Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 30

Chapter 303,699 wordsPublic domain

Is het niet _prachtig_, hoe hier in die paar regeltjes niet alleen de _oogenblikkelijke_ gemoedstoestand van het jonge, zwakke, lieve meisje, maar ook heel haar _aard_ wordt blootgelegd, deels door het vermelden harer gedachten, maar deels ook door dramatische beelding: het scheppen van handeling. In den eersten door mij gecursiveerden zin vindt ge haar besluit, om koste wat het kost, nu eens flink te zijn, maar ach, na dat ééne uitstekende comedie-vertooninkje van Oom, is er van dat besluit al niets meer overgebleven. [p.327] De dáárop volgende door mij gecursiveerde zin beeldt uitmuntend in _handeling der gelaatstrekken_, om 't zoo eens te noemen, Geertjes verlegenheid, haar zich plots weer klein voelen. En dan volgt in de door mij gespatiëerde woorden het _onbewust zelfbedrog_ van dit nobele zieltje, dat zoo graag het goede wil en, nog te zwak om er bij te volharden, zich zelf voor den mal houdt en _met een surrogaat ervan zich behelpt_.

* * * * *

Nu na eenige commis-voyageurshandigheidjes van Oom, heeft Geertje dan ten slotte een dienst gekregen bij den drukker _Heins_--en, vrienden, als je daar straks het boek zelf gaat lezen (of ben je al bezig? Dat zou heel wat prettiger zoowel voor jelui als voor mij zijn!) let dan eens op wat er voorvalt bij die visite van Oom en Tante met Geertje, bij den heer en mevrouw Heins: bijv. die scène met de kinderen is uitstekend!--"een van Oom's vertrouwdste vrienden, die een groote drukkerij voor den handel heeft," zooals Oom aan Groo'va heeft geschreven. Mevrouw Heins is een ongelukkig buitje, iemand met een "krates-lijf" en 'n bleek gezicht, waaruit een roode puntneus scherpt; Heins-zelf daarentegen: "een groote heer, veel jonger dan Oom, blond op het rosse af, rood van gezondheid, met zware wangen en sterke knevel." Ziehier de manier, waarop hij, al heel spoedig, met haar omgaat:

--Nou? en jij dan? zei Meneer, toen ze meneer Maandag en hem een glas pilsener had ingeschonken.

--Dank u.

--Wat dank u? Ben jij mal? Gauw 'en glas! En 'en stoel d'er bij. Mot je nou nog meer heen en weer loope! Ik zit toch ook!

Geert liet zich gezeggen, ze wou wel zitten. Ja, ze was moe--en het bier smaakte. Hè, dat heerlijk-frissche bier! En zoo'n goddelijke avond!

--Bei jij nog bij me vrouw geweest? Ik voor 'n uurtje, maar toe' sliep ze.

Nee', gut, Geert was er niet meer geweest, sinds ze om zeven uur thee had gebracht. Maar ze zou d'alijk even gaan....

Och, nee', drink nou eerst je bier leeg. Blijf nou ook es zitte. _'t Is toch al zoo ongezellig_....

[p.328] Ja, daar had Meneer gelijk aan. Gezellig was het nooit in huis. Altijd herrie, of leeg-holle kamers, met maar 'en enkel mensch er in, heen en weer geloop naar de ziekekamer, de kinderen schreeuwend, omdat ze alleen gelaten werden, en Sefie uit d'er keuken geloopen, òf naar de straat òf naar het gangetje van de drukkerij.... _Aardig, dat Meneer die ongezelligheid ook akelig vond_: zoo iemand, die òp scheen te gaan in z'en zaken!

Ge merkt hier al, hoe een zeker intiem verband tusschen de twee _in wording_ is, doordat ze 't beide _ongezellig_ in huis vinden, tegenover de juffrouw, die de _oorzaak dier ongezelligheid is!_

* * * * *

Langzamerhand zien we Geertjes geest door het beeld van dien man vervuld worden. Truusje, z'n dochtertje, is wat hangerig. Geertje kijkt haar aan en denkt onmiddellijk: "Krek toch d'r pa z'n oogen." Maar zie dan vooral eens dit: (Geertje zit het zieke kind voor te lezen. Meneer Heins komt de kamer binnen:)

--"Mejuffrouw G. Hendriks." Eén brief! Asjeblief.

--Gut Meneer!

--Zit Geer je prettig voor te lezen, Troelala?...

Da's 'en leve'tje, hé?... Zeg, 't is hier benauwd! Jij hebt et ook warm!... _O got, doe maar niet! 'k weet toch wel da'j 'en mooie hals heb_ ... krijgt Troelala 'et niet te warm?... Laat tenminste de deur wat ope.... Zoo....

--As de Juffrouw dat maar goed vindt!

--Och jullie heb 'et hier veel te benauwd.... Zeg is, wat krij' je daar voor 'en brief! Hei je femilie in Amerika?

--Van 'en kennis....

--O zoo! U doet niet minder! Haal jij ze heel uit Amerika!... Dàg.... Dag Truuzepop!

Weg was Meneer. O, wat had Geer het land! Hoe zoo opééns nou 'en brief van Willem. _En dat Meneer dat net moest zien!_ Hoe kwam Willem (Ge weet wel: Heukelman, de boerenzoon, die op haar verliefd is. v.C.) an d'er adres! Ja, natuurlijk van Jan, en van thuis. Maar wat hattie te schrijve! Ook 'en taaie.... Hé God, dat Meneer....

Ik heb een paar zinnetjes gecursiveerd. Commentaar overbodig, niet waar? Nu oversla ik een uitmuntend stuk--met grooten spijt, vooral omdat gij het schalke, bijdehandte in Geer er aardigjes in had te zien gekregen! Maar enfin, [p.329] dat blijft weer bewaard voor jelui, als je het boek leest! Nu verder even Geertjes overpeinzingen:

Hé, wat vervelend toch, nou van die brief! Stòm ook, dat ze gezeid had "van 'en kennis." O, wat had ze daar gruwelijk spijt van! Hoe kwam ze't te zeggen ... ze wist het niet ... Laa's kijke.... O ja! toen.... Meneer-keek zoo plaag'rig. Eerst al, met dat geplaag om 'er boordje.... Toen, net of dat heel wat was, dat zij iemand kende in Amerika.... Ja, daarom had ze gezeid, "van 'en kennis." Net zoo ommers as et was.... _Maar ze zag dat Meneer et raar von_. Altijd, dan werde _z'en ooge wat anders...._ Och maar malligheid! '_t Zou um 'en zorg zijn, of zij 'en kennis in Amerika had_.... Hé nee, _ze had et gezeid om te plage_.... Waarom had hij ook geplaagd met 'er boordje....

Aan de door mij gecursiveerde zinnen ziet ge duidelijk, dat Geer zich er wel van bewust is, dat er een _aardig verhoudinkje_ tusschen haar en meneer is, en dat ze gelooft, dat het meneer _èventjes hinderen zal als hij merkt dat ze een vrijer heeft._ Geertje denkt natuurlijk niet na over eenig gevolg dat dit alles hebben kan. _Zij is daarvoor te onschuldig_. Zij is te onschuldig om in dit alles iets anders dan 'n soort aardig-vinden-van-elkaar te zien. Ja, God, waarom zou meneer haar niet mooi vinden.... Zij weet wel dat ze mooi is.... Haar jonge ijdelheidjes worden gestreeld door de gedachte, dat zoo een knappe, flinke, rijke man als meneer Heins er over nadenkt of zij wel of niet een vrijer heeft. In 't kort: men voelt door wat er van haar gebeeld en gezegd wordt, hoe zij wegdroomt telkens _in allerlei niets met de werkelijkheid gemeen hebbende voorstellingen_, welke _niet_ gezegd of gebeeld worden. _Ze wordt door haar jeugd en opgewekt liefdesverlangen meegevoerd_, buiten de werkelijkheid.--Even later komt ze beneden, meneer staat daar weer:

...--Hei je zóó'n haast!... Eerst effe vertelle: hoe was 't met die meneer in Amerika!...--_Och!.... plaag!_...

* * * * *

De tijd der kermis is aangebroken. Geer gaat met Oom en Tante en den gemeenen Gerrit Holkers, broer van tante, er heen. Deze kermis is een uitstekend brok beschrijving, [p.330] waarvan jelui "bij de lezing van het boek volop zult genieten. Laat mij 't hier slechts hebben over de _psychologie_ van Geertje, over haar liefde, en jelui aandacht vestigen op die momenten, welken den groei daarvan aanduiden. Eerst echter dit: (Geer heeft zich juist innerlijk geschaamd over een kunstenmaakster voor een der kermistenten, die veel op haar lijkt--een _zeer fijn_ stukje--en nu, plotseling, hoort ze:)

--Geer! die meid lijkt op jou!

In een zwalp van bierstank tegen haar aankletsend, plots'ling heen door het getier waar ze niet meer op lette, schrikte Oom's stemgeluid rauw haar ontstelde denken op, _en was haar nog onaangenamer, daar het haar eigen gedachte uitsprak_. 't Was haar, of 'er geheim opeens gehoord werd door de heele kermis. Zij wist niet meer, wie was beleedigd, zij of het meisje; ze schaamde zich vreeselijk over de vergelijking, en toch had ze ook diep medelijden met het meisje, over wie Oom, met dronkemanstong, in zijn afschuwelijk altijd-grappig-doen ruw dorst spreken. O, ze haatte, haatte Oom; _ze voelde opeens fel al de rampzalige schaamte over die familie van de'r, ze snakte terug naar het Hang, waar ze beter was, waar ze zich thuis voelde_; weg wou ze van zulke liederlijkheid; en het was toch de _familie_.[5]

Behalve de waarde eener voortreffelijke psychologische analyse, heeft dit stukje ook een ongemeene compositorische waarde, wijl het aantoont hoe alle omstandigheden ertoe medewerken, dat Geertje naar _Heins_ toe wordt gedreven: haar familie is haar niets meer, het huis van Heins voelt ze als haar tehuis, en ìn dat huis, is er nog een stilzwijgende verstandhouding _tusschen Heins en haar van elkander begrijpen_--zooals zij, onnoozele dupe van dien man, denkt--_tegenover_ de juffrouw, "die geen vrouw is voor Heins," en z'n leven "zoo ongezellig maakt!"--En nu die momenten, waarvan ik zooeven sprak: (Geertje zit met Oom en Tante in de tent van een liedjes-zanger. Ze denkt:)

Die twee zeker gangesjeerd. Dat de moeder van 'et meisje. 't Meisje leek nog heel, heel jong. Hè, zóó same kermishoue!... knappe jonge, d'er gelant, flink ... _gut, op wie leek nou die jonge?_ Zoo ie's bekends had ie in z'n gezicht.... Toch niet thuisbrenge.... (Ik oversla hier een stuk. v.C.) _Wat keek die

[p.331] jonge verliefd z'en meisje an ... knàppe jonge ... op wie leek ie?_.... Leegte, nou die mensche weg.... Zou 't al laat zijn.... O, vervélend, heel d'en avond.... Hè! zoo-as dat meisje uitgaan. ... netjes, met moeder, en je galant....

Ge ziet in dit stuk het _liefdesverlangen_ van Geertje, ge ziet hier ook _het aandoenlijk beroofd-zich-voelen van de wees,_ maar in de door mij gecursiveerde zinnen, zit dat andere. Hoe? Dat zult ge dadelijk zien....--Den volgenden morgen, 't is Zondag, is ze ofschoon ze vrij heeft, naar het Hang gegaan, om even wat geld te halen--Oom en Tante zitten zonder cent--en dan speelt zich daar het volgende prachtige tooneel af: (Maar o, lieve vrienden, 't geen hieraan voorafgaat: dat gedupeerd worden van de arme Geertje! hoe zij gelooft dat Heins uit _goedheid_ zoo vriendelijk, midden zijn eigen verdriet, jegens haar is.... neen als ge het boek-zelf niet leest, al die magnifieke dingen, die ik natuurlijk moet overslaan, dan zou het mij berouwen er iets over te hebben geschreven. Want dan zou ik het gevoel niet van mij kunnen afzetten, het te hebben verminkt!) Geertje is bij meneer op kantoor om geld te wisselen en hij vraagt haar of ze zich geamuseerd heeft op de kermis:

Zij wist niet of ze 't zeggen zou. Ze schaamde zich zoo over wat er was gebeurd, ze zou ommers ook liever heelemáál niet meer over de kermis hebben gesproken, maar ze had zoo'n behoefte om het te zeggen, om vertrouwelijk te doen tegenover Meneer....

(Ik oversla weer 'n stukje tekst. v.C.)

--Holkers? Da's 'en zure jonge.

--'En geméénert.

--Zoo? dat ook?... Och jee!... Dus geen pret gehad?

--Pret? Nee niks!

--Wij ... moste-n-is same kermishoue'!... Zou je wille....

Ze voelde den lessenaar wankelen. Ze hoorde heel goed hoe Meneer het meende, niks as 'en grapje, uit goejigheid, omdat ze zoo'n nare avent gehad had; _en toch kreeg z' opeens 'en angst, of z'en droom vervuld zag worden: Hij, Hij was et, gisteravent, in de tent, die mooie jonge, die daar met 'en meisje zat!_... _Got!_... Meneer, mocht toch niks merke....

--J..j ...a! stotterde ze, met gedwongen lachje, zooveel mogelijk als-vroolijk. Gauw 'et geld nu, en dan weg.

[p.332]--Wat hei' j' de kinders blij gemaak', hoorde ze zijn vriendelijke stem.

--Blij?... Mit niks!

--Nou ja, ze krijg 'et toch.

--Ik vin' 't zoo aardig van je, Geertje--streelde weer die lieve stem--da'j zoo lief ben voor me kinders. Trúúsje heb-ie opgepast ... as' en _moeder_[6]

Even dorst zij opzien. In die mooie oogen. Hij, zoo goéd, zoo'n beste vader, en zóó vriendelijk voor haar....

--'t Snoesje! zei ze.

Truus, 'en engel!

Nam meteen het geld van tafel.

Toen opeens hield hij haar hand.

Klemde die, zacht, in de zijne.

--_'k Wou da' jij de moeder was_....

--O, Meneer!

De gulden viel. Maar zij holde weg, het huis uit.

Nu heb ik wéér gecursiveerd. Ziet ge thans in, waarom ik het stràks deed?!--Overal vervolgt haar zijn beeld! Maar met die láátste door mij gecursiveerde woorden, heeft hij haar nu aan zichzelf ontdekt! Zij snelt in radeloosheid de straat op. Maar wie is in staat, zijn eigen ziel te ontsnellen? Als een obsessie hamert het in haar hoofd:

Dat _Hij_[6b] zeker nóóit us in z'en leve _gelukkig_[6c] erge's gezete had, zooals die jonge gisteravent.--Met de _Juffrouw_[6d] --_'k Wou da' jij_...."[6e]

Niet an denke....

En ziet ge weer het gevaarlijke _medelijden_ in Geertje? Ze komt thuis en moét even rusten, maar kàn niet, kàn niet. Overal ziet ze hèm, overal voelt ze hèm. En als ze dan ten slotte, na bij menschen, christelijk als haar grootvader, te zijn gegaan en daar wat norsch te zijn bejegend, er berouw over gevoelt, dat niet geduldiger te hebben verdragen, voelt zij een onbedwingbaar verlangen naar het godshuis te gaan. Als zij er komt, in haar geëxalteerden toestand, voelt zij zich als "het hijgend hert der jacht ontkomen." En dan volgt dit prachtige, dit geloofssterke, dit liefdessterke, _dat Geertjes innerlijk is_, dat uiterst reine innerlijk, _welks poorten nu, de [p.333] een na de ander worden ontsloten_. (Zij poogt haar aandacht bij de preek te bepalen, maar denkt aan hèm, aan hèm:)

(De juffrouw) zei et ommers vaak:--"Pa's kindje," op 'en toon van spot en hekel, net of Truus et helpen kon, dat ze pa z'en oogen had. Kleine snoes, gelukkig ook! as ze de ooge had van de moeder!... 't Wáre nét Meneer z'en oogen, 't zelfde bruin, zoo strálend, gróót.... Jonge, op de kermis gisteravond zette'n-ook die groote ooge, keek zoo stralend, naar z'en meisje.... Meisje lacht. En Ooge lache.... Jonge, meisje staan nou op.... Hij haar hand, en drukt de hand ... drukt nog weer ... de ooge ernstig.... Trekt haar hand meer naar zich toe....--"'k Zal uw koffie late valle!"--"Koffie? Nee, 't is maar 'en gulde, dáár, onder de lessenaar, 'k raap em op of geef 'en ander ....Toe, Geer, hóór toch, 'k heb je lief, toe, ik ben zoo ongelukkig ... 'k heb je lief, Geer, och, kom hier".... Weg lessenaar, weg tabouret. _Hij_[7] naast haar, kijkt bedroefd-vol-liefde.... Zalig! Zalig!--"Nog 'en zoen, zóó je hoofd"....

Hé, haast gevalle----

... Groote God! wat gebeurt er met 'er! Heeft ze.... Ja, ze heeft geslapen. 't Vrouwtje naast haar kijkt ontstemd, z'is tegen die an gevalle, in d'er slaap.... Wat vreeslijkheid! Ooge dicht! Ze durft niet rondzien! Zoo iets droome ... en dan hier! In de kerk zoo zondig droome! Wat zeit daar de Dominee! O, hij spreekt over Judas' smarte.... Lang stuk heeft ze niet gehoord, zitte slape, was zóó moe ook. Hé, d'er hoofd barst van de pijn en dat steke van de zon daar, altoos met die-n-eene straal, daar vlak vóór d'er. Jee, ze beeft, ze klappertandt. En zoo warm hier. He't ze koorts? O, ze is zoo ongelukkig!

In een wroeging van zich schuldig voelen, in een vrees voor zonden, herinnert ze zich nu tal van teksten, die _overspel_ verbieden. En dat stuk is pràchtig; en het spijt mij heel erg, dat ik het moet overslaan, al mag ik de opmerking niet weerhouden, dat ik wel gewenscht zou hebben, dat Geertje's meditatie niet zoo gerhythmeerd ware gegeven, want deze rhythmeering wordt veroorzaakt door de vroom-ontroerde psyche _van den auteur_, en kan _niet_ in 't _denken van Geertje_ aanwezig geweest zijn.

Zij bidt God om vergeving, neemt zich nu voor, voortaan geen dag meer het bijbellezen te verzuimen. En ten slotte vindt zij voor dat uur vrede:

[p.334] Goed en aangenaam voor God, o, zij moest nu bidde.... Bidde mòcht zij ook voor _Hem_[8], dat God _Hem_[7b] verand're mocht, dat ook _Hij_[7c] vond het geluk, nu was _Hij_[7d] toch zoo rampzalig, arme man, zoo'n lieve man, o, as hij tot God mocht komen ... zou ze durve? hem et zegge? Bidde mocht ze wel voor hem, en nu luist're, nu goed luist're, dan zou ook 'er hoofdpijn weggaan, kon ze aan de preek wat hebbe....

En nu wordt het mijn plicht, over _dit deel_ van het boek te zwijgen, een plicht zwaarder, voor mij, die zóó gaarne van mijn mooi-vinden anderen deelgenoot maak, dan mij wellicht ooit het spreken heeft geleken. Zwijgen moet ik over het schoone zelfbedwang, over het meesterschap, dat de kunstenaar moet hebben bezeten, toen hij vóór en nà die supreme beeldingen van Geertje's gevoel, den moed en de kracht had, om de kunstgrepen van den verleider en heel het alledaagsche leven te teekenen; dat dagdagelijksch leven met al zijn kleinheden, waarvan het Noodlot zijn onverbreekbare koraalrotsen bouwt, die de schepen doorboren en de schepelingen ten afgrond doen gaan. Zwijgen over dat prachtig- doorvoelde van Geertje's opstand tegen den Bijbel, tegen God, wijl de afgesmeekte, de afgebéden rust niet in haar komt. Zwijgen over haar drie-daagsch verblijf bij haar grootouders, die beelding èn van haar smart èn van 'r kinderlijk-onschuldige schalkheid; over dien maannacht in haar dorpje, waarin zij zich de Bruid voelt, die zich nimmer zal vertoonen aan haar Bruigom, maar heel 'r leven aan hem denken zal ... daar de vorstelijke verzen, vol van eene onmetelijke weelde, van Salomo's _Hooglied_, gelijk een godsstem openklinkend in haar ziel, zegenend de zang van haar groot-menschelijk gevoel begeleiden. Zwijgen ook over haar zich-geven aan hem, hun sexueele samenzijn, in volkomen reinheid en soberheid uitgebeeld. En zwijgen verder over heel dit opengaan van Liefde, dat bij een gelukkig menschenkind is, als het roepen van de zon naar het water en het wekken eener kleurige schoonheid van met glans-lachjes overblonken, sluimerende [p.335] vormen daarin, en dat bij haar was--arme!--een zonsverduistering gelijk, als de leden der lenigst-gevleugelden verstijven van angst en de keeltjes der tot zoet zingen geborenen, rauw gekrijsch uitsnerpen.... Want al dat schoone moet nu voor u bewaard blijven _in het boek_. Mij rest alleen nog te spreken over haar verlaten-worden, haar twijfel, haar leed, en haar heengaan-in-vrede.

* * * * *

JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.336]

IV.

Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij is, indien hij zich _Geertje_ niet van den hals wilde schuiven zoodra hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap--meestentijds _niet_ door _menschen_liefde, maar door liefde tot het _weten_ gedreven,--het bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst gegeven--haar, die evenmin door _menschen_liefde, maar liefde en drang tot _scheppen_ wordt bewogen--uit ziektestoffen voorbehoed- en geneesmiddelen te puren.

Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit: begrijpt gij _mij_ wel, weet gij het wel goed, dat ik geen "zedeprediker" ben, gij die dit weten _kunt_, die immers nu reeds sedert eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot die [p.337] soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien, en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet _schijnbaar_ een ander deel verdringt en verdrukt, door het te _veredelen_[9], maar het _werkelijk_ verdringt en verdrukt door het te _verlagen_ en te _verkleinen_. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele hartstocht bij _Heins_ verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere verlaagt, die wordt _zelf_ een _verlager_. Zijn _leven-in-de-menschelijke- samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel._ Zooals een deel van zijn [p.338] wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en schaadt hij--een deel der menschelijke samenleving--de andere deelen. Zóó als het sexueele in _Heins_ àl het andere in hem schaadt, zóó schaadt Heins _Geertje_ en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in _Heins_ bij een kanker vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in _die_ verhouding, in een mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, _die immers den organischen weefsels hun levenssappen onttrekt_, nu eenmaal te vergelijken ìs.

Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden? Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste _Geertje_-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als _Heins_ om te gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken--omdat ge jong zijt--hoe hij "geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" _Heins_ binnen uw gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u _eruit verwijderd_ zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor _hen_ hebben zoudt!!

Dáárom is een mensch als _Heins_ in _het leven_ de _smetstof_.