtig is dat weer, hoe Multatuli _Woutertje_ doorvoeld heeft!

... die oude Trineke kon haast niet meer voort, en ik had [p.245] al meer gemerkt, dat men haar achteraf-zette en wegdeed als er wat vroolijks voorviel op den deel. En ik vroeg weer, waar Trineke was, en zei dat ik niet dansen wou voor ik wist wat haar scheelde. Want toen ik den vorigen keer bij Koremans was, had ik al gemerkt dat ze erg hoestte, en nog kaduker was dan gewoonlijk. Ze was 'n beetje mank ook, maar ze had altijd braaf gewerkt.... O, bij Koremans z'n ouders al! En daarom vroeg ik waar ze was. "Ze is op 'r bed," zei Lies, "en ik begrijp niet wat je hebt uittestaan met dat ouwe mensch. Kom dans maar!" En ze wenkte den speelman dat-i beginnen zou. Maar ik liep weg om Trineke te zoeken, want het was me alsof God me ingaf--dit gebeurt soms--dat ze slecht behandeld werd. En Lies me na! En Koremans ook! Je moet nu geen kwaad van dat meisje denken omdat ze me naliep. 't Was maar dat ze niet wou dat ik Trineke zou vinden, en weten waar ze lag. Want ...ze lag in den stal. Maar dat wist ik niet, en Koremans zei 't me niet--dat begrijp je wel--maar 't was of God 't me ingaf. En ik stond vóór den stal, en vroeg: "is ze hier?" maar Koremans durfde niet antwoorden, en Lies riep weer: "wat wil je toch met dat ouwe mensch?" Maar ik zei: "met jou dans ik niet!" en 't speet 'r. Toen vroeg ik aan Koremans of-i de deuren van den stal wou openen? "Neen," zeid-i, "en ze is er niet!" En ik zei dat ze er wel was, en vroeg 't hem nòg eens, want men moet 'n mensch altijd tijd laten om zich te beteren. Dat doet God ook. Maar hij zei weer neen, en Lies wou me vasthouden, maar ik duwde haar weg, en zette m'n schouder tegen de staldeur dat ze kraakte, en ... ik was erin, hoor! Vindt je dat niet sterk? Ik heb er nog schik van.

"En Trineke, m'nheer?"

"Welzeker, daar lag ze-n-als de reiziger uit 's heeren Schrift! 't Was naar en akelig om aantezien. Heel lang heeft ze niet meer geleefd, maar ... ze is toch behoorlijk gestorven op 'n kristelijk bed. Want ik heb Koremans onder handen genomen, dat verzeker ik je!"

...................................................................

"En Liesje, m'nheer?"

"Ze had er veel weet van dat ik zoo driftig geweest was, en toen Trineke op 'n bed lag, vroeg ze-n of ik nu met haar dansen wou? Maar ik wou niet. En toen bracht ze Trineke een glas brandewijn met rozijnen en krentenkoek, dat heel versterkend is bij de boeren, en toen vroeg ze weer of ik met 'r dansen wou, en ik deed het, maar zonder veel pleizier. Ik schoof maar zoo'n beetje heen-en-weer, en Liesje was ook anders. En ze wou haar huwelijk uitstellen, maar Koremans was er kwaad om, en haar vrijer ook. Ik geloof dat-i me niet lijden mocht ... zeker om die weddenschap."

[p.246] Let op de gedachtenverbinding bij _Jansen_. Hij vertelt dat Liesje's vrijer boos was, omdat zij het huwelijk wilde uitstellen, en dadelijk daarop zegt hij: "Ik geloof" enz. Daarmee verklapt hij onwillekeurig, zich ervan bewust te zijn, dat de vrijer Liesje's plan haar huwelijk uit te stellen, weet aan iets, dat in verband stond met Jansen's persoon, maar dat _niet_ de Trineke-geschiedenis was! Hij bemerkt echter onmiddellijk, dat hij zich verklapt heeft en om Wouter op een dwaalspoor te brengen, voegt hij er gauw bij: "zeker om die weddenschap."

Hier zweeg Jansen 'n oogenblik: en 't scheen wel of z'n gedachten minder vroolijk waren dan naar gewoonte. Misschien "schoven ze maar zoo'n beetje heen-en-weer, zonder veel plezier."

Een toespeling op Jansen's verhaal van hoe hij met Liesje danste na de Trineke-geschiedenis. Deze toespeling heeft dus de waarde van een voortreffelijke vergelijking, een mooi "beeld," en geeft hetzelfde genot!

Wouter was wreed genoeg, de herinneringen van den ouden man aantezetten tot wat gehuppel. Ja zelfs hij verwachtte een flinken sprong, 'n _saut périlleux_ (= 'n gevaarlijke sprong, v.C.). De onkunde der jeugd is wreed--_cet âge est sans pitié_, (= deze leeftijd kent geen medelijden, v.C.) zei de fabeldichter--en Wouter wist niet wat-i deed, toen hij vroeg: "En is Liesje met haar vrijer getrouwd, m'nheer?"

Immers deze vraag moet _Jansen_, die Liesje op 'n heel andere manier heeft liefgehad, dan hij zelf _indertijd_ wist, schrijnende pijn doen.

................................................................... "En, m'nheer, bezocht u Liesje niet? (Nadat ze getrouwd was en "bleek en verdrietig en ziek was geworden." Ze leefde ook niet lang meer. v.C.) Neen, want haar man was niet heel vriendelijk als ik naar haar vroeg. Ik geloof dat-i bang was dat ik iemand mee zou brengen, dien-i misschien liever niet zag. Want Liesje ... kijk de zaak was zóó. (Jansen ziet in, dat hij tegenover Wouter zich niet langer van het voorwendsel van die weddenschap kan bedienen! v.C.) In 't dorp zei iedereen dat ze liever 'n ander had, als ze 't maar had durven zeggen. Maar dit durfde ze juist niet, omdat die ander van de kerk was. Ja, ja, ik weet wel wie 't was, ook!"

"Hé?" vroeg Wouter die 't ook meende te weten.

[p.247] Wouter denkt, zeer terecht, dat 't Pater Jansen zelf was. Vandaar z'n verbaasd "Hé?" nu hij gaat inzien dat de Pater meent, dat 't een ander was.

"Ja, maar zeg 't niemand. Ik had al lang gemerkt dat ze zoo best op de hoogte was van onze uitgangsuren, en als we-n-om karnemelk kwamen, stond zij aan 't venster. Ook soms aan 't hek, maar zoodra we naderbij kwamen, ging ze naar binnen, net als iemand, die niet weten wil dat-i uitgekeken heeft. Zoo zijn de meisjes, en dit wist ik heel goed, want nergens doet men zooveel menschenkennis op als op 'n Simmenarie."

Dit is heerlijk.' Humor van de allerbeste soort. Op 't zelfde oogenblik, dat hij blijk geeft zoo onschuldig te zijn als 'n pasgeboren kind, zegt hij, zooveel menschenkennis op 't Simmenarie te hebben opgedaan!

Nu, dat ze-n-altijd zoo uitkeek, was zeker om Kruger, 'n besten, besten jongen!

O, hoe prachtig is dit: met dit "'n besten, besten jongen!" verdedigt Jansen zijn vriend tegen eigen innerlijk misprijzen, 't Beteekent zoo iets als: Neen, ik _wil_ geen kwaad van hem denken.

En dat haar man zoo stuursch tegen me was, zal ook zeker om Kruger geweest zijn. Misschien dacht-i dat ik hem zou meebrengen, en dat zou ik ook misschien wel eens gedaan hebben, want Kruger was m'n beste vrind, en hij hield _bijna net zooveel_ van Liesje als ik. O, heel veel!

In dat "bijna net zooveel" ligt een wereld! Pater Jansen moge zich-zelf onder bedwang hebben, hij moge z'n afkeurende gedachten over 'n vriend het zwijgen opleggen, hij make zich-zelf diets, dat pastoor Koens zoo'n beste jongen was--wij weten en hij weet o.a., dat jonge fatsoenlijke meisjes niet graag bij hem biechten gingen!--als hij denkt aan zijn eigen liefde voor Liesje, dan is het met dat zich-diets-maken uit. Hij ziet plots de smetteloos reine verschijning _zijner_ liefde, en daarnaast, daar ver onder: de waarschijnlijk zinnelijke, oppervlakkige van Pastoor Koens. En wilde hij ze al gelijk stellen, het woord besterft hem op de lippen. Hij voelt dat dat heiligschennis wezen zou en hij mòet 't zeggen, dat [p.248] heerlijke, ook ter wille van Liesje: dat zijn liefde grooter was. Maar in 'n laatste poging zich-zelf neer te buigen en z'n vriend omhoog te tillen, verkleint hij den afstand tusschen beide liefden: "_bijna net zooveel_." O, het is om te schreien en te juichen tegelijk....

Tot zoover was Jansen gevorderd met z'n vertrouwelijkheden, toen 't paar de Haarlemmerpoort bereikte. Wouter had gaarne meer vernomen van de roerende tragedie die niet recht scheen begrepen te worden door een der hoofdpersonen zelf.

Immers Liesje was op _Jansen_ verliefd en deze denkt dat ze 't op _Kruger_ was.

Hij voelde wel dat Jansen eigenlijk meer verteld had dan-i zich veroorloofde te weten. Of _wist_ hij meer?

Er zit hier een moeilijkheid. We moeten daar even bij stilstaan. Indien men zegt dat iemand meer vertelt dan hij zich veroorlooft te weten, dan beteekent dit ongetwijfeld, dat het juist heel zeker is dat die verteller het weet, maar dat hij eigenlijk zich-zelf of anderen niet bekennen wil dàt hij 't zéker weet. Daarna dan bij wijze van tegenstelling te vragen: "of wist hij meer?" heeft geen zin. Wij moeten dus aannemen, dat Multatuli tegen het gewone spraakgebruik in met dat "meer dan-i zich veroorloofde te weten," bedoelde: meer dan-i werkelijk _wist_. (Dus ironisch. In den zin van: meer dan-i zich de weelde veroorloofde te weten.) En dáárop volgt dan logisch: "Of wist hij meer?" Het antwoord wordt in het volgend stukje tekst te _gissen_ gegeven.

Gedurende het doorgaan van de duistere bochtige poort had de man gezwegen. De eigenaardige galm die door dat zonderlinge gewelf dreunde en 't spreken moeilijk maakte, was daarvan zeker de oorzaak. Maar toen ze weer in de open lucht kwamen, klaagde Jansen over den vreeselijken tocht die hem de oogen vol zand gewaaid had. "Zou je wel gelooven, jongeheer, dat ze 'r van tranen? En ik ben moe ook."

Jelui zult al wel begrepen hebben, dat hij geschreid en dáárom ook niet gesproken heeft.--En nu het antwoord op de vraag, _of hij meer wist_? Dit antwoord moet m.i. aldus [p.249] luiden: In zijn jeugd, _terwijl de geschiedenis met Liesje voorviel_, dacht hij, dat Liesje niet hem, maar Kruger liefhad. Zoowel zijn naïveteit als zijn zelf-geringschatting verklaren dit voldoende. Trouwens, ware het anders, dan zou deze smetteloos-reine toch onmiddellijk den omgang met Liesje afgebroken hebben om haar liefde niet aantewakkeren. Vandaar dan ook, dat hij zegt, dat hij _misschien_ Kruger wel eens zou meegenomen hebben. D.w.z. hij zou misschien toegegeven hebben aan den aandrang van den vriend, om hem mee te nemen, maar met zijn volle instemming zou hij dat niet gedaan hebben. Immers hij was natuurlijk van meening, dat Kruger haar liefde niet mocht aanwakkeren. En dit is dan ook de reden hier, waarom hij, zooals we merkten, innerlijk Kruger _geen_ "beste jongen" vindt. Daarna, bij 't klimmen der jaren echter, zijn hem, in zijn stil peinsleven, de oogen opengegaan. Hij heeft toen begrepen, dat Liesje _hem_ heeft liefgehad. Maar dan, om zijn gemoedsrust te bewaren en de nijpende smart om het verloren geluk tot zwijgen te brengen, is hij zich gaan _diets maken_, wat hij _eerst_ in wáárheid geloofde, nml. dat zij Kruger liefhad. Als men weet hoe gemakkelijk menschen langzamerhand in de waarheid van eigen vaak herhaalde onwaarheden gaan gelooven, dan begrijpt men zeker, hoe betrekkelijk licht dit ook dezen _priester van een suggestief wondergeloof_, in zijn _lang leven_ moet gelukt zijn. Op 't oogenblik dus, dat hij Wouter vertelt, dat Liesje Kruger liefhad, vertelt hij geen _bewuste_ onwaarheid. Maar dan weer, door de aandoenlijkheid van zijn verhaal--bij dat _bijna net zooveel_--uit zijn zelf-gesuggereerde denk-sleur geheven, staat plotseling één vreeselijk oogenblik, de lang weggeduwde, de diep verborgen waarheid, groot en ontzettend voor zijn oogen, en in de duisternis van de poort snikt hij zijn wee uit, om 't verloren heil ... de nutteloos uitgebloeide liefde....

Hiermede zij de behandeling van _Woutertje Pieterse_ beëindigd.

En nu een bekentenis: vóór het schrijven heb ik altijd een zekeren angst, dat ik mijn onderwerp niet voldoende recht [p.249] zal doen wedervaren, of, op deze plaats, te moeilijk zal zijn, daarnà--zelden het gevoel geslaagd te zijn....

Wat zal jelui na het lezen hebben? Mag ik mij vleien, dat het de begeerte zal wezen, zelf het kunstwerk in z'n geheel te genieten?

* * * * *

NOTEN:

[1] Voor 't eerst gepubliceerd als inleiding tot de literatuur-afdeeling van den boekerij-catalogus van den A.N.D.B.

[2] Op dit laatste: het innig-doorvoeld hebben van de eenheid van het zijnde berust dit, wellicht edelste, vermogen van den literairen kunstenaar: het maken van treffende vergelijkingen (het "scheppen van beelden"). Want dit _is_ niet anders dan het weten der eigenschap, die overigens uiteenloopende dingen gemeen hebben.

[3] Zie, _na dit geheele betoog ten einde te hebben gelezen_, de noot op blz. 216.

[4] Zie hierin tevens het bewijs en de verklaring van de stelling (zie pag. 211) waarom noodzakelijk elke weergave-in-kunst schoonheid is.

[5] Ik heb vermeden, 't geen ik nu zeggen ga, in het voorafgaande betoog op te nemen, om eenigen niet ervaren lezer het verstaan niet noodeloos te bemoeilijken en hem van den hoofdweg af te leiden. Nu moge het echter tot juister en vollediger begrip hier een plaats vinden. Overal, waar in het betoog sprake was van "objectiviteit" bij het waarnemen en weergeven, werd dit _nimmer in absoluten zin bedoeld_. Het is bijna onnoodig te zeggen, dat _onze subjectiviteit altijd waarneming en weergave kleurt_. "Objectieve waarneming en weergave" wil dus, zoo kort mogelijk gezegd, hier niet anders beteekenen dan die waarneming en weergave, waarin geen enkel ander element van subjectiviteit aanwezig is, dan hetgeen _onvermijdelijk_ voortvloeit uit den aard der _natuurlijke individualiteit_ van den waarnemer en weergever.

[6] In _Het Jonge Leven_ was een Hildebrand-artikel aan dit opstel voorafgegaan.

[7] De moeite van dit "losmaken" werd mij intusschen bespaard door de voortreffelijke uitgave van _Woutertje Pieterse_ der _UitgeversMij. Elsevier_.

[8] Verwekt dus ook de _goede_ romantiek soms in den daarvoor ontvankelijken lezer, een overdreven voorstelling van de werkelijkheid,--de _slechte_ romantiek _is_ die "overdrijving" _in zich-zelf_. _Zij_ vervalscht den _gewonen middelslag-mensch_ tot een _grooten_ mensch, groot zoowel in het goede als in het kwade, doet hem leven in omstandigheden, waarin zulk een mensch _niet_ leeft en laat hem daden verrichten, die zulk een mensch _niet kan_ verrichten.--

[9] Hier volgde in het oorspronkelijk artikel het schitterende "Avondje bij juffrouw Pieterse." Slechts één door mij bij het citeeren gemaakte opmerking--de andere zijn voor een algemeen publiek te weinig belangrijk--zij hier herhaald: De dialoog in dat gedeelte van ons boek, staat slechts _ten deele_ in _dialect. Multatuli_ achtte zich na het toonen van een staaltje daarvan, ontheven van den _kunstenaarsplicht_, den dialoog aldus weer te geven. _Zeer onjuist_ èn jammer ook, omdat nu iets van de _groeps_-karakteristiek verloren gaat.

[10] Hier: blz. 211 en 214.

[11] De voorstelling van een begrip, een zaak, als persoon.

[12] Causaliteit = oorzakelijkheid, het verband tusschen oorzaak en gevolg. (Denk aan het fransche _cause_ = oorzaak). Het is hier natuurlijk de plaats niet om uitteweiden over alles wat hieraan vast zit. Genoeg zij 't, dat Multatuli tot die wijsgeerig-denkenden behoorde, die meenen, dat elke oorzaak _noodwendig_ het gevolg heeft, dat eruit voortspruit, m.a.w.: zij had nimmer een ander gevolg kunnen hebben. Waarom hij dan ook aan de causaliteit den naam _Fancy_ geeft, zal u nu wel duidelijk zijn. Immers: het kunstvoortbrengen, zegt hij, is niet iets willekeurigs, dat hij doen of laten kan wanneer het hem belieft, maar hij doet het slechts, wanneer hij door zijn innerlijken drang ertoe wordt gedwongen. Die drang is de resultante, het uitvloeisel van de factoren, die te zamen den mensch Multatuli vormen. Hij is dus een gevolg, een werking van de causaliteit, van al de _oorzaken_ namelijk, die den mensch Multatuli en zijn denken en doen tot noodwendig _gevolg_ hadden. En, zegt hij óók, _Fancy_ inspireert, fluistert hem zijn scheppingen in. _Fancy_ is dus één met de causaliteit, een personificatie ervan.--

[13] Multatuli-zelf ziet deze kinderlijkheid wel als een gebrek. Het eenige wat ik daarvan zeggen kan is--dat de vader hier zijn eigen kind niet goed gekend heeft! 't Geen niet behoeft te verwonderen. De verklaring ligt voor de hand, waarom dit verschijnsel juist bij gróóte schrijvers voorkomt. De voortreffelijke G.K. Chesterton geeft er in zijn onlangs verschenen _Criticisms and appreciations of Charles Dickens' Works_ eenige aardige bij Dickens voorkomende staaltjes van. Tusschen haakjes: ik kan den Engelsch-kennenden onder mijne lezers, dit luchtig en geestig geschreven en zooveel juist inzicht bevattend werk warm aanbevelen.--

[14] Menigeen zal het gek vinden, dat ik zoo voortdurend van _Pastoor Jansen_ als van een werkelijk geleefd hebbende persoon spreek. Maar men bedenke, dat het 't _levensware_ is, dat iets geschikt maakt er _levenswaarheden_ aan te demonstreeren, en dat is evenzeer bij een door _de Kunst_ als door de Natuur _geschapen_ mensch aanwezig.--

* * * * *

HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN [p.251]

I.