Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 31

Chapter 313,407 wordsPublic domain

Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge _wordt gedwongen_ Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem _nu_ niet met de oogen, ge ziet hem met uw _ziel_. Het _leven_ [p.339] wordt door de meesten slechts door de _oogen_ gezien, kunst _als zoodanig_ nooit anders dan door de _ziel_. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.

Dáárom is een man als Heins in _kunst_ het voorbehoedend _geneesmiddel_,

Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke, gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. _Zie goed toe wat ge doet_: gij zijt geboren om _iets schooners dan het verleden_ te helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht; de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en "geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is verachtelijk, omdat zij _ondeugd_ is, de uwe zou het niet alleen zijn omdat zij ondeugd, maar ook _belachelijk-van-dwaasheid_ ware. Gescheiden door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als _zij_ waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht, zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf [p.340] zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw zuster is--wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te zien. Neen, dan zoudt ge niet _iets schooners dan het verleden_ kunnen stichten, om de eenvoudige reden, dat _gij-zelf helaas nog iets leelijkers dan het verleden zoudt zijn_. Als eens de ontwikkeling van het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien, dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte, vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn torenspitsen rijzend dat te boven--want de ethische _leer_ eener maatschappij rijst _altijd_ hooger dan haar ethische _werkelijkheid_--; _als een open hof_, verstaat ge: waarheen iedereen zal _kunnen_ gaan _die wil_, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij _willen_ zùllen, dat hangt óók van _u_ af, lieve vrienden. Van de economische omstandigheden, van den _maatschappelijken ringbouw_, hangt slechts af of zij zullen _kunnen_: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet _verspert_. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking tot slechtheid zijn. Zeker, _deze gedachte is waar_, maar er zal _genoeg_ verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het _zal van de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles_ moet _geleidelijk_ zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die ontwikkeling aanvangen en volhouden. _Neemt u in acht!_ Er was nooit heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te bereiken--nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en of nimmer ontspruit, òf opkomt [p.341] met dorrende knoppen en verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....

Alles _groeit geleidelijk_. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10] Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang, menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen. Wie niet langzamerhand bij vele _kleine_ gelegen-heidjes gestreefd heeft naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die _kleine_ gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet denken, dat als de _groote_ gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het _niet bij hem kan opkomen_, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van _Het Voedsel der Goden_ geciteerde woorden: "_zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn_." Zonder zulke gewoonten geen vaste en eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt _morgen_ iets te doen, _nooit_ iets doet, [p.342] zóó laat degeen, die zich bij het plegen van _vele lichte vergrijpen_ voorneemt, de _zwaardere_ na te laten, ten slotte ook die zwaardere _niet_ na. En ge herinnert u wel uit mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en fantasievol schrijver, maar toch geen--"zedepreeker"?

* * * * *

_Heins_ wil zich dus _Geertje_ van den hals schuiven. De kentering in z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje aangegeven:

Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie nou al op!...

--Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog effetjes....

En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer zou gaan zitten.

--Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!

Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.

Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.

Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond open--zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.

God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd, dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?

Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het naïef-trotsche in _Geertje_ de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone hoogte en wijdte opvoeren. Bij _Geertje_ hebben telkens beide plaats. In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat _Jan_ haar, _Geertje_, lief heeft, dat ze [p.343] "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet. De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van _Geertje_ de onbeschaamdheid van het gemeene te zien. _Verre van daar:_ het is de trots der onschuld, die zich, _intuïtief_, rein voelt. _Verstandelijk_, als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt _Geertje_ zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld, maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar _ziel_, dwars door de telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik niet slechts, ik zal het u bewijzen:

Zij een zoon, een zoon van Jan....

Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor haar bed.

_En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen, haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo innig liefhad; haar_ te vergeven, _zoo ze kwaad deed;_ en het haar kind niet aan te rekenen--om Jezus' wil.

Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling Vondel's _Jozef in Dothan_: als de broeders Jozef in den put gesloten hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:

Het lust ons om dees duisternissen Des puts, al 't hemelsch licht te missen: Want zulke duisternissen zijn Ons schoener dan de zonneschijn. Wij willen hier een hemel stichten, Verzien met aengenamer lichten Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....

Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van _Geertjes_ leven de engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. _Geertje_ ligt te bed).

Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef bewegingloos, [p.344] wijd de oogleden open, wetende _dat haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht._[11]

Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in 't zwart zat te staren.... _En nu lag zij hier saâm met haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn_--_altijd met het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht_. Ze had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen....

En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van _Geertjes_ innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en -kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat _zij_ in _dien_ geestlijken toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint zich:

--Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.

--Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.

Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe dingen te zeggen--_want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met oogen die ook niets zeiden_.

--Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.

--Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.

In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins _afwacht_, wàt _Geertje_ hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, [p.345] dat hij haar hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van heel het verleden, laten voelen, dat het is _afgedaan_, dat hij feitelijk niets meer met haar te maken heeft.

Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.

--Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!

--Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn tegegekomme....

Zij wist al. Toch zei ze:

--Je zou me schrijven.

--_Ik jou schrijve?_... aarzelde hij. Toen opeens rad:--_Ja! A'k gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit_.

Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De dialoog is hier _prachtig_!

--Oóm?... Wàt he't die?

Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.

_Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak me niets wijs_.

Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel een prachtige vondst heeft gedaan!

--Hé't ie jou daar niks van verteld?

--'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.

Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. _En deze gedachte verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:_

--Zie je! Je weet t'er wél van....

--Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?

--Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.

--Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.

Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.

--Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?

--Jij bij de kommesaris! Waarvoor?

Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was [p.346] haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."

--_Jok d'r toch niet om_! zei Jan fier. * * * * *

Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje, zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met het _mom_ der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te intimideeren.

--'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....

--Nou dan!

--Ja maar da's ook al!

--Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)--_Ja, da' was stom. Ik weet et wel_. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.

--_Wist ie me naam_?

--De vent wist alles!... _Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je femielje mo' je 't hebbe_.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'K DOCH DADELEK AN DE MOGELEKHEID D A'K JE NOG US ZOU KUNNE TROUWE. M'AR DE WET VERBIEDT 'EN HUWELIJK TUSSE MENSCHE DIE E ... OVERSPEL HEBBE GEPLEEGD. BEKENDE-N-IK, NOU, 'T WAS VOOR EEUWIG NIE' MOOG'LEK. OFFISJEELE BEKENTENIS!... 'k Heb alles geloochend, wat j' Oom gezeid had....

--En?....

--[p.347] En niks. Toe kon ik gaan.

Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:

--M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne. _Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek._ DA' WEET JE WEL. MAAR WE MOTTE UIT MEKAARS BUURT BLIJVE. JUIST VOOR LATER. OM NIKS TE BEDERVE. Want je begrijp, ze loere nou op me.

Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.

De eerste door mij gecursiveerde woorden: van _Heins_ z'n standpunt was dat juist een slimme zet. _Geertje_ heeft voor hem afgedaan. En het beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz. Maar _Geertje_ moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan _haar_ zijde en _tegenover_ zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van zich-zelf te vinden.--In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje, ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de ander grijpt nu onmiddellijk--in het daarop volgende kursieve--slim de gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in de door mij gespatiëerd [hier in hoofdletters, M.D.] gedrukte zinnen verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij geciteerde dialoog is schitterend, maar hièrin is hij _allerprachtigst_ getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat _Geertje_ nu te verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de _laatste_ door mij gespatiëerd [hoofdletters, M.D.] gedrukte woorden buit hij verder zijn vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!

Als _Geertje_ nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel [p.348] twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te redeneeren en als haar edele oom, na eerst _Heins_ voor den "commesaris" te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs--hij de oom van de gedupeerde!--er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late," dan denkt _Geertje_, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat _Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind, "zijn Ismael" te zorgen!_... Een ziel als die van _Geertje_ doet, om zoo te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen, is ten goede.--Nadat _Geertje_ doodziek is geweest en helle-angsten heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel zei: indien wij _Geertje_ in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te verklaren, dat de platzinnelijke _Gerrit Holkers_ haar daarvoor houdt. Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en treiterend tegen _Geertje_ heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en vlucht naar _Maandag_.

* * * * *