Over literatuur Critisch en didactisch

Chapter 32

Chapter 323,671 wordsPublic domain

Niet onverdeeld is door de critiek deze _Maandag_ als mensch-schepping gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: _ik ben het met de afkeurende meeningen niet eens_: Deze figuur is die van een _uitzonderingsmensch_. Zij is dus: romantisch, maar zij is _goed_-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na--waarover ik later spreken zal--naturalistisch-zuiver gebeeld is. _Maandag_ is een uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat [p.349] een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het hunne bijdragen. _Maandag_ is een kind uit een erfelijk belast gezin: 'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden _kunnen_ iemand in alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat _kan_, zeer zeker, maar slechts in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd: dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit in tegengestelden zin voor _Maandag_ waar is. _Doordat_ Maandag zoo _ongelukkig_ is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met andere ongelukkigen, maar _geen_ haat tegen het "Noodlot" of het "leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te kunnen--verwaarloozen. Hij [p.350] is een van de weinigen, die kleine plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert, verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf. Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer verbaast, omdat gij hem terugvindt in--u-zelf!

* * * * *

JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE" [p.351]

V.

Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste _Geertje_-artikel te schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch ook--en hoe diep voelt hij dit!--van het huis, waarin het zóó lang zijn mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven, wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was, om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween zal hij niets voelen.... En de heengaande [p.352] man voelt zich onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf: ach, niet de _twijfel_, of hij iets van het zijne heeft _vergeten_, maakt hem zoo onrustig, maar de _zekerheid_, dat hij _moet_ achterlaten, wat hij _nooit vergeten_ zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn dingen, die men niet meenemen kàn....

"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een ander ervan zal genieten...."

En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik _te_ subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik _niet_ heb _kunnen_ zeggen en wat ik niet _goed_ heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te doen zijn.

* * * * *

Ik zal nu ik spreken ga van het leven van _Geertje_ in Maandag's huis, natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij afwezigheid van zijn zuster, _Maandag's_ huishouden bereddert. Die uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen [p.353] tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. _Geertje_ heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt hij bij haar, in _Maandag's_ huis:

--Groo'va!...

Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw den vorigen dag met een--"Nou, ejuus dan," hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en _de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken._

Dit laatste door mij gecursiveerde is een _zeer fijne opmerking_ van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte toeschijnt, maar _Geertje-zelf_ hier voelt, dat die handbeweging haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.

--Ben je alleen? bitste de vermaanstem.

--Ja Groo'va.

--_Het tocht hier_.

Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!

Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.

--Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.

--_Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?_

Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte, door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den dag: _Hij_ mag zóó weinig ontroerd [p.354] zijn door den aanblik van z'n mishandelde en vertrapte kleindochter; _hij_ mag zoo weinig fijn gevoel bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"--_Zij_ daarentegen moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van- eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig- voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen zijn....

Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.

--Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.

-- Heb je Groo'va vergeving gevraagd?

Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...

Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:

--Heb ù al om vergeving gevraagd?

--Ik? Ik heb me niet laten onteere!

--Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou gebruike....

Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:

--Stilte!

Juist als vroeger op school.

--Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.

Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:

--Ga daar zitten.

Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester--anders was hij niet voor haar.

[p.355] Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn, wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En _welk recht_ hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet hoonen en nog dieper verachten.

Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met botte dofheid.

Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens bebrommen.

--Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!

Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de lippen.--_Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net iemand, die de soep te zout vindt_.

Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet begrijpende oude haar verder zeggen zal, is _Geertje_ nu tot een toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het waarnemingsververmogen [p.356] van den eerbiedige ten opzichte van den geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt--men ziet dit bijvoorbeeld aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien--wordt bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het bijzijn van een als-meerdere-erkende, _verdoft_ het waarnemingsvermogen vaak--en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in het _doffer, gevoileerd_-worden van den blik!--in het bijzijn daarentegen van den als-mindere-geschatte, _verscherpt_ het waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts, enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut, omdat 't het streven naar het goede, wat men _niet_ bezit, wakker maakt, maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder nut, omdat men in dien vrijeren omgang _zelf_ zich ontwikkelt, en ontplooit wat men _wèl_ bezit.

--Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.

Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:

--Ik heb et u ommers al geschreven.

--Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. _Ons kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft_. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar....

--_Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn_!...

Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het _subjectieve_ recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan [p.357] doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid niet scherp zouden laken, _in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter optreedt_. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat _hem_ paste, ware: te zwijgen, liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit _Job_ herinnerd: "Leg uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier _Geertje_ en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij het woord der Joodsche Wijzen--ja ik ben zeer hebreeuwsch van avond!--"Er zijn _nieuwe_ kruiken, waarin _oude_ wijn is, en _oude_ kruiken, waarin zelfs geen _nieuwe_ wijn is."--In die uiting van _Geertje_--ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen--vindt ge opnieuw de bevestiging van wat ik zei, _den sleutel tot het begrijpen van dit boek_: Geertje is _geen_ "verleid dienstmeisje," máár: een heldin der liefde, een van die _zeldzame menschen, die de zeer groote liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die liefde trouw blijven,_ Wie die eigenschap bezit, _al bezit hij geen enkele andere van even hooge ontwikkeling_, behoort reeds _daardoor_ tot de _psychisch-heel-grooten_.--Laten we het verder verloop van het onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de [p.358] schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:

_Des_ langen ouden groote hand beroerde den schouder _des_ bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.

De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van _De Familie Kegge._[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "_de eigenschappen van Kegge's smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen, gedrenkt, en daarmee een zijn geworden."_ Welnu, iets dergelijks is ook hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden doordrongen en verhard. Ge _voelt_ en _hoort_ en _ziet_ daardoor alles onmiddellijk, terwijl, indien er een _andere_ zin stond, die u nochtans _hetzelfde_ zou _mededeelen_, ge er slechts een _verstandelijk begrip_ van zoudt krijgen!--Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene--hoe aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:

--Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!

--Vergete!?!

Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and're gevoel gaat.

Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt [p.359] hun het goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed, zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van Geertje!--

Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de auteur van die opgeruimdheid deze _prachtige_ psychologische verklaring--te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen: (De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)

Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:--"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:--"Ik kom."

Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar _dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep_--en haar doen van den ganschen avond bleef hem een raadsel, zoet ... máár angstig....

Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor altijd liefheeft!--En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar, althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had. Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten huize van Heins, van die voorname mevrouw, [p.360] die haar man heeft laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En dus blijft _mij_ niet anders over dan het een fout te achten, een barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.

* * * * *

Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het socialisme en zijn strijders eindigt--een waardig einde....

NOTEN:

[1] Blz. 224.

[2 = een klein onvolgroeid wezen.--Herinner ik mij wel, dan noemt deze groote Fransche romancier in zijn _Pêcheurs d'Islande_, 'n jongen ambtenaar, die uit gebrek aan fijn doorvoelen, op ruwe wijze een oud vrouwtje 'n verschrikkelijke tijding mededeelt] "un petit être incomplet."

[3] Waardoor een kunstenaar die macht heeft: zie daarover mijn opstel: _Over literaire kunst en Is. Querido's Studiën_, of, in dèzen bundel: Het Hist.-Materialisrne in de Lit. Critiek.

[4] Alle cursiveering is van mij.

[5] Cursiveering van dit woord: door den schrijver.

[6] Cursiveering van den auteur.

[7] Cursiveering van den auteur.

[8] Cursiveering van den schrijver.

[9] Dit laatste: het _schijnbare_ verdringen door _veredeling_, ziet men bijv. in die groote figuren, welke zich niet meer kunnen hechten aan personen, omdat: hun _menschen_liefde _gegroeid_ en _veredeld is_ tot _menschheids_liefde.

De menschenliefde is dus in hen niet verdrongen en verlaagd, maar leeft integendeel gegroeid en veredeld in hen voort! Precies zooals het _kind_, dat wij vroeger waren, _gegroeid_ en, laten wij hopen, _veredeld_ is tot den _volwassen mensch_, die wij nu zijn.

[10] Dat artikel is in dezen bundel niet opgenomen.

[11] Alle cursiveeringen zijn van mij, tenzij het tegendeel wordt gezegd.

[12] Niet in dezen bundel opgenomen.

* * * * *

INHOUD

I. CRITISCH.

BRIEVEN OVER LITERATUUR.